HvJ EU 12 januari 2023, C-719/21, ECLI:EU:C:2023:15
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
12 januari 2023 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Artikel 101 VWEU – Klacht bij de Europese Commissie – Besluit van de Commissie tot afwijzing van de klacht – Beroep tot nietigverklaring – Termijn om een memorie van antwoord in te dienen”
In zaak C‑719/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 25 november 2021,
Frédéric Jouvin, wonende te Clichy (Frankrijk), vertegenwoordigd door L. Bôle‑Richard, avocat,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Boitos, B. Ernst en A. Keidel als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: L. S. Rossi (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Frédéric Jouvin het Hof om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 26 april 2021, Jouvin/Commissie (T‑472/20 en T‑472/20 AJ II, niet gepubliceerd, EU:T:2021:215; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht zijn beroep tot nietigverklaring van besluit C(2020) 3503 final van de Commissie van 28 mei 2020 houdende afwijzing van de door hem ingediende klacht betreffende vermeende inbreuken op artikel 101 VWEU kennelijk rechtens ongegrond heeft verklaard (hierna: „litigieus besluit”).
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 773/2004
2 Artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102] [VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), met als opschrift „Afwijzing van klachten”, luidt: „1. Wanneer de Commissie op grond van de gegevens waarover zij beschikt, van mening is dat er onvoldoende gronden zijn om aan een klacht gevolg te geven, deelt zij de klager haar redenen hiervoor mee en stelt zij een termijn vast waarbinnen de klager schriftelijk zijn standpunt kenbaar kan maken. De Commissie is niet verplicht rekening te houden met aanvullende schriftelijke opmerkingen die zij na het verstrijken van die termijn ontvangt. 2. Indien de klager zijn standpunt binnen de door de Commissie vastgestelde termijn kenbaar maakt en de schriftelijke opmerkingen van de klager niet tot een andere beoordeling van de klacht leiden, wijst de Commissie de klacht bij beschikking af. […]”
Richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten
3 Afdeling 7 van de richtsnoeren van de Commissie inzake de toepasselijkheid van artikel 101 [VWEU] op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (PB 2011, C 11, blz. 1) (hierna: „richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten”) betreft de „standaardiseringsovereenkomsten”. Deze afdeling bevat met name de punten 280 tot en met 286 van deze richtsnoeren, die de voorwaarden formuleren waaronder de standaardiseringsovereenkomsten die marktmacht kunnen doen ontstaan, in beginsel niet binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.
Reglement voor de procesvoering van het Hof
4 Artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, met als opschrift „Termijn wegens afstand”, luidt: „De procestermijnen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.”
5 Artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, met het opschrift „Partijen die een memorie van antwoord mogen indienen”, luidt als volgt: „Elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening, kan binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening, een memorie van antwoord indienen. Deze termijn voor antwoord wordt niet verlengd.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
6 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht in de punten 1 tot en met 12 van de bestreden beschikking uiteengezet als volgt: „1 Verzoeker […] heeft op 27 juni 2001 octrooiaanvragen gedaan inzake het ophalen en bezorgen van pakketten in meerdere landen en op [Europees] niveau en heeft op 31 januari 2003 een project genaamd Ripost, dat van deze octrooien gebruikmaakt, voorgelegd aan de groep La Poste. 2 Op 12 maart 2017 heeft verzoeker een klacht ingediend wegens inbreuk op artikel 102 VWEU door de groep La Poste. Deze groep, die in Frankrijk postdiensten verleent, zou inbreuken plegen op de octrooien van verzoeker voor het ophalen en bezorgen van pakketten. 3 In een brief van 31 maart 2017 heeft de Commissie in wezen aangegeven dat het gedrag van de groep La Poste, ervan uitgaande dat het bewezen zij, eerder een octrooi-inbreuk vormde dan misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU en dat zij daarom de brief van rekwirant niet nader zou onderzoeken. 