HvJ EU 29 juni 2023, C-829/21, ECLI:EU:C:2023:525
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
29 juni 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Immigratiebeleid – Status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen – Richtlijn 2003/109/EG – Artikel 9, lid 4, tweede alinea, artikel 14, lid 1, artikel 15, lid 4, tweede alinea, artikel 19, lid 2, en artikel 22 – Recht van onderdanen van derde landen op de status van langdurig ingezetene in een lidstaat – Toekenning door de eerste lidstaat van een ‚EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ voor onbepaalde tijd – Onderdaan van een derde land die meer dan zes jaar afwezig was van het grondgebied van de eerste lidstaat – Daaropvolgend verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene – Aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning die op grond van de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109/EG door de tweede lidstaat is afgegeven – Afwijzing van de aanvraag door de tweede lidstaat wegens het verlies van dit recht – Voorwaarden”
In de gevoegde zaken C‑829/21 en C‑129/22,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU ingediend door het Hessische Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter van de deelstaat Hessen, Duitsland) (C‑829/21), en door het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter in eerste aanleg Darmstadt, Duitsland) (C‑129/22), bij beslissingen van 17 december 2021 en 21 februari 2022, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 24 december 2021 en 24 februari 2022, in de procedures
TE,
RU, wettelijk vertegenwoordigd door TE,
tegen
Stad Frankfurt am Main (C‑829/21),
en
EF
tegen
Stad Offenbach am Main (C‑129/22),
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, M. L. Arastey Sahún, F. Biltgen, N. Wahl en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Katsimerou en H. Leupold als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 9, lid 4, tweede alinea, artikel 14, lid 1, artikel 15, lid 4, tweede alinea, en artikel 19, lid 2, van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44, met rectificatie in PB 2006, L 169, blz. 60), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 (PB 2011, L 132, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2003/109”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, het ene tussen TE en RU, die wettelijk vertegenwoordigd wordt door TE, twee Ghanese onderdanen, en Stadt Frankfurt am Main (Duitsland) met betrekking tot de weigering van die laatste om de verblijfsvergunning van TE te verlengen en aan RU een verblijfsvergunning af te leveren (zaak C‑829/21), en het andere tussen EF, Pakistaans onderdaan, en Stadt Offenbach am Main (Duitsland) met betrekking tot de weigering van die laatste om de verblijfsvergunning van EF te verlengen (zaak C‑129/22). In beide gevallen ligt aan de weigering ten grondslag dat TE respectievelijk EF het recht op de status van langdurig ingezetene dat hun door de Italiaanse Republiek is toegekend en blijkt uit een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen voor onbepaalde tijd, hebben verloren omdat zij meer dan zes jaar afwezig zijn geweest van het Italiaanse grondgebied.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 4, 6, 10, 11, 17, 21 en 22 van richtlijn 2003/109 luiden als volgt: „(4) De integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd is van wezenlijk belang voor de bevordering van de economische en sociale samenhang, een fundamentele doelstelling van de [Europese Unie], die is opgenomen in het Verdrag. […] (6) Het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. […] […] (10) Er moeten procedurevoorschriften worden vastgesteld voor het onderzoeken van de aanvraag voor de status van langdurig ingezetene. Deze procedures moeten niet alleen doelmatig zijn en kunnen worden afgewikkeld naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten, maar ook doorzichtig en billijk zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden. Zij mogen niet worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren. (11) Bij de toekenning van de status van langdurig ingezetene moet een verblijfsvergunning worden afgegeven waarmee de betrokkene gemakkelijk en onmiddellijk zijn juridische status kan aantonen. […] […] (17) Harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene bevordert het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten. […] […] (21) De lidstaat waarin de langdurig ingezetene zijn recht van verblijf wil uitoefenen, moet kunnen nagaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden waaraan een verblijf op zijn grondgebied is gebonden. […] (22) Om ervoor te zorgen dat het recht van verblijf geen dode letter wordt, moeten langdurig ingezetenen in de tweede lidstaat dezelfde rechten genieten als in de lidstaat waarin zij de status hebben verworven, onder de in deze richtlijn omschreven voorwaarden. […]”
4 Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Doel”, bepaalt: „Deze richtlijn heeft ten doel: a) de voorwaarden vast te stellen waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen die legaal op zijn grondgebied verblijven, de status van langdurig ingezetene kan toekennen, of deze status kan intrekken, en te bepalen welke rechten aan deze status verbonden zijn, […] […]”
5 Artikel 2, onder b) tot en met d) en g), van deze richtlijn, met als opschrift „Begripsomschrijvingen”, luidt als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚langdurig ingezetene’: iedere onderdaan van een derde land die de in de artikelen 4 tot en met 7 bedoelde status van langdurig ingezetene bezit; c) ‚eerste lidstaat’: de lidstaat die als eerste de status van langdurig ingezetene heeft toegekend aan de betrokken onderdaan van een derde land; d) ‚tweede lidstaat’: de lidstaat waarin een onderdaan van een derde land zijn recht van verblijf uitoefent en die niet de lidstaat is die hem als eerste de status van langdurig ingezetene heeft toegekend; […] g) ‚[EU]-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’: verblijfsvergunning die door de betrokken lidstaat wordt afgegeven bij de toekenning van de status van langdurig ingezetene.”
6 Hoofdstuk II van die richtlijn omvat de artikelen 4 tot en met 13 en voorziet in een geheel aan regels met betrekking tot de status van langdurig ingezetene in een lidstaat en in het bijzonder de toekenning en het verlies van die status.
