HvJ EU 12 oktober 2023, C-326/22, ECLI:EU:C:2023:775
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
12 oktober 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Kredietovereenkomsten voor consumenten – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 16, lid 1 – Contractuele rechten en verplichtingen – Vervroegde aflossing – Verlaging van de totale kredietkosten voor consumenten – Verlies van een exemplaar van het contract – Recht om van de kredietgever een kopie van de overeenkomst te ontvangen”
In zaak C‑326/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 18 maart 2022, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2022, in de procedure
Z. sp. z o.o.
tegen
A. S.A.,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: Z. Csehi (rapporteur), kamerpresident, I. Jarukaitis en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 april 2023,
gelet op de opmerkingen van:
– Z. sp. z o.o., vertegenwoordigd door M. Plichta, A. Tomaszewska, radcowie prawni, en O. Wojciechowski,
– A. S.A., vertegenwoordigd door P. Bieżuński, radca prawny, en K. Staszel, adwokat,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kozak en S. Żyrek als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Z. sp. z o.o., een vennootschap naar Pools recht, en A. S.A., een bankinstelling (hierna: „bank”), over een verzoek om documenten over te leggen en informatie te verstrekken met het oog op de invordering van een schuld, waarvan Z. de cessionaris is, overeenkomstig het bedrag dat de bank verschuldigd is uit hoofde van de verlaging van de totale kredietkosten, die voortvloeit uit de vervroegde aflossing.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Overweging 39 van richtlijn 2008/48 bepaalt: „De consument moet de mogelijkheid krijgen om voor het verstrijken van de in de kredietovereenkomst gestelde termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. […]”
4 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚consument’: een natuurlijk persoon die bij transacties in de zin van deze richtlijn handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen; […] g) ‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen; […] m) ‚duurzame drager’: ieder hulpmiddel dat de consument in staat stelt persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt; […]”
5 Artikel 10 van richtlijn 2008/48, met als opschrift „In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”, bepaalt in lid 1: „De kredietovereenkomst wordt op papier of op een andere duurzame drager opgesteld. Elke overeenkomstsluitende partij krijgt een exemplaar van de kredietovereenkomst. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale voorschriften inzake de geldigheid van het sluiten van kredietovereenkomsten, mits deze voorschriften overeenstemmen met het gemeenschapsrecht.”
6 Artikel 16 van deze richtlijn, met als opschrift „Vervroegde aflossing”, bepaalt in lid 1: De consument heeft het recht om zich te allen tijde volledig of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.”
Pools recht
7 Bij de Ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (Dz. U. van 2011, nr. 126, volgnr. 715) in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet op het consumentenkrediet”), is richtlijn 2008/48 in de Poolse rechtsorde omgezet.
8 Artikel 49 van de wet op het consumentenkrediet bepaalt: „1. In geval van volledige aflossing van het krediet vóór de in de overeenkomst vastgestelde einddatum worden de totale kredietkosten verlaagd met de kosten die betrekking hebben op de periode waarmee de looptijd van de overeenkomst is ingekort, ook wanneer de consument deze kosten vóór de aflossing heeft betaald. 2. In geval van aflossing van een deel van het krediet vóór de in de overeenkomst vastgestelde datum is lid 1 van overeenkomstige toepassing.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 Tussen 14 november 2015 en 24 juli 2018 heeft de bank vijftien consumentenkredietovereenkomsten (hierna: „betrokken kredietovereenkomsten”) gesloten met zes particulieren (hierna: „consumenten”). De consumenten hebben hun krediet vóór de in de betrokken kredietovereenkomsten vastgestelde vervaldag terugbetaald en hebben vervolgens hun schuldvorderingen voor de bedragen die de bank op grond van artikel 49, leden 1 en 2, van de wet op het consumentenkrediet na die vervroegde aflossing verschuldigd was aan Z. overgedragen.
10 De consumenten beschikken echter niet meer over hun exemplaren van de betrokken kredietovereenkomsten, zodat zij deze niet aan Z. hebben kunnen overhandigen.
11 Z. heeft evenwel het bestaan van de schuldvorderingen van de consumenten geverifieerd bij de Biuro Informacji Kredytowej (bureau voor kredietinformatie, Polen).
