HvJ EU 9 maart 2023, C-354/21, ECLI:EU:C:2023:184

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

9 maart 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Europese erfrechtverklaring – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikel 1, lid 2, onder l) – Toepassingsgebied – Artikel 68 – Inhoud van de Europese erfrechtverklaring – Artikel 69, lid 5 – Rechtsgevolgen van de Europese erfrechtverklaring – Onroerend goed uit de nalatenschap dat in een andere lidstaat is gelegen dan die van de erfopvolging – Inschrijving van dat onroerende goed in het vastgoedregister van die lidstaat – Wettelijke voorschriften die naar het recht van die lidstaat gelden voor die inschrijving – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 – Verplicht karakter van formulier V in bijlage 5 bij deze uitvoeringsverordening”

In zaak C‑354/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 2 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2021, in de procedure

R. J. R.

tegen

Registrų centras VĮ,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, D. Gratsias, M. Ilešič (rapporteur), I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 mei 2022,

gelet op de opmerkingen van:

– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, U. Bartl, M. Hellmann, R. Kanitz, P.‑L. Krüger en U. Kühne als gemachtigden,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde als gemachtigde,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.‑C. Drouant als gemachtigden,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 2022,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. J. R. en Registrų centras VĮ (overheidscentrum voor registers, Litouwen) inzake de inschrijving in het vastgoedregister van het eigendomsrecht op een in Litouwen gelegen onroerend goed uit een nalatenschap waarvan R. J. R. de erfgenaam is.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 650/2012

3 De overwegingen 7, 8, 18, 67 en 71 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt: „7) De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd. 8) Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening bepalingen worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, inzake toepasselijk recht, inzake erkenning – of, naargelang van het geval, aanvaarding –, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, en inzake het tot stand brengen van een Europese erfrechtverklaring. […] 18) De voorwaarden voor de inschrijving van een recht op onroerende en op roerende zaken moeten van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Het is derhalve aan het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden (voor onroerende zaken de lex rei sitae), om te bepalen onder welke wettelijke voorwaarden en op welke wijze de registratie moet plaatsvinden, en welke autoriteiten, zoals het kadaster of een notaris, belast zijn om na te gaan of aan alle voorwaarden is voldaan en of de aangeboden of opgemaakte akten volledig zijn of de noodzakelijke informatie bevatten. De autoriteiten kunnen in het bijzonder nagaan of het recht van de erflater op de zaken uit de nalatenschap die in het ter inschrijving aangeboden document staan vermeld, een recht is dat als zodanig is geregistreerd of waarvan anderszins het bewijs wordt geleverd in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden. Om veelvouden van akten te voorkomen, moeten akten die door de bevoegde autoriteiten in een andere lidstaat zijn opgemaakt en op grond van deze verordening worden verspreid, door de registrerende autoriteit worden aanvaard. In het bijzonder dient de op grond van deze verordening afgegeven Europese erfrechtverklaring een geldig document te vormen voor de inschrijving van de goederen van de nalatenschap in het register van een lidstaat. Dit laat onverlet dat de bij de registratie betrokken autoriteiten de persoon die om registratie verzoekt, kunnen vragen om zodanige aanvullende informatie te verstrekken of zodanige aanvullende stukken over te leggen, als vereist onder het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden, zoals gegevens of documenten in verband met de betaling van belastingen. De bevoegde autoriteit kan de persoon die om registratie verzoekt, mededelen hoe de ontbrekende gegevens of documenten kunnen worden verstrekt. […] 67) Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de [Europese] Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring […], die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. Teneinde het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen, mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijkaardige strekking in de lidstaten. […] 71) De erfrechtverklaring moet in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen hebben. De erfrechtverklaring moet niet een zelfstandige executoriale titel zijn, maar moet bewijskracht hebben en moet worden geacht nauwkeurig aan te geven welke elementen zijn vastgesteld krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht of krachtens een ander rechtsstelsel dat van toepassing is op bepaalde elementen, bijvoorbeeld de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking. De bewijskracht van de erfrechtverklaring mag zich niet uitstrekken tot elementen die door deze verordening niet geregeld worden, zoals verwantschapskwesties en de vraag of een bepaald goed eigendom van de erflater was. […]”

4 Artikel 1 („Toepassingsgebied”) van deze verordening bepaalt: „1. Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken. 2. Deze verordening is niet van toepassing op: […] k) de aard van zakelijke rechten, en l) de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.”

