HvJ EU 10 november 2022, C-203/21, ECLI:EU:C:2022:865
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
10 november 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2005/212/JBZ – Toepasselijkheid – Oplegging van een geldelijke sanctie aan een rechtspersoon wegens niet-betaling van belastingschulden – Begrip ‚confiscatie’ – Artikelen 48, 49 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Strafrechtelijke sancties – Vermoeden van onschuld, legaliteitsbeginsel en beginsel van evenredigheid inzake delicten en straffen – Rechten van de verdediging – Oplegging van een strafrechtelijke sanctie aan een rechtspersoon voor een strafbaar feit dat is begaan door diens vertegenwoordiger – Niet afgesloten parallelle strafprocedure tegen die vertegenwoordiger – Evenredigheid”
In zaak C‑203/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okrazhen sad Burgas (rechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije) bij beslissing van 12 maart 2021, ingekomen bij het Hof op 31 maart 2021, in de strafprocedure tegen
DELTA STROY 2003,
in tegenwoordigheid van:
Okrazhna prokuratura – Burgas,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, L. S. Rossi, J.‑C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB 2005, L 68, blz. 49), en van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in een procedure tegen DELTA STROY 2003 EOOD (hierna: „Delta Stroy”) strekkende tot oplegging van een geldelijke sanctie aan deze vennootschap wegens een strafbaar feit inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw) dat haar bestuurder en haar vertegenwoordiger wordt verweten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2005/212
3 Artikel 1 van kaderbesluit 2005/212, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder: – opbrengsten: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn zoals gedefinieerd in het volgende streepje; – voorwerpen: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken; – hulpmiddelen: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een of meer strafbare feiten te begaan; – confiscatie: een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met een of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsbevoegdheid over voorwerpen; […]”
4 Artikel 2 van het kaderbesluit, getiteld „Confiscatie”, luidt als volgt: „1. Elke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten. 2. Ten aanzien van belastingmisdrijven kunnen de lidstaten andere procedures dan de strafprocedure toepassen om de opbrengsten van het misdrijf te ontnemen aan de dader.”
5 Artikel 4 van het kaderbesluit, „Rechtsmiddelen”, luidt: „Elke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om te bewerkstelligen dat de personen die worden getroffen door de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen, beschikken over doeltreffende rechtsmiddelen om hun rechten te beschermen.”
6 Artikel 5 van het kaderbesluit, „Waarborgen”, bepaalt: „Dit kaderbesluit laat de verplichting om de grondrechten en de fundamentele beginselen, met inbegrip van met name het vermoeden van onschuld, zoals vervat in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te eerbiedigen, onverlet.”
Kaderbesluit 2005/214
7 Artikel 1 van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB 2005, L 76, blz. 16), met als opschrift „Definities”, bepaalt: „In dit kaderbesluit wordt verstaan onder: […] b) geldelijke sanctie: de verplichting tot betaling van i) een geldsom die in geval van veroordeling wegens een strafbaar feit bij beslissing is opgelegd; […] Onder ‚geldelijke sanctie’ vallen niet: – beslissingen tot confiscatie van hulpmiddelen of opbrengsten van strafbare feiten; […]”
Richtlijn 2014/42
8 Artikel 2 van richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39) bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚opbrengst’, elk economisch voordeel dat al dan niet rechtstreeks uit een strafbaar feit is verkregen; dit kunnen voorwerpen van enigerlei aard zijn, met inbegrip van enige [latere] wederbelegging of omzetting van rechtstreekse opbrengsten en andere in geld waardeerbare voordelen; 2) ‚voorwerpen’, goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten [ten] aanzien van die goederen blijken; […] 4) ‚confiscatie’, definitieve ontneming van voorwerpen, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit; […]”
9 Artikel 14, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „Gemeenschappelijk optreden 98/699/JBZ [van 3 december 1998 door de Raad vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van de opbrengsten van misdrijven (PB 1998, L 333, blz. 1)], artikel 1, punt a), en de artikelen 3 en 4 van kaderbesluit 2001/500/JBZ [van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven (PB 2001, L 182, blz. 1)], en artikel 1, eerste vier streepjes, en artikel 3 van kaderbesluit [2005/212] worden vervangen ten aanzien van de lidstaten die aan deze richtlijn gebonden zijn, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn voor de omzetting van de kaderbesluiten in nationaal recht.”