12 In die omstandigheden heeft Z. bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld om van de bank de afgifte van een kopie van de betrokken kredietovereenkomsten en de daarmee verbonden overeenkomsten, met name de verzekeringsovereenkomsten, en bepaalde informatie over die kredietovereenkomsten te verkrijgen. De bank stelt dat zij juridisch niet verplicht is om deze gegevens te verstrekken.
13 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 16 van richtlijn 2008/48, gelet op het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, consumenten het recht verleent om documenten op te vragen, zoals een consumentenkredietovereenkomst na vervroegde aflossing ervan en informatie over de datum en het bedrag van de terugbetaling, wanneer de verkrijging ervan noodzakelijk is om in te schatten of het opportuun is om in voorkomend geval een vordering in te stellen zonder dat het risico wordt gelopen dat de procedurekosten aan de tegenpartij moeten worden terugbetaald of dat een deel van de schuldvordering is verjaard.
14 In dit verband herinnert de verwijzende rechter er ten eerste aan dat het Unierecht en de nationale wetgeving een hoge bescherming voor de consument beogen te waarborgen en bepalen dat consumenten in geval van vervroegde aflossing van het krediet recht hebben op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst. Volgens nationaal recht moet het bestaan van deze schuldvordering evenwel door de consument worden bewezen, hetgeen niet mogelijk is zonder aan de bevoegde rechter de overeenkomst over te leggen en zonder nauwkeurige vaststelling van de schuldvordering op de datum waarop het krediet is afgelost.
15 Verder is de verwijzende rechter van oordeel dat indien de consument het recht wordt ontzegd om een kopie te ontvangen van de kredietovereenkomst wanneer hij niet langer beschikt over het origineel, dit tot gevolg heeft dat het niet alleen onmogelijk wordt om na te gaan of de berekening van de door de kredietgever terug te betalen bedragen, zoals deze door hem is uitgevoerd, juist is, maar ook om te beoordelen of een eventuele vordering in rechte tot terugbetaling van die bedragen economisch voordelig is. Bovendien merkt hij op dat de consument de zwakste partij is bij de overeenkomst en niet beschikt over de middelen zoals die waarover instellingen als banken wel beschikken, om alle belangrijke documenten intact te bewaren.
16 Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat, indien de consument niet het recht zou hebben om van de kredietgever te eisen dat hij hem een kopie van de kredietovereenkomst verstrekt, dit tot gevolg zou hebben dat het verlies van het origineel van die overeenkomst dat de consument bij de sluiting ervan heeft verkregen, in feite tot gevolg zou hebben dat hem de daadwerkelijke mogelijkheid wordt ontnomen om de door de kredietgever op grond van artikel 49, leden 1 en 2, van de wet op het consumentenkrediet verschuldigde bedragen terug te vorderen. Dergelijke uitlegging zou afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het door artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 aan de consument toegekende recht op verlaging van de kosten van het krediet, doordat hij het risico loopt dat zijn op dit recht gebaseerde schuldvordering wordt afgewezen, dat hij aan de kredietgever procedurekosten moet terugbetalen of dat hij wordt geconfronteerd met de verjaring van zijn schuldvordering.
17 In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 16, lid 1, van [richtlijn 2008/48] in het licht van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat de consument of de ondernemer aan wie de consument zijn rechten uit hoofde van deze richtlijnbepaling heeft overgedragen, op grond daarvan van de kredietgever kan vorderen dat hij een exemplaar van de overeenkomst (alsook van de algemene voorwaarden die deel uitmaken van de overeenkomst) overlegt en informatie omtrent de aflossing van het krediet verstrekt die noodzakelijk is om na te gaan of de berekening van de aan de consument betaalde bedragen uit hoofde van de proportionele terugbetaling van de totale kredietkosten naar aanleiding van de vervroegde aflossing ervan juist is, en die noodzakelijk is om een vordering tot eventuele teruggave van bovenvermelde bedragen in te stellen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Vooraf zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat de zaak in het hoofdgeding tussen rechtspersonen wordt gevoerd, niet in de weg staat aan de toepassing van richtlijn 2008/48. Zoals blijkt uit punt 20 van het arrest van 11 september 2019, Lexitor (C‑383/18, EU:C:2019:702), hangt de werkingssfeer van deze richtlijn namelijk niet af van de identiteit van de partijen bij het betrokken geschil, maar van de hoedanigheid van de partijen bij de kredietovereenkomst. De schuldvorderingen in de zaken waarop het hoofdgeding betrekking heeft, zijn in casu ontstaan uit de betrokken kredietovereenkomsten tussen consumenten en de bank en zijn aan verzoekster in het hoofdgeding gecedeerd na de vervroegde aflossing van die overeenkomsten.