5 Hoofdstuk VI („Europese erfrechtverklaring”) van deze verordening omvat de artikelen 62 tot en met 73.

6 Artikel 62 („Instelling van een Europese erfrechtverklaring”) van deze verordening luidt: „1. Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring […] ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen heeft. 2. Het gebruik van de erfrechtverklaring is niet verplicht. 3. De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.”

7 Artikel 63 („Doel van de erfrechtverklaring”) van verordening nr. 650/2012 bepaalt het volgende: „1. De erfrechtverklaring is bestemd voor erfgenamen […] die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten […] dienen aan te tonen. 2. De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van het volgende: a) de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen en, in voorkomend geval, alle legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd, alsmede hun erfdeel of legaat; b) de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen of, in voorkomend geval, de legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd; […]”

8 Artikel 67 („Afgifte van de erfrechtverklaring”) van deze verordening, luidt in lid 1 als volgt: „Zodra de te staven gegevens volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht of volgens een ander, specifiek toepasselijk recht vaststaan, wordt de erfrechtverklaring volgens de in dit hoofdstuk bepaalde procedure onverwijld afgegeven. De autoriteit van afgifte gebruikt daarvoor het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.”

9 Artikel 68 („Inhoud van de erfrechtverklaring”) van deze verordening bepaalt: „De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven: […] l) het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen; […]”

10 Artikel 69 („Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring”) van verordening nr. 650/2012 luidt: „1. De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is. 2. De erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam […] wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn. […] 5. Onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), is de erfrechtverklaring een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.”

Uitvoeringsverordening nr. 1329/2014

11 Artikel 1, lid 5, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012 (PB 2014, L 359, blz. 30) bepaalt: „Voor de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, van [verordening nr. 650/2012], wordt het in bijlage 5 vastgestelde formulier V gebruikt.”

12 Dit formulier V in bijlage 5 bij deze uitvoeringsverordening geeft aan welke bijlagen kunnen worden gebruikt bij de Europese erfrechtverklaring. Een daarvan is bijlage IV, met als opschrift „Status en rechten van de erfgena(a)m(en)”.

13 Punt 9 van bijlage IV luidt: „Goed(eren) dat (die) aan de erfgenaam is (zijn) toegekend en waarvoor een verklaring werd aangevraagd (specificeer het (de) goed(eren) en vermeld alle relevante identificatiegegevens)”.

Litouws recht

14 De Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto registro įstatymas Nr. I-1539 (wet nr. I-1539 van de Republiek Litouwen betreffende het vastgoedregister) van 24 september 1996 (Žin. 1996, nr. 100‑2261), zoals gewijzigd bij wet nr. XII-1833 van 23 juni 2015 (hierna: „wet vastgoedregister”), bepaalt in artikel 5, lid 2, dat de beheerder van het vastgoedregister volgens de wet verantwoordelijk is voor de juistheid en de bescherming van de daarin opgeslagen gegevens. Volgens deze bepaling is deze beheerder alleen verantwoordelijk voor de overeenstemming van de daarin ingevoerde gegevens met de documenten op basis waarvan deze gegevens zijn ingevoerd.

15 Artikel 22 van de wet vastgoedregister regelt de rechtsgrondslagen om zakelijke rechten op onroerende goederen, eventuele lasten die op deze rechten rusten en rechtsfeiten in te schrijven in het vastgoedregister. Deze bepaling bevat de lijst van documenten die het bestaan aantonen van zakelijke rechten op onroerende goederen of van rechtsfeiten op basis waarvan deze rechten, lasten op deze rechten of rechtsfeiten in het vastgoedregister worden ingeschreven, waaronder beslissingen van de overheid, arresten, vonnissen, beschikkingen en uitspraken van rechterlijke instanties alsook erfrechtverklaringen.