Bulgaars recht
ZANN
10 De Zakon za administrativnite narushenia i nakazania (wet op bestuursrechtelijke overtredingen en sancties) (DV nr. 92 van 28 november 1969), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „ZANN”), bevat een hoofdstuk 4, getiteld „Bestuursrechtelijke sancties van strafrechtelijke aard tegen rechtspersonen en individuele ondernemers”, dat de artikelen 83, 83a, 83b en 83d tot en met 83g van die wet omvat.
11 Artikel 83 van die wet bepaalt: „(1) In de gevallen waarin de relevante wet, het relevante besluit, het relevante besluit van de ministerraad of besluit van de gemeenteraad voorziet, kan aan rechtspersonen en individuele ondernemers een geldelijke sanctie worden opgelegd wegens niet-nakoming van hun verplichtingen jegens de Staat of de gemeente bij de uitoefening van hun activiteiten. (2) De in het vorige lid bedoelde sanctie wordt opgelegd op de in deze wet bepaalde wijze, tenzij in de betrokken wetgevingshandeling anders is bepaald.”
12 Artikel 83a ZANN bepaalt: „(1) Elke rechtspersoon die zich heeft verrijkt of zich kan verrijken ten gevolge van een strafbaar feit in de zin van [artikel 255] van het wetboek van strafrecht alsook van elk strafbaar feit, gepleegd voor rekening of op initiatief van een criminele organisatie, door: 1. een persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan; 2. een persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt; 3. een persoon die in een controlerend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon is gekozen, of 4. een werknemer die door de rechtspersoon met een bijzondere opdracht is belast, wanneer het strafbare feit bij de uitvoering of naar aanleiding van die opdracht is gepleegd, wordt bestraft met een geldelijke sanctie die ten minste gelijk is aan de waarde van het voordeel, tot ten hoogste 1000000 [Bulgaarse lev (BGN), ongeveer 511000 EUR], wanneer het een vermogensvoordeel betreft […]. (2) De geldelijke sanctie wordt ook opgelegd aan rechtspersonen die niet op het grondgebied van de Republiek Bulgarije zijn gevestigd, wanneer het in lid 1 bedoelde strafbare feit op het grondgebied van de Republiek Bulgarije is gepleegd. (3) De geldelijke sanctie wordt aan de rechtspersoon opgelegd, ook wanneer de in lid 1, punten 1, 2 en 3, bedoelde personen tot de aangegeven strafbare feiten hebben aangezet of daaraan medeplichtig waren, alsmede wanneer het strafbare feit niet verder ging dan het stadium van poging. (4) De geldelijke sanctie wordt opgelegd onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de personen die aan het in lid 1 bedoelde strafbare feit hebben deelgenomen. (5) Het rechtstreekse of indirecte voordeel dat het in lid 1 bedoelde strafbare feit de rechtspersoon heeft opgeleverd, wordt ten bate van de Staat in beslag genomen indien het niet moet worden teruggegeven of terugbetaald, of wordt overeenkomstig het wetboek van strafrecht in beslag genomen. Wanneer het bij het strafbare feit betrokken goed of activum is verdwenen of is overgedragen, wordt een bedrag toegekend dat overeenstemt met de waarde daarvan in lev (BGN). […]”
13 Artikel 83b ZANN luidt als volgt: „(1) De in artikel 83a bedoelde procedure wordt ingeleid op een met redenen omkleed voorstel van de openbare aanklager die bevoegd is voor het onderzoek van de zaak of het dossier betreffende het betrokken strafbare feit, bij de Okrazhen sad (rechter in eerste of tweede aanleg, Bulgarije) van de woonplaats van de rechtspersoon en, in de in artikel 83a, lid 2, bedoelde gevallen, bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia): 1. na neerlegging bij het gerecht van de akte van beschuldiging, de beschikking houdende het voorstel om de pleger van het strafbare feit vrij te