HvJ EU 29 juni 2023, C-501/22, ECLI:EU:C:2023:531
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
29 juni 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Landbouw en visserij – Gemeenschappelijke ordening van de markten – Verordening (EU) nr. 1308/2013 – Artikel 164, leden 1 en 4 – Handelsnormen – Verbindendverklaring van een sectorale overeenkomst – Overeenkomsten die stringentere voorschriften bevat dan die welke in de regelgeving van de Europese Unie zijn neergelegd”
In de gevoegde zaken C‑501/22–C‑504/22,
betreffende vier verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissingen van 22 juli 2022, dezelfde dag ingekomen bij het Hof, in de procedures
Association interprofessionnelle des fruits et légumes frais (Interfel)
tegen
Ministère de l’agriculture et de la souveraineté alimentaire
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), M. Ilešič, I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Association interprofessionnelle des fruits et légumes frais (Interfel), vertegenwoordigd door A. Bouviala, P. Morrier, S. Pelet-Serra en A. Soualem, avocats,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Bain en J.‑L. Carré als gemachtigden,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Leftheriotou, M. Tassopoulou en A.- E. Vasilopoulou, als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en F. Le Bot als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaken zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 164, leden 1 en 4, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van vier gedingen tussen de Association interprofessionnelle des fruits et légumes frais (brancheorganisatie voor verse groenten en fruit; hierna: „Interfel”) en de ministre de l’Agriculture et de la Souveraineté alimentaire (minister van Landbouw en Voedselvoorziening, Frankrijk; hierna: „minister”) over de afwijzing door deze laatste van vier verzoeken van Interfel tot verbindendverklaring van de vier door Interfel gesloten sectorale overeenkomsten voor marktdeelnemers die niet bij deze organisatie zijn aangesloten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1234/2007
3 Artikel 125 bis, lid 1 van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB 2007, L 299, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 361/2008 van de Raad van 14 april 2008 (PB 2008, L 121, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1234/2007”), bepaalde: „Op grond van de statuten van een producentenorganisatie in de sector groenten en fruit zijn de aangesloten producenten met name verplicht: a) de door de producentenorganisatie vastgestelde voorschriften inzake verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming toe te passen; […]”
4 Artikel 125 septies, lid 1, van deze verordening bepaalde: „Als een producentenorganisatie in de sector groenten en fruit die werkzaam is in een bepaalde economische regio, voor een bepaald product representatief wordt geacht voor de productie en de producenten in die regio, kan de betrokken lidstaat op verzoek van de producentenorganisatie de volgende voorschriften verbindend verklaren voor in die economische regio gevestigde producenten die niet bij de producentenorganisatie zijn aangesloten: a) de in artikel 125 bis, lid 1, onder a), bedoelde voorschriften, […] De eerste alinea is van toepassing op voorwaarde dat deze voorschriften: […] b) zijn opgenomen in de uitputtende lijst in bijlage XVI bis, […]”
5 Artikel 125 terdecies van deze verordening bepaalde: „1. Als een brancheorganisatie die in één of meer regio’s van een lidstaat werkzaam is, representatief wordt geacht voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, kan de betrokken lidstaat op verzoek van die brancheorganisatie bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie voor een beperkte periode verbindend verklaren voor individuele marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers, die in de betrokken regio of regio’s werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie zijn aangesloten. […] 3. De voorschriften waarvoor om uitbreiding tot andere marktdeelnemers kan worden verzocht: a) hebben betrekking op een van onderstaande onderwerpen: […] iv) voorschriften inzake de afzet, […]” 4. De in lid 3, onder a), […], iv) […], genoemde voorschriften mogen niet afwijken van die in bijlage XVI bis. […]”
6 Bijlage XVI bis bij diezelfde verordening, met als opschrift „Uitputtende lijst van voorschriften die krachtens artikel 125 septies en artikel 125 terdecies kunnen worden uitgebreid tot niet-aangesloten producenten”, bevatte een punt 3 dat luidde als volgt: „3. Voorschriften inzake het in de handel brengen a) naleving van de datum waarop met oogsten kan worden begonnen en van het verkoopschema; b) minimumeisen inzake kwaliteit en grootte; c) de behandeling, de aanbiedingsvorm, de verpakking en het merken wanneer de producten voor het eerst op de markt worden gebracht; d) aanduiding van de oorsprong van het product.”
Verordening nr. 1308/2013
7 Verordening nr. 1234/2007 is overeenkomstig artikel 230, lid 1, van verordening nr. 1308/2013 met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken.
8 Overwegingen 132 en 134 van verordening nr. 1308/2013 luiden als volgt: „(132) Brancheorganisaties kunnen een belangrijke rol spelen door de dialoog tussen de in de bevoorradingsketen actieve partijen mogelijk te maken en door goede praktijken en markttransparantie te stimuleren. […] (134) De in diverse sectoren geldende bepalingen die de werking van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties versterken door de lidstaten toe te staan om sommige voorschriften van dergelijke organisaties onder bepaalde voorwaarden van toepassing te verklaren voor niet bij die organisaties aangesloten marktdeelnemers, zijn doeltreffend gebleken en moeten geharmoniseerd, gestroomlijnd en tot alle sectoren uitgebreid worden.”
9 Deel II van deze verordening heeft als opschrift „Interne markt” en bevat een titel II, „Voorschriften betreffende de afzet en de producentenorganisaties”. Hoofdstuk I van deze titel draagt als opschrift „Afzetvoorschriften” en omvat een onderafdeling 2, met als opschrift „Sector- of productspecifieke handelsnormen”, die onder meer de artikelen 74 tot en met 76 van deze verordening bevat.