16 In artikel 23 van deze wet is de wijze van indiening van aanvragen tot inschrijving van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten vastgelegd. In lid 2 is bepaald dat de aanvraag vergezeld moet gaan van documenten die het bestaan aantonen van de zakelijke rechten waarvoor om registratie wordt verzocht, van de eventueel op deze rechten rustende lasten en van de daarmee verband houdende rechtsfeiten. In lid 3 van artikel 23 is bepaald dat de documenten die het bestaan aantonen van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten of de basis vormen voor het ontstaan, het verval, de overdracht of de bezwaring van deze rechten, lasten en rechtsfeiten, moeten voldoen aan de wettelijke vereisten en de voor registratie in het vastgoedregister benodigde gegevens dienen te bevatten. Volgens artikel 23, lid 4, moeten documenten op grond waarvan om inschrijving in het vastgoedregister wordt verzocht, leesbaar zijn en de volgende informatie bevatten: de volledige voornamen en achternamen, juridische benamingen, adressen, identificatienummers van de personen die bij de registratie betrokken zijn, alsook het unieke nummer van het onroerend goed waarop de registratie betrekking heeft, dat wordt toegekend volgens de procedure die is vastgesteld in de Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto kadastro nuostatai (voorschriften van de Republiek Litouwen met betrekking tot het kadaster).

17 Volgens artikel 29 van de wet vastgoedregister weigert de beheerder van het kadaster zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten te registreren indien bij de behandeling van de aanvraag wordt vastgesteld dat het document op basis waarvan om registratie wordt verzocht niet aan de vereisten van deze wet voldoet, of dat de aanvraag of het document dat aan die beheerder is overgelegd niet de gegevens bevat die volgens de Nekilnojamojo turto registro nuostatai (voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister) noodzakelijk zijn voor de identificatie van het onroerende goed en van de personen die daar zakelijke rechten op verwerven.

18 In punt 14.2.2 van de voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister, die zijn vastgesteld bij Lietuvos Respublikos vyriausybės nutarimas Nr. 379 „Dėl Nekilnojamojo turto registro nuostatų patvirtinimo” (besluit nr. 379 van de regering van de Republiek Litouwen houdende goedkeuring van de regeling inzake het vastgoedregister), van 23 april 2014 (TAR, 2014, nr. 2014‑4930) wordt aangegeven dat de volgende gegevens dienen ter identificatie van het onroerend goed: kadastraal gebied, kadastraal blok en kadastraal nummer van het perceel; uniek nummer (identificatiecode) van het perceel; uniek nummer (identificatiecode) van het bouwwerk, en uniek nummer (identificatiecode) van het appartement of de ruimte.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

19 Verzoeker in het hoofdgeding woont in Duitsland.

20 Op 6 december 2015 overleed zijn moeder (hierna: „erflaatster”), die op dat moment haar gewone verblijfplaats ook in Duitsland had. Verzoeker, die haar enige erfgenaam was, heeft haar nalatenschap in Duitsland zonder voorbehoud aanvaard. Aangezien deze nalatenschap niet alleen bestond uit goederen in Duitsland maar ook uit goederen in Litouwen, heeft hij bij de bevoegde Duitse rechtbank een Europese erfrechtverklaring aangevraagd.

21 Op 24 september 2018 heeft het Amtsgericht Bad Urach (rechter in eerste aanleg Bad Urach, Duitsland) aan verzoeker in het hoofdgeding erfrechtverklaring nr. 1 VI 174/18 afgegeven, waarin is vermeld dat G. R., die op 10 mei 2014 was overleden, zijn bezittingen en schulden had nagelaten aan erflaatster, zijn enige erfgenaam, alsook Europese erfrechtverklaring nr. 1 VI 175/18, waarin is vermeld dat erflaatster haar bezittingen en schulden heeft nagelaten aan verzoeker in het hoofdgeding, die de enige erfgenaam was en de nalatenschap zonder voorbehoud heeft aanvaard.

22 Op 15 maart 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij het overheidscentrum voor registers, de overheidsinstantie in Litouwen die met name het kadaster en het vastgoedregister beheert, een aanvraag ingediend voor de registratie van zijn eigendomsrecht op de onroerende goederen in Litouwen die aan erflaatster hadden toebehoord. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij de in het vorige punt genoemde erfrechtverklaring en Europese erfrechtverklaring overgelegd.