stellen van strafrechtelijke aansprakelijkheid en hem een administratieve boete op te leggen, of van de overeenkomst tot strafbemiddeling; […] (2) Het voorstel: 1. bevat een beschrijving van het strafbare feit, omschrijft de omstandigheden waarin dat is gepleegd en toont duidelijk het oorzakelijke verband tussen het strafbare feit en het voordeel voor de rechtspersoon aan; 2. vermeldt de aard en de waarde van het voordeel; 3. vermeldt de naam, het voorwerp van de activiteit, de zetel en het adres van het bestuur van de rechtspersoon; 4. vermeldt de persoonsgegevens van de vertegenwoordiger van de rechtspersoon; 5. vermeldt de persoonsgegevens van de personen die van het strafbare feit worden beschuldigd of hiervoor zijn veroordeeld; 6. bevat een lijst van de schriftelijke stukken waarin de in de punten 1 en 2 bedoelde omstandigheden worden vastgesteld, of gewaarmerkte kopieën van deze stukken; 7. bevat een lijst van de op te roepen personen; 8. vermeldt de datum en plaats van opstelling, alsmede de naam, de functie en de handtekening van de openbare aanklager. […]”
14 Artikel 83d van deze wet bepaalt: „[…] (2) Een enkelvoudige kamer van het gerecht onderzoekt het voorstel in een openbare zitting waaraan het openbaar ministerie deelneemt en waarvoor de rechtspersoon wordt opgeroepen. (3) Het feit dat de vertegenwoordiger van de rechtspersoon, ofschoon regelmatig opgeroepen, niet verschijnt, staat er niet aan in de weg dat het gerecht de zaak behandelt. (4) Het gerecht vergaart de bewijzen ambtshalve of op verzoek van de partijen. (5) Het gerecht onderzoekt de zaak en oordeelt op basis van het vergaarde bewijs: 1. of de betrokken rechtspersoon een onrechtmatig voordeel heeft verkregen; 2. of er een verband bestaat tussen de pleger van het strafbare feit en de rechtspersoon; 3. of er een verband bestaat tussen het strafbare feit en het door de rechtspersoon verkregen voordeel; 4. wat de aard en de waarde van het voordeel zijn, indien het gaat om een vermogensvoordeel. (6) Het gerecht doet uitspraak, waarbij: 1. het een geldelijke sanctie oplegt, [of] 2. het weigert om een geldelijke sanctie op te leggen. (7) De in lid 6, punt 1, bedoelde uitspraak bevat: 1. gegevens over de rechtspersoon; 2. de gegevens over de oorsprong, de aard en de waarde van het voordeel; 3. het bedrag van de opgelegde geldelijke sanctie; 4. de beschrijving van het voorwerp dat in voorkomend geval ten bate van de Staat wordt geconfisqueerd; 5. de belasting van de kosten. […]”
15 Volgens artikel 83e van genoemde wet luidt het: „[…] (1) Tegen de uitspraak van de Okrazhen sad op grond van artikel 83d, lid 6, kan binnen een termijn van 14 dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving hiervan aan de partijen, beroep [door de bestrafte persoon] of klacht (‚protest’) [door het openbaar ministerie] bij de Apelativen sad (rechter in tweede aanleg) worden ingesteld. (2) De zaak wordt behandeld in een openbare zitting, waaraan het openbaar ministerie deelneemt. De rechtspersoon wordt ook ter terechtzitting opgeroepen. (3) In de procedure wordt alleen schriftelijk bewijs toegelaten […]. (4) De Apelativen sad doet uitspraak waarbij deze rechter: 1. de beslissing van de Okrazhen sad vernietigt en de zaak terugverwijst met het oog op een nieuwe behandeling, wanneer in de procedure in eerste aanleg aanzienlijke schendingen van de procedureregels zijn begaan; 2. de beslissing van de Okrazhen sad vernietigt en een geldelijke sanctie oplegt; 3. de beslissing van de Okrazhen sad vernietigt en weigert een geldelijke sanctie op te leggen; 4. de beslissing van de Okrazhen sad wijzigt; 5. de beslissing van de Okrazhen sad bevestigt. (5) De beslissing van de Apelativen sad is definitief.”