7 Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift „[EU]-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen”, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende: „1. De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd artikel 9. 2. De lidstaten verstrekken aan langdurig ingezetenen een [EU]-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De verblijfsvergunning is ten minste vijf jaar geldig. De vergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van die periode automatisch verlengd.”
8 Artikel 9 van die richtlijn heeft als opschrift „Intrekking of verlies van de status”, en bepaalt het volgende: „1. Langdurig ingezetenen mogen de status van langdurig ingezetene niet langer behouden indien: […] c) zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de [Unie] verblijven. […] 4. De langdurig ingezetene die overeenkomstig hoofdstuk III in een andere lidstaat heeft verbleven, mag zijn in de eerste lidstaat verkregen status van langdurig ingezetene niet langer behouden indien een dergelijke status overeenkomstig artikel 23 in een andere lidstaat is verleend. Wanneer de betrokkene zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat die de status van langdurig ingezetene heeft verstrekt, mag hij zijn status in deze lidstaat in geen geval meer behouden. In afwijking van de tweede alinea mag de betrokken lidstaat bepalen dat de langdurig ingezetene zijn status in deze lidstaat om specifieke redenen mag behouden ofschoon hij langer dan zes jaar afwezig is geweest. 5. Voor de in lid 1, onder c), en in lid 4 bedoelde gevallen zorgen de lidstaten die de status hebben verleend, voor een vereenvoudigde procedure voor het opnieuw verkrijgen van de status van langdurig ingezetene. Deze procedure geldt in het bijzonder voor personen die om studieredenen in een tweede lidstaat hebben verbleven. De voorwaarden en de procedure voor het opnieuw verkrijgen van de status van langdurig ingezetene worden door de nationale wet bepaald. 6. Het feit dat de geldigheidsduur van de [EU]-verblijfsvergunning van een langdurig ingezetene is verstreken, mag in geen geval leiden tot intrekking of verlies van de status. […]”
9 Hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 heeft als opschrift „Verblijf in de andere lidstaten” en bevat de artikelen 14 tot en met 23 ervan.
10 Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/109 bepaalt: „Een langdurig ingezetene krijgt het recht om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.”
11 Artikel 15 van deze richtlijn, met als opschrift „Voorwaarden voor verblijf in een tweede lidstaat”, luidt als volgt: „1. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden na aankomst op het grondgebied van de tweede lidstaat vraagt de langdurig ingezetene een verblijfsvergunning aan bij de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat. […] 2. De lidstaten kunnen de betrokkene vragen bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij beschikt over: a) vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. […] […] 4. De aanvraag gaat vergezeld van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden, alsmede van diens verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften ervan. De in de eerste alinea bedoelde bewijsstukken kunnen tevens documentatie omvatten met betrekking tot passende huisvesting. […]”
12 Artikel 19 van richtlijn 2003/109, met als opschrift „Onderzoek van de aanvraag en afgifte van de verblijfsvergunning”, bepaalt in lid 2 het volgende: „Indien aan de in de artikelen 14, 15 en 16 gestelde voorwaarden is voldaan, en onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 betreffende de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, verstrekt de tweede lidstaat aan de langdurig ingezetene een verblijfsvergunning die kan worden verlengd. Deze verblijfsvergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van de geldigheidsperiode verlengd. De tweede lidstaat stelt de eerste lidstaat in kennis van zijn besluit.”
13 In artikel 20 van die richtlijn, met als opschrift „Procedurele waarborgen”, staat te lezen: „1. Beslissingen tot afwijzing van een verzoek om een verblijfsvergunning moeten met redenen worden omkleed. Een dergelijke beslissing wordt aan de betrokken onderdaan van een derde land meegedeeld conform de kennisgevingsprocedures die hiervoor in de nationale wetgeving zijn voorgeschreven. In deze kennisgeving worden de beroepsmogelijkheden vermeld die openstaan voor de betrokkene, en binnen welke termijn daarvan gebruik moet worden gemaakt. […] 2. Indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd, niet wordt verlengd of wordt ingetrokken, kan de betrokkene in de desbetreffende lidstaat beroep instellen.”
14 Artikel 22 van richtlijn 2003/109, met als opschrift „Intrekking van de verblijfsvergunning en terugnameverplichting”, bepaalt in lid 1: „Totdat de onderdaan van een derde land de status van langdurig ingezetene heeft verkregen, kan de tweede lidstaat beslissen de verblijfsvergunning niet te verlengen of de vergunning in te trekken en de betrokkene en de leden van zijn gezin verplichten, overeenkomstig de procedures van de nationale wetgeving, verwijderingsprocedures daaronder begrepen, het grondgebied te verlaten. Dit geldt in de onderstaande gevallen: […] b) wanneer niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 14, 15 en 16 wordt voldaan; […]”
Duits recht
15 § 2 van het Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet (wet inzake het verblijf, de beroepswerkzaamheid en de integratie van vreemdelingen op het grondgebied van de Bondsrepubliek) van 30 juli 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 1950), in de versie die van toepassing is op de hoofdgedingen (hierna: „AufenthG”), met als opschrift „Begripsomschrijvingen”, bepaalt in lid 4: „Het vereiste van passende huisvesting mag niet verder gaan dan wat voldoende is om een verzoeker te huisvesten in een door de overheid gesubsidieerde sociale woning. […]”
16 § 5, lid 1, punt 1, AufenthG, bepaalt dat de toekenning van een verblijfsvergunning in de regel veronderstelt dat de bestaansmiddelen gewaarborgd zijn.
17 Overeenkomstig § 9a, lid 2, punt 6, van deze wet wordt een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts toegekend wanneer de betrokken vreemdeling beschikt over passende huisvesting voor zichzelf en zijn gezinsleden die met hem samenleven.