23 Bij besluit van 20 maart 2019 heeft de afdeling Tauragė van het departement vastgoedregister van de dienst voor het beheer van eigendomsregisters als onderdeel van het overheidscentrum voor registers deze aanvraag afgewezen op grond dat de Europese erfrechtverklaring niet de gegevens bevatte die volgens de wet vastgoedregister noodzakelijk waren om het onroerend goed te identificeren, dat wil zeggen dat deze verklaring niet vermeldde welke goederen verzoeker in het hoofdgeding had geërfd.

24 Deze laatste heeft tegen dit afwijzingsbesluit bezwaar aangetekend bij de geschillencommissie van de centrale registrator van het overheidscentrum voor registers, die het afwijzingsbesluit bij besluit van 9 mei 2019 volledig heeft bevestigd.

25 Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Regionų apygardos administracinio teismo Klaipėdos rūmai (bestuursrechter in eerste aanleg, district Klaipėda, Litouwen), die dit beroep bij beslissing van 30 december 2019 ongegrond heeft verklaard.

26 Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter. Volgens deze rechter werpt het bij hem aanhangige geding vragen op over de uitlegging van verordening nr. 650/2012.

27 De verwijzende rechter merkt op dat uit artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 volgt dat de Europese erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van deze verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat en dat die verklaring dus niet van invloed is op de toepassing van dat artikel 1, lid 2, onder l). Deze laatste bepaling, die de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register uitsluit van de werkingssfeer van deze verordening, impliceert volgens de verwijzende rechter dat de voorwaarden voor inschrijving in het vastgoedregister overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het goed zich bevindt, door het verkrijgen van een Europese erfrechtverklaring op zich niet buiten werking worden gesteld.

28 De verwijzende rechter benadrukt dat de documenten die in Litouwen als grondslag kunnen dienen voor de opname in het register van zakelijke rechten op onroerende goederen, zijn opgesomd in artikel 22 van de wet vastgoedregister en dat in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van deze wet is vastgelegd welke gegevens deze documenten dienen te bevatten en wat erin dient te worden aangetoond. Het overheidscentrum voor registers handelt uitsluitend krachtens de aan dat centrum bij wet verleende bevoegdheden, en in de wet is niet vastgelegd dat het zelf de omvang van eigendomsrechten mag vaststellen of informatie en bewijzen mag verzamelen waaruit bepaalde feiten al dan niet blijken.

29 De verwijzende rechter wijst erop dat naar Litouws recht de voor de inschrijving in het vastgoedregister noodzakelijke gegevens dus uitsluitend kunnen worden verstrekt in de in artikel 22 van de wet vastgoedregister genoemde documenten en dat wanneer de verstrekte gegevens onvolledig zijn, het overheidscentrum voor registers geen andere gegevens dan in die documenten in aanmerking mag nemen.

30 Om rechtsgevolgen te kunnen sorteren moet een Europese erfrechtverklaring bovendien zijn opgesteld in de vorm van formulier V in bijlage 5 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014. Hieruit volgt – aldus de verwijzende rechter – dat, indien de gegevens waarop de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 650/2012 en uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 betrekking hebben, worden verstrekt in de Europese erfrechtverklaring, deze in Litouwen wordt beschouwd als geldig document op grond waarvan de overgang van het goed in het vastgoedregister wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012.

31 De verwijzende rechter constateert dat de door de Duitse rechter afgegeven Europese erfrechtverklaring aan de hand van formulier V is opgesteld en bijlage IV bij dit formulier bevat, waarin de status en de rechten van de erfgenaam worden bevestigd. Deze rechter voegt daar echter aan toe dat in punt 9 van die bijlage IV geen gegevens staan vermeld over de goederen die aan de erfgenaam zijn toegekend en waarvoor een verklaring werd aangevraagd.

32 De verwijzende rechter geeft aan dat uit de door verzoeker in het hoofdgeding aangevoerde argumenten en de door hem aangehaalde Duitse rechtspraak blijkt dat de instantie die de Europese erfrechtverklaring heeft afgegeven niet per ongeluk heeft verzuimd deze gegevens te vermelden. Verzoeker in het hoofdgeding voert volgens deze rechter met name aan dat het Duitse erfrecht wordt beheerst door het beginsel van erfopvolging onder algemene titel en dat, wanneer er sprake is van één begunstigde, deze bijgevolg het volledige vermogen van de erflater verwerft. Hij betoogt dat het naar Duits recht niet mogelijk is om goederen uit een nalatenschap op enigerlei wijze aan te duiden of aan te wijzen. Volgens verzoeker is het dan ook vaste rechtspraak dat Duitse rechterlijke instanties in dat geval artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 buiten toepassing laten. Op grond van die bepaling wordt in de Europese erfrechtverklaring melding gemaakt van het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, van de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen.