16 Artikel 83f ZANN luidt als volgt: „[…] (1) De procedure waarbij de Okrazhen sad of de Apelativen sad definitief uitspraak heeft gedaan, kan worden heropend wanneer: 1. in een vonnis of een rechterlijke uitspraak dat of die gezag van gewijsde heeft, is vastgesteld dat bepaalde schriftelijke bewijzen op grond waarvan de uitspraak was gedaan, vals zijn of valse gegevens bevatten; 2. in een vonnis of een rechterlijke uitspraak dat of die gezag van gewijsde heeft, is vastgesteld dat de rechter, het openbaar ministerie, een partij of interveniënt in de procedure een strafbaar feit heeft gepleegd dat verband houdt met zijn of haar deelname aan de procedure; 3. na inwerkingtreding van de uitspraak om de rechtspersoon een geldelijke sanctie op te leggen, de in artikel 83a, lid 1, punten 1 tot en met 4, bedoelde persoon is vrijgesproken bij een rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft, dan wel door het openbaar ministerie een einde is gesteld aan het geschorste vooronderzoek in de in artikel 24, lid 1, punt 1, van het wetboek van strafvordering bedoelde gevallen; 4. na inwerkingtreding van de uitspraak omstandigheden of bewijzen aan het licht komen waarvan de partij noch het gerecht weet had en die voor de zaak van aanzienlijk belang blijken; 5. in een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [(EHRM)] een schending van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is vastgesteld die voor de zaak van aanzienlijk belang blijkt; 6. in de loop van de behandeling de procedurevoorschriften wezenlijk zijn geschonden. (2) Het verzoek om heropening kan worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de kennisneming van het feit dat hiertoe aanleiding heeft gegeven of, in de in lid 1, punt 6, bedoelde gevallen, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de beslissing van de Okrazhen sad of de Apelativen sad. (3) Het verzoek om heropening schorst de tenuitvoerlegging van de in werking getreden beslissing niet, tenzij het gerecht anders beslist. (4) Een verzoek om heropening kan worden ingediend door: 1. de openbare aanklager van het regionaal parket; 2. de rechtspersoon aan wie een geldelijke sanctie is opgelegd. (5) Het verzoek tot heropening wordt behandeld door de Apelativen sad van het gerechtelijk arrondissement waarin de autoriteit die de in werking getreden beslissing heeft genomen, is gevestigd. (6) De Apelativen sad behandelt het verzoek in een panel van drie rechters. Wanneer het een beslissing van de Apelativen sad betreft, wordt het verzoek om heropening behandeld door een andere kamer van die Apelativen sad. (7) De zaak wordt onderzocht in een openbare zitting waaraan het openbaar ministerie deelneemt. De rechtspersoon wordt ook ter terechtzitting opgeroepen. (8) Wanneer de Apelativen sad oordeelt dat het verzoek gegrond is, wordt de beslissing vernietigd en de zaak terugverwezen met het oog op een nieuwe behandeling, en wordt aangegeven vanaf welke proceshandeling het onderzoek moet worden hervat.”
17 Artikel 83g van die wet luidt: „Voor niet in de artikelen 83b en 83d tot en met 83f geregelde kwesties gelden de bepalingen van het wetboek van strafvordering.”
Wetboek van strafrecht
18 Artikel 255, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht) bepaalt: „Wie voor aanzienlijke bedragen de vaststelling of betaling van belastingschulden ontduikt, door: […] 2. valse gegevens te verstrekken of in zijn aangifte de waarheid te verdoezelen; 3. na te laten een factuur uit te reiken of een ander boekhoudkundig stuk op te maken; […] wordt gestraft met een gevangenisstraf van één tot zes jaar en een geldelijke sanctie van ten hoogste 2000 [BGN].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 ZK is bestuurder en vertegenwoordiger van de in Burgas (Bulgarije) gevestigde onderneming Delta Stroy. Op 5 augustus 2019 is ZK ten laste gelegd dat zij, in de vorm van een voortgezet strafbaar feit in die hoedanigheid de betaling van belastingschulden ten belope van in totaal 11388,98 BGN (ongeveer 5800 EUR), hetgeen overeenkomt met de verschuldigde btw voor de belastingtijdvakken van maart, april en juli 2009, aan verschuldigde btw had ontdoken. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 255, lid 1, punten 2 en 3, van het wetboek van strafrecht. Deze strafzaak was in behandeling bij de Okrazhen sad – Burgas (rechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije) op de datum van indiening van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
20 Overeenkomstig de artikelen 83a e.v. ZANN heeft de openbare aanklager van de okrazhna prokuratura – Burgas (regionaal parket Burgas, Bulgarije), in een afzonderlijke procedure, op 9 december 2020 deze rechter verzocht aan Delta Stroy een geldelijke sanctie op te leggen omdat zij een vermogensvoordeel had verkregen ten gevolge van het door ZK gepleegde strafbare feit. Bij deze vordering was de tenlastelegging tegen ZK gevoegd.
21 De Okrazhen sad – Burgas twijfelt aan de verenigbaarheid met kaderbesluit 2005/212 en met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen dat is neergelegd in artikel 49 van het Handvest, van de artikelen 83a en volgende ZANN, voor zover die artikelen de strafrechter toestaan om aan een rechtspersoon een geldelijke sanctie op te leggen wegens een strafbaar feit dat het voorwerp uitmaakt van een parallelle strafprocedure die nog niet definitief is afgesloten.
