HvJ EU 28 september 2023, C-671/21, ECLI:EU:C:2023:709
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
28 september 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke Europese spoorwegruimte – Richtlijn 2012/34/EU – Toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit – Artikel 45 – Programmering – Artikel 46 – Coördinatieprocedure – Artikel 47 – Overbelaste infrastructuur – Prioritering van bepaalde diensten – Prioriteitscriteria – Nationale regeling die voorziet in prioriteitsregels die verband houden met de intensiteit van het gebruik van de infrastructuur”
In zaak C‑671/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 5 november 2021, ingekomen bij het Hof op 9 november 2021, in de procedure
„Gargždų geležinkelis” UAB
in tegenwoordigheid van:
Lietuvos transporto saugos administracija,
Lietuvos Respublikos ryšių reguliavimo tarnyba,
„LTG Infra” AB,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „Gargždų geležinkelis” UAB, vertegenwoordigd door V. Nikitinas, advokatas,
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en S. Grigonis als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda, P. Messina en G. Wilms als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 45 tot en met 47 van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB 2012, L 343, blz. 32).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die door „Gargždų geležinkelis” UAB is ingeleid tegen het besluit van de Lietuvos transporto saugos administracija (toezichthoudende autoriteit vervoersveiligheid, Litouwen; hierna: „autoriteit voor vervoersveiligheid”) om haar geen capaciteit voor de openbare spoorweginfrastructuur toe te wijzen, en tegen het besluit van de Lietuvos Respublikos ryšių reguliavimo tarnyba (regelgevende instantie voor de communicatie van de Republiek Litouwen) om haar administratief beroep tegen dat besluit af te wijzen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de overwegingen 3 en 34 van richtlijn 2012/34 staat te lezen: „(3) Met het oog op integratie in een markt met vrije concurrentie is het van belang om de efficiëntie van het spoor te verbeteren, waarbij evenwel met de bijzondere kenmerken van de spoorwegen rekening dient te worden gehouden. […] (34) Teneinde transparantie en niet-discriminerende toegang tot spoorweginfrastructuur, en tot diensten in dienstvoorzieningen, voor alle spoorwegondernemingen te waarborgen, moet alle informatie die nodig is om van het recht op toegang gebruik te kunnen maken, in een netverklaring openbaar worden gemaakt. […]”
4 Volgens artikel 3, punt 20, van deze richtlijn wordt onder „overbelaste infrastructuur” een infrastructuurgedeelte verstaan waarvoor gedurende bepaalde perioden, zelfs na coördinatie van de verschillende capaciteitsaanvragen, niet volledig aan de infrastructuurcapaciteitsvraag kan worden voldaan.
5 Op grond van artikel 3, punt 26, van die richtlijn is een „netverklaring” een gedetailleerde verklaring waarin de algemene regels, termijnen, procedures en criteria voor de heffings- en capaciteitstoewijzingsregelingen zijn vastgelegd, met inbegrip van alle andere informatie die nodig is om de aanvragen van infrastructuurcapaciteit mogelijk te maken.
6 Volgens artikel 3, punt 27, van richtlijn 2012/34 is een „treinpad” de infrastructuurcapaciteit die nodig is om een trein in een bepaald tijdvak tussen twee plaatsen te laten rijden.
7 Hoofdstuk IV van richtlijn 2012/34 heeft betrekking op de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur en de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit. Afdeling 1 („Algemene beginselen”) van dat hoofdstuk IV bevat onder meer de artikelen 26 en 27.
8 Artikel 26 („Effectief gebruik van infrastructuurcapaciteit”) bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat de heffings- en capaciteitstoewijzingsregelingen voor spoorweginfrastructuur voldoen aan de in deze richtlijn vervatte beginselen om zodoende de infrastructuurbeheerder in staat te stellen de beschikbare infrastructuurcapaciteit op de markt te brengen en zo effectief mogelijk te benutten.”
9 Artikel 27 („Netverklaring”) bepaalt in lid 1: „De infrastructuurbeheerder stelt na overleg met de belanghebbenden een netverklaring op en maakt deze verklaring bekend, welke te verkrijgen is tegen betaling van een vergoeding die de kosten van bekendmaking ervan niet mag overschrijden. […]”
10 Afdeling 2 („Heffingen voor het gebruik van infrastructuur en diensten”) van hoofdstuk IV van richtlijn 2012/34 bevat onder meer de artikelen 31, 32 en 36.
11 Artikel 31 („Heffingsbeginselen”) bepaalt in lid 4: „De in lid 3 bedoelde infrastructuurheffingen kunnen een heffing omvatten voor het capaciteitsgebrek van gespecificeerde infrastructuursegmenten tijdens perioden van overbelasting.”
12 Artikel 32 („Uitzonderingen op de heffingsbeginselen”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1, vierde alinea: „De infrastructuurbeheerders kunnen de marksegmenten verder onderverdelen naar goederensoort of passagierscategorie.”
13 Artikel 36 („Reserveringsheffingen”) van richtlijn 2012/34 luidt: „De infrastructuurbeheerders mogen een passende heffing toepassen voor toegewezen maar niet-gebruikte capaciteit. Die heffing op niet-gebruikte capaciteit dient om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen. Het toepassen van een dergelijke heffing voor aanvragers aan wie een treinpad is toegewezen is verplicht indien zij regelmatig nalaten de toegewezen paden of delen daarvan te gebruiken. […]”
14 Afdeling 3 („Toewijzing van infrastructuurcapaciteit”) van hoofdstuk IV van deze richtlijn bevat de artikelen 38 tot en met 54.