18 § 38a van die wet, met als opschrift „Verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in andere lidstaten van de Europese Unie”, bepaalt in lid 1: „Aan een vreemdeling die in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene bezit, wordt een verblijfsvergunning verleend wanneer hij langer dan 90 dagen wenst te verblijven op het grondgebied van de Bondsrepubliek. […]”
19 § 51, lid 9, eerste alinea, punt 4, van diezelfde wet bepaalt dat de door de Duitse autoriteiten verstrekte EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen alleen vervalt wanneer de vreemdeling gedurende een periode van zes jaar buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek verblijft.
20 § 52, lid 6, AufenthG bepaalt dat de krachtens § 38a afgegeven verblijfsvergunning moet worden herroepen wanneer de vreemdeling zijn status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie verliest.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑829/21
21 TE, Ghanees onderdaan, is op 3 september 2013 het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland binnengekomen vanuit Italië.
22 Zij is in het bezit van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die in Italië is afgegeven en de vermeldingen „illimitata” (onbepaalde tijd) en „soggiornante di lungo periodo-[UE]” (langdurig ingezetene-EU) bevat.
23 Krachtens § 38a AufenthG heeft de destijds bevoegde Ausländerbehörde der Stadt Offenbach (immigratiedienst van de stad Offenbach, Duitsland) haar op 5 december 2013 een verblijfsvergunning voor één jaar verleend.
24 Op 5 augustus 2014 is TE bevallen van haar dochter RU. Aangezien haar dochter aan een zeer ernstige hartafwijking leed en meerdere operaties en nazorgonderzoeken moest ondergaan, was TE genoodzaakt om haar professionele activiteit stop te zetten. Zij heeft daardoor sociale uitkeringen moeten aanvragen om haar gezin te kunnen onderhouden.
25 Bij besluiten van de immigratiedienst van de stad Offenbach van 30 januari 2015 zijn de op 12 november 2014 ingediende aanvragen tot respectievelijk verlenging (TE) en afgifte (RU) van een verblijfsvergunning afgewezen op grond dat niet was gewaarborgd dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikten zoals op grond van § 5, lid 1, punt 1, AufenthG is vereist. Zij kregen het bevel Duitsland te verlaten en werden bedreigd met uitzetting naar de Italiaanse Republiek (TE) en naar de Republiek Ghana (RU).
26 Het door TE en RU tegen die besluiten ingestelde beroep werd verworpen bij vonnis van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (bestuursrechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) van 20 november 2015.
27 TE en RU hebben vervolgens toestemming gevraagd om tegen dat vonnis hoger beroep in te stellen bij het Hessische Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter van de deelstaat Hessen, Duitsland).
28 Bij beschikking van 11 maart 2016 heeft deze rechter toestemming gegeven om hoger beroep in te stellen omdat hij ernstige twijfels had over de juistheid van het vonnis in eerste aanleg, gelet op de omvang van de medische zorg die RU nodig had, een omstandigheid die volgens deze rechter een uitzondering op de algemene regel van § 5, lid 1, punt 1, AufenthG kan vormen.
29 Vanaf 1 november 2017 is de procedure bij de verwijzende rechter geschorst.
30 Op 7 september 2020 heeft de stad Frankfurt am Main, die ondertussen verwerende partij in die procedure was geworden, de procedure hervat en in dat verband betoogd dat de afgifte van een verblijfsvergunning aan TE op grond van § 38a AufenthG niet meer mogelijk was. TE had namelijk al meer dan zes jaar niet in Italië verbleven, waardoor haar status van langdurig ingezetene was vervallen. Evenmin kon op grond van § 9a AufenthG aan TE een verblijfsvergunning worden afgegeven, omdat TE en RU in een door de sociale dienst gefinancierde woning verbleven en dus niet beschikten over „passende huisvesting” in de zin van die bepaling.
31 Tegen deze achtergrond heeft het Hessische Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is § 38a, lid 1, AufenthG, dat naar nationaal recht aldus moet worden uitgelegd dat een doorreizende langdurig ingezetene de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat ook moet bezitten op de datum van verlenging van zijn verblijfsvergunning, verenigbaar met de regelingen van de artikelen 14 en volgende van richtlijn 2003/109, die uitsluitend bepalen dat een langdurig ingezetene het recht heeft om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de overige in hoofdstuk III van deze richtlijn gestelde voorwaarden? 2) Heeft de immigratiedienst volgens de artikelen 14 en volgende van richtlijn 2003/109 het recht om bij de beoordeling van een verlengingsaanvraag overeenkomstig § 38a, lid 1, AufenthG, wanneer de overige voorwaarden voor tijdelijke verlenging zijn vervuld en de vreemdeling met name beschikt over vaste en regelmatige inkomsten, vast te stellen – met als gevolg dat de vreemdeling zijn rechten worden ontnomen – dat de vreemdeling inmiddels, met andere woorden nadat hij naar de tweede lidstaat is doorgereisd, zijn status in de eerste lidstaat heeft verloren op grond van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109? Is de datum van de laatste overheidsbeslissing of rechterlijke beslissing het relevante tijdstip voor die beoordeling? 3) Indien de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord: Staat het aan de langdurig ingezetene om te bewijzen dat zijn verblijfsrecht uit hoofde van zijn status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat niet is vervallen? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: mag een nationale rechterlijke instantie of autoriteit nagaan of de aan de langdurig ingezetene verstrekte verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is vervallen, of is dat in strijd met het Unierechtelijke beginsel van wederzijdse erkenning van overheidsbeslissingen? 4) Kan aan een derdelander die met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd uit Italië is aangekomen in Duitsland en die beschikt over vaste en regelmatige inkomsten, een gebrek aan bewijs van passende huisvesting worden tegengeworpen, hoewel de Bondsrepubliek Duitsland geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging in artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 en de huisvesting van de derdelander in een sociale woning enkel noodzakelijk was omdat er geen kinderbijslag aan haar wordt uitbetaald zolang zij niet beschikt over een verblijfsvergunning overeenkomstig § 38a AufenthG?”