22 Deze rechter herinnert er om te beginnen aan dat in een eerdere versie van de relevante bepalingen van de ZANN was bepaald dat aan een rechtspersoon pas een geldelijke sanctie wegens een door een natuurlijke persoon in het kader van de activiteit van die rechtspersoon gepleegd strafbaar feit kon worden opgelegd nadat de rechterlijke beslissing waarbij die natuurlijke persoon werd veroordeeld, in kracht van gewijsde was gegaan. Na de wijziging van die bepalingen is een dergelijke eis echter losgelaten.
23 De verwijzende rechter zet uiteen dat in de onderhavige zaak twee parallelle procedures zijn ingeleid, de ene tegen ZK, op grond van artikel 255, lid 1, van het wetboek van strafrecht, wegens een strafbaar feit dat zij zou hebben gepleegd, en de andere tegen Delta Stroy, op grond van de artikelen 83a en volgende ZANN. Die procedures strekken ertoe dat aan deze vennootschap een geldelijke sanctie wordt opgelegd die gelijk is aan het vermogensvoordeel dat uit dit strafbare feit is verkregen. Deze rechter merkt op dat de ZANN niet voorziet in de mogelijkheid om de krachtens de artikelen 83a en volgende ervan ingeleide procedure op te schorten totdat de tegen ZK ingeleide strafprocedure is beëindigd.
24 Vervolgens is de verwijzende rechter van oordeel dat het opleggen aan een rechtspersoon, wegens een door een natuurlijke persoon gepleegd strafbaar feit, van een geldelijke sanctie die overeenkomt met het voordeel dat deze rechtspersoon uit dit strafbare feit heeft verkregen of zou kunnen verkrijgen, een gehele of gedeeltelijke confiscatie van de opbrengsten van het strafbare feit vormt in de zin van artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212.
25 Ten slotte herinnert de verwijzende rechter eraan dat in artikel 49 van het Handvest het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen is neergelegd, dat verbiedt een straf op te leggen voordat is komen vast te staan dat er een strafbaar feit is gepleegd. Volgens de ZANN is de vraag of de natuurlijke persoon daadwerkelijk een strafbaar feit heeft gepleegd echter niet een van de elementen die de strafrechter op grond van artikel 83d, lid 5, van deze wet moet beoordelen om eventueel een geldelijke sanctie aan de rechtspersoon op te leggen.
26 Zo maakt de procedure van de artikelen 83a en volgende ZANN het in de praktijk mogelijk een rechtspersoon een sanctie op te leggen die uitsluitend is gebaseerd op elementen van de tenlastelegging tegen de vertegenwoordiger en bestuurder van deze rechtspersoon in verband met een specifiek strafbaar feit waarvan nog niet op basis van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing is komen vast te staan dat het is gepleegd.
27 In die omstandigheden heeft de Okrazhen sad – Burgas beslist om de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen: „1) Moeten de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit [2005/212] en artikel 49 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de nationale rechter in een procedure als die in het hoofdgeding aan een rechtspersoon een sanctie kan opleggen wegens een specifiek strafbaar feit waarvan het plegen nog niet vaststaat omdat dit onderwerp is van een parallelle strafprocedure die niet definitief is afgesloten? 2) Moeten de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit [2005/212] en artikel 49 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de nationale rechter in een procedure als die in het hoofdgeding aan een rechtspersoon een sanctie kan opleggen door de hoogte van die sanctie vast te stellen op het bedrag van de opbrengst die zou zijn verkregen uit een specifiek strafbaar feit waarvan het plegen nog niet vaststaat omdat dit onderwerp is van een parallelle strafprocedure die niet definitief is afgesloten?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
Opmerkingen vooraf
28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Het Hof heeft immers tot taak om alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de aan het Hof voorgelegde vragen [zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Pensionsversicherungsanstalt (In het buitenland vervulde tijdvakken van kinderopvoeding), C‑576/20, EU:C:2022:525, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat de eerste vraag van de verwijzende rechter weliswaar betrekking heeft op de uitlegging van de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit 2005/212, dat ziet op de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen, maar dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op een dergelijke confiscatieprocedure.
30 Wat in de eerste plaats het begrip „confiscatie” betreft, moet niet worden verwezen naar de definitie in artikel 1, vierde streepje, van kaderbesluit 2005/212, maar naar die in artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/42, aangezien die richtlijn krachtens artikel 14, lid 1, ervan onder meer de eerste vier streepjes van artikel 1 van dat kaderbesluit heeft vervangen. Volgens deze laatste definitie is confiscatie de „definitieve ontneming van voorwerpen, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit”.