33 Gelet op de doelstellingen waarmee de Europese erfrechtverklaring is ingevoerd, waaronder met name een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie, twijfelt de verwijzende rechter over hoe artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 moeten worden uitgelegd en met name over hoe deze bepalingen moeten worden toegepast in combinatie met het nationale recht dat de voorwaarden regelt om eigendomsrechten in te kunnen schrijven in het vastgoedregister van de lidstaat waar zich goederen uit de nalatenschap bevinden.

34 In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening [nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van de lidstaat waar het onroerend goed zich bevindt, volgens welke registratie van het eigendomsrecht in het vastgoedregister op basis van een Europese erfrechtverklaring alleen mogelijk is indien deze Europese erfrechtverklaring alle voor die registratie benodigde gegevens bevat?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

35 Blijkens de verwijzingsbeslissing is de aanvraag van verzoeker in het hoofdgeding om zijn eigendomsrecht op een goed in Litouwen in te schrijven in het Litouwse vastgoedregister afgewezen op grond dat de voor die aanvraag overgelegde Europese erfrechtverklaring geen gegevens over dat goed bevatte. In deze omstandigheden moet voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter de vraag zo worden geherformuleerd dat deze tevens betrekking heeft op artikel 68 van verordening nr. 650/2012, aangezien juist dit artikel blijkens het opschrift ervan de inhoud van die verklaring betreft. Volgens vaste rechtspraak moet het Hof namelijk uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin arrest van 16 november 2021, Governor of Cloverhill Prison e.a., C‑479/21 PPU, EU:C:2021:929, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.

37 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 1 van verordening nr. 650/2012, na in lid 1 het toepassingsgebied ervan te hebben bepaald, in lid 2 uitputtend opsomt wat er van dat toepassingsgebied is uitgesloten, waaronder in dit lid onder l) „de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan”.

38 Artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 bepaalt dat een Europese erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van die verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat. Volgens artikel 68 van deze verordening moet de Europese erfrechtverklaring bepaalde gegevens bevatten voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven, waaronder volgens artikel 68, punt l), ook het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen.

39 Om te kunnen beoordelen of de verplichting om overeenkomstig artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 in een Europese erfrechtverklaring een lijst op te nemen van de goederen die de betrokken erfgenaam toekomen, niet alleen bij een erfopvolging met meerdere erfgenamen rust op de autoriteit die deze verklaring afgeeft maar ook bij een erfopvolging met één erfgenaam, zoals in casu, moet dit artikel 68, onder l), dan ook worden uitgelegd in het licht van de combinatie van artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van deze verordening alsmede van het algemene kader waarin deze bepalingen passen.

40 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Europese erfrechtverklaring een autonoom Unierechtelijk instrument is waarvan het gebruik en de gevolgen nauwkeurig zijn geregeld in verordening nr. 650/2012. Het Hof heeft in het bijzonder reeds verduidelijkt dat deze verklaring, die is ingesteld bij deze verordening, een autonome juridische regeling kent die is neergelegd in de bepalingen van hoofdstuk VI van die verordening (arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 46).

41 De in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van verordening nr. 650/2012 moeten worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen ervan. Deze verordening strekt er blijkens de overwegingen 7 en 8 ervan toe om erfgenamen en legatarissen, andere personen die de erflater na staan en schuldeisers van de nalatenschap te helpen hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen, en om burgers van de Unie in staat te stellen op voorhand hun erfopvolging voor te bereiden (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 49).

42 Vanuit dit oogpunt heeft de Uniewetgever bij verordening nr. 650/2012 de Europese erfrechtverklaring ingesteld, die volgens overweging 67 van deze verordening onder meer de erfgenamen in staat moet stellen eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden aan te tonen in een andere lidstaat, zodat een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie snel, soepel en efficiënt kan worden behandeld.