Zaak C‑129/22
32 EF, Pakistaans onderdaan, is op 1 april 2014 het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland binnengekomen vanuit Italië.
33 Hij is in het bezit van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die in Italië is afgegeven en de vermeldingen „illimitata” (onbepaalde tijd) en „soggiornante di lungo periodo-[UE]” (langdurig ingezetene-EU) bevat.
34 Krachtens § 38a AufenthG heeft de destijds bevoegde Ausländerbehörde des Landkreises Offenbach (immigratiedienst van de Landkreis Offenbach, Duitsland) hem op 10 juli 2014 een verblijfsvergunning voor één jaar verleend.
35 Deze verblijfsvergunning is vervolgens doorlopend verlengd, voor het laatst op 28 mei 2019 door de thans bevoegde Stadt Offenbach am Main en tot en met 13 juli 2021.
36 De aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning krachtens § 38a AufenthG, die EF op 17 maart 2021 heeft ingediend, is bij besluit van de stad Offenbach am Main van 27 april 2021 echter afgewezen in wezen omdat hij het recht op zijn status van langdurig ingezetene had verloren aangezien hij langer dan zes jaar niet in Italië had verbleven.
37 EF heeft op 6 mei 2021 beroep tegen dit besluit ingesteld bij het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter in eerste aanleg Darmstadt, Duitsland), waarbij hij met name vorderde dat de stad Offenbach am Main werd verplicht zijn verblijfsvergunning krachtens § 38a AufenthG te verlengen.
38 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Kan een onderdaan van een derde land die van een eerste lidstaat (in casu: de Italiaanse Republiek) de status van langdurig ingezetene heeft verkregen krachtens richtlijn 2003/109, van de tweede lidstaat (in casu: de Bondsrepubliek Duitsland) de verlenging eisen van een aldaar aan hem met toepassing van de artikelen 14 en volgende van richtlijn 2003/109 toegekende verblijfsvergunning, zonder het bewijs te leveren van het voortbestaan van de status van langdurig ingezetene? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: 2) Moet in de tweede lidstaat reeds van het voortbestaan van de status van langdurig ingezetene worden uitgegaan om de enkele reden dat de onderdaan van een derde land in het bezit is van een door de eerste lidstaat voor onbepaalde tijd afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, ook al heeft hij gedurende zes jaar niet verbleven op het grondgebied van de lidstaat die hem deze status heeft verleend? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: 3) Is de tweede lidstaat bevoegd om in het kader van de verlenging van de verblijfsvergunning het verlies van de status van langdurig ingezetene volgens artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 te onderzoeken en eventueel de verlenging te weigeren, of is het de eerste lidstaat die bevoegd is om het latere verlies van deze status vast te stellen? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: 4) Is het in dat geval voor het onderzoek van de reden van verlies waarin artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 voorziet, noodzakelijk dat deze bepaling aldus in het nationale recht is omgezet dat de feiten die tot het verlies van de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat leiden, worden gespecificeerd, of volstaat het dat het nationale recht zonder concrete verwijzing naar die richtlijn bepaalt dat de tweede lidstaat de verblijfsvergunning mag weigeren ‚wanneer de onderdaan van een derde land zijn status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Unie verliest’?”
39 Bij beslissing van de president van het Hof van 8 november 2022 zijn de zaken C‑829/21 en C‑129/22 gevoegd voor de eventuele mondelinge behandeling en het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste drie vragen in de zaken C‑829/21 en C‑129/22
40 Met hun eerste drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in de zaken C‑829/21 en C‑129/22 in wezen te vernemen of richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat de verlenging van een verblijfsvergunning die hij overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn heeft verstrekt aan een derdelander, kan weigeren op basis van de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn bedoelde grond dat deze derdelander, aangezien hij meer dan zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, het recht op deze status in die lidstaat heeft verloren, en zo ja, aan welke voorwaarden een dergelijk weigeringsbesluit dan is onderworpen.
41 In dit verband vloeit in de eerste plaats voort uit artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/109 dat het bezit van het recht op de status van langdurig ingezetene in de „eerste lidstaat” in de zin van artikel 2, onder c), van deze richtlijn een voorwaarde is waaraan vooraf moet worden voldaan door de derdelander die uit hoofde van een overeenkomstig hoofdstuk III van de richtlijn verstrekte verblijfsvergunning wil verblijven op het grondgebied van de „tweede lidstaat” in de zin van artikel 2, onder d), van diezelfde richtlijn. Ook uit artikel 19, lid 2, van diezelfde richtlijn blijkt het bestaan van die voorwaarde.
42 Artikel 22 van richtlijn 2003/109 bevestigt dat aan die voorwaarde ook moet worden voldaan opdat de betrokkene de verlenging van een dergelijke verblijfsvergunning in de tweede lidstaat kan verkrijgen. Overeenkomstig lid 1, onder b), van artikel 22 kan die lidstaat immers weigeren om die vergunning te verlengen wanneer niet meer aan de in de artikelen 14 tot en met 16 van de richtlijn genoemde voorwaarden wordt voldaan.