31 Vervolgens bepaalt artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212 dat elke lidstaat de maatregelen neemt die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten.
32 Ten slotte volgt uit artikel 2, punt 1, van richtlijn 2014/42 dat onder „opbrengsten” elk economisch voordeel wordt verstaan dat uit een strafbaar feit is verkregen en voorwerpen van enigerlei aard kan betreffen.
33 Hoewel geldbedragen „voorwerpen” zijn die kunnen worden geconfisqueerd (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 58), kunnen dergelijke voorwerpen op grond van artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212 slechts worden geconfisqueerd wanneer zij overeenkomen met het voordeel dat uit een strafbaar feit is verkregen, namelijk de opbrengst van dat strafbare feit, of met de hulpmiddelen van dat strafbare feit, namelijk het voorwerp dat is gebruikt of bestemd was om te worden gebruikt om dat strafbare feit te plegen.
34 Het begrip „geldelijke sanctie”, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder b), i), van kaderbesluit 2005/214, ziet daarentegen op de verplichting tot betaling van een geldsom die in geval van veroordeling wegens een strafbaar feit bij beslissing is opgelegd in strafzaken. In die bepaling wordt gepreciseerd dat dit begrip onder meer geen betrekking heeft op beslissingen tot confiscatie van hulpmiddelen of opbrengsten van strafbare feiten.
35 In dit verband zij erop gewezen dat het bedrag van de geldelijke sanctie niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de waarde van het economische voordeel dat wordt verkregen uit het strafbare feit dat met die sanctie wordt bestraft. Een dergelijke sanctie kan immers worden vastgesteld op een bedrag dat lager of hoger is dan of gelijk is aan de waarde van dat voordeel en kan zelfs worden opgelegd wanneer een dergelijk voordeel ontbreekt, of in samenhang met de confiscatie van de opbrengsten van het strafbare feit. Bovendien kan een dergelijke geldelijke sanctie ook niet worden gelijkgesteld met de confiscatie van het hulpmiddel waarmee het betrokken strafbare feit is gepleegd.
36 Zo blijkt dat de wetgever van de Unie met de vaststelling van kaderbesluiten 2005/212 en 2005/214 een onderscheid heeft willen maken tussen maatregelen betreffende de confiscatie van voorwerpen die de opbrengst of het hulpmiddel zijn van strafbare feiten en maatregelen betreffende het opleggen van geldelijke sancties in verband met dergelijke strafbare feiten.
37 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat het opleggen aan een rechtspersoon, wegens een door een natuurlijke persoon gepleegd strafbaar feit, van een geldelijke sanctie die overeenkomt met het voordeel dat de rechtspersoon uit dit strafbare feit heeft verkregen of zou kunnen verkrijgen, een gehele of gedeeltelijke confiscatie van de opbrengsten van het strafbare feit vormt in de zin van kaderbesluit 2005/212. Hij preciseert evenwel dat naar Bulgaars recht een dergelijke geldelijke sanctie ook kan worden opgelegd wanneer er geen daadwerkelijk voordeel is verkregen of wanneer het voordeel niet van vermogensrechtelijke aard is, en voegt daaraan toe dat de in de artikelen 83a en volgende ZANN bedoelde procedure niet uitsluitend betrekking heeft op onrechtmatig verkregen voorwerpen. Bovendien volgt uit dit artikel 83a, lid 1, dat het bedrag van de geldelijke sanctie die kan worden opgelegd, hoger mag zijn dan de waarde van het verkregen voordeel.
38 Gelet op het voorgaande vormt een geldelijke sanctie als die van artikel 83a, lid 1, ZANN geen confiscatiemaatregel in de zin van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42, zelfs wanneer het bedrag van die sanctie overeenkomt met de waarde van het uit het strafbare feit verkregen vermogensvoordeel.
39 Hieruit volgt dat dit kaderbesluit niet van toepassing is op het hoofdgeding en dat de artikelen 4 en 5 ervan dus niet hoeven te worden uitgelegd in het kader van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
40 Wat in de tweede plaats de twijfels van de verwijzende rechter betreft over de verenigbaarheid met artikel 49 van het Handvest van de artikelen 83a en volgende ZANN, moet ten eerste worden vastgesteld dat het hoofdgeding betrekking heeft op het opleggen van een geldelijke sanctie aan een vennootschap wegens een onrechtmatig vermogensvoordeel dat zij heeft verkregen omdat haar vertegenwoordiger en bestuurder een strafbaar feit inzake btw-aangiften zou hebben gepleegd.