15 Artikel 38 („Capaciteitsrechten”) bepaalt in lid 1, eerste alinea: „Infrastructuurcapaciteit wordt toegewezen door een infrastructuurbeheerder. Wanneer zij eenmaal aan een aanvrager is toegewezen, kan zij door deze niet aan een andere onderneming of dienst worden overgedragen.”
16 Artikel 39 („Capaciteitstoewijzing”) van richtlijn 2012/34 bepaalt in lid 1: „De lidstaten kunnen voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit een kader vaststellen, behoudens de voorwaarde van onafhankelijkheid van de beheerder, als bedoeld in artikel 4. Er worden specifieke regels voor de capaciteitstoewijzing vastgesteld. De infrastructuurbeheerder zorgt voor de afwikkeling van de procedures voor capaciteitstoewijzing. Hij draagt er met name zorg voor dat de infrastructuurcapaciteit op een eerlijke, niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het recht van de Unie wordt toegewezen.”
17 In artikel 45 („Programmering”) van die richtlijn wordt bepaald: „1. De infrastructuurbeheerder dient zoveel mogelijk aan alle infrastructuurcapaciteitsaanvragen te voldoen, met inbegrip van aanvragen voor treinpaden die meer dan één net betreffen, en dient zoveel mogelijk rekening te houden met de gevolgen van alle beperkingen voor de aanvragers, met inbegrip van het economische effect op hun activiteiten. 2. De infrastructuurbeheerder kan binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit verlenen aan specifieke diensten, maar enkel in overeenstemming met de artikelen 47 en 49. 3. De infrastructuurbeheerder raadpleegt de belanghebbenden over de ontwerpdienstregeling en geeft hun ten minste één maand de tijd om hun mening kenbaar te maken. Tot de belanghebbenden behoren behalve de partijen die infrastructuurcapaciteit hebben aangevraagd, ook andere partijen die in de gelegenheid wensen te worden gesteld opmerkingen te maken over de invloed die de dienstregeling kan hebben op hun mogelijkheden om gedurende het dienstregelingstijdvak spoorwegdiensten te verrichten. 4. De infrastructuurbeheerder neemt gepaste maatregelen om met de gemaakte bezwaren rekening te houden.”
18 Artikel 46 („Coördinatieprocedure”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. Wanneer de infrastructuurbeheerder tijdens de in artikel 45 bedoelde programmeringsprocedure op met elkaar concurrerende aanvragen stuit, tracht hij door coördinatie van deze aanvragen de meest geschikte oplossing uit te werken, die tegemoetkomt aan alle vereisten. 2. Wanneer zich een situatie voordoet, waarin coördinatie vereist is, heeft de infrastructuurbeheerder het recht, binnen redelijke grenzen een van de oorspronkelijk aangevraagde infrastructuurcapaciteit afwijkende capaciteit voor te stellen. 3. De infrastructuurbeheerder tracht door overleg met de betrokken aanvragers eventuele conflicten op te lossen. Zulk een overleg wordt gebaseerd op de bekendmaking van volgende informatie binnen een redelijke termijn, kosteloos en schriftelijk of elektronisch: a) de door alle andere aanvragers op dezelfde trajecten aangevraagde treinpaden; b) de op voorlopige basis aan alle andere aanvragers op dezelfde trajecten toegewezen treinpaden; c) overeenkomstig lid 2 op de betrokken trajecten voorgestelde alternatieve treinpaden; d) alle bijzonderheden over de bij de toewijzingsprocedure gehanteerde criteria. Overeenkomstig artikel 39, lid 2, wordt deze informatie verstrekt zonder de identiteit van andere aanvragers mede te delen, tenzij de betrokken aanvragers daarmee hebben ingestemd.”
19 Artikel 47 („Overbelaste infrastructuur”) van richtlijn 2012/34 luidt: „1. Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de aanvragers niet mogelijk is de aanvragen voor infrastructuurcapaciteit tot tevredenheid van alle betrokkenen af te handelen, verklaart de infrastructuurbeheerder het betrokken infrastructuursegment onverwijld tot ‚overbelaste infrastructuur’. Dit geldt ook voor infrastructuur die naar verwachting in de nabije toekomst met onvoldoende capaciteit te kampen zal hebben. 2. Wanneer infrastructuur tot ‚overbelaste infrastructuur’ is verklaard, verricht de infrastructuurbeheerder een capaciteitsanalyse als bepaald in artikel 50, tenzij reeds uitvoering wordt gegeven aan een capaciteitsvergrotingsplan als bepaald in artikel 51. 3. Indien gebruiksrechten in overeenstemming met artikel 31, lid 4, niet zijn geheven of geen bevredigend resultaat hebben opgeleverd en de infrastructuur tot ‚overbelaste infrastructuur’ is verklaard, mag de infrastructuurbeheerder voor de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit ook nog prioriteitscriteria hanteren. 4. Bij de prioriteitscriteria moet rekening worden gehouden met het maatschappelijk belang van een dienst in vergelijking met een andere dienst, die bijgevolg zal worden uitgesloten. Om de ontwikkeling van adequate vervoersdiensten in dit kader te waarborgen, in het bijzonder om aan de eisen van de openbare dienst tegemoet te komen of om de ontwikkeling van het nationale en internationale goederenvervoer per spoor te bevorderen, kunnen de lidstaten onder niet-discriminerende voorwaarden de noodzakelijke maatregelen nemen, opdat deze diensten bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit voorrang krijgen. […]”
20 Artikel 49 („Gespecialiseerde infrastructuur”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Onverminderd lid 2, wordt infrastructuurcapaciteit in beginsel beschikbaar geacht voor alle typen diensten die in overeenstemming zijn met de voor de exploitatie op de treinpaden vereiste kenmerken. 2. Indien er geschikte alternatieve routes bestaan, kan de infrastructuurbeheerder na overleg met de belanghebbenden bepaalde infrastructuur aanwijzen voor gebruik door bepaalde typen verkeer. Onverminderd de artikelen 101, 102 en 106 VWEU kan de infrastructuurbeheerder, wanneer die aanwijzing is geschied, bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit aan dit type verkeer prioriteit geven. Dat bepaalde infrastructuur is aangewezen voor gebruik door bepaalde typen verkeer, mag niet verhinderen dat andere typen verkeer van die infrastructuur gebruikmaken wanneer capaciteit beschikbaar is.”