43 Overigens blijkt uit artikel 15 van richtlijn 2003/109 dat, anders dan bij de andere in die bepaling opgenomen voorwaarden, de lidstaten niet kunnen afwijken van de in punt 41 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarde.
44 Zoals ook de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 41 van zijn conclusie, vindt het dwingende karakter van deze voorwaarde zijn oorsprong in het feit dat het verblijfsrecht in de tweede lidstaat een afgeleid recht is van het recht op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat.
45 Hieruit volgt dat wanneer de tweede lidstaat bij de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 vaststelt dat de betrokken derdelander zijn recht op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat heeft verloren, met name omdat hij – zoals bepaald in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 – sinds meer dan zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de eerste lidstaat, die vaststelling zich verzet tegen een dergelijke verlenging.
46 In de tweede plaats en zoals wordt bevestigd in overweging 21 van richtlijn 2003/109, staat het in het door deze richtlijn opgezette systeem aan de tweede lidstaat – waar de onderdaan van een derde land wenst te verblijven uit hoofde van de status van langdurig ingezetene waarover hij beschikt in de eerste lidstaat – om na te gaan of deze derdelander voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning of verlenging van een verblijfsvergunning, waaronder de in artikel 14, lid 1, van die richtlijn gestelde voorwaarde dat hij daadwerkelijk beschikt over dat recht in de eerste lidstaat.
47 In het kader van een dergelijk onderzoek moet de tweede lidstaat dus in voorkomend geval nagaan of de betrokken derdelander zijn recht op die status niet is verloren wegens met name de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 bedoelde reden.
48 Een dergelijk onderzoek kan er weliswaar eventueel toe leiden dat de tweede lidstaat het verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene vaststelt en bijgevolg op grond van artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109 weigert om de verblijfsvergunning van de betrokken derdelander overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn te verlengen, maar enkel de eerste lidstaat kan overgaan tot intrekking van die status en van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, of, in voorkomend geval, tot toepassing van de overeenkomstig artikel 9, lid 5, van die richtlijn door de lidstaten in te voeren vereenvoudigde procedure voor het opnieuw verkrijgen van die status.
49 Wat in de derde plaats de relevante datum betreft voor de beoordeling door de tweede lidstaat van de vraag of is voldaan aan de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/109 bepaalde voorwaarde voor de verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn, kunnen op het eerste gezicht drie data in aanmerking komen.
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie overigens in wezen heeft opgemerkt kan het bij de relevante datum aldus gaan om ofwel de datum waarop de verlenging van de verblijfsvergunning wordt aangevraagd, ofwel een latere datum die voorafgaat aan de datum van het administratieve besluit op die aanvraag, ofwel een nog latere datum die ligt tussen de datum waarop het beroep in rechte tegen het administratieve weigeringsbesluit wordt ingesteld en de datum van de rechterlijke beslissing, bijvoorbeeld – zoals door de verwijzende rechter in zaak C‑829/21 is gesuggereerd – de datum van de laatste zitting.
51 De enige datum die relevant is voor de beoordeling van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/109 gestelde voorwaarde is echter de datum waarop de betrokken derdelander de aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning overeenkomstig hoofdstuk III van die richtlijn indient.
52 Wanneer de lidstaten in het kader van een dergelijke beoordeling zouden mogen uitgaan van een latere datum in de loop van een administratieve of gerechtelijke procedure, dan zou dit immers in strijd zijn met de beginselen van gelijkheid en rechtszekerheid aangezien de slaagkansen van een dergelijke aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning dan zouden kunnen afhangen van factoren die niet verband houden met de aanvrager zelf, maar voornamelijk met de nationale overheidsinstantie of rechterlijke instanties, zoals de snelheid die bij de behandeling van het verzoek aan de dag wordt gelegd of waarmee uitspraak wordt gedaan op een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek [zie naar analogie arrest van 16 juli 2020, Belgische Staat (Gezinshereniging – Minderjarig kind), C‑133/19, C‑136/19 en C‑137/19, EU:C:2020:577, punt 42].
53 In dit verband moet worden benadrukt dat – zoals ook blijkt uit overweging 10 van richtlijn 2003/109 – de Uniewetgever in het kader van de procedurevoorschriften voor het onderzoeken van de aanvraag voor de status van langdurig ingezetene de betrokken derdelanders voldoende rechtszekerheid heeft willen waarborgen.
54 Zoals de advocaat-generaal in de punten 55 en 56 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, staat evenwel niets eraan in de weg dat de tweede lidstaat, indien hij van mening is dat het recht op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat niet langer bestaat, bijvoorbeeld omdat de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 bedoelde termijn van zes jaar is verstreken tijdens de administratieve of gerechtelijke procedure betreffende die verlengingsaanvraag, op die grond een nieuw besluit vaststelt waarbij op grond van artikel 22 van die richtlijn die verlenging wordt geweigerd of die verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
55 Wat in de vierde plaats de bewijslast betreft dat aan de in punt 41 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarde is voldaan met het oog op de toekenning of verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 omdat de betrokken derdelander in de eerste lidstaat recht heeft op de status van langdurig ingezetene, dient dit bewijs in beginsel te worden geleverd door die derdelander.
56 Uit artikel 15, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 2003/109, gelezen in het licht van overweging 11 ervan, volgt echter dat het voor de vaststelling dat aan deze voorwaarde is voldaan in beginsel volstaat dat die derdelander zijn door de eerste lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in de tweede lidstaat overlegt, aangezien een dergelijke vergunning tijdens de geldingsduur ervan die derdelander in staat stelt zijn recht op de status van langdurig ingezetene en de duurzaamheid van dat recht gemakkelijk en onmiddellijk aan te tonen. Een dergelijke geldige vergunning doet derhalve vermoeden dat hij nog steeds recht heeft op die status.