41 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat door de nationale belastingautoriteiten opgelegde administratieve sancties en strafrechtelijke procedures ter zake van btw-delicten, aangezien zij beogen de juiste heffing van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen, de tenuitvoerlegging vormen van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punten 26 en 27, en 5 mei 2022, BV, C‑570/20, EU:C:2022:348, punt 26). Hetzelfde geldt voor de sancties die een rechter in het kader van een dergelijke strafprocedure oplegt. Hieruit volgt dat het Handvest van toepassing is op het hoofdgeding.
42 Ten tweede staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctieregeling van strafrechtelijke aard is. De verwijzende rechter wijst er in het bijzonder op dat de procedure van de artikelen 83a en volgende ZANN alle kenmerken vertoont van een strafrechtelijke procedure.
43 Ten derde legt artikel 49 van het Handvest onder meer het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen vast en komt het, zoals blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17), overeen met artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM).
44 Artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Bijgevolg dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het aan artikel 49 van het Handvest geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt gewaarborgd door artikel 7 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM [zie in die zin arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing), C‑564/19, EU:C:2021:949, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 Zoals de verwijzende rechter zelf heeft opgemerkt, heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 7 EVRM zich ertegen verzet dat aan een persoon een strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd zonder dat vooraf zijn persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid is vastgesteld en aangegeven, omdat anders ook het in artikel 6, lid 2, EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld wordt geschonden (EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.r.l. e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2018:0628JUD000182806, § 251).
46 Voor zover artikel 49 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het dezelfde vereisten bevat als die welke voortvloeien uit artikel 7 EVRM en waarnaar in het vorige punt is verwezen, is artikel 49 relevant voor het antwoord op de eerste prejudiciële vraag.
47 Zoals wordt bevestigd door de in punt 45 van dit arrest genoemde rechtspraak, zijn dergelijke eisen echter ook gelijkwaardig aan die welke voortvloeien uit het in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld, dat uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest.
48 Aangezien het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in wezen betrekking heeft op de vraag een rechtspersoon, op basis van een vermoeden, strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden wegens handelingen van zijn vertegenwoordiger en bestuurder, volstaat het bij de beantwoording van deze vraag dus te verwijzen, niet naar artikel 49, maar naar artikel 48, lid 1, van het Handvest, dat net als de in punt 44 van dit arrest genoemde rechtspraak aldus moet worden uitgelegd dat het een beschermingsniveau waarborgt dat niet in strijd is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde niveau.
49 Ook artikel 48, lid 2, van het Handvest, waarin het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is neergelegd, lijkt relevant om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.
50 De eerste vraag moet dus aldus worden geherformuleerd dat zij in wezen ertoe strekt te bepalen of artikel 48 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de nationale rechter aan een rechtspersoon een strafrechtelijke sanctie kan opleggen wegens een strafbaar feit waarvoor een natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, aansprakelijk zou zijn, wanneer deze aansprakelijkheid nog niet definitief is vastgesteld.
Ten gronde
51 Krachtens artikel 48, lid 1, van het Handvest wordt eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dit beginsel is van toepassing wanneer het gaat om de vaststelling van de objectieve bestanddelen van een strafbaar feit die kunnen leiden tot de oplegging van administratieve sancties van strafrechtelijke aard (arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑546/18, EU:C:2021:711, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit is in casu het geval, zoals blijkt uit punt 42 van het onderhavige arrest.
52 Volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt bovendien aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties kan leiden, een grondbeginsel van het Unierecht vormt [arresten van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punt 92, en 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 204].
53 Volgens de verwijzende rechter blijkt uit artikel 83a, lid 1, junctis de artikelen 83b en 83f ZANN dat aan een rechtspersoon een strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd wanneer hij zich heeft verrijkt of kan verrijken ten gevolge van een strafbaar feit dat wordt toegerekend aan een natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, zelfs voordat deze natuurlijke persoon wegens dat strafbare feit definitief is veroordeeld.