10 Artikel 74 van deze verordening heeft als opschrift „Algemeen beginsel” en bepaalt: „De producten waarvoor overeenkomstig deze onderafdeling sector- of productspecifieke handelsnormen zijn vastgesteld, mogen slechts in de [Europese] Unie worden afgezet als zij aan die normen voldoen.”
11 Artikel 75 van verordening nr. 1308/2013, met het opschrift „Vaststelling en inhoud”, bepaalt: „1. Handelsnormen kunnen worden toegepast op een of meer van de volgende producten en sectoren: […] b) groenten en fruit; c) op basis van groenten en fruit verwerkte producten; […] 3. […] [D]e in lid 1 bedoelde handelsnormen [kunnen] betrekking hebben op een of meer van de volgende elementen […]: […] b) de indelingscriteria, zoals indeling in klassen, naar gewicht, naar grootte, naar leeftijd en in categorieën; […]”
12 Artikel 76 van deze verordening, met als opschrift „Aanvullende eisen voor de afzet van producten van de sector groenten en fruit”, bepaalt: „1. Naast de toepasselijke, in artikel 75 bedoelde, handelsnormen, in voorkomend geval, mogen producten in de sectoren groenten en fruit die bestemd zijn om vers aan de consument te worden verkocht, slechts worden afgezet als ze gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn, en het land van oorsprong is aangeduid. 2. De in lid 1 bedoelde handelsnormen, en alle overeenkomstig deze onderafdeling vastgestelde handelsnormen voor de sector groenten en fruit, zijn van toepassing tijdens alle handelsstadia, met inbegrip van de in- en uitvoer, en kunnen betrekking hebben op de kwaliteit, de indeling, het gewicht, de omvang, de onmiddellijke verpakking, de eindverpakking, de opslag, het vervoer, de aanbiedingsvorm en de afzet. 3. De houder van producten van de sector groenten en fruit waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, mag die producten binnen de Unie alleen uitstallen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen indien zij aan die normen voldoen. De houder van de producten is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepaling. 4. Om te zorgen voor de correcte toepassing van de vereisten bepaald in de eerste alinea van dit artikel en om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties, is de [Europese] Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende specifieke afwijkingen van dit artikel die nodig zijn voor de correcte toepassing ervan.”
13 Titel II van deel II van verordening nr. 1308/2013 bevat een hoofdstuk III, „Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties”. Dit hoofdstuk III omvat een afdeling 3 met als opschrift „Uitbreiding van de voorschriften en verplichte bijdragen” die artikel 164 van deze verordening bevat. Dit heeft als opschrift „Uitbreiding van de voorschriften” en luidt als volgt: „1. Als een erkende producentenorganisatie, een erkende unie van producentenorganisaties of een erkende brancheorganisatie die in één of meer specifieke economische regio’s van een lidstaat werkzaam is, wordt beschouwd als representatief voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, kan de betrokken lidstaat op verzoek van die organisatie of unie bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie of unie voor een beperkte periode verbindend […] verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers, die in de betrokken economische regio of regio’s werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie of unie zijn aangesloten. […] 4. Een verzoek tot verbindendverklaring voor andere marktdeelnemers, als bedoeld in lid 1, kan slechts worden ingediend voor voorschriften die gericht zijn op één van de volgende doelen: a) rapportage over productie en afzet; b) productievoorschriften die stringenter zijn dan de in de nationale of de regelgeving van de Unie vastgestelde voorschriften; c) de opstelling van met de regelgeving van de Unie verenigbare standaardcontracten; d) de afzet; e) de milieubescherming; f) maatregelen om het potentieel van producten te bevorderen en optimaal te benutten, g) maatregelen ter bescherming van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen; h) onderzoek met het oog op de valorisatie van de producten, met name via nieuwe gebruiksmogelijkheden die de volksgezondheid niet in gevaar brengen; i) studies om de productkwaliteit te verbeteren; j) onderzoek naar met name teeltmethoden die een geringer gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of diergeneesmiddelen mogelijk maken en het behoud van de bodem en het behoud of de verbetering van het milieu garanderen; k) de definitie van minimumkenmerken en -normen inzake verpakking en aanbiedingsvorm; l) het gebruik van gecertificeerd zaaizaad en de monitoring van de kwaliteit van de producten; m) de gezondheid van dieren of planten of de voedselveiligheid; n) het beheer van bijproducten. Deze voorschriften mogen andere marktdeelnemers in de betrokken lidstaat of in de Unie geen schade berokkenen, mogen geen van de in artikel 210, lid 4, bedoelde gevolgen hebben en mogen niet op andere wijze onverenigbaar zijn met het Unierecht of met de vigerende nationale voorschriften. […]”
14 Artikel 210 van dezelfde verordening, met als opschrift „Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende brancheorganisaties”, bepaalt in lid 4: „Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval als onverenigbaar met de Unievoorschriften aangemerkt indien zij: a) kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Unie, ongeacht in welke vorm; b) de goede werking van de marktordening in gevaar kunnen brengen; c) concurrentieverstoringen kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de met de activiteit van de brancheorganisatie nagestreefde doelstellingen van het GLB; d) de vaststelling van prijzen of quota omvatten; e) discriminatie kunnen veroorzaken of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen uitschakelen.”