21 Artikel 52 („Gebruik van treinpaden”) bepaalt het volgende in lid 1: „De infrastructuurbeheerder legt in de netverklaring vast op welke wijze hij bij het vaststellen van de bij de toewijzingsprocedure te hanteren prioriteiten rekening zal houden met vroegere benuttingsgraden van treinpaden.”
Litouws recht
22 In punt 28 van de regels voor de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur, die zijn vastgesteld bij de Lietuvos Respublikos Vyriausybės nutarimas Nr. 611 „Dėl viešosios geležinkelių infrastruktūros pajėgumų skyrimo taisyklių patvirtinimo” (regeling van de Republiek Litouwen inzake de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur, vastgesteld bij regeringsbesluit nr. 611) van 19 mei 2004 (Žin., 2004, nr. 83‑3019), zoals gewijzigd bij de Lietuvos Respublikos Vyriausybės nutarimas Nr. 355 (besluit nr. 355 van de regering van de Republiek Litouwen) van 9 april 2018 (TAR, 2018, nr. 2018‑6085) (hierna: „toewijzingsregels”), wordt bepaald: „Indien mogelijk stelt de beheerder van de openbare spoorweginfrastructuur, teneinde de toewijzingsaanvragen voor dezelfde capaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen, aan de aanvragers en/of onderhoudsondernemingen andere capaciteit voor dan die welke in hun aanvragen wordt vermeld. Indien aanvragers en/of onderhoudsondernemingen de door deze infrastructuurbeheerder van de openbare spoorweginfrastructuur voorgestelde vervangende capaciteit afwijzen, of bij gebreke van dergelijke capaciteit, past die beheerder de prioriteitsregel toe, die inhoudt dat de betrokken capaciteit wordt toegewezen aan de aanvrager die deze zal gebruiken om passagiers- en goederenvervoersdiensten op internationale routes te verrichten; indien deze capaciteit niet bestemd is voor het verrichten van passagiers- of goederenvervoersdiensten op internationale routes, wordt zij toegekend aan de aanvrager die haar zal gebruiken voor het verrichten van passagiers- en goederenvervoersdiensten op lokale routes; indien deze capaciteit niet bestemd is voor het verrichten van passagiers- of goederenvervoersdiensten op internationale of lokale routes, wordt zij toegewezen aan de aanvrager of de onderhoudsonderneming die haar gedurende het hoogste aantal dagen zal gebruiken; indien gebruik van capaciteit voor hetzelfde aantal dagen wordt voorzien, wordt die capaciteit toegewezen aan de aanvrager of de onderhoudsonderneming die heeft verzocht om de toewijzing van zoveel mogelijk trajecten op de desbetreffende route.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23 Op 3 april 2019 heeft Gargždų geležinkelis bij de autoriteit voor vervoersveiligheid een aanvraag ingediend voor de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur voor goederentreinen in het kader van de dienstregeling voor de periode 2019‑2020. Dit verzoek is doorgestuurd naar de beheerder van de openbare infrastructuur, te weten de directie spoorweginfrastructuur van „Lietuvos geležinkeliai” AB, thans „LTG Infra” (hierna: „infrastructuurbeheerder”).
24 Na onderzoek van die aanvraag is de infrastructuurbeheerder tot de conclusie gekomen dat het wegens de beperkte capaciteit op bepaalde segmenten van de betrokken spoorweginfrastructuur niet mogelijk was om in de dienstregeling alle capaciteit waar door de aanvragers (waaronder Gargždų geležinkelis) om was verzocht, te programmeren, aangezien hun aanvragen gedeeltelijk met elkaar concurreerden. Met betrekking tot het bezwaar van Gargždų geležinkelis dat de overbelasting van die spoorweginfrastructuur mogelijkerwijs kunstmatig was omdat verschillende aanvragers binnen die dienstregeling capaciteitstoewijzingsaanvragen hadden ingediend voor het vervoer van dezelfde goederen, heeft de infrastructuurbeheerder verklaard dat deze toewijzingsaanvragen geen informatie bevatten over de geplande vrachten en dat hij dus niet kon bevestigen of dat bezwaar terecht was.
25 Aangezien een van de aanvragers (niet Gargždų geležinkelis) weigerde om deel te nemen aan de coördinatieprocedure die was gestart om het geschil op te lossen, kon de infrastructuurbeheerder deze onderneming geen andere capaciteit aanbieden dan die welke in haar aanvraag was vermeld. De infrastructuurbeheerder heeft na afloop van deze coördinatieprocedure vastgesteld dat hij niet alle aanvragen kon honoreren wegens onvoldoende capaciteit en dat de infrastructuur op de betrokken segmenten overbelast was.
26 Vervolgens heeft de infrastructuurbeheerder in september 2019 een ontwerp van een gewijzigde dienstregeling doorgestuurd aan de autoriteit voor vervoersveiligheid met het oog op de vaststelling van besluiten over de capaciteitstoewijzing, samen met informatie over de effectieve capaciteit van de betrokken segmenten, die op basis van de ontvangen aanvragen was vastgesteld.