4 Op 4 oktober 2017 heeft verzoeker de Commissie een brief gestuurd waarin hij zijn klacht herformuleerde op basis van artikel 101 VWEU, en verwees naar een transnationaal kartel dat bestond uit postexploitanten, fabrikanten van frankeermachines en -software en apparatuur voor postsortering, afnemers van elektronische handel zoals Amazon en internationale normalisatie-instellingen […]. 5 Op 29 november 2017 heeft een telefoonconferentie met de Commissie plaatsgevonden. 6 Op 1, 12 en 13 december 2017, 22 januari, 15 mei en 20 november 2018 en 22 februari 2019 heeft verzoeker de Commissie brieven gezonden waarin hij aangaf te werken aan een derde versie van zijn klacht. 7 Op 5 april 2019 heeft verzoeker de Commissie een brief met nieuwe gegevens gestuurd. 8 Bij brief van 30 juli 2019 heeft de Commissie verzoeker meegedeeld dat er onvoldoende gronden waren om gevolg te geven aan zijn klacht. 9 Op 14 september 2019 heeft verzoeker bij de Commissie opmerkingen ingediend waarbij hij de strekking van zijn klacht wijzigde en aangaf afstand te doen van zijn beschuldigingen inzake misbruik van machtspositie door de groep La Poste, Amazon en bepaalde postexploitanten, en alleen de gestelde inbreuk op artikel 101 VWEU te zullen handhaven. 10 De klacht bevatte vier beschuldigingen van inbreuk op artikel 101 VWEU, te weten strafrechtelijke inbreuk op alle octrooien van verzoeker, onrechtmatige beëindiging van onderhandelingen door de ondernemingen van het kartel waaraan verzoeker tevergeefs heeft getracht licenties te verlenen voor het gebruik van zijn octrooien, collectieve boycot van zijn octrooien door middel van onderling afgestemde strafrechtelijke inbreukmakende handelingen, onrechtmatige beëindiging van onderhandelingen en andere onrechtmatige onderling afgestemde handelingen en, ten slotte, op verzoekers octrooien inbreukmakende vaststelling van normen door internationale organisaties. 11 Op 28 mei 2020 heeft de Commissie het [litigieuze] besluit vastgesteld. 12 Volgens het [litigieuze] besluit was de afwijzing van de klacht te wijten aan het feit dat het in casu niet erg waarschijnlijk leek om het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie te kunnen aantonen. Deze conclusie was gebaseerd op twee belangrijke overwegingen. De Commissie was van mening dat het aan de orde gestelde probleem geen probleem van mededingingsrecht was. Bovendien zou de verstrekte informatie haar niet in staat hebben gesteld om redelijke vermoedens van collusie tussen de betrokken ondernemingen af te leiden of zelfs te doen rijzen.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 oktober 2020, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
8 Tot staving van zijn beroep heeft hij vijf middelen aangevoerd. Deze middelen waren ontleend aan, respectievelijk, kennelijk onjuiste beoordeling van het belang van de Unie door de Commissie, het ontbreken van een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek van zijn klacht door de Commissie, misbruik van bevoegdheid door de Commissie aangezien zij zich in een belangenconflict bevond en ten aanzien van rekwirant en zijn vorderingen een vertragingstactiek had toegepast, een onjuiste rechtsopvatting als gevolg van het feit dat er volgens de Commissie geen sprake was van discriminatie bij de toegang tot het ontwikkelingsproces van normen en tot de resultaten en de verslagen van deze processen en, tot slot, een verkeerde rechtsopvatting omdat de Commissie geen inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft vastgesteld.
9 Het Gerecht heeft al deze middelen kennelijk ongegrond verklaard.
Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
10 Rekwirant verzoekt het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – het in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen en het dossier terug te verwijzen naar de Commissie; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
11 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirant te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening van de memorie van antwoord van de Commissie
12 In zijn memorie van repliek werpt rekwirant op dat de memorie van antwoord van de Commissie niet-ontvankelijk is omdat deze te laat is ingediend. Deze op 22 februari 2022 ingediende memorie is namelijk ingediend meer dan 2 maanden na 25 november 2021, zijnde de datum waarop de hogere voorziening is ingesteld. Bijgevolg moet deze niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de Commissie niet het bewijs heeft geleverd van de datum waarop de hogere voorziening aan haar is betekend.