15 Uit artikel 230 van verordening nr. 1308/2013 blijkt dat verwijzingen naar verordening nr. 1234/2007 als verwijzingen naar met name verordening nr. 1308/2013 gelden en moeten worden gelezen aan de hand van de concordantietabel in bijlage XIV bij deze verordening. Uit deze concordantietabel blijkt dat artikel 113, lid 1, van verordening nr. 1234/2007 overeenkomt met artikel 75, lid 1, onder a) tot en met e), en lid 2, van verordening nr. 1308/2013 en dat artikel 113 bis, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1234/2007 overeenkomt met artikel 76 van verordening nr. 1308/2013. Volgens die concordantietabel komen de artikelen 125 septies en 125 terdecies van verordening nr. 1234/2007 overeen met artikel 164 van verordening nr. 1308/2013.
Uitvoeringsverordening nr. 543/2011
16 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB 2011, L 157, blz. 1), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2019/428 van de Commissie van 12 juli 2018 (PB 2019, L 75, blz. 1) (hierna: „uitvoeringsverordening nr. 543/2011”, bepaalt in artikel 3, leden 1 en 2: „1. De voorschriften van artikel 113 bis, lid 1, van verordening [nr. 1234/2007] worden als de algemene handelsnorm beschouwd. De nadere bepalingen van de algemene handelsnorm worden vastgesteld in bijlage I, deel A, van de onderhavige verordening. Groenten en fruit waarvoor geen specifieke handelsnorm geldt, moeten voldoen aan de algemene handelsnorm. Producten ten aanzien waarvan de houder kan aantonen dat zij voldoen aan geldende normen die zijn vastgesteld door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), worden evenwel beschouwd als producten die in overeenstemming zijn met de algemene handelsnorm. 2. De in artikel 113, lid 1, onder b), van verordening [nr. 1234/2007] bedoelde specifieke handelsnormen zijn opgenomen in bijlage I, deel B, van de onderhavige verordening, voor wat de volgende producten betreft: a) appelen; […] c) kiwi’s; […] e) perziken en nectarines; […]”
17 Deel A van bijlage I bij deze uitvoeringsverordening heeft als opschrift „Algemene handelsnorm” en omvat afdelingen betreffende „minimale kwaliteitseisen”, „minimumeisen inzake rijpheid”, „tolerantie” en „aanduidingen”.
18 Deel B van deze bijlage heeft als opschrift „Specifieke handelsnormen” en bevat een deel I, „Handelsnorm voor appelen”, waarvan punt III, met als opschrift „Sorteringsvoorschriften”, luidt als volgt: „De appelen worden gesorteerd op basis van de maximumdiameter van de dwarsdoorsnede of op basis van het gewicht. […] Om uniformiteit in grootte te garanderen, mag het verschil in grootte tussen producten in dezelfde verpakking de volgende waarden niet overschrijden: a) voor op basis van de diameter gesorteerde vruchten: – 5 mm voor vruchten van klasse Extra en voor op rijen en in lagen gerangschikte vruchten van de klassen I en II[.] Voor appelen van de variëteiten Bramley’s Seedling (Bramley, Triomphe de Kiel) en Horneburger mag het verschil in diameter evenwel 10 mm bedragen, en 10 mm voor in de verkoopverpakking of los in de verpakking aangeboden vruchten van klasse I. Voor appelen van de variëteiten Bramley’s Seedling (Bramley, Triomphe de Kiel) en Horneburger mag het verschil in diameter evenwel 20 mm bedragen.b) voor op basis van het gewicht gesorteerde vruchten: – voor appelen van klasse Extra en voor op rijen en in lagen gerangschikte vruchten van de klassen I en II: Gewichtsschaal (g) Gewichtsverschil (g) 70‑90 15 g 91‑135 20 g 136‑200 30 g 201‑300 40 g > 300 50 g – voor in de verkoopverpakking of los in de verpakking aangeboden vruchten van klasse I: Gewichtsschaal (g) Uniformiteit (g) 70‑135 35 136‑300 70 > 300 100 In de verkoopverpakking of los in de verpakking aangeboden vruchten van klasse II hoeven qua grootte niet homogeen te zijn. Variëteiten van miniatuurappelen die in het aanhangsel bij deze norm met een ‚M’ zijn aangemerkt, zijn vrijgesteld van de sorteringsvoorschriften. Deze miniatuurvariëteiten moeten een Brix-waarde van minstens 12° hebben [berekend conform de richtsnoeren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake objectieve tests].”
19 Deel B van deze bijlage omvat ook een deel 3, met als opschrift „Handelsnorm voor kiwi’s”, waarvan punt II, B, met als opschrift „Minimumeisen inzake rijpheid”, het volgende bepaalt: „De kiwi’s moeten voldoende ontwikkeld en rijp genoeg zijn. Om aan deze eis te voldoen, moeten de kiwi’s in het stadium van de verpakking een rijpheidsgraad van ten minste 6,2° Brix [berekend conform de OESO-richtsnoeren inzake objectieve tests] of een gemiddeld drogestofgehalte van 15 % hebben bereikt, waardoor zij aan het begin van de afzetketen een Brix-waarde van 9,5° [berekend conform de OESO-richtsnoeren inzake objectieve tests] halen.”
