HvJ EU 14 september 2023, C-71/21, ECLI:EU:C:2023:668
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
14 september 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Overeenkomst betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen – Artikel 1, lid 3 – Grondrechten – Weigering door een lidstaat om een door het Koninkrijk Noorwegen uitgevaardigd aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen – Uitvaardiging door het Koninkrijk Noorwegen van een nieuw aanhoudingsbevel tegen dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten – Onderzoek door een andere lidstaat – Inaanmerkingneming van de weigering van de tenuitvoerlegging van het eerste aanhoudingsbevel”
In zaak C‑71/21
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 4 februari 2021, ingekomen bij het Hof op 4 februari 2021, in de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen
KT,
in tegenwoordigheid van:
Sofyiska gradska prokuratura,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, en T. von Danwitz, rechter,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, A. Joyce en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door M. Gráinne, BL,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll, C. Leeb en A. Posch als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 VEU, artikel 21, lid 1, en artikel 67, lid 1, VWEU, artikel 6 en artikel 45, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), artikel 1, leden 2 en 3, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (PB 2006, L 292, blz. 2), namens de Europese Unie goedgekeurd bij besluit 2014/835/EU van de Raad van 27 november 2014 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (PB 2014, L 343, blz. 1) en in werking getreden op 1 november 2019 (hierna: „Overleveringsovereenkomst”), en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging in Bulgarije van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door het regionale parket van Hordaland (Noorwegen) tegen KT.
Toepasselijke bepalingen
Overleveringsovereenkomst
3 De preambule van de Overleveringsovereenkomst luidt als volgt: „De Europese Unie, enerzijds, en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds, hierna ‚de overeenkomstsluitende partijen’ te noemen, geleid door de wens de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en [de Republiek] IJsland en [het Koninkrijk] Noorwegen te verbeteren, onverminderd de regelgeving ter bescherming van de individuele vrijheid, overwegende dat de huidige betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen nauwe samenwerking bij de bestrijding van criminaliteit vergen, uitdrukking gevend aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in het vermogen van alle overeenkomstsluitende partijen om een eerlijke procesgang te garanderen, overwegende dat [de Republiek] IJsland en [het Koninkrijk] Noorwegen te kennen hebben gegeven een overeenkomst te willen aangaan die hen in staat stelt met de lidstaten van de Europese Unie de overdracht van verdachten en veroordeelden te bespoedigen en met de lidstaten een overleveringsprocedure toe te passen, […]”
4 Artikel 1, leden 1 tot en met 3, van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe, overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst, de overlevering met het oog op strafvervolging of de tenuitvoerlegging van straffen tussen de lidstaten van de Europese Unie enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds te verbeteren door, bij wijze van minimumnorm, uit te gaan van de bepalingen van de Overeenkomst van 27 september 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie. 2. De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe, overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst, ervoor te zorgen dat het systeem van uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds gebaseerd is op een mechanisme van overlevering op basis van een aanhoudingsbevel in de zin van deze overeenkomst. 3. Deze overeenkomst laat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn vervat in het [EVRM] of, in het geval van tenuitvoerlegging door de justitiële autoriteit van een lidstaat, van de in artikel 6 [EU] vermelde beginselen, onverlet.”
5 Artikel 2, lid 5, van die overeenkomst luidt als volgt: „Onder ‚aanhoudingsbevel’ wordt verstaan: een beslissing van een rechterlijke autoriteit die door een staat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere staat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.”
6 In de artikelen 4 tot en met 8 van deze overeenkomst zijn de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel vermeld, en de voorwaarden waaraan de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel kan worden onderworpen.