13 De Commissie verzoekt om deze exceptie af te wijzen.
14 Krachtens artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering kan elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening, binnen twee maanden te rekenen „vanaf de betekening van de hogere voorziening”, een memorie van antwoord indienen. Overeenkomstig artikel 51 van dit Reglement voor de procesvoering moet deze procestermijn worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen. Bijgevolg bedraagt de termijn waarbinnen de memorie van antwoord moet worden ingediend twee maanden en tien dagen te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening.
15 Zoals blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Commissie is de hogere voorziening haar in casu betekend op 13 december 2021. Bijgevolg verstreek de termijn voor indiening van de memorie van antwoord van twee maanden en tien dagen, welke termijn startte op voornoemde datum, op 23 februari 2022.
16 Aangezien de memorie van antwoord van de Commissie op 22 februari 2022 is ingediend, dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens tardiviteit te worden afgewezen.
Ten gronde
17 Ter onderbouwing van de hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan. Het eerste middel is in wezen ontleend aan een onjuiste kwalificatie van de feiten, een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vereiste bewijsstandaard, een onjuiste opvatting van de bewijselementen en niet-nakoming van de motiveringsplicht wat de vaststelling van het Gerecht betreft inzake het aantal gestelde inbreukmakers. Het tweede middel is in wezen ontleend aan een onjuiste opvatting van het bewijs betreffende de gestelde marktverdeling. Het derde middel betreft in wezen een onjuiste rechtsopvatting en niet-nakoming van de motiveringsplicht wat de kwalificatie van de argumenten van rekwirant inzake de standaardiseringsovereenkomsten betreft.
Eerste middel: in wezen ontleend aan een onjuiste kwalificatie van de feiten, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vereiste bewijsstandaard, onjuiste opvatting van de bewijselementen en niet-nakoming van de motiveringsplicht wat de vaststelling van het Gerecht betreft inzake het aantal gestelde inbreukmakers
– Argumenten van partijen
18 Met het eerste middel betoogt rekwirant in de eerste plaats dat het Gerecht in punt 37 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat niet was aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door zijn aantijgingen betreffende het bestaan van collusie tussen ondernemingen van de hand te wijzen. Hij betoogt dat hij in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de Commissie het belang van de Unie kennelijk onjuist had beoordeeld door de collusie als niet-bestaande te beschouwen en door niet vast te stellen dat deze collusie het mogelijk had gemaakt een internationale norm vast te stellen met schending van zijn intellectuele-eigendomsrechten.
19 In zijn memorie van repliek voegt rekwirant daaraan toe dat, anders dan de Commissie in haar memorie van antwoord uiteenzet, de niet-naleving door de deelnemers aan het standaardiseringsproces van de verplichtingen tot opgave van hun intellectuele-eigendomsrechten en van eventuele rechten van derden, waaronder in casu zijn octrooien, geen individueel verzuim van elke betrokken onderneming vormt, maar wel een mededingingsverstorende coördinatie tussen deze ondernemingen. Het Gerecht zou blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 38 van de bestreden beschikking te oordelen dat de Commissie op goede gronden kon vaststellen dat uit de door rekwirant verstrekte gegevens niet kon worden afgeleid dat er „redelijke vermoedens” waren van collusie tussen de in de klacht genoemde ondernemingen.
20 In de tweede plaats voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de verplichting om zijn beschikking met redenen te omkleden niet is nagekomen door in punt 38 van die beschikking te eisen dat hij bewijst dat het zeer hoge aantal inbreukmakers twijfel kon doen rijzen over de beoordeling van de Commissie dat de heimelijke afspraken tussen de in zijn klacht genoemde ondernemingen niet bewezen waren.