19 Hieruit volgt dat het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt.
20 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat een consument in de zin van artikel 3, onder a), van deze richtlijn, van de kredietgever kan vorderen dat hij hem een kopie van de overeenkomst overlegt en alle informatie met betrekking tot de aflossing van het krediet verstrekt die niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, maar die noodzakelijk is om, ten eerste, na te gaan of de berekening van het door de kredietgever te betalen bedrag uit hoofde van de verlaging van de totale kredietkosten ten gevolge van de vervroegde aflossing juist is, en ten tweede, die consument in staat te stellen een eventuele vordering tot terugbetaling van dit bedrag in te stellen.
21 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 39 ervan, voorziet in het recht van de consument op vervroegde aflossing van het krediet en op verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst (arrest van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 22).
22 Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 blijkt echter niet uitdrukkelijk dat de kredietgever, teneinde de consument in staat te stellen zijn recht op verlaging van de totale kredietkosten uit te oefenen, verplicht is hem een kopie van de overeenkomst over te leggen wanneer deze verloren gaat en hem de informatie te verstrekken die niet in de overeenkomst is opgenomen en die noodzakelijk is voor de berekening van het bedrag dat op grond van deze bepaling aan de consument verschuldigd is.
23 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht echter niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 26, en 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In de tweede plaats is het volgens vaste rechtspraak de doelstelling van richtlijn 2008/48 om een hoge bescherming te waarborgen voor de consument. Dit beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt (arrest van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Gelet op deze doelstelling van hoge bescherming van de belangen van de consument is het noodzakelijk dat deze kan beschikken over alle informatie inzake de kredietkosten, zodat hij de totale omvang ervan kan bepalen en dit met name om het hem bij artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 verleende recht op verlaging van de totale kosten uit te oefenen. Bijgevolg spelen de bij richtlijn 2008/48 opgelegde informatieverplichtingen een essentiële rol bij de verwezenlijking van de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling.
26 In dit verband zij opgemerkt dat uit artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 voortvloeit dat de consument recht heeft op verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst, zonder dat hij enig ander bewijs hoeft te leveren dan de vervroegde aflossing van dat krediet. Hieruit volgt dat het aan de kredietgever staat om de informatie te verstrekken die nodig is voor de bepaling van het bedrag van de verlaging van de totale kredietkosten waarop de consument recht heeft.
27 Gesteld dat de noodzakelijke informatie voor de berekening van dat bedrag niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, dan vereist de verplichting om een nuttig effect van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 te garanderen bovendien dat de consument deze informatie van de kredietgever ontvangt wanneer deze nodig is voor de berekening van dat bedrag. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in casu het geval is geweest.
28 Zoals door de Poolse regering is benadrukt, heeft de kredietgever die de consument het recht weigert op een evenredige verlaging van de totale kredietkosten op grond van de volledige vervroegde aflossing ervan, wetende dat die consument niet over de documenten van de overeenkomst beschikt, er bovendien geen rechtmatig belang bij om deze documenten voor de consument of diens rechthebbende achter te houden.
29 Ten derde zij eraan herinnerd dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 moet worden bekeken in de context ervan, namelijk hoofdstuk IV van deze richtlijn, met als opschrift „Informatie en rechten betreffende kredietovereenkomsten”. Hieruit moet worden afgeleid dat de Uniewetgever aldus uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij een nauw verband wilde leggen tussen, enerzijds, de mogelijkheid voor de consument om de rechten uit te oefenen die verband houden met de kredietovereenkomst en, anderzijds, de toegang tot informatie betreffende die overeenkomst.