57 In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit artikel 2, onder b), juncto artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/109 blijkt dat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in beginsel het recht verleent om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke de status van langdurig ingezetene heeft toegekend (arrest van 17 juli 2014, Tahir, C‑469/13, EU:C:2014:2094, punt 42).
58 Voorts bepaalt artikel 9, lid 6, van richtlijn 2003/109 dat, omgekeerd, het verstrijken van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen geenszins leidt tot intrekking of verlies van de status van langdurig ingezetene, hetgeen illustreert dat een dergelijke verblijfsvergunning declaratoir van aard is.
59 In casu staat vast dat TE en EF in de eerste lidstaat, namelijk Italië, elk beschikken over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die voor onbepaalde tijd geldt en dus geldig is, zodat in hun voordeel moet worden aangenomen dat zij nog steeds recht hebben op de status van langdurig ingezetene in die lidstaat.
60 Een dergelijk vermoeden is – aangezien het bindend is voor de tweede lidstaat bij de behandeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning of de verlenging ervan – in overeenstemming met de geest van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten die, zoals in overweging 17 van richtlijn 2003/109 wordt gesteld, wordt bevorderd door de harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene die deze richtlijn beoogt te bewerkstelligen.
61 In de vijfde plaats moet worden verduidelijkt dat dit vermoeden evenwel niet onweerlegbaar is.
62 Gelet op het in punt 58 van het onderhavige arrest reeds vermelde declaratoire karakter van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, kan de tweede lidstaat immers – ook indien de betrokken derdelander deze lidstaat een dergelijke geldige vergunning kan tonen – met name bij de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een overeenkomstig hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 verleende verblijfsvergunning onderzoeken of het voortbestaan van het recht op de status van langdurig ingezetene niet moet worden betwist in het licht van een van de in artikel 9 van die richtlijn genoemde gronden voor het verlies van die status van langdurig ingezetene.
63 Een dergelijke betwisting is echter alleen mogelijk indien de tweede lidstaat vaststelt dat er voldoende concrete en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat een van die gronden van toepassing kan zijn in het aan hem voorgelegde geval.
64 Wat in het bijzonder de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 bedoelde grond betreft, vormt het feit dat er op de datum van indiening van de aanvraag van de betrokkene meer dan zes jaar zijn verstreken sinds zijn aankomst op het grondgebied van de tweede lidstaat of sinds de verkrijging in diezelfde lidstaat van zijn eerste verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn, een aanwijzing voor een dergelijk verlies die kan rechtvaardigen dat die lidstaat verifieert of het recht op die status nog steeds bestaat.
65 In de zesde plaats moet de tweede lidstaat in geval van dergelijke aanwijzingen twee soorten aanvullende verificaties verrichten die specifiek betrekking hebben op de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 bedoelde grond voor verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene.
66 Ten eerste moet de tweede lidstaat, om te bepalen of deze bepaling van toepassing is, rekening houden met het feit dat elke fysieke aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de eerste lidstaat binnen de periode van zes jaar, zelfs indien die binnen deze periode in totaal slechts enkele dagen bedraagt, volstaat om te voorkomen dat hij zijn recht op de status van langdurig ingezetene verliest [zie met betrekking tot artikel 9, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/109, naar analogie arrest van 20 januari 2022, Landeshauptmann von Wien (Verlies van de status van langdurig ingezetene), C‑432/20, EU:C:2022:39, punt 47].
67 Een dergelijke uitlegging van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109, is met name gebaseerd op de reeds in punt 53 van het onderhavige arrest benadrukte noodzaak om de betrokken derdelanders in het kader van de procedurevoorschriften voor het onderzoeken van de aanvraag van de status van langdurig ingezetene voldoende rechtszekerheid te waarborgen [zie in die zin arrest van 20 januari 2022, Landeshauptmann von Wien (Verlies van de status van langdurig ingezetene), C‑432/20, EU:C:2022:39, punten 38‑40].
68 Een – zelfs zeer korte – aanwezigheid van de betrokken derdelander op het grondgebied van de eerste lidstaat gedurende de in die bepaling bedoelde periode van zes jaar heeft dus tot gevolg dat de in deze bepaling vastgestelde vervaltermijn wordt gestuit en dat een nieuwe termijn van zes jaar ingaat op de datum waarop de aanwezigheid van deze derdelander op het grondgebied van de eerste lidstaat eindigt.
69 Het staat dus aan de tweede lidstaat om in het kader van het onderzoek van een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 zelf te onderzoeken of er elementen zijn waaruit hij kan afleiden dat de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn bedoelde periode van zes jaar is verstreken op de datum van indiening van de aanvraag van de betrokkene, en, zo ja, hem daarvan in kennis te stellen, waarbij hij hem erover informeert dat deze termijn kan zijn gestuit en dat een nieuwe termijn van zes jaar kan zijn ingegaan wanneer hij intussen opnieuw op het grondgebied van de eerste lidstaat aanwezig is geweest.
70 In deze context moet de tweede lidstaat de betrokken derdelander die zich op een dergelijke stuiting beroept verzoeken om bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij gedurende die periode van zes jaar op het grondgebied van de eerste lidstaat aanwezig is geweest, zelfs indien die aanwezigheid slechts enkele dagen heeft geduurd.