21 Volgens rekwirant is de vaststelling van het bestaan van een zeer hoog aantal inbreukmakers niet bedoeld om die beoordeling ter discussie te stellen, maar zou deze enkel aantonen dat het materieel onmogelijk is om tegen elke vermeende inbreukmaker vervolging in te stellen. Het bestaan van een zeer hoog aantal inbreukmakers is dus niet bedoeld om het bewijs van deze collusie, die reeds in de administratieve procedure is aangetoond en in het verzoekschrift in eerste aanleg is herhaald, te versterken. De motivering die het Gerecht in punt 38 van de bestreden beschikking heeft gegeven zou dus zonder voorwerp zijn, aangezien hij het bewijs van collusie niet baseert op het hoge aantal gestelde inbreukmakers, maar op het feit dat verschillende ondernemingen die aan het standaardiseringsproces deelnamen, vóór het begin van dit proces op de hoogte waren van het bestaan van zijn octrooiportefeuille en dat zij hun aangifteplicht niet zijn nagekomen. Bijgevolg zou de verwijzing naar het zeer hoge aantal inbreukmakers het aan het Gerecht ter kennis gebrachte bewijsmateriaal verdraaien.
22 De Commissie betoogt dat het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is voor zover rekwirant aanvoert dat de bewijzen of de feiten onjuist zijn opgevat, alsook niet ter zake dienend of kennelijk ongegrond wat de andere door hem aangevoerde argumenten betreft.
– Beoordeling door het Hof
23 Er zij aan herinnerd dat het eerste middel van het beroep bij het Gerecht was ontleend aan de kennelijk onjuiste beoordeling van het belang van de Unie door de Commissie. Met dit middel betoogde rekwirant dat de Commissie het belang en de ernst van de gestelde inbreuk op artikel 101 VWEU niet juist had beoordeeld.
24 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht, na in de punten 30 tot en met 34 van de bestreden beschikking te hebben herinnerd aan de bevoegdheden van de Commissie bij de behandeling van bij haar ingediende klachten en aan de rol van de klager, het betoog van rekwirant in de punten 36 tot en met 38 van die beschikking met de volgende bewoordingen van de hand heeft gewezen: „36 [Er] moet worden opgemerkt dat de Commissie in de overwegingen 36, 40, 43 en 46 van het [litigieuze] besluit heeft aangegeven dat de door verzoeker verstrekte informatie haar niet in staat stelde redelijke vermoedens af te leiden of te doen rijzen met betrekking tot collusie tussen de in zijn klacht genoemde ondernemingen. In de punten 36, 39 en 46 van het [litigieuze] besluit heeft zij eveneens in wezen vastgesteld dat de gelaakte gedragingen onder het intellectuele-eigendomsrecht en niet onder het mededingingsrecht vielen, in die zin dat bij de vaststelling van genoemde norm geen rekening zou zijn gehouden met verzoekers intellectuele-eigendomsrechten. De Commissie heeft met name deze reden aangegeven voor haar conclusie dat het in casu niet erg waarschijnlijk leek dat een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie zou kunnen worden bewezen, en heeft daarmee dus haar weigering gemotiveerd om het onderzoek van verzoekers klacht voort te zetten. 37 Aangezien verzoeker niet heeft aangetoond dat deze conclusie het gevolg was van een kennelijk onjuiste beoordeling door de Commissie, heeft zij dus terecht vastgesteld dat de Unie onvoldoende belang had bij voortzetting van het onderzoek van de door verzoeker aan de kaak gestelde feiten. 38 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het door verzoeker gestelde feit dat de gelaakte praktijk betrekking had op een zeer hoog aantal gestelde inbreukmakers, aangezien hij niet heeft aangetoond dat dit gegeven, zo het al zou vaststaan, afbreuk zou doen aan de vaststelling van de Commissie dat er geen bewijs is van collusie tussen de in zijn klacht genoemde ondernemingen of met betrekking tot het feit dat de gelaakte gedragingen eerst en vooral onder het intellectuele-eigendomsrecht zouden vallen.”
25 Uit de punten 36 en 37 van de bestreden beschikking blijkt dat het Gerecht overeenkomstig de rechtspraak vermeld in de punten 30 tot en met 34 van die beschikking heeft onderzocht of de Commissie haar discretionaire bevoegdheid tot behandeling van klachten had uitgeoefend door met name de aard van de gestelde inbreuk, de waarschijnlijkheid dat zij het bestaan ervan kon aantonen, en het belang van de Unie af te wegen.