30 Hieruit volgt dat de informatieverplichting, die voortvloeit uit de wil van de Uniewetgever om door middel van richtlijn 2008/48 een hoge bescherming voor de consument te waarborgen, zoals blijkt uit de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest, met name de verplichting voor de kredietgever omvat om de consument een kopie van de kredietovereenkomst over te leggen en alle informatie over de aflossing van het krediet te verstrekken die niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, maar die noodzakelijk is om, ten eerste, na te gaan of de berekening van het bedrag van de verlaging van de totale kredietkosten, waarop de consument aanspraak kan maken ten gevolge van de vervroegde aflossing juist is, en ten tweede, die consument in staat te stellen een eventuele vordering tot terugbetaling van dit bedrag in te stellen.
31 Deze uitlegging wordt bovendien bevestigd door artikel 10 van richtlijn 2008/48, dat betrekking heeft op de informatie die moet worden vermeld in de kredietovereenkomst die voorafgaat aan het bepaalde in artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48; beide bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk IV van deze richtlijn, met als opschrift „Informatie en rechten betreffende kredietovereenkomsten”. Volgens artikel 10, lid 1, wordt een kredietovereenkomst op papier of op een andere duurzame drager opgesteld.
32 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak van het Hof uit de definitie van „duurzame drager” in artikel 3, onder m), van richtlijn 2008/48 met name volgt dat die drager de consument, net als een papieren drager, moet waarborgen dat hij over de betrokken informatie beschikt om in voorkomend geval zijn rechten geldend te kunnen maken. In dat verband is relevant de mogelijkheid voor de consument om de aan hem persoonlijk gerichte informatie op te slaan, de waarborg dat de inhoud ervan niet wordt gewijzigd en dat de informatie gedurende een passende termijn toegankelijk is en de mogelijkheid om deze informatie ongewijzigd weer te geven. Een dergelijke drager moet de consument in staat stellen om toegang te krijgen tot deze informatie voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en moet een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maken (zie in die zin arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C‑42/15, EU:C:2016:842, punten 35 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Voor zover het effectieve bezit van die documenten en de informatie die zij bevatten voor dergelijke doeleinden onontbeerlijk is, moet het overleggen van een kopie van deze documenten door de kredietgever aan een consument die er niet langer over beschikt, eveneens als een verplichting worden gezien.
34 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het beginsel van voorrang van het Unierecht de nationale rechterlijke instanties met name ertoe verplicht om hun nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen teneinde de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen (arrest van 4 mei 2023, ALD Automotive, C‑78/22, EU:C:2023:379, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Meer in het bijzonder moet een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen uitsluitend particulieren, zoals in casu, bij de toepassing van de ter omzetting van een richtlijn vastgestelde nationale bepalingen deze zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van die richtlijn uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het doel ervan, onverminderd bepaalde beperkingen, waaronder met name het verbod om het nationale recht contra legem uit te leggen (arrest van 4 mei 2023, ALD Automotive, C‑78/22, EU:C:2023:379, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat een consument in de zin van artikel 3, onder a), van deze richtlijn van de kredietgever kan vorderen dat hij hem een kopie van de overeenkomst overlegt en alle informatie met betrekking tot de aflossing van het krediet verstrekt die niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, maar die noodzakelijk is om, ten eerste, na te gaan of de berekening van het door de kredietgever te betalen bedrag uit hoofde van de verlaging van de totale kredietkosten ten gevolge van de vervroegde aflossing juist is, en ten tweede, die consument in staat te stellen een eventuele vordering tot terugbetaling van dit bedrag in te stellen.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
een consument in de zin van artikel 3, onder a), van deze richtlijn van de kredietgever kan vorderen dat hij hem een kopie van de overeenkomst overlegt en alle informatie met betrekking tot de aflossing van het krediet verstrekt die niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, maar die noodzakelijk is om, ten eerste, na te gaan of de berekening van het door de kredietgever te betalen bedrag uit hoofde van de verlaging van de totale kredietkosten ten gevolge van de vervroegde aflossing juist is, en ten tweede, die consument in staat te stellen een eventuele vordering tot terugbetaling van dit bedrag in te stellen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.