27 In dit verband heeft Gargždų geležinkelis zich op 30 september 2019 tot de autoriteit voor vervoersveiligheid gewend.
28 Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de autoriteit voor vervoersveiligheid beslist dat de infrastructuurbeheerder bij het onderzoek en de coördinatie van de bij hem ingediende aanvragen had gehandeld in overeenstemming met de vereisten van de geldende regelgeving en de rechten noch de rechtmatige belangen van Gargždų geležinkelis had geschonden.
29 Voorts heeft de directeur van de autoriteit voor vervoersveiligheid bij besluit van 17 oktober 2019 beslist om Gargždų geležinkelis de door haar aangevraagde capaciteit niet toe te wijzen, omdat die capaciteit onbestaande was. Deze capaciteit was aan andere ondernemingen toegewezen op grond van de prioriteitsregel van punt 28 van de toewijzingsregels. In dat besluit werd aangegeven dat het niet mogelijk was om vervangende capaciteit aan te bieden omdat het betrokken segment van de openbare spoorweginfrastructuur eveneens overbelast was.
30 De directeur van de regelgevende instantie voor de communicatie van de Republiek Litouwen heeft bij besluit van 13 februari 2020 het administratieve beroep van Gargždų geležinkelis tegen het besluit van 17 oktober 2019 ongegrond verklaard en derhalve verworpen.
31 Aangezien ook het beroep in rechte dat Gargždų geležinkelis bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) tegen het besluit van 13 februari 2020 heeft ingesteld, bij vonnis van 22 oktober 2020 is verworpen, heeft deze onderneming tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter.
32 De verwijzende rechter vraagt zich in twee opzichten af of de nationale regels inzake de toewijzing van capaciteit op de openbare spoorweginfrastructuur verenigbaar zijn met richtlijn 2012/34.
33 In de eerste plaats merkt de verwijzende rechter op dat tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode de enige oplossing voor het probleem van overbelasting van de betrokken infrastructuur erin bestond de prioriteitsregel van punt 28 van de toewijzingsregels toe te passen. Aangezien artikel 47, lid 4, van richtlijn 2012/34 de lidstaten toestaat om op basis van het soort diensten prioriteiten vast te stellen voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit, is die rechter van oordeel dat het eerste en het tweede criterium van dat punt 28, op grond waarvan de prioriteit specifiek verband houdt met het soort diensten dat de aanvrager voornemens is te verrichten, in overeenstemming zijn met deze bepaling.
34 Daarentegen geven het derde en het vierde criterium, op grond waarvan de capaciteit wordt toegewezen op basis van de intensiteit van het gebruik van het betrokken net, aanleiding tot twijfel. De verwijzende rechter zet in dit verband uiteen dat dergelijke prioriteitsregels volgens Gargždų geležinkelis niet garanderen dat het non-discriminatiebeginsel wordt nageleefd, aangezien deze regels de gevestigde vervoerder een ongerechtvaardigd voordeel verschaffen. De infrastructuurbeheerder betoogt daarentegen dat de prioritering op basis van een intensiever gebruik van het net berust op een criterium van effectief gebruik van de openbare spoorweginfrastructuur.
35 In dit verband herinnert de verwijzende rechter eraan dat de maatregelen die de lidstaten krachtens artikel 47, lid 4, van richtlijn 2012/34 kunnen treffen, onder niet-discriminerende voorwaarden moeten worden genomen.
36 De verwijzende rechter herinnert er eveneens aan dat het Hof zich in het arrest van 28 februari 2013, Commissie/Spanje (C‑483/10, EU:C:2013:114), heeft gebogen over de inhoud van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB 2001, L 75, blz. 29), die is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2012/34.
37 In dat arrest heeft het Hof met betrekking tot een bepaling van Spaans recht geoordeeld dat het criterium van het daadwerkelijke gebruik van het net als criterium voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit discriminerend is voor zover het ertoe leidt dat bij overlapping van aanvragen voor hetzelfde treinpad of bij overbelasting van het net de voordelen voor de bestaande gebruikers in stand blijven en de nieuwkomers geen toegang krijgen tot de meest aantrekkelijke trajecten. Voorts heeft het Hof de rechtvaardigingsgrond die de betrokken lidstaat in dat verband had aangevoerd, die was gebaseerd op het waarborgen van een effectiever gebruik van de infrastructuur, ongegrond verklaard, aangezien het oordeelde dat het voor het bereiken van een dergelijk doel geenszins noodzakelijk was om te discrimineren tussen de exploitanten van het net en evenmin om de toegang van nieuwkomers te blokkeren.
38 Wat de procedure in het hoofdgeding betreft, noemt de verwijzende rechter vier bijzondere omstandigheden.
39 Ten eerste heeft de mogelijkheid die door de nationale voorrangsregel, te weten punt 28 van de toewijzingsregels, wordt geboden om bij de capaciteitstoewijzing rekening te houden met de intensiteit van het gebruik van de infrastructuur – anders dan in de situatie die door het Hof in het arrest van 28 februari 2013, Commissie/Spanje (C‑483/10, EU:C:2013:114), is onderzocht – geen betrekking op het gebruik in het verleden, maar op het toekomstige gebruik van die infrastructuur.
40 Ten tweede verlenen de bepalingen van richtlijn 2012/34 die de capaciteitstoewijzing regelen, meer in het bijzonder de artikelen 45 en 46, de infrastructuurbeheerder een ruime beoordelingsbevoegdheid om eventuele geschillen over concurrerende capaciteitsaanvragen geval per geval te beslechten.