26 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat rekwirant in zijn betoog tegen de punten 36 en 37 van de bestreden beschikking niet aanvoert dat de redenering van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting berust, maar in werkelijkheid wil dat het Hof de bewijzen opnieuw beoordeelt, aangezien hij het Hof verzoekt vast te stellen dat het Gerecht de beoordeling van de feitelijke elementen inzake het ontbrekende bewijs van het bestaan van collusie tussen de in de klacht van rekwirant genoemde ondernemingen, op basis waarvan de Commissie het litigieuze besluit had vastgesteld, „niet kon overnemen” zonder „dezelfde fout” als de Commissie te begaan.
27 Een dergelijk betoog is echter niet-ontvankelijk. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, alsook om de aangevoerde bewijzen te beoordelen. De vaststelling van deze feiten en de beoordeling van deze gegevens leveren dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 20 september 2018, Agria Polska e.a./Commissie, C‑373/17 P, EU:C:2018:756, punt 32, en 30 juni 2022, Fakro/Commissie, C‑149/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:517, punt 45), omdat het Hof in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd is om de feiten en bewijzen opnieuw te onderzoeken.
28 Bovendien volstaat het feit dat rekwirant voor het Gerecht een middel inzake een kennelijke beoordelingsfout heeft „aangevoerd”, duidelijk niet ter onderbouwing van zijn grief dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 37 van de bestreden beschikking te oordelen dat rekwirant niet had „aangetoond” dat de conclusie waartoe de Commissie in het litigieuze besluit was gekomen, op een kennelijke beoordelingsfout berustte.
29 Wat in de tweede plaats het betoog van rekwirant met betrekking tot punt 38 van de bestreden beschikking betreft, zij er allereerst aan herinnerd dat, wat de gestelde niet-nakoming van de motiveringsplicht door het Gerecht betreft, deze verplichting, die een wezenlijke vormvoorschrift is, moet worden onderscheiden van de gegrondheid van de motivering, die op zijn beurt de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft (zie in die zin arresten van 30 november 2016, Commissie/Frankrijk en Orange, C‑486/15 P, EU:C:2016:912, punt 79, en 30 juni 2022, Fakro/Commissie, C‑149/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:517, punt 180).
30 Verzoekers grief dat de motivering van het Gerecht in punt 38 van de bestreden beschikking „zonder voorwerp” is, heeft echter geen betrekking op een ontbrekende of ontoereikende motivering, maar op de geschiktheid of de gegrondheid van die motivering.
31 Wat voorts de grief van rekwirant inzake de gegrondheid van de beoordeling in dat punt van de bestreden beschikking betreft, moet worden vastgesteld dat deze op een onjuiste lezing van die beschikking berust.
32 Het is juist dat het Gerecht in punt 38 van die beschikking heeft opgemerkt dat rekwirant niet had aangetoond dat het zeer hoge aantal vermeende inbreukmakers, zo dit al zou vaststaan, de beoordeling van de Commissie dat de Unie onvoldoende belang had bij voortzetting van het onderzoek van de door hem aan de kaak gestelde feiten, ter discussie stelde. Uit de punten 36 en 37 van die beschikking, waarvan rekwirant niet heeft aangetoond dat daarin blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, blijkt evenwel dat het Gerecht zich niet heeft gebaseerd op het aantal inbreukmakers ter bevestiging van de beoordeling van de Commissie, maar op het feit dat de door rekwirant gelaakte gedragingen onder het intellectuele-eigendomsrecht vallen, en niet onder het mededingingsrecht.
33 Bovendien, aangezien rekwirant met zijn betoog dienaangaande niet bewijst dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft opgevat, moet het dus worden afgewezen.