71 Ten tweede moet de tweede lidstaat, indien uit de door hem verrichte verificaties blijkt dat de betrokken derdelander langer dan zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de eerste lidstaat, overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van richtlijn 2003/109 ook nagaan of de eerste lidstaat in zijn wetgeving gebruik heeft gemaakt van de in die bepaling geboden mogelijkheid om in afwijking van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn te bepalen dat de langdurig ingezetene „om specifieke redenen” zijn status in die lidstaat behoudt „ofschoon hij langer dan zes jaar afwezig is geweest” en, wanneer dit het geval is, of in casu een dergelijke specifieke reden is aangetoond.
72 Bij deze twee types verificaties moet de tweede lidstaat de eerste lidstaat om bijstand verzoeken zodra voor die verificaties gebruik moet worden gemaakt van gegevens waarover alleen de eerste lidstaat kan beschikken.
73 In dit verband zij eraan herinnerd dat in de betrekkingen tussen de lidstaten rekening moet worden gehouden met het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, dat de lidstaten in het algemeen en dus met name in het kader van de door richtlijn 2003/109 beheerste situaties verplicht om elkaar bij de vervulling van de uit de Verdragen voortvloeiende taken te eerbiedigen en bij te staan.
74 Ten slotte kan de tweede lidstaat pas na afloop van die verificaties, in het licht van een beoordeling van alle relevante gegevens, en uitsluitend met het oog op de behandeling van de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109, in voorkomend geval tot de conclusie komen dat de betrokken derdelander op de datum van indiening van die aanvraag overeenkomstig artikel 9, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn niet langer recht had op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat en om die reden overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder b), van die richtlijn weigeren deze verblijfsvergunning te verlengen.
75 Gelet op een en ander moet op de eerste drie vragen in de zaken C‑829/21 en C‑129/22 worden geantwoord dat richtlijn 2003/109, en in het bijzonder artikel 22, lid 1, onder b), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat de verlenging van een verblijfsvergunning die hij overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn heeft verstrekt aan een onderdaan van een derde land, kan weigeren op basis van de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn bedoelde grond dat deze onderdaan, aangezien hij meer dan zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, en de laatstgenoemde lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 9, lid 4, derde alinea, van die richtlijn geboden mogelijkheid, het recht op deze status in die lidstaat heeft verloren, op voorwaarde dat de termijn van zes jaar uiterlijk op de datum van indiening van de aanvraag tot verlenging van die vergunning is verstreken en deze onderdaan vooraf is verzocht om het bewijs te leveren dat hij zich binnen die termijn eventueel op dat grondgebied heeft bevonden.
Vierde vraag in zaak C‑129/22
76 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C‑129/22 in wezen te vernemen of artikel 9, lid 4, tweede alinea, en artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109 aldus moeten worden uitgelegd dat de tweede lidstaat deze bepalingen naar behoren in nationaal recht omzet wanneer hij daaraan uitvoering geeft door middel van twee verschillende voorschriften, waarbij in het eerste voorschrift de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn bedoelde grond voor het verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene is opgenomen, en het tweede voorschrift bepaalt dat een verblijfsvergunning die is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn moet worden ingetrokken indien de betrokken onderdaan van een derde land zijn recht op de status van langdurig ingezetene heeft verloren in de lidstaat die deze status heeft toegekend, zonder dat dit voorschrift concreet verwijst naar een van de in artikel 9 van die richtlijn genoemde gronden voor het verlies van dat recht.
77 In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de omzetting in nationaal recht van bepalingen van Unierecht zoals artikel 9, lid 4, tweede alinea, en artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109 vereist dat deze bepalingen ten uitvoer worden gelegd door bepalingen die blijk geven van de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid [zie naar analogie arresten van 24 april 2012, Kamberaj, C‑571/10, EU:C:2012:233, punt 87, en 3 september 2020, Subdelegación del Gobierno en Barcelona (Langdurig ingezetenen), C‑503/19 en C‑592/19, EU:C:2020:629, punten 36 en 37].
78 Wat in het bijzonder artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109 betreft, volgt uit deze rechtspraak ook dat, indien blijkt dat dit niet het geval is, de betrokken lidstaat zich niet op die bepaling kan beroepen om een aanvraag van een derdelander tot verlenging van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2003/109 af te wijzen.
79 Een nationaal voorschrift zoals § 52, lid 6, AufenthG, dat bepaalt dat een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn moet worden ingetrokken indien de betrokken derdelander het recht op de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat verliest, vormt een omzetting van artikel 22, lid 1, onder b), die voldoet aan de vereisten van specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid als bedoeld in de in punt 77 van dit arrest vermelde rechtspraak, ook al verwijst deze nationale bepaling niet uitdrukkelijk naar de in artikel 9 van richtlijn 2003/109 genoemde gronden voor het verlies van het recht op die status.
80 Ten eerste blijkt uit een dergelijk nationaal voorschrift namelijk ondubbelzinnig dat een dergelijke verblijfsvergunning door de tweede lidstaat wordt ingetrokken indien de betrokkene het recht op de status van langdurig ingezetene heeft verloren in de lidstaat die hem dat recht heeft verleend.
81 Ten tweede kan de in dat nationaal voorschrift vermelde omstandigheid waarop de tweede lidstaat zich voor een dergelijke intrekking kan baseren, namelijk het feit dat de betrokken derdelander het recht op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat heeft verloren, worden opgevat als een verwijzing naar de verschillende in artikel 9 van richtlijn 2003/109 genoemde gronden voor verlies van het recht op die status, aangezien de lidstaat die dit recht heeft toegekend, dit recht slechts om een van die redenen kan intrekken.