41 Ten derde mag de infrastructuurbeheerder krachtens artikel 52, lid 1, van richtlijn 2012/34 rekening houden met de vroegere benuttingsgraad van treinpaden.
42 Ten vierde stelt Gargždų geležinkelis dat, wat haar eigen aanvraag betreft, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde infrastructuur niet werkelijk overbelast is, aangezien zij voor dezelfde goederen met een andere onderneming concurreert. De kwestie van de overlappende capaciteit mag volgens haar enkel worden opgelost in het kader van de programmering en de coördinatieprocedure, zoals bepaald in de artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34, waarbij de prioriteitsregels buiten toepassing blijven teneinde te voorkomen dat de exploitant in wiens voordeel deze regels zouden werken, wordt aangemoedigd om misbruik te maken van het recht om capaciteit aan te vragen.
43 Gelet op deze overwegingen vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 47, lid 4, van richtlijn 2012/34 zich verzet tegen een nationale regeling waarin wordt bepaald dat, wanneer de infrastructuur overbelast is, bij de toewijzing van capaciteit rekening kan worden gehouden met de intensiteit van het gebruik van de infrastructuur.
44 Wat in de tweede plaats de coördinatie van de capaciteitsaanvragen en de overbelasting van infrastructuur betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de infrastructuurbeheerder volgens richtlijn 2012/34 na ontvangst van alle aanvragen eerst moet trachten deze aanvragen te coördineren alvorens in voorkomend geval vast te stellen dat die infrastructuur overbelast is en de maatregelen te treffen om het probleem van overbelasting op te lossen, zoals de toepassing van de prioriteitsregels.
45 Zo volgt uit artikel 47, lid 1, van richtlijn 2012/34 dat de prioriteitsregels enkel kunnen worden toegepast indien de infrastructuur overbelast is verklaard. Volgens artikel 45, lid 2, van deze richtlijn kan de infrastructuurbeheerder in het kader van de programmerings- en coördinatieprocedure echter prioriteit verlenen aan bepaalde diensten. Deze richtlijn staat dus prioritering toe voordat de infrastructuur overbelast wordt verklaard.
46 De verwijzende rechter vraagt zich af wat de in artikel 47, lid 1, van richtlijn 2012/34 neergelegde verplichting inhoudt om de aanvragen te coördineren en met de aanvragers te overleggen alvorens de infrastructuur overbelast te verklaren. Wat het hoofdgeding betreft, blijkt immers dat Gargždų geležinkelis concurreert met een andere spoorwegonderneming, aangezien beide ondernemingen aanvragen hebben ingediend voor gedeeltelijk identieke capaciteit.
47 Wanneer meerdere ondernemingen met elkaar concurreren voor het vervoer van dezelfde goederen, is de infrastructuur technisch gezien niet overbelast, aangezien de betrokken goederen hoe dan ook door slechts een van deze ondernemingen zullen worden vervoerd. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de infrastructuurbeheerder moet nagaan of de goederen van verschillende spoorwegondernemingen identiek zijn alvorens hij de infrastructuur overbelast kan verklaren.
48 In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Dient artikel 47, lid 4, eerste en tweede alinea, van [richtlijn 2012/34] aldus te worden uitgelegd dat het uitdrukkelijk verboden is om een nationale wettelijke regeling vast te stellen waarin wordt bepaald dat, in het geval van een overbelaste infrastructuur, op het moment van toewijzing van capaciteit rekening kan worden gehouden met de intensiteit van het gebruik van de spoorweginfrastructuur? Is het voor deze beoordeling van belang of de bezettingsgraad van de spoorweginfrastructuur verband houdt met de feitelijke benutting van die infrastructuur in het verleden of de geplande benutting gedurende de periode waarin de relevante dienstregeling geldig is? Hebben de artikelen 45 en 46 van [richtlijn 2012/34], die de infrastructuurbeheerder of de instantie die beslist over de capaciteit een ruime beoordelingsmarge toekennen om de gevraagde capaciteit te coördineren, alsmede de omzetting van die bepalingen in het nationaal recht enige betekenis bij deze beoordeling? Heeft het feit dat infrastructuur in een specifiek geval tot overbelaste infrastructuur is verklaard naar aanleiding van de aanvraag van capaciteit door twee of meer spoorwegondernemingen in verband met het vervoer van dezelfde goederen enige betekenis voor deze beoordeling? 2) Houdt de bepaling van artikel 45, lid 2, van [richtlijn 2012/34] op grond waarvan ‚[d]e infrastructuurbeheerder […] binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit [kan] verlenen aan specifieke diensten, maar enkel in overeenstemming met de artikelen 47 en 49’ in dat de infrastructuurbeheerder tevens een nationale prioriteitsregel mag toepassen in gevallen waarin de infrastructuur niet tot overbelaste infrastructuur is verklaard? In hoeverre (op grond van welke criteria) dient de infrastructuurbeheerder, voordat infrastructuur tot overbelaste infrastructuur wordt verklaard, de aangevraagde treinpaden te coördineren en te overleggen met aanvragers krachtens artikel 47, lid 1, eerste alinea, van [richtlijn 2012/34]? Moet dat overleg met aanvragers de beoordeling omvatten van de vraag of twee of meer aanvragers concurrerende aanvragen hebben ingediend voor het vervoer van dezelfde goederen (vrachten)?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
49 Met zijn tweede vraag, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter met betrekking tot het verloop van de programmering en de coördinatieprocedure als bedoeld in de artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34 in wezen te vernemen of de infrastructuurbeheerder moet nagaan of meerdere aanvragers concurrerende capaciteitsaanvragen voor het vervoer van dezelfde goederen hebben ingediend, of hij in het kader van deze procedures een nationaalrechtelijke prioriteitsregel kan toepassen wanneer de infrastructuur niet overbelast is verklaard, en in hoeverre hij de aanvragen voor treinpaden moet coördineren en met de aanvragers moet overleggen alvorens de infrastructuur overbelast te verklaren.