34 Het eerste middel moet dus ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: in wezen ontleend aan een onjuiste opvatting van het bewijs betreffende de gestelde marktverdeling
– Argumenten van partijen
35 Met zijn tweede middel betoogt rekwirant dat het Gerecht in punt 41 van de bestreden beschikking heeft gedwaald ten aanzien van de feiten door te stellen dat hij tijdens de administratieve procedure geen argumenten betreffende een marktverdeling had aangevoerd. Rekwirant stelt daarentegen dat hij bij brief van 15 mei 2018, die tot doel had de twee reeds ingediende klachten aan te vullen, wel degelijk het bestaan van een dergelijke marktverdeling in de loop van die procedure heeft aangevoerd. Het Gerecht zou deze brief niet vermeld hebben, hoewel deze eveneens bij het verzoekschrift in eerste aanleg was gevoegd. De beoordeling door het Gerecht van de hem ter kennis gebrachte bewijzen zou dus onjuist zijn, aangezien het Gerecht zou hebben nagelaten de werkelijke inhoud van een van die bewijzen vast te stellen, zodat deze onjuist zijn opgevat en de motiveringsplicht niet is nagekomen. Bijgevolg zou het Gerecht in punt 42 van de bestreden beschikking ten onrechte geoordeeld hebben dat de Commissie niet kon worden verweten dat zij bij de vaststelling van het litigieuze besluit geen rekening heeft gehouden met deze brief.
36 De Commissie antwoordt hierop dat dit middel niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
37 Er zij aan herinnerd dat rekwirant met het eerste middel van zijn beroep tot nietigverklaring betoogde dat de postexploitanten de betrokken markt hadden verdeeld door ervoor te kiezen om de geoctrooieerde technologie niet aan het loket, dat wil zeggen voor het publiek, maar uitsluitend aan internethandelaren aan te bieden.
38 Het Gerecht heeft deze redenering in de punten 41 en 42 van de bestreden beschikking verworpen in de volgende bewoordingen: „41 [Uit] verzoekers brieven van 4 oktober 2017 en 14 september 2019 en uit de overwegingen 12 en 24 van het [litigieuze] besluit [blijkt] dat verzoekers argumenten betreffende een marktverdeling niet zijn aangevoerd tijdens de administratieve procedure. 42 Overeenkomstig de in punt 34 [van de bestreden beschikking] in herinnering gebrachte rechtspraak kan de Commissie derhalve niet worden verweten dat zij deze argumenten in het [litigieuze] besluit niet heeft onderzocht.”
39 Zoals blijkt uit de in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, vormen de vaststelling van de feiten en de beoordeling van de bewijselementen door het Gerecht, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het stadium van de hogere voorziening.
40 Hoewel rekwirant in casu formeel verwijst naar niet-nakoming van de motiveringsplicht en naar een onjuiste opvatting of materiële onjuistheid van de vaststellingen van het Gerecht in punt 41 van de bestreden beschikking, lijkt zijn betoog, zoals blijkt uit punt 35 van het onderhavige arrest, enkel te strekken tot vaststelling van een onjuiste opvatting van de bewijselementen. De ontwikkeling van dit betoog strekt er echter in werkelijkheid toe om in het stadium van de hogere voorziening een beoordeling van de „werkelijke inhoud” van de brief van 15 mei 2018 aan te voeren en een onderzoek van de bewijskracht ervan te verkrijgen ten opzichte van de bewijselementen die het Gerecht in datzelfde punt van de bestreden beschikking heeft onderzocht.
41 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een dergelijke onjuiste opvatting echter duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat in casu niet het geval is.
42 Het tweede middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Derde middel: in wezen ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en niet-nakoming van de motiveringsplicht wat de kwalificatie van rekwirants argumenten inzake de standaardiseringsovereenkomsten betreft
– Argumenten van partijen
43 Met zijn derde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht, door in de punten 87 en 88 van de bestreden beschikking het vierde en het vijfde middel van zijn beroep tot nietigverklaring af te wijzen op grond dat hij het Gerecht in wezen verzocht een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen, zonder enig argument aan te voeren ten bewijze dat het litigieuze besluit blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, van een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de vaststelling van de inhoud van een bewijselement.
44 Om te beginnen betoogt rekwirant dat hij, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, het Gerecht niet heeft verzocht om rechtstreeks een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen. In tegendeel, hij zou bewezen hebben dat de Commissie bij een correcte beoordeling van de tijdens de administratieve procedure aangevoerde bewijzen alleen maar had kunnen vaststellen dat er sprake was van collusie tussen de in de klacht genoemde ondernemingen en dus van een inbreuk op artikel 101 VWEU. In dit verband herinnert rekwirant eraan dat het vierde en het vijfde middel van zijn beroep tot nietigverklaring slechts „een nadere uitwerking en precisering vormden van de feiten die reeds tijdens de administratieve procedure waren aangevoerd”.