43 In artikel 63, lid 1, van verordening nr. 650/2012 is bepaald dat de Europese erfrechtverklaring is bestemd voor onder meer de erfgenamen die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten dienen aan te tonen. Overeenkomstig artikel 63, lid 2, onder a) en b), kan deze verklaring met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen die in de verklaring worden genoemd, alsook van de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen.

44 Wat betreft de gevolgen van de Europese erfrechtverklaring, is het zo dat deze verklaring blijkens artikel 69, lid 1, en overweging 71 van verordening nr. 650/2012 rechtsgevolgen in alle lidstaten moet hebben zonder dat daartoe een procedure vereist is. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van deze verordening wordt deze verklaring geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn. Wanneer een Europese erfrechtverklaring is afgegeven aan een erfgenaam in de lidstaat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had, kan die erfgenaam deze dus gebruiken in de andere lidstaten waar de goederen van de erflater zich bevinden.

45 Wat in het bijzonder het geval betreft waarin de Europese erfrechtverklaring dient als de grondslag waarop inschrijving van een geërfd onroerend goed wordt aangevraagd, zij benadrukt dat deze verklaring volgens artikel 68 van verordening nr. 650/2012 een minimum aan gegevens moet bevatten. De inhoud van de verklaring kan per geval en afhankelijk van de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven verschillen.

46 Dienaangaande zij opgemerkt dat de autoriteit van afgifte van de verklaring overeenkomstig artikel 67, lid 1, van verordening nr. 650/2012 – en zoals het Hof reeds heeft aangegeven – verplicht is om bij de afgifte het in bijlage 5 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 vastgestelde formulier V te gebruiken (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Brisch, C‑102/18, EU:C:2019:34, punt 30).

47 Tevens zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 38 van het onderhavige arrest, een Europese erfrechtverklaring volgens artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat, onverminderd onder meer artikel 1, lid 2, onder l), van deze verordening, waarin wordt bepaald – zoals het Hof reeds heeft aangegeven – dat die verordening niet van toepassing is op de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan (zie in die zin arrest van 12 oktober 2017, Kubicka, C‑218/16, EU:C:2017:755, punt 54).

48 Het feit dat die wettelijke voorschriften dus door het nationale recht worden geregeld blijkt ook uit overweging 18 van verordening nr. 650/2012, waarin staat te lezen dat de voorwaarden voor de inschrijving van een recht op onroerende en op roerende zaken van het toepassingsgebied van deze verordening zijn uitgesloten, zodat het aan het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden is om te bepalen onder welke wettelijke voorwaarden en op welke wijze de registratie moet plaatsvinden, en welke autoriteiten, zoals het kadaster of een notaris, belast zijn om na te gaan of aan alle voorwaarden is voldaan en of de aangeboden of opgemaakte akten volledig zijn of de noodzakelijke informatie bevatten.

49 Verordening nr. 650/2012 betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring – en meer bepaald artikel 69, lid 5, gelezen in combinatie met artikel 1, lid 2, onder l), waarnaar eerstgenoemde bepaling verwijst – verhindert een lidstaat dan ook niet om voorwaarden te stellen voor de registratie van zakelijke rechten op onroerende goederen of deze toe te passen.

50 Iedere lidstaat waar zakelijke rechten op onroerende goederen worden geregistreerd is vrij om te bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze die inschrijving moet plaatsvinden, en kan dus eisen dat alle identificatiegegevens van een onroerend goed waarvan de inschrijving wordt gevraagd, in die aanvraag of de daarbij gevoegde documenten worden verstrekt.

51 Uit het voorgaande volgt dan ook dat de met registratie van zakelijke rechten op onroerende goederen belaste autoriteit die een aanvraag tot registratie van een geërfd onroerend goed ontvangt zonder dat dit goed is geïdentificeerd in een document op basis waarvan die registratie is aangevraagd, ook niet in de overgelegde Europese erfrechtverklaring, de aanvraag kan afwijzen.

52 In dit verband zij erop gewezen dat de afwijzing van een op een Europese erfrechtverklaring gebaseerde aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in een vastgoedregister van een lidstaat op grond dat zij geen gegevens bevat waarmee dat goed kan worden geïdentificeerd, niet afdoet aan de geldigheid van deze verklaring als zodanig voor wat betreft de andere gegevens die erin voor echt worden verklaard, zoals de hoedanigheid van erfgenaam.

53 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.

Kosten

54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Litouws.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in