50 Vooraf zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 december 2021, Bank Melli Iran, C‑124/20, EU:C:2021:1035, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Krachtens artikel 38, lid 1, eerste alinea, juncto artikel 39, lid 1, van richtlijn 2012/34 wordt infrastructuurcapaciteit toegewezen door een infrastructuurbeheerder op een eerlijke, niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Unierecht.
52 Wat de programmering betreft, bepaalt artikel 45, lid 1, van deze richtlijn dat de infrastructuurbeheerder zoveel mogelijk aan alle infrastructuurcapaciteitsaanvragen dient te voldoen en zoveel mogelijk rekening dient te houden met de gevolgen van alle beperkingen voor de aanvragers, met inbegrip van het economische effect op hun activiteiten.
53 Krachtens artikel 45, leden 3 en 4, van die richtlijn raadpleegt de infrastructuurbeheerder de belanghebbenden over de ontwerpdienstregeling, geeft hij hun ten minste één maand de tijd om hun mening kenbaar te maken en neemt hij gepaste maatregelen om met de gemaakte bezwaren rekening te houden.
54 Wanneer de infrastructuurbeheerder tijdens de programmeringsprocedure op concurrerende aanvragen stuit, tracht hij overeenkomstig artikel 46, lid 1, van die richtlijn door coördinatie van deze aanvragen de meest geschikte oplossing uit te werken, die tegemoetkomt aan alle vereisten. Volgens artikel 46, leden 2 en 3, heeft hij het recht om binnen redelijke grenzen infrastructuurcapaciteit voor te stellen die afwijkt van wat oorspronkelijk was aangevraagd, en tracht hij door overleg met de betrokken aanvragers eventuele conflicten op te lossen.
55 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat noch uit artikel 45, noch uit artikel 46 van richtlijn 2012/34 blijkt dat de aard van de goederen die een aanvrager voornemens is te vervoeren, relevant is in het kader van de programmering en de coördinatieprocedure. In het bijzonder maakt dit aspect geen deel uit van de in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn opgesomde informatie die wordt bekendgemaakt met het oog op het overleg met de aanvragers.
56 Dit wordt bevestigd door de context van de artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34, die behoren tot afdeling 3 („Toewijzing van infrastructuurcapaciteit”) van hoofdstuk IV van deze richtlijn.
57 Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, wordt in deze in afdeling 3 opgenomen bepalingen van richtlijn 2012/34 betreffende de toewijzing van infrastructuurcapaciteit niet verwezen naar de goederen die worden vervoerd, maar in de bepalingen betreffende de heffingen voor het gebruik van infrastructuur in afdeling 2 van hoofdstuk IV gebeurt dit wel. Zo machtigt artikel 32, lid 1, vierde alinea, van deze richtlijn de infrastructuurbeheerder om de marktsegmenten verder te onderverdelen naar goederensoort of passagierscategorie.
58 Voor het overige vereist de doelstelling die ten grondslag ligt aan de bepalingen van richtlijn 2012/34 betreffende de toewijzing van infrastructuurcapaciteit, namelijk het in artikel 26 bedoelde effectieve en optimale gebruik van deze capaciteit, evenmin dat voor deze toewijzing rekening wordt gehouden met het soort goederen dat een aanvrager voornemens is te vervoeren.
59 Bijgevolg is de infrastructuurbeheerder niet verplicht om met het oog op de toewijzing van infrastructuurcapaciteit na te gaan of meerdere aanvragers concurrerende capaciteitsaanvragen voor het vervoer van dezelfde goederen hebben ingediend.
60 In de tweede plaats betreft de vraag van de verwijzende rechter of de infrastructuurbeheerder een nationaalrechtelijke prioriteitsregel kan toepassen de uitlegging van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2012/34, volgens hetwelk „[d]e infrastructuurbeheerder […] binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit [kan] verlenen aan specifieke diensten, maar enkel in overeenstemming met de artikelen 47 en 49”.
61 De artikelen 47 en 49 van richtlijn 2012/34 hebben respectievelijk betrekking op de „overbelaste infrastructuur” en op de „gespecialiseerde infrastructuur”.
62 Zo bepaalt artikel 47, lid 1, van deze richtlijn dat de infrastructuurbeheerder, indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de aanvragers niet mogelijk is de aanvragen voor infrastructuurcapaciteit tot tevredenheid van alle betrokkenen af te handelen, het betrokken infrastructuursegment onverwijld tot „overbelaste infrastructuur” verklaart. In dat geval kan de infrastructuurbeheerder, onder de voorwaarden van artikel 47, lid 3, voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit prioriteitscriteria hanteren.
63 Voorts bepaalt artikel 49, lid 2, van richtlijn 2012/34 dat indien er geschikte alternatieve routes bestaan, de infrastructuurbeheerder specifieke infrastructuur kan aanwijzen die door bepaalde soorten verkeer moet worden gebruikt, en bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit aan dit type verkeer prioriteit kan geven.