82 Voorts vormt een bepaling van nationaal recht van een lidstaat zoals § 51, lid 9, eerste alinea, punt 4, AufenthG, waarin wordt bepaald dat een derdelander die in die lidstaat beschikt over het recht op de status van langdurig ingezetene dat recht verliest wanneer hij gedurende een periode van zes jaar afwezig is van het grondgebied van die lidstaat, een omzetting van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 die voldoet aan de vereisten van specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid als bedoeld in de in punt 77 van dit arrest vermelde rechtspraak.
83 Op grond van die bepaling van nationaal recht waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109, kan de tweede lidstaat bijgevolg weigeren om de derdelander een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn te verlenen, of om een dergelijke vergunning te verlengen, indien deze lidstaat vaststelt dat die derdelander het recht op de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat heeft verloren om de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn bedoelde reden.
84 Gelet op het voorgaande dient op de vierde vraag in zaak C‑129/22 te worden geantwoord dat artikel 9, lid 4, tweede alinea, en artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109 aldus moeten worden uitgelegd dat de tweede lidstaat deze bepalingen naar behoren in nationaal recht omzet wanneer hij daaraan uitvoering geeft door middel van twee verschillende voorschriften, waarbij in het eerste voorschrift de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn bedoelde grond voor het verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene is opgenomen, en het tweede voorschrift bepaalt dat een verblijfsvergunning die is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn moet worden ingetrokken indien de betrokken onderdaan van een derde land zijn recht op de status van langdurig ingezetene heeft verloren in de lidstaat die deze status heeft toegekend, zonder dat dit voorschrift concreet verwijst naar een van de in artikel 9 van die richtlijn genoemde gronden voor het verlies van dat recht.
Vierde vraag in zaak C‑829/21
85 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C‑829/21 in wezen te vernemen of artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat waarin de onderdaan van een derde land een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn of de verlenging van een dergelijke vergunning heeft aangevraagd, deze aanvraag kan afwijzen op grond dat deze derdelander bij zijn aanvraag geen bewijsstukken heeft gevoegd waaruit blijkt dat hij over passende huisvesting beschikt, hoewel deze lidstaat aan die bepaling geen uitvoering heeft gegeven.
86 Zoals volgt uit de reeds in de punten 77 en 78 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, staat het in dit verband aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU het nationale recht uit te leggen, om na te gaan of zijn nationale recht een voorschrift bevat dat uitvoering geeft aan artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid. Indien blijkt dat dit niet het geval is, kan de tweede lidstaat zich niet op deze bepaling beroepen om een aanvraag van een derdelander voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn of de verlenging van een dergelijke vergunning, af te wijzen.
87 In casu is de verwijzende rechter in zaak C‑829/21 volgens de bewoordingen van zijn vierde vraag, van oordeel dat „de Bondsrepubliek Duitsland geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging in artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109”.
88 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag in zaak C‑829/21 worden geantwoord dat artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat waarin de onderdaan van een derde land een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn of de verlenging van een dergelijke vergunning heeft aangevraagd, deze aanvraag niet kan afwijzen op grond dat deze derdelander bij zijn aanvraag geen bewijsstukken heeft gevoegd waaruit blijkt dat hij over passende huisvesting beschikt, wanneer deze lidstaat aan deze bepaling geen uitvoering heeft gegeven.
Kosten
89 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011, en in het bijzonder artikel 22, lid 1, onder b), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de verlenging van een verblijfsvergunning die hij overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn, zoals gewijzigd, heeft verstrekt aan een onderdaan van een derde land, kan weigeren op basis van de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn, zoals gewijzigd, bedoelde grond dat deze onderdaan, aangezien hij meer dan zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, en de laatstgenoemde lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 9, lid 4, derde alinea, van die richtlijn, zoals gewijzigd, geboden mogelijkheid, het recht op deze status in die lidstaat heeft verloren, op voorwaarde dat de termijn van zes jaar uiterlijk op de datum van indiening van de aanvraag tot verlenging van die vergunning is verstreken en deze onderdaan vooraf is verzocht om het bewijs te leveren dat hij zich binnen die termijn eventueel op dat grondgebied heeft bevonden.
2) Artikel 9, lid 4, tweede alinea, en artikel 22, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/109, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/51, moeten aldus worden uitgelegd dat de tweede lidstaat deze bepalingen naar behoren in nationaal recht omzet wanneer hij daaraan uitvoering geeft door middel van twee verschillende voorschriften, waarbij in het eerste voorschrift de in artikel 9, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn, zoals gewijzigd, bedoelde grond voor het verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene is opgenomen, en het tweede voorschrift bepaalt dat een verblijfsvergunning die is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn, zoals gewijzigd, moet worden ingetrokken indien de betrokken onderdaan van een derde land zijn recht op de status van langdurig ingezetene heeft verloren in de lidstaat die deze status heeft toegekend, zonder dat dit voorschrift concreet verwijst naar een van de in artikel 9 van die richtlijn, zoals gewijzigd, genoemde gronden voor het verlies van dat recht.
3) Artikel 15, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/109, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/51, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaat waarin de onderdaan van een derde land een verblijfsvergunning overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van deze richtlijn, zoals gewijzigd, of de verlenging van een dergelijke vergunning heeft aangevraagd, deze aanvraag niet kan afwijzen op grond dat deze derdelander bij zijn aanvraag geen bewijsstukken heeft gevoegd waaruit blijkt dat hij over passende huisvesting beschikt, wanneer deze lidstaat aan deze bepaling geen uitvoering heeft gegeven.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.