7 Artikel 4, punt 2, van de Overleveringsovereenkomst bepaalt: „De staten verplichten de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel te weigeren in de volgende gevallen: […] 2. uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de betrokkene onherroepelijk door een staat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel volgens het recht van de veroordelende staat niet meer kan worden uitgevoerd; […]”
8 Artikel 34, lid 1, van deze overeenkomst luidt als volgt: „Onverminderd de toepassing daarvan in de betrekkingen tussen de staten en derde staten, treden de bepalingen van deze overeenkomst vanaf de inwerkingtreding ervan in de plaats van de overeenkomstige bepalingen van de ter zake van uitlevering toepasselijke verdragen in de betrekkingen tussen [de Republiek] IJsland en [het Koninkrijk] Noorwegen, enerzijds, en de lidstaten, anderzijds: a) het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, het Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 15 oktober 1975, het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 17 maart 1978 en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977, als gewijzigd bij het Protocol van 2003 wanneer dit in werking treedt; […]”
Kaderbesluit 2002/584
9 Artikel 1 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”), bepaalt het volgende: „1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel. 2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. 3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [EU], wordt aangetast.”
10 In de artikelen 3 tot en met 5 van kaderbesluit 2002/584 zijn de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel vermeld, en de voorwaarden waarvan de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel afhankelijk kan worden gesteld.
11 Artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit bepaalt: „De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‚de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen: […] 2. uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat; […]”
12 Artikel 31, lid 1, van het kaderbesluit bepaalt: „Onverminderd de toepassing daarvan in de betrekkingen tussen de lidstaten en derde staten, komen de bepalingen van dit kaderbesluit per 1 januari 2004 in de plaats van de overeenkomstige bepalingen van de ter zake van uitlevering toepasselijke verdragen in de betrekkingen tussen de lidstaten: a) het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, het Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 15 oktober 1975, het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 17 maart 1978 en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977; […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 KT, die met zijn kinderen in Bulgarije woont, wordt in Noorwegen strafrechtelijk vervolgd wegens feiten die op het Noorse grondgebied zijn gepleegd en die door de vervolgende autoriteiten zijn gekwalificeerd als fraude die het Noorse socialezekerheidsstelsel schade heeft berokkend.
14 In het kader van deze strafrechtelijke vervolging heeft de bevoegde Noorse autoriteit op 26 juli 2018 een aanhoudingsbevel tegen KT uitgevaardigd, dat via het Schengeninformatiesysteem (SIS) is verspreid.
15 Op 25 november 2019 is KT bij zijn binnenkomst in Polen aangehouden op basis van de hem betreffende SIS-signalering met het oog op zijn aanhouding.
16 Op 27 november 2019 heeft de bevoegde Noorse autoriteit een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op grond van de Overleveringsovereenkomst.
17 Op 15 januari 2020 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) de tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel geweigerd op grond van artikel 1, lid 3, van deze overeenkomst. Hij was van oordeel dat de overlevering van KT aan de Noorse autoriteiten zou leiden tot schending van artikel 8 EVRM. Volgens deze rechter zou een dergelijke overlevering tot gevolg hebben dat zijn kinderen in een pleeggezin zouden worden geplaatst en dat de band met hun vader definitief zou worden verbroken. Deze rechter heeft eveneens geoordeeld dat de Noorse autoriteiten in het kader van de betreffende strafprocedure gebruik konden maken van andere vormen van justitiële samenwerking in strafzaken met de Republiek Bulgarije.
18 Het door het bevoegde parket tegen deze beslissing ingestelde beroep is op 24 februari 2020 door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) afgewezen.
19 Op 10 maart 2020 is KT bij zijn binnenkomst op het Bulgaarse grondgebied aangehouden op basis van diezelfde hem betreffende SIS-signalering met het oog op zijn aanhouding.
20 Op 12 maart 2020 heeft het regionale parket Hordaland, Sogn og Fjordane (Noorwegen), een nieuw aanhoudingsbevel jegens KT uitgevaardigd in het kader van de strafrechtelijke vervolging in dezelfde zaak en op basis van dezelfde gronden als die waarop het aanhoudingsbevel van 27 november 2019 was uitgevaardigd.
21 Op 16 maart 2020 heeft de Sofiyska gradska prokuratura (parket van de stad Sofia, Bulgarije) de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, verzocht om tenuitvoerlegging van het op 12 maart 2020 uitgevaardigde aanhoudingsbevel.
22 In deze context vraagt deze rechter zich ten eerste af of het mogelijk is om tegen dezelfde persoon in het kader van dezelfde strafprocedure meerdere aanhoudingsbevelen uit te vaardigen.