64 De artikelen 47 en 49 van richtlijn 2012/34 bepalen weliswaar dat prioriteitscriteria kunnen worden toegepast met betrekking tot respectievelijk overbelaste infrastructuur en gespecialiseerde infrastructuur in de zin van die bepalingen, maar artikel 45, lid 2, van die richtlijn kan niet aldus worden opgevat dat het eraan in de weg staat dat de infrastructuurbeheerder in het kader van de programmering en de coördinatieprocedure bepaalde criteria toepast, waaronder criteria die een prioriteringsaspect inhouden, mits de toepassing daarvan het mogelijk maakt om overeenkomstig artikel 39, lid 1, van deze richtlijn de infrastructuurcapaciteit op een eerlijke, niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Unierecht toe te wijzen.
65 Dit wordt bevestigd door artikel 27, lid 1, van richtlijn 2012/34, gelezen in samenhang met artikel 3, punt 26, waaruit blijkt dat de infrastructuurbeheerder een netverklaring opstelt en bekendmaakt waarin onder meer de criteria voor capaciteitstoewijzingsregelingen zijn vastgelegd. Voorts bepaalt artikel 46, lid 3, onder d), van deze richtlijn dat het overleg met het oog op de oplossing van eventuele conflicten onder meer gebaseerd is op de bekendmaking van alle bijzonderheden over de bij de toewijzingsprocedure gehanteerde criteria.
66 Het feit dat de infrastructuurbeheerder op basis van vooraf vastgestelde criteria handelt, draagt overigens bij tot de verbetering van de efficiëntie van het spoor en is van wezenlijk belang om de transparantie bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit te waarborgen, doelstellingen die respectievelijk in de overwegingen 3 en 34 van richtlijn 2012/34 worden benadrukt.
67 Wat in de derde plaats de vraag betreft in hoeverre de infrastructuurbeheerder de aanvragen voor treinpaden moet coördineren en met de aanvragers moet overleggen alvorens de infrastructuur overbelast te verklaren, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in casu weliswaar een coördinatieprocedure is opgestart om het geschil over de capaciteitstoewijzing op te lossen, maar dat een van de aanvragers, die niet verzoekster in het hoofdgeding was, heeft geweigerd daaraan deel te nemen.
68 Voorts bepaalt de nationale regeling in het hoofdgeding volgens de gegevens die door verzoekster in het hoofdgeding zijn verstrekt en tijdens de procedure voor het Hof niet zijn betwist, niet hoe de coördinatieprocedure verloopt. In casu zijn in deze procedure enkel brieven uitgewisseld.
69 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 51 en 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, de in artikel 46 van richtlijn 2012/34 bedoelde coördinatieprocedure een sleutelrol speelt bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit wanneer met elkaar concurrerende aanvragen zijn ingediend. Het welslagen van deze procedure hangt noodzakelijkerwijs af van de wil van zowel de infrastructuurbeheerder als de aanvragers om actief naar een bevredigende oplossing te zoeken.
70 Zoals in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet de infrastructuurbeheerder dus door coördinatie van de aanvragen trachten de meest geschikte oplossing uit te werken die tegemoetkomt aan alle vereisten, en door overleg met de betrokken aanvragers eventuele conflicten op te lossen.
71 Aan deze voorschriften zou echter niet worden voldaan indien de coördinatieprocedure zich in wezen zou beperken tot een eenvoudige briefwisseling waarbij de infrastructuurbeheerder en de aanvragers niet actief op zoek gaan naar een bevredigende oplossing.
72 In deze context vormt de weigering van een aanvrager om deel te nemen aan de coördinatieprocedure een omstandigheid waarmee de infrastructuurbeheerder naar behoren rekening moet houden bij het oplossen van het conflict en bij het toewijzen van capaciteit ten nadele van die aanvrager, voor zover deze niet actief met de infrastructuurbeheerder en de andere aanvragers naar een bevredigende oplossing zoekt, zoals in punt 69 van dit arrest is uiteengezet.
73 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34 aldus moeten worden uitgelegd dat de infrastructuurbeheerder in het kader van de in die artikelen bedoelde programmering en coördinatieprocedure – niet gehouden is om na te gaan of meerdere aanvragers concurrerende capaciteitsaanvragen voor het vervoer van dezelfde goederen hebben ingediend; – bepaalde criteria kan toepassen, waaronder criteria die een prioriteringsaspect inhouden, mits de toepassing ervan het mogelijk maakt om de capaciteit op deze infrastructuur toe te wijzen op een eerlijke, niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Unierecht; – in geval van conflicten moet trachten om met de aanvragers actief naar een bevredigende oplossing te zoeken.
Eerste vraag
74 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 47, lid 4, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin wordt bepaald dat, wanneer de infrastructuur overbelast is, bij de toewijzing van capaciteit rekening kan worden gehouden met de intensiteit van het gebruik van de infrastructuur.
75 Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de aanvragers niet mogelijk is gebleken om de aanvragen voor infrastructuurcapaciteit tot tevredenheid van alle betrokkenen af te handelen, verklaart de infrastructuurbeheerder het betrokken infrastructuursegment, overeenkomstig artikel 47, lid 1, van richtlijn 2012/34, onverwijld tot „overbelaste infrastructuur” – zoals in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
76 Krachtens artikel 47, lid 3, van richtlijn 2012/34 mag de infrastructuurbeheerder, indien gebruiksrechten in overeenstemming met artikel 31, lid 4, niet zijn geheven of geen bevredigend resultaat hebben opgeleverd en de infrastructuur tot „overbelaste infrastructuur” is verklaard, voor de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit ook nog prioriteitscriteria hanteren.