45 Vervolgens voert rekwirant aan dat het Gerecht, door in punt 83 van de bestreden beschikking uiteen te zetten dat rekwirant met zijn vierde en vijfde middel „zijn theorie van het mededingingsverstorende karakter van de [Global Standards 1-standaardiseringsovereenkomst] en het gedrag van de leden ervan [ontwikkelde], zonder enig argument aan te voeren dat specifiek betrekking heeft op het [litigieuze] besluit”, de verplichting tot motivering van zijn beschikkingen niet is nagekomen. Uit al zijn voor het Gerecht aangevoerde argumenten, in het bijzonder uit het opschrift van zijn vierde middel, zou echter blijken dat hij trachtte aan te tonen dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat hij was gediscrimineerd bij de toegang tot het proces tot vaststelling van de normen en tot de resultaten en verslagen van dat proces.
46 Wat ten slotte de afwijzing van het vijfde middel betreft, stelt rekwirant dat het Gerecht, door te oordelen dat de Commissie, na de door hem aangevoerde elementen te hebben onderzocht, het litigieuze besluit mocht vaststellen, eveneens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de verplichting tot motivering van zijn beslissingen niet is nagekomen. Hij preciseert dat hij met dit vijfde middel enkel de elementen heeft uiteengezet aan de hand waarvan de Commissie de in overweging 42 van het litigieuze besluit vermelde beoordeling kon verrichten om uit te maken of de betrokken overeenkomst onder artikel 101, lid 1, VWEU viel en, zo ja, of aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU was voldaan. Hij voegt daaraan toe dat hij in dit middel de voorwaarden voor toepassing van artikel 101 VWEU op standaardiseringsovereenkomsten in extenso heeft beoordeeld om aan te tonen dat de Commissie zijn klacht niet kon afwijzen.
47 De Commissie stelt dat het derde middel moet worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
48 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het vierde en het vijfde middel van het beroep tot nietigverklaring respectievelijk waren ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting als gevolg van het feit dat de Commissie niet had vastgesteld dat er sprake was van discriminatie bij de toegang tot het proces tot vaststelling van de normen en tot de resultaten en de verslagen van dat proces, en aan een onjuiste rechtsopvatting als gevolg van het feit dat de Commissie niet had geoordeeld dat artikel 101 VWEU was geschonden.
49 Meer bepaald voerde rekwirant aan dat hij geen toegang had gekregen tot het normalisatieproces, in het bijzonder bij de normalisatie-instantie Global Standards 1 (hierna: „GS 1”), en dat de gestelde inbreukmakers hun verplichtingen uit hoofde van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten niet waren nagekomen en hem de toegang tot het resultaat van het standaardisatieproces op de markt voor de verzending en follow-up van pakketten binnen de Unie hadden geweigerd, hetgeen onverenigbaar zou zijn met artikel 101, lid 1, VWEU.