23 Hij wijst er in dit verband op dat, gelet op de gelijkenissen die kunnen worden vastgesteld tussen de bepalingen van de Overleveringsovereenkomst en de overeenkomstige bepalingen van kaderbesluit 2002/584, kan worden overwogen om het arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel – Getuige) (C‑268/17, EU:C:2018:602), waarin het Hof deze vraag bevestigend heeft beantwoord, naar analogie toe te passen. Hij merkt echter op dat, anders dan in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanhoudingsbevelen zijn uitgevaardigd in het kader van dezelfde fase van de betreffende strafprocedure. Daarnaast bevat de Overleveringsovereenkomst geen bepaling die vergelijkbaar is met artikel 1, lid 2, van dat kaderbesluit, inzake de verplichting tot tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen.
24 Voorts vraagt die rechter zich af wat de eventuele gevolgen zijn van een eerdere weigering door een rechterlijke instantie van een lidstaat om een aanhoudingsbevel dat door het Koninkrijk Noorwegen in het kader van dezelfde strafprocedure is uitgevaardigd tegen dezelfde gezochte persoon, ten uitvoer te leggen.
25 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de gezondheidstoestand van KT fragiel is en dat hij herhaaldelijk in het ziekenhuis moest worden opgenomen.
26 In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Staan de bepalingen van artikel 1, leden 2 en 3, van de [Overleveringsovereenkomst] toe dat met het oog op strafvervolging in dezelfde zaak een nieuw aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd [tegen] een persoon wiens overlevering door een lidstaat van de Europese Unie is geweigerd op grond van artikel 1, lid 3, van die overeenkomst junctis artikel 6 [VEU] en artikel 8 [EVRM]? 2) Staan de bepalingen van artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst, artikel 21, lid 1, en artikel 67, lid 1, VWEU, en [artikel 6 en artikel] 45, lid 1, van het [Handvest] toe dat een lidstaat die wordt verzocht om tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel in een geval waarin een andere lidstaat heeft geweigerd dezelfde gezochte persoon over te leveren met het oog op strafvervolging in dezelfde zaak, een nieuwe beslissing neemt op grond dat die persoon heeft gebruikgemaakt van zijn recht van vrij verkeer en zich van de staat waar de overlevering is geweigerd heeft begeven naar de staat waaraan het nieuwe aanhoudingsbevel is gericht?”
Procedure bij het Hof
27 De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
28 Op 22 februari 2021 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen, aangezien niet was voldaan aan de voorwaarden inzake spoedeisendheid van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
29 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat meerdere opeenvolgende aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd tegen een gezochte persoon om zijn overlevering door een staat die partij is bij die overeenkomst te verkrijgen nadat een andere staat die partij is bij die overeenkomst de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel ten aanzien van deze persoon heeft geweigerd.
30 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen van de Overleveringsovereenkomst zeer vergelijkbaar zijn met de overeenkomstige bepalingen van kaderbesluit 2002/584 (arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 74).
31 In dit verband moet worden opgemerkt dat geen enkele bepaling van die Overleveringsovereenkomst uitsluit dat meerdere opeenvolgende aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd tegen een persoon, ook niet wanneer de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel ten aanzien van die persoon is geweigerd.
32 Daarnaast volgt uit artikel 1, leden 1 en 2, van de Overleveringsovereenkomst, gelezen in samenhang met de preambule ervan, dat deze overeenkomst ertoe strekt de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie enerzijds en het Koninkrijk Noorwegen en de Republiek IJsland anderzijds te verbeteren en te bespoedigen door middel van een mechanisme van overlevering dat is gebaseerd op een nauwe samenwerking tussen deze staten en op het wederzijds vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in hun vermogen om een eerlijke procesgang te garanderen.
33 Voorts bepaalt artikel 34, lid 1, van de Overleveringsovereenkomst, net als artikel 31, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, dat deze overeenkomst in de plaats treedt van de overeenkomstige bepalingen van de in artikel 34 genoemde verdragen – waaronder met name het Europees Verdrag betreffende uitlevering, ondertekend te Parijs op 13 december 1957 – in de betrekkingen tussen de lidstaten enerzijds en het Koninkrijk Noorwegen en de Republiek IJsland anderzijds.
34 De overleveringsregeling waarin die overeenkomst voorziet beoogt, evenals dat kaderbesluit, met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking tussen de staten die partij zijn bij die overeenkomst, te vergemakkelijken en te bespoedigen, en te vermijden dat een gezochte persoon die zich in een ander land bevindt dan dat waar hij een strafbaar feit zou hebben gepleegd, onbestraft blijft.
35 Zou het een uitvaardigende autoriteit van een staat die partij is bij die Overleveringsovereenkomst systematisch verboden zijn een nieuw aanhoudingsbevel uit te vaardigen wanneer de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel wordt geweigerd door een andere staat die partij is bij die overeenkomst, dan zou dit afdoen aan de doeltreffendheid van de bij die overeenkomst ingestelde overleveringsregeling en het risico met zich brengen dat personen die trachten te ontkomen aan de rechtspleging, onbestraft blijven.
36 Zo kan een dergelijke uitvaardiging noodzakelijk zijn – met name nadat de elementen die in de weg stonden aan de tenuitvoerlegging van een eerder aanhoudingsbevel zijn weggenomen, of wanneer de beslissing tot weigering van de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel niet in overeenstemming was met de Overleveringsovereenkomst – teneinde de procedure tot overlevering van een gezochte persoon te voltooien en aldus de verwezenlijking van de door deze overeenkomst nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid te bevorderen (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 141).
37 Daarentegen moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst bepaalt dat deze overeenkomst de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn vervat in het EVRM of, in het geval van tenuitvoerlegging door de justitiële autoriteit van een lidstaat, van de beginselen die zijn vermeld in artikel 6 VEU – dat met name betrekking heeft op de in het Handvest neergelegde grondrechten – onverlet laat.
38 Hieruit volgt dat het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toegestaan kan zijn om er op grond van artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst bij wijze van uitzondering en na een passend onderzoek van af te zien om aan een aanhoudingsbevel gevolg te geven, wanneer er sprake is van een gevaar voor schending van de grondrechten als bedoeld in het Handvest (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 72).
39 Het uitvaardigen van een aanhoudingsbevel waarvan de tenuitvoerlegging zou leiden tot schending van het Handvest en zou moeten worden geweigerd door de uitvoerende rechterlijke autoriteit onder de in het vorige punt uiteengezette voorwaarden, is derhalve niet verenigbaar met de in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen van wederzijds vertrouwen en nauwe samenwerking in de bestrijding van de criminaliteit (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 142).
40 Bijgevolg kan een uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij gebreke van gewijzigde omstandigheden geen nieuw aanhoudingsbevel tegen een persoon uitvaardigen nadat een uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig haar verplichting uit hoofde van artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst heeft geweigerd gevolg te geven aan een eerder tegen die persoon uitgevaardigd aanhoudingsbevel (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 143).
41 Aangezien de uitvaardiging van een aanhoudingsbevel kan leiden tot de aanhouding van de persoon tegen wie dit bevel is uitgevaardigd en dus afbreuk kan doen aan de individuele vrijheid van deze persoon, staat het in de tweede plaats aan de rechterlijke autoriteit die voornemens is een aanhoudingsbevel uit te vaardigen, om na te gaan of die uitvaardiging, gelet op de specifieke kenmerken van de zaak, evenredig is (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 144).
42 In het kader van een dergelijk onderzoek dient die rechterlijke autoriteit met name rekening te houden met de aard en de ernst van het strafbare feit waarvoor de gezochte persoon wordt vervolgd, met de gevolgen voor die persoon van het aanhoudingsbevel of de aanhoudingsbevelen die eerder tegen hem zijn uitgevaardigd, of met de vooruitzichten betreffende de tenuitvoerlegging van een eventueel nieuw aanhoudingsbevel (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 145).
43 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat meerdere opeenvolgende aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd tegen een gezochte persoon om zijn overlevering door een staat die partij is bij die overeenkomst te verkrijgen nadat een andere staat die partij is bij die overeenkomst de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel ten aanzien van die persoon heeft geweigerd, voor zover de tenuitvoerlegging van een nieuw aanhoudingsbevel niet leidt tot schending van deze bepaling en de uitvaardiging van dat nieuwe bevel evenredig is.
Tweede vraag
44 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Overleveringsovereenkomst, artikel 21, lid 1, en artikel 67, lid 1, VWEU, alsmede artikel 6 en artikel 45, lid 1, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel door een lidstaat wordt geweigerd op de enkele grond dat een andere lidstaat de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door de Republiek IJsland of het Koninkrijk Noorwegen tegen dezelfde persoon en ter zake van dezelfde feiten, heeft geweigerd.
45 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Overleveringsovereenkomst inderdaad geen bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, inzake de verplichting tot tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen.
46 Zoals in de punten 32 tot en met 34 van het onderhavige arrest is opgemerkt beoogt de overleveringsregeling waarin deze overeenkomst voorziet, evenals dat kaderbesluit, met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking tussen de lidstaten enerzijds, en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds, te vergemakkelijken en te bespoedigen, en te vermijden dat een gezochte persoon die zich in een ander land bevindt dan dat waar hij een strafbaar feit zou hebben gepleegd, onbestraft blijft.
47 Bovendien is die overeenkomst op dezelfde manier gestructureerd als dat kaderbesluit en wordt in de artikelen 4 tot en met 8 ervan een opsomming gegeven van de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel en van de voorwaarden waarvan de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel afhankelijk kan worden gesteld, net zoals in de artikelen 3 tot en met 5 van dat kaderbesluit is bepaald.
48 Hieruit volgt dat, ondanks het feit dat de Overleveringsovereenkomst geen uitdrukkelijk bepaling in die zin bevat, de staten die partij zijn bij deze overeenkomst in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een andere staat die partij is bij die overeenkomst, en de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel enkel kunnen weigeren om redenen die voortvloeien uit die overeenkomst.
49 Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest is herinnering is gebracht, kan het de uitvoerende rechterlijke autoriteit met name toegestaan zijn om er op grond van artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst bij wijze van uitzondering en na een passend onderzoek van af te zien om aan een aanhoudingsbevel gevolg te geven, wanneer er sprake is van een gevaar voor schending van de grondrechten als bedoeld in het Handvest.
50 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat er eveneens rekening dient te worden gehouden met die bepaling wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de gezochte persoon, in geval van overlevering door de staat die het aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, wordt blootgesteld aan een risico op significante daling van zijn levensverwachting of op een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand [zie naar analogie arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte),C‑699/21, EU:C:2023:295, punten 42, 50 en 52].
51 Daarentegen voorziet geen enkele bepaling van de Overleveringsovereenkomst in de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel te weigeren wanneer de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel dat betrekking heeft op dezelfde persoon en dezelfde feiten, is geweigerd door een staat die partij is bij die overeenkomst.
52 Derhalve moet worden vastgesteld dat de beslissing van een uitvoerende autoriteit om de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel te weigeren niet kan worden gelijkgesteld met een „onherroepelijke berechting” in de zin van artikel 4, punt 2, van die overeenkomst, die als enige eraan in de weg kan staan dat tegen deze persoon ter zake van dezelfde feiten strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld in de staat waar het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd of in elke andere staat.
53 In dit verband zij eraan herinnerd dat een gezochte persoon wordt geacht al onherroepelijk te zijn berecht ter zake van dezelfde feiten in de zin van artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 – welk artikel in wezen overeenkomt met artikel 4, punt 2, van die overeenkomst – wanneer na een strafprocedure de strafvervolging definitief is beëindigd, of wanneer de rechterlijke instanties van een lidstaat een beslissing hebben genomen waarmee een verdachte definitief wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten (zie in die zin arrest van 16 november 2010, Mantello, C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 45).
54 Het onderzoek van een verzoek tot overlevering betekent evenwel niet dat de uitvoerende staat strafvervolging instelt tegen de persoon om wiens overlevering wordt verzocht en omvat evenmin een beoordeling van de zaak ten gronde.
55 Gelet hierop moet het bestaan van een beslissing van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat om de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel dat door de Republiek IJsland of het Koninkrijk Noorwegen is uitgevaardigd, te weigeren op grond van artikel 1, lid 3, van de Overleveringsovereenkomst de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat weliswaar ertoe aanzetten oplettend te zijn wanneer zij wordt verzocht om een nieuw aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat door eerstbedoelde uitvaardigende staat is uitgevaardigd tegen dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten, maar op grond van deze omstandigheid kan de uitvoerende autoriteit van de tweede lidstaat zich niet onttrekken aan zijn verplichting om het verzoek tot overlevering te onderzoeken en een beslissing te nemen over de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel.
56 Een andere conclusie kan niet worden getrokken uit artikel 21, lid 1, of artikel 67, lid 1, VWEU, en evenmin uit artikel 6 of artikel 45, lid 1, van het Handvest.
57 Uit artikel 2, lid 5, van de Overleveringsovereenkomst volgt namelijk dat het begrip „aanhoudingsbevel” in de zin van deze overeenkomst wordt omschreven als een rechterlijke beslissing die door een staat die partij is bij die overeenkomst wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere staat die partij is bij die overeenkomst, van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
58 Hieruit volgt dat de overleveringsregeling waarin de Overleveringsovereenkomst voorziet tot doel heeft de aanhouding en de overlevering van een gezochte persoon mogelijk te maken opdat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft en deze persoon wordt vervolgd of de hem opgelegde vrijheidsstraf ondergaat [zie naar analogie arrest van 30 juni 2022, Spetsializirana prokuratura (Informatie over de nationale aanhoudingsbeslissing),C‑105/21, EU:C:2022:511, punt 74].
59 De aanhouding van een persoon om wiens overlevering wordt verzocht door middel van de uitvaardiging van een aanhoudingsbevel maakt derhalve integrerend deel uit van de overleveringsregeling waarin die overeenkomst voorziet.
60 Een dergelijke voorlopige aanhouding vormt weliswaar een beperking van het recht van de gezochte persoon op vrij verkeer en van zijn recht op vrijheid en veiligheid, maar een dergelijke aanhouding moet in beginsel worden geacht te worden gerechtvaardigd door de legitieme doelstelling om te voorkomen dat die persoon onbestraft blijft, een doelstelling die past in de context van de in artikel 3, lid 2, VEU bedoelde ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is [zie naar analogie arrest van 12 mei 2021, Bundesrepublik Deutschland (Red notice van Interpol),C‑505/19, EU:C:2021:376, punt 86].
61 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de Overleveringsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel door een lidstaat wordt geweigerd op de enkele grond dat een andere lidstaat de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel dat door de Republiek IJsland of het Koninkrijk Noorwegen tegen dezelfde persoon en ter zake van dezelfde feiten is uitgevaardigd, heeft geweigerd.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 1, lid 3, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen, namens de Europese Unie goedgekeurd bij besluit 2014/835/EU van de Raad van 27 november 2014 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat meerdere opeenvolgende aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd tegen een gezochte persoon om zijn overlevering door een staat die partij is bij die overeenkomst te verkrijgen nadat een andere staat die partij is bij die overeenkomst de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel ten aanzien van die persoon heeft geweigerd, voor zover de tenuitvoerlegging van een nieuw aanhoudingsbevel niet leidt tot schending van deze bepaling en de uitvaardiging van dat nieuwe bevel evenredig is.
2) De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen, namens de Europese Unie goedgekeurd bij besluit 2014/835, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel door een lidstaat wordt geweigerd op de enkele grond dat een andere lidstaat de tenuitvoerlegging van een eerste aanhoudingsbevel dat door de Republiek IJsland of het Koninkrijk Noorwegen tegen dezelfde persoon en ter zake van dezelfde feiten is uitgevaardigd, heeft geweigerd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 april 2023, C-699/21, ECLI:EU:C:2023:295
- HvJ EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57
- HvJ EU 30 juni 2022, C-105/21, ECLI:EU:C:2022:511
- HvJ EU 12 mei 2021, C-505/19, ECLI:EU:C:2021:376
- HvJ EU 2 april 2020, C-897/19, ECLI:EU:C:2020:262
- HvJ EU 25 juli 2018, C-268/17, ECLI:EU:C:2018:602
- HvJ EU 16 november 2010, C-261/09, ECLI:EU:C:2010:683