77 Overeenkomstig artikel 47, lid 4, eerste alinea, moet bij de prioriteitscriteria rekening worden gehouden met het maatschappelijk belang van een dienst in vergelijking met een andere dienst, die bijgevolg zal worden uitgesloten. Artikel 47, lid 4, tweede alinea, preciseert dat om de ontwikkeling van adequate vervoersdiensten in dit kader te waarborgen, in het bijzonder om aan de eisen van de openbare dienst tegemoet te komen of om de ontwikkeling van het nationale en internationale goederenvervoer per spoor te bevorderen, de lidstaten onder niet-discriminerende voorwaarden de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen opdat deze diensten bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit voorrang krijgen.
78 In het arrest van 28 februari 2013, Commissie/Spanje (C‑483/10, EU:C:2013:114, punt 95), heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van het daadwerkelijke gebruik van het net als criterium voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit discriminerend is voor zover het ertoe leidt dat bij overlapping van aanvragen voor hetzelfde treinpad of bij overbelasting van het net de voordelen voor de bestaande gebruikers in stand blijven en de nieuwkomers geen toegang krijgen tot de meest aantrekkelijke trajecten.
79 Zoals de verwijzende rechter benadrukt, had het prioriteitscriterium dat door het Hof is onderzocht in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrekking op het feitelijke gebruik van de spoorweginfrastructuur in het verleden, terwijl de nationale regeling in het hoofdgeding criteria bevat inzake het geplande gebruik van het net. Voorts moet worden geoordeeld dat een dergelijk toekomstgericht criterium zich onderscheidt van een criterium dat betrekking heeft op het verleden, aangezien ook nieuwkomers een gebruiksvolume kunnen plannen.
80 Zoals de advocaat-generaal in de punten 70, 71 en 73 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan een prioriteitscriterium dat is toegespitst op de prognoses van het toekomstige gebruik van het net echter evenzeer discriminerend zijn voor nieuwkomers, met name wanneer die prognoses zijn gebaseerd op gegevens over het recente gebruik, aangezien nieuwkomers dergelijke gegevens niet kunnen verstrekken.
81 Wat voorts de in artikel 26 van richtlijn 2012/34 vermelde en door de Litouwse regering aangevoerde doelstelling betreft die erin bestaat een effectief gebruik van de infrastructuurcapaciteit te waarborgen, moet worden opgemerkt dat het voor het bereiken daarvan geenszins noodzakelijk is om te discrimineren tussen de exploitanten van het net en evenmin om de toegang van nieuwkomers tot dat net te blokkeren (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Commissie/Spanje, C‑483/10, EU:C:2013:114, punt 97).
82 Richtlijn 2012/34 bevat immers specifieke bepalingen om een efficiënt gebruik van de infrastructuurcapaciteit aan te moedigen, waarbij zij een billijke en niet-discriminerende toegang tot het spoorwegnet waarborgt. Zo bepaalt artikel 52, lid 1, van deze richtlijn dat de infrastructuurbeheerder kan vastleggen op welke wijze bij het vaststellen van de bij de toewijzingsprocedure te hanteren prioriteiten rekening zal worden gehouden met de vroegere benuttingsgraad van treinpaden. Evenzo wordt in artikel 36 van deze richtlijn bepaald dat de infrastructuurbeheerder voor aangevraagde, maar niet-gebruikte capaciteit een reserveringsheffing mag toepassen om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen (zie naar analogie arrest van 28 februari 2013, Commissie/Spanje, C‑483/10, EU:C:2013:114, punt 98).
83 Hieruit volgt dat een prioriteitscriterium dat is gebaseerd op de geplande benutting van infrastructuurcapaciteit slechts verenigbaar is met richtlijn 2012/34 voor zover het gepaard gaat met garanties die ervoor zorgen dat het niet ten nadele van nieuwkomers wordt toegepast.
84 Bovendien zij erop gewezen dat noch artikel 47 van richtlijn 2012/34, noch de definitie van „overbelaste infrastructuur” in artikel 3, punt 20, van deze richtlijn verwijst naar de goederen die een aanvrager voornemens is te vervoeren. Het is voor de beoordeling of de infrastructuur overbelast is bijgevolg irrelevant dat in een concreet geval meerdere aanvragers capaciteit hebben aangevraagd om dezelfde goederen te vervoeren.
85 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 47, leden 3 en 4, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit in het geval dat de infrastructuur overbelast is, voorziet in de toepassing van een prioriteitscriterium dat is gebaseerd op het geplande gebruik van die capaciteit, tenzij dit criterium gepaard gaat met garanties die ervoor zorgen dat het niet ten nadele van nieuwkomers wordt toegepast.
Kosten
86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 45 en 46 van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte moeten aldus worden uitgelegd dat de infrastructuurbeheerder in het kader van de in die artikelen bedoelde programmering en coördinatieprocedure – niet gehouden is om na te gaan of meerdere aanvragers concurrerende capaciteitsaanvragen voor het vervoer van dezelfde goederen hebben ingediend; – bepaalde criteria kan toepassen, waaronder criteria die een prioriteringsaspect inhouden, mits de toepassing ervan het mogelijk maakt om de capaciteit op deze infrastructuur toe te wijzen op een eerlijke, niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Unierecht; – in geval van conflicten moet trachten om met de aanvragers actief naar een bevredigende oplossing te zoeken.
2) Artikel 47, leden 3 en 4, van richtlijn 2012/34 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit in het geval dat de infrastructuur overbelast is, voorziet in de toepassing van een prioriteitscriterium dat is gebaseerd op het geplande gebruik van die capaciteit, tenzij dit criterium gepaard gaat met garanties die ervoor zorgen dat het niet ten nadele van nieuwkomers wordt toegepast.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Litouws.