50 Het Gerecht heeft deze redenering in de punten 83 tot en met 87 van de bestreden beschikking verworpen in de volgende bewoordingen: „83 Met zijn vierde en vijfde middel ontwikkelt verzoeker zijn theorie dat de standaardiseringsovereenkomst GS 1 en het gedrag van de leden ervan de mededinging verstoren, zonder enig argument aan te voeren dat specifiek betrekking heeft op het [litigieuze] besluit. 84 Bovendien zijn verzoekers argumenten grotendeels nieuw ten opzichte van die welke tijdens de administratieve procedure zijn aangevoerd in zijn brief van 14 september 2019, waarop de Commissie heeft geantwoord in de overwegingen 38 en volgende van het [litigieuze] besluit. De Commissie heeft in respectievelijk de overwegingen 40 en 43 van het [litigieuze] besluit geconcludeerd dat ‚[zij] uit de [aangedragen] informatie niet [kon] afleiden of deze zelfs maar redelijke vermoedens [kon] doen rijzen dat er sprake [was] van collusie tussen de [genoemde] ondernemingen’ en dat ‚zelfs indien zou blijken dat de werkingsregels van GS 1 een standaardiseringsovereenkomst vormden die een marktmacht kon creëren, en niet zouden voldoen aan de in de punten 270 tot en met 286 van de richtsnoeren [inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten] omschreven voorwaarden, [verzoeker] niet aantoont hoe de werkingsregels de mededinging zouden beperken’. 85 Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak de rechterlijke toetsing van besluiten tot afwijzing van een klacht er niet toe mag leiden dat het Gerecht zijn beoordeling van het belang van de Unie in de plaats stelt van die van de Commissie, maar ertoe strekt na te gaan of het litigieuze besluit niet op inhoudelijk onjuiste feiten berust en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, kennelijk onjuiste beoordelingen of misbruik van bevoegdheid ([…] arrest van 11 januari 2017, Topps Europe/Commissie, T‑699/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:2, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 86 Zoals de Commissie terecht heeft betoogd, staat het in casu […] niet aan het Gerecht om rechtstreeks te onderzoeken of de standaardiseringsovereenkomst GS 1 en het gedrag van de leden ervan mededingingsverstorend zijn, maar om vast te stellen of het standpunt dat in de overwegingen 38 en volgende van het [litigieuze] besluit is uiteengezet in antwoord op de argumenten die verzoeker tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid. 87 Met het vierde en het vijfde middel vraagt verzoeker evenwel het Gerecht in wezen om een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen, zonder enig argument aan te voeren ten bewijze dat het [litigieuze] besluit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid.”
51 Met zijn derde middel betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht in zijn redenering blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen wat de kwalificatie van zijn argumenten met betrekking tot de standaardiseringsovereenkomsten betreft.
52 Dit betoog moet worden afgewezen.
53 Om te beginnen moet immers worden vastgesteld dat rekwirant niet aangeeft waarin de onjuiste rechtsopvatting in de punten 83, 87 en 88 van de bestreden beschikking bestaat, maar zich beperkt tot een herhaling van de uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden op grond waarvan het Gerecht had moeten vaststellen dat er sprake was van collusie tussen de in zijn klacht bedoelde ondernemingen. Overeenkomstig de in punt 27 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volstaat het eraan te herinneren dat het Hof in het kader van de hogere voorziening zonder dat een onjuiste opvatting van de feiten wordt aangevoerd, niet de door het Gerecht gedane beoordeling van de feiten en de bewijzen kan toetsen, laat staan de feiten en de bewijselementen opnieuw kan beoordelen.
54 Vervolgens moet worden opgemerkt dat rekwirant in zijn hogere voorziening erkent dat hij als antwoord op punt 42 van het litigieuze besluit een betoog over de beoordeling in extenso van de toepassingsvoorwaarden van artikel 101 VWEU op standaardiseringsovereenkomsten heeft ontwikkeld om aan te tonen dat de Commissie zijn klacht ten onrechte had afgewezen. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 84 van de bestreden beschikking terecht geoordeeld dat de argumenten van rekwirant grotendeels nieuw waren ten opzichte van die welke tijdens de administratieve procedure waren aangevoerd.
55 Hieruit volgt dat het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 83, 87 en 88 van de bestreden beschikking heeft kunnen oordelen dat rekwirant hem met het vierde en het vijfde middel verzocht om een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen, zonder enig argument aan te voeren ten bewijze dat het litigieuze besluit een kennelijke beoordelingsfout bevatte of op een onjuiste rechtsopvatting berustte, en deze middelen dus kon afwijzen.
56 Ten slotte moet de door rekwirant gestelde niet-nakoming van de motiveringsplicht worden afgewezen. Aangezien het Gerecht in de punten 84 tot en met 87 van de bestreden beschikking uiteen heeft gezet waarom het rekwirants vierde en vijfde middel heeft afgewezen, heeft het feit dat die redenen en het betoog van de Commissie identiek zijn, geen invloed op de beoordeling van de nakoming van deze verplichting.
57 Hieruit volgt dat het derde middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond moet worden verklaard.
58 Aangezien geen van de drie middelen van de onderhavige hogere voorziening is aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
59 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
60 Aangezien rekwirant in de hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Negende kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Frédéric Jouvin wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.