54 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de rechter bij wie een vordering van de bevoegde openbare aanklager aanhangig is tot oplegging van een geldelijke sanctie aan een rechtspersoon op grond van artikel 83a, lid 1, ZANN, de zaak overeenkomstig artikel 83d, lid 5, ZANN uitsluitend aan de hand van de in die bepaling genoemde elementen moet onderzoeken. Dit betekent dat hij moet nagaan of de betrokken rechtspersoon een onrechtmatig voordeel heeft verkregen, of er een verband bestaat tussen de pleger van het strafbare feit en de rechtspersoon, of er een verband bestaat tussen het strafbare feit en het verkregen voordeel en wat de aard en de waarde zijn van het voordeel, indien het gaat om een vermogensvoordeel. De verwijzende rechter benadrukt dat al deze elementen uitgaan van de premisse dat er een strafbaar feit is gepleegd en voegt daaraan toe dat de rechter tot wie de bevoegde openbare aanklager zijn vordering richt, de geldigheid van die premisse niet kan betwisten, aangezien de vraag of een strafbaar feit is gepleegd, alleen in het kader van de strafprocedure tegen de natuurlijke persoon aan de orde kan komen.
55 Ten slotte blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat de rechtspersoon over een beroep in volle omvang beschikt om in een later stadium van de tegen hem ingeleide procedure te betwisten dat er een strafbaar feit is gepleegd.
56 Hoewel die rechtspersoon op grond van artikel 83e ZANN tegen zijn veroordeling beroep kan instellen, lijkt de rechter die op het beroep beslist, evenmin te kunnen beoordelen of die premisse juist is.
57 Evenzo kan alleen in bepaalde zeer bijzondere omstandigheden de procedure die tot de strafrechtelijke bestraffing van de rechtspersoon heeft geleid, overeenkomstig artikel 83f van die wet worden heropend. Zonder dat zelfs maar uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of deze gronden voor heropening de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, ruimere bevoegdheden verlenen dan die waarover hij beschikte toen hij uitspraak deed, in eerste aanleg of in beroep, kan dus worden volstaan met de vaststelling dat het gaat om een uitzonderlijk rechtsmiddel dat niet van rechtswege kan worden uitgeoefend door de rechtspersoon die krachtens de artikelen 83a en volgende van die wet strafrechtelijk is veroordeeld.
58 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 50 en 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, een rechtspersoon definitief kan worden bestraft wegens een strafbaar feit dat wordt toegerekend aan de natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, zonder dat de bevoegde rechter kan beoordelen of dit strafbare feit is gepleegd en zonder dat de rechtspersoon dienaangaande nuttige opmerkingen kan maken.
59 Een dergelijke situatie kan leiden tot een kennelijk onevenredige schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van de rechten van de verdediging, die krachtens artikel 48 van het Handvest aan deze rechtspersoon zijn gewaarborgd.
60 Weliswaar staat artikel 48 van het Handvest er niet aan in de weg dat een lidstaat feitelijke of wettelijke vermoedens vaststelt, maar het staat aan die lidstaat om redelijke grenzen te stellen aan de in de strafwetten opgenomen vermoedens, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de betrokken belangen en de rechten van de verdediging in stand worden gehouden. Anders zou het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals neergelegd in lid 1 van dat artikel, onevenredig worden geschaad (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑546/18, EU:C:2021:711, punt 47).
61 Evenzo heeft het EHRM geoordeeld dat de verdragsluitende staten onder meer onder bepaalde voorwaarden een op zichzelf beschouwd materieel of objectief feit strafbaar kunnen stellen. In strafzaken verplicht het EVRM hen echter een bepaalde drempel in acht te nemen. Deze drempel wordt overschreden wanneer een vermoeden tot gevolg heeft dat een persoon elke mogelijkheid wordt ontnomen om zichzelf vrij te pleiten met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, waardoor de persoon het voordeel van artikel 6, lid 2, EVRM verliest (zie in die zin EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.r.l. e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2018:0628JUD000182806, § 243 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Zoals in punt 54 van dit arrest is opgemerkt, is de rechter die wordt verzocht de rechtspersoon een sanctie op te leggen, evenwel slechts bevoegd om zich over bepaalde specifieke elementen uit te spreken, zonder dat hij kan beoordelen of het strafbare feit waarop een dergelijke sanctie kan worden gebaseerd, is gepleegd. Hieruit volgt dat deze rechtspersoon zijn rechten van verdediging niet doeltreffend kan uitoefenen, aangezien hij niet kan betwisten dat dit strafbare feit is gepleegd en uiteindelijk de gevolgen moet dragen van een afzonderlijke procedure die is ingeleid tegen de natuurlijke persoon die bevoegd