20 Dit deel B omvat ook een deel 5, met als opschrift „Handelsnorm voor perziken en nectarines”, waarvan punt III, met als opschrift „Sorteringsvoorschriften”, het volgende bepaalt: „[…] De minimumgrootte/het minimumgewicht bedraagt: – 56 mm of 85 g voor de klasse Extra, – 51 mm of 65 g voor de klassen I en II. Vruchten van minder dan 56 mm of 85 g worden echter niet afgezet in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober (in het noordelijk halfrond) en in de periode van 1 januari tot en met 30 april (in het zuidelijk halfrond). […]”
Internationaal recht
21 De VN-ECE is in 1947 opgericht bij resolutie 36 (IV) van 28 maart 1947 van de Economische en Sociale Raad (VN) (Ecosoc). Thans zijn 56 landen van Europa (waaronder alle lidstaten van de Europese Unie), van de Gemeenschap van Onafhankelijke Staten en van Noord-Amerika lid ervan. Aangezien de Unie geen lid is van de Verenigde Naties, is zij evenmin lid van de VN-ECE. Zij neemt evenwel als waarnemer deel aan de VN-ECE.
22 De VN-ECE omvat een werkgroep voor de kwaliteitsnormen voor landbouwproducten, die de norm VN-ECE FFV-15 inzake de afzet en controle van de handelskwaliteit van komkommers heeft vastgesteld. De versie van 2017 van deze norm, die van toepassing is in de hoofdgedingen, bepaalt in punt III, „Sorteringsvoorschriften”: „De grootte wordt bepaald door het gewicht of door een combinatie van diameter en lengte. Voor de klassen ‚Extra’ en I is een uniforme sorteringsschaal verplicht. Om de uniformiteit in grootte van de producten in eenzelfde verpakking te garanderen, dient één van de volgende twee opties te worden toegepast: (a) Sortering volgens gewicht De verschillen in gewicht mogen de volgende waarden niet overschrijden: 1. 150 g wanneer het kleinste stuk minstens 400 g weegt; 2. 100 g wanneer het kleinste stuk 180 tot 400 g weegt; 3. Komkommers die minder dan 180 g wegen moeten van redelijk gelijke grootte zijn. (b) Sortering volgens lengte en diameter De verschillen in lengte mogen niet groter zijn dan 5 cm, en de komkommers moeten een redelijk gelijke diameter hebben.”
Frans recht
23 Artikel L. 632‑2‑1, tweede alinea, van de code rural et de la pêche maritime (wetboek platteland en zeevisserij) bepaalt: „[Brancheorganisaties] kunnen in het kader van sectorale overeenkomsten standaardovereenkomsten opstellen, waarvan ze aan de bestuurlijke autoriteit de verbindendverklaring kunnen vragen, waarin standaardclausules worden opgenomen inzake […] maatregelen om de volumes te regelen teneinde het aanbod op de vraag af te stemmen. […]”
24 Artikel L. 632‑3 van dit wetboek bepaalt: „De in het kader van een erkende brancheorganisatie gesloten overeenkomsten kunnen door de bevoegde bestuurlijke autoriteit voor een bepaalde periode geheel of gedeeltelijk algemeen verbindend worden verklaard wanneer zij voorzien in gemeenschappelijke acties of acties met een gemeenschappelijk belang die stroken met het algemeen belang en verenigbaar zijn met de regelgeving van de Europese Unie.”
25 Artikel L. 632‑4 van dit wetboek luidt als volgt: „[…] De verbindendverklaring van [in het kader van een erkende brancheorganisatie gesloten] overeenkomsten wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de voorwaarden bepaald in het recht van de Europese Unie dat op deze overeenkomsten van toepassing is. […] Wanneer de overeenkomst algemeen verbindend wordt verklaard, zijn de daarin opgenomen maatregelen verbindend voor alle leden van de bij deze brancheorganisatie aangesloten beroepsgroepen. […]”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑501/22
26 Interfel is een krachtens artikel L. 632‑1 van de code rural et de la pêche maritime erkende brancheorganisatie. Op 10 juni 2020 heeft Interfel een sectorale overeenkomst getiteld „Pêche-nectarine-calibrage” (sortering van perziken en nectarines) gesloten voor de verkoopseizoenen 2021‑2023 (hierna: „perzik-nectarine-overeenkomst”), die onder meer voorzag in een verbod – gedurende heel het betreffende verkoopseizoen – op het in de handel brengen van perziken of nectarines met een geringe grootte of een gering gewicht (kaliber D). Interfel heeft de minister verzocht deze sectorale overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers, met het argument dat dit verzoek werd gerechtvaardigd door het streven om de kwaliteit van het aan de consument verkochte fruit te waarborgen.
27 Bij beschikking van 7 september 2020 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Interfel heeft bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld.
28 De Conseil d’État wijst erop dat in de perzik-nectarine-overeenkomst is bepaald dat voor in Frankrijk geproduceerde perziken en nectarines die bestemd zijn om op de Franse markt en voor uitvoer in de handel te worden gebracht, een minimumgrootte/minimumgewicht geldt van 56 millimeter of 85 gram in alle handelsstadia en gedurende heel het betreffende verkoopseizoen. Die voorschriften zijn volgens de Conseil d’État echter stringenter dan de bepalingen van deel B, deel 5, punt III, van bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011.
29 De Conseil d’État voegt daaraan toe dat Interfel onder meer heeft aangevoerd dat de minister niet rechtmatig kon weigeren de perzik-nectarine-overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers. Volgens de Conseil d’État hangt het antwoord op dat middel af van het antwoord op de vraag of artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in lid 4, onder b), van dit artikel genoemde „productievoorschriften”, maar ook op alle in dit lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n), vermelde gebieden, en, meer in het bijzonder, of dat artikel, terwijl de Unieregelgeving voorziet in voorschriften voor de afzet van een bepaalde klasse groenten of fruit, toestaat dat, in de vorm van een sectorale overeenkomst, stringentere afzetvoorschriften worden vastgesteld en vervolgens voor alle marktdeelnemers verbindend worden verklaard.
30 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] aldus worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in [lid 4, onder b),] van dit artikel genoemde ‚productievoorschriften’, maar ook op alle in [lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n),] vermelde gebieden, voor welke dit artikel bepaalt dat een verzoek tot verbindendverklaring kan worden ingediend, en [staat dat artikel met name toe dat, terwijl de Unieregelgeving voorziet in voorschriften voor de afzet van een bepaalde klasse groenten of fruit], in de vorm van een sectorale overeenkomst stringentere afzetvoorschriften worden vastgesteld en vervolgens voor alle marktdeelnemers verbindend worden verklaard?”
Zaak C‑502/22
31 Op 10 juni 2020 heeft Interfel een sectorale overeenkomst getiteld „lange of Hollandse komkommers” gesloten voor de verkoopseizoenen 2021‑2023 (hierna: „komkommer-overeenkomst”). Interfel heeft de minister verzocht deze sectorale overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers, met het argument dat dit verzoek werd gerechtvaardigd door het streven om de kwaliteit van de aan de consument verkochte komkommers te waarborgen.
32 Bij beschikking van 7 september 2020 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Interfel heeft bij de Conseil d’État beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld.
33 De Conseil d’État wijst erop dat in de komkommer-overeenkomst is bepaald dat het kaliber van komkommers die in continentaal Frankrijk worden geproduceerd en in de klasse „Extra” of „I” worden verkocht, uitsluitend op basis van het gewicht wordt vastgesteld, met uitsluiting van elke sorteringsschaal waarbij diameter en lengte worden gecombineerd, dat het minimumgewicht 250 gram bedraagt en dat voor komkommers van de klasse „Extra” of „I” een uniforme sorteringsschaal verplicht is, waarbij een en dezelfde verpakking enkel waren mag bevatten die tot dezelfde categorie van de vastgestelde sorteringsschaal behoren. Volgens de Conseil d’État zijn deze voorschriften stringenter dan die welke voortvloeien uit de algemene handelsnorm in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 543/2011, die geen voorschriften inzake de groottesortering van de waren bevat, en uit norm VN-ECE FFV-15 inzake de afzet en controle van de handelskwaliteit van komkommers.
34 De Conseil d’État voegt daaraan toe dat Interfel onder meer heeft aangevoerd dat de minister niet rechtmatig kon weigeren de komkommer-overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers. Volgens de Conseil d’État hangt het antwoord op dat middel af van het antwoord op de vraag of artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het, ten eerste, de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in lid 4, onder b), van dat artikel genoemde „productievoorschriften”, maar ook op alle in dit lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n), vermelde gebieden, en dat het, ten tweede, bij gebreke van een specifieke Unieregeling voor een bepaalde categorie groenten en fruit de verbindendverklaring toestaat van dergelijke overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan de toepasselijke normen die zijn vastgesteld door de VN-ECE.
35 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] aldus worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in [lid 4, onder b),] van dit artikel genoemde ‚productievoorschriften’, maar ook op alle in [lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n),] vermelde gebieden, voor welke dit artikel bepaalt dat een verzoek tot verbindendverklaring kan worden ingediend? 2) Moet artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013], bij gebreke van een specifieke Unieregeling voor een bepaalde categorie groenten en fruit, aldus worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan de toepasselijke normen die zijn vastgesteld door de [VN-ECE], waarnaar het [Unierecht] verwijst?”
Zaak C‑503/22
36 Op 10 juni 2020 heeft Interfel een sectorale overeenkomst getiteld „Appelen – sortering op gewicht” gesloten voor de verkoopseizoenen 2021‑2023 (hierna: „appelen-overeenkomst”). Interfel heeft de minister verzocht deze sectorale overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers, met het argument dat dit verzoek werd gerechtvaardigd door het streven om de kwaliteit van het aan de consument verkochte fruit te waarborgen.
37 Bij beschikking van 20 november 2020 heeft de minister dit verzoek afgewezen. De Conseil d’État wijst erop dat deze beschikking moet worden opgevat als een beschikking tot intrekking van de impliciete inwilliging van het verzoek tot verbindendverklaring van Interfel die op grond van artikel L. 632‑4 van de Code rural et de la pêche maritime werd geacht te hebben plaatsgevonden bij gebreke van een uitdrukkelijke beslissing over dat verzoek tot verbindendverklaring na afloop van de tot en met 7 november 2020 verlengde behandelingstermijn. Interfel heeft bij de Conseil d’État beroep tot nietigverklaring van die beschikking van 20 november 2020 ingesteld.
38 De Conseil d’État merkt op dat de appelen-overeenkomst erin voorziet dat uitsluitend op gewicht wordt gesorteerd, waardoor sortering op diameter – welke mogelijkheid wordt geboden in deel B, deel 1, punt III, van bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011 – wordt uitgesloten, en bepaalt dat in een en dezelfde verpakking op rijen of in lagen gerangschikte appelen van de klassen I en II moeten voldoen aan een van de 14 in deze overeenkomst weergegeven sorteringsschalen alsmede dat los in een en dezelfde verpakking aangeboden appelen van klasse I moeten voldoen aan een van de acht in de overeenkomst opgenomen sorteringsschalen; deze schalen zijn gedetailleerder dan die welke waarin deel B, deel 1, punt III, van bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011 voorziet.
39 De Conseil d’État voegt daaraan toe dat Interfel onder meer heeft aangevoerd dat de minister niet rechtmatig de inwilliging van het verzoek tot verbindendverklaring van de appelen-overeenkomst kon intrekken. Volgens de Conseil d’État hangt het antwoord op dat middel af van het antwoord op de vraag of artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in lid 4, onder b), van dit artikel genoemde „productievoorschriften”, maar ook op alle in dit lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n), vermelde gebieden. Voor het geval dat het antwoord op de vorige vraag zou verschillen naargelang het gaat om „voorschriften inzake de afzet” in de zin van artikel 164, [lid 4, onder d),] of om „minimumkenmerken en -normen voor verpakking en aanbiedingsvorm zoals bedoeld in lid 4, onder k), van dat artikel, wenst de Conseil d’État te vernemen of de vaststelling van sorteringsschalen ter waarborging van de uniformiteit van de waren in een en dezelfde verpakking dan onder die voorschriften dan wel onder die kenmerken en normen valt.
40 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] aldus worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in [lid 4, onder b),] van dit artikel genoemde ‘productievoorschriften’, maar ook op alle in [lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n),] vermelde gebieden, voor welke dit artikel bepaalt dat een verzoek tot verbindendverklaring kan worden ingediend, en, inzonderheid, dat het, terwijl de Unieregelgeving voorziet in voorschriften voor de afzet en verpakking van een bepaalde klasse groenten of fruit, toestaat dat – door middel van een sectorale overeenkomst – stringentere afzetvoorschriften worden vastgesteld en vervolgens voor alle marktdeelnemers verbindend worden verklaard? 2) Indien het antwoord op de vorige vraag verschilt naargelang het gaat om de in artikel 164, [lid 4, onder d),] genoemde voorschriften betreffende ‘de afzet’ of om de onder k) [van lid 4] van dat artikel genoemde ‚minimumkenmerken en -normen voor verpakking en aanbiedingsvorm’, valt dan de vaststelling van sorteringsschalen ter waarborging van de uniformiteit van de producten in een en dezelfde verpakking onder de afzetvoorschriften dan wel onder de kenmerken en normen voor verpakking [en aanbiedingsvorm]?”
Zaak C‑504/22
41 Op 10 juni 2020 heeft Interfel een sectorale overeenkomst getiteld „Hayward kiwi – oogst- en afzetdatum – rijpheid” gesloten voor de verkoopseizoenen 2021‑2023 (hierna: „kiwi-overeenkomst”). Interfel heeft de minister verzocht deze sectorale overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers, met het argument dat dit verzoek werd gerechtvaardigd door het streven om de kwaliteit van het aan de consument verkochte fruit te waarborgen.
42 Bij beschikking van 22 oktober 2020 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Interfel heeft bij de Conseil d’État beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld.
43 De Conseil d’État wijst erop dat op grond van genoemde overeenkomst, in Frankrijk geproduceerde, van de cultuurvariëteit Actinidia Deliciosa afkomstige Hayward kiwi’s in Frankrijk niet mogen worden geoogst vóór 10 oktober en niet worden afgezet vóór 6 november. Die voorschriften zijn volgens de Conseil d’État stringenter dan de bepalingen van deel B, deel 3, punt II, B, van bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011, die naast minimumvereisten inzake rijpheid geen voorwaarden met betrekking tot de oogst- en afzetdatum bevatten.
44 De Conseil d’État voegt daaraan toe dat Interfel onder meer heeft aangevoerd dat de minister niet rechtmatig kon weigeren de kiwi-overeenkomst verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers. Volgens de Conseil d’État hangt het antwoord op dat middel af van het antwoord op de vraag of, ten eerste, artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in lid 4, onder b), van dit artikel genoemde „productievoorschriften”, maar ook op alle in dit lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n), vermelde gebieden en of, ten tweede, de vaststelling van oogstdata c.q. van afzetdata behoort tot de voorschriften die op grond van artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] bij sectorale overeenkomst kunnen worden vastgesteld en verbindend kunnen worden verklaard en, zo ja, of de vaststelling van die data dan onder de in [lid 4, onder b),] van dat artikel bedoelde „productievoorschriften” valt dan wel, zoals eerder was bepaald in bijlage XVI bis bij verordening nr. 1234/2007, onder de „voorschriften inzake het in de handel brengen”.
45 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] aldus worden uitgelegd dat het de verbindendverklaring toestaat van sectorale overeenkomsten die stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, niet alleen op het gebied van de in [lid 4, onder b),] van dit artikel genoemde ‘productievoorschriften’, maar ook op alle in [lid 4, onder a), en in lid 4, onder c) tot en met n),] vermelde gebieden, voor welke dit artikel bepaalt dat een verzoek tot verbindendverklaring kan worden ingediend? 2) Behoort de vaststelling van oogstdata c.q. van afzetdata tot de voorschriften die op grond van artikel 164 van verordening [nr. 1308/2013] bij sectorale overeenkomst kunnen worden vastgesteld en verbindend kunnen worden verklaard en, zo ja, valt dan de vaststelling van dergelijke oogst- en afzetdata onder de in [lid 4, onder b),] van dat artikel bedoelde ‚productievoorschriften’ dan wel, zoals eerder was bepaald in bijlage XVI bis bij verordening [nr. 1234/2007], onder de ‚voorschriften inzake het in de handel brengen’, die thans onder [lid 4, onder d),] van hetzelfde artikel zijn ondergebracht?”
46 Bij beschikking van de president van het Hof van 9 september 2022 zijn de zaken C‑501/22 tot en met C‑504/22 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De tweede vraag in zaak C‑504/22
47 Met zijn tweede vraag in zaak C‑504/22, die eerst dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 164 van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat de vaststelling van oogst- of afzetdata van een landbouwproduct door middel van een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in het kader van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie, onder de toepassing van dit artikel valt.
48 Dienaangaande zij opgemerkt dat de datum waarop met oogsten kan worden begonnen en het verkoopschema overeenkomstig punt 3, onder a), van bijlage XVI bij verordening nr. 1234/2007, als voorschriften inzake het in de handel brengen waren opgenomen in de uitputtende lijst van voorschriften die krachtens artikel 125 septies en artikel 125 terdecies van deze verordening konden worden uitgebreid tot niet bij een brancheorganisatie aangesloten producenten. Deze artikelen komen volgens artikel 230 van verordening nr. 1308/2013 overeen met artikel 164 ervan.
49 Daarnaast is bijlage XVI bis bij verordening nr. 1234/2007 ingetrokken overeenkomstig lid 1 van dit artikel 230. In artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 is bepaald dat een verzoek tot verbindendverklaring voor andere marktdeelnemers slechts kan worden ingediend voor voorschriften die gericht zijn op een van de in dat lid genoemde doelen, waaronder de afzet. Deze verordening bevat echter geen bepaling die analoog is aan de uitputtende lijst van voorschriften die kunnen worden uitgebreid tot andere marktdeelnemers in punt 3 van voornoemde bijlage. Bijgevolg dient te worden aangenomen dat verordening nr. 1308/2013 doelt op de „afzet” in ruime zin.
50 Hieruit volgt dat de Uniewetgever, door in verordening nr. 1308/2013 geen uitputtende lijst op te nemen van voorschriften inzake de afzet die kunnen worden uitgebreid tot niet-aangesloten marktdeelnemers, in ieder geval niet de intentie heeft gehad om wat dat betreft de reikwijdte van artikel 164 van deze verordening te beperken ten opzichte van de daarmee overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 1234/2007 die hij heeft ingetrokken.
51 Derhalve dient op de tweede vraag in zaak C‑504/22 te worden geantwoord dat artikel 164 van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat de vaststelling van oogst- of afzetdata van een landbouwproduct door middel van een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in het kader van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie, onder de toepassing van dit artikel valt.
De vragen in de zaken C‑501/22 en C‑502/22 en de eerste vraag in de zaken C‑503/22 en C‑504/22
52 Met zijn vraag in zaak C‑501/22, zijn vragen in zaak C‑502/22 en zijn eerste vraag in de zaken C‑503/22 en C‑504/22, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 164, leden 1 en 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat, op verzoek van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie die in een of meer specifieke economische regio’s van deze lidstaat werkzaam is en die wordt beschouwd als representatief voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie of unie verbindend kan verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers die in de betrokken economische regio of regio’s werkzaam zijn en die niet bij deze producentenorganisatie of -unie of brancheorganisatie zijn aangesloten, wanneer die overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op een of meer van de in lid 4, onder a), en c) tot en met n), van dit artikel genoemde gebieden stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving of in de door de VN-ECE vastgestelde normen zijn neergelegd.
53 Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen maar ook met de context ervan, en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C‑435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54 Voorts is het ook vaste rechtspraak dat wanneer een bepaling van het Unierecht voor verschillende uitleggingen vatbaar is, de voorkeur moet worden gegeven aan de uitlegging die de nuttige werking van de bepaling verzekert (arrest van 7 maart 2018, Cristal Union, C‑31/17, EU:C:2018:168, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In het onderhavige geval dient te worden vastgesteld dat in de bewoordingen van artikel 164, lid 4, onder a), en onder c) tot en met n), van verordening nr. 1308/2013 – anders dan in de bewoordingen van artikel 164, lid 4, onder b), van deze verordening – weliswaar geen sprake is van „voorschriften die stringenter zijn dan de in de nationale of de regelgeving van de Unie vastgestelde voorschriften”, maar dat deze bewoordingen niet uitdrukkelijk de mogelijkheid uitsluiten dat stringentere voorschriften dan die welke in de Unieregelgeving zijn neergelegd, verbindend worden verklaard voor andere marktdeelnemers.
56 Wat de context van artikel 164, leden 1 en 4, van verordening nr. 1308/2013 betreft, dient te worden opgemerkt dat dit artikel, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III, afdeling 3, van deze verordening, met als opschrift „Uitbreiding van de voorschriften en verplichte bijdragen”, een grondslag vormt om bepaalde voorschriften die zijn vastgesteld door een erkende producentenorganisatie, een erkende unie van producentenorganisaties of een erkende brancheorganisatie, verbindend te verklaren voor marktdeelnemers die niet bij de betrokken organisatie zijn aangesloten. Die mogelijkheid moet worden begrepen in het licht van artikel 74 van deze verordening, dat bepaalt dat de producten waarvoor sector- of productspecifieke handelsnormen zijn vastgesteld, slechts in de Unie mogen worden afgezet als zij aan die normen voldoen.
57 Aldus volgt uit dat artikel 74 dat iedere marktdeelnemer, ongeacht of hij is aangesloten bij een erkende producentenorganisatie, een erkende unie van producentenorganisaties of een erkende brancheorganisatie, verplicht is de in voornoemde normen neergelegde voorschriften in acht te nemen teneinde zijn producten te kunnen afzetten.
58 Bijgevolg zouden de bepalingen van artikel 164, lid 4, onder a), en c) tot en met n), van verordening nr. 1308/2013 geen nuttig effect sorteren, mocht een lidstaat voorschriften die zijn vastgesteld in een overeenkomst zoals bedoeld in lid 1 van dat artikel en die verder gaan dan de reeds geldende regels uit hoofde van de toepasselijke handelsnormen volgens de Unieregelgeving, niet verbindend kunnen verklaren.
59 Deze uitlegging strookt overigens met de in de overwegingen 132 en 134 van verordening nr. 1308/2013 genoemde doelstellingen. Luidens de eerste van deze twee overwegingen kunnen brancheorganisaties een belangrijke rol spelen door de dialoog tussen de in de bevoorradingsketen actieve partijen mogelijk te maken en door goede praktijken en markttransparantie te stimuleren. Blijkens de tweede van deze overwegingen was de Uniewetgever van oordeel dat de in diverse sectoren geldende bepalingen die de werking van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties versterkten door de lidstaten toe te staan om sommige voorschriften van dergelijke organisaties onder bepaalde voorwaarden van toepassing te verklaren voor niet bij die organisaties aangesloten marktdeelnemers, doeltreffend waren gebleken en geharmoniseerd, gestroomlijnd en tot alle sectoren uitgebreid moesten worden.
60 In dit verband dient te worden benadrukt dat een dergelijke verbindendverklaring volgens artikel 164, lid 1, van verordening nr. 1308/2013 geen verplichting is, maar louter een bevoegdheid die wordt verleend aan de betrokken lidstaat, die soeverein beoordeelt of deze verbindendverklaring opportuun is.
61 Wat de uitoefening van deze bevoegdheid betreft, bepaalt artikel 164, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 – teneinde te waarborgen dat die uitoefening bijdraagt tot de verwezenlijking van de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen – dat die voorschriften niet verbindend kunnen worden verklaard voor marktdeelnemers die niet zijn aangesloten bij de organisatie of de unie in het kader waarvan ze zijn vastgesteld indien ze deze marktdeelnemers schade berokkenen, indien ze de in artikel 210, lid 4, van deze verordening bedoelde gevolgen hebben of wanneer ze op andere wijze onverenigbaar zijn met het Unierecht of met de vigerende nationale voorschriften.
62 Wat voorts de door de VN-ECE vastgestelde normen betreft, dient te worden opgemerkt dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 543/2011, gelezen in het licht van artikel 76 van verordening nr. 1308/2013, bepaalt dat de in die laatste bepaling genoemde vereisten worden beschouwd als algemene handelsnorm waaraan moet worden voldaan door fruit en groenten waarvoor geen specifieke handelsnorm geldt. Daarbij is evenwel bepaald dat producten ten aanzien waarvan de houder kan aantonen dat zij voldoen aan een van de VN-ECE-normen worden beschouwd als producten die in overeenstemming zijn met de algemene handelsnorm. Hieruit volgt dat de overwegingen in de punten 55 tot en met 61 van het onderhavige arrest mutatis mutandis gelden voor de door de VN-ECE vastgestelde normen.
63 Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de vraag in zaak C‑501/22, de vragen in zaak C‑502/22 en de eerste vraag in de zaken C‑503/22 en C‑504/22 te worden geantwoord dat artikel 164, leden 1 en 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat, op verzoek van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie die in een of meer specifieke economische regio’s van deze lidstaat werkzaam is en die wordt beschouwd als representatief voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie of unie verbindend kan verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers die in de betrokken economische regio of regio’s werkzaam zijn en die niet bij deze producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie zijn aangesloten, wanneer die overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op een of meer van de in lid 4, onder a), en c) tot en met n), van dit artikel genoemde gebieden stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de Unieregelgeving of in de door de VN-ECE vastgestelde normen zijn neergelegd.
Tweede vraag in zaak C‑503/22
64 De tweede vraag in zaak C‑503/22 is enkel gesteld voor het geval dat het antwoord op de eerste vraag in die zaak zou verschillen naargelang het gaat om de in artikel 164, lid 4, onder d), van verordening nr. 1308/2013 genoemde „voorschriften betreffende de afzet” of om de onder k), van lid 4 van dat artikel genoemde “minimumkenmerken en ‑normen voor verpakking en aanbiedingsvorm”.
65 Aangezien dit in casu niet het geval is, behoeft deze tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 164, leden 1 en 4, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van oogst- of afzetdata van een landbouwproduct door middel van een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in het kader van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie, onder de toepassing van dit artikel valt.
2) Artikel 164, leden 1 en 4, van verordening nr. 1308/2013 moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat, op verzoek van een erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie die in een of meer specifieke economische regio’s van deze lidstaat werkzaam is en die wordt beschouwd als representatief voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie of unie verbindend kan verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers die in de betrokken economische regio of regio’s werkzaam zijn en die niet bij deze producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie zijn aangesloten, wanneer die overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op een of meer van de in lid 4, onder a), en c) tot en met n), van dit artikel genoemde gebieden stringentere voorschriften bevatten dan die welke in de regelgeving van de Europese Unie of in de door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN-ECE) vastgestelde normen zijn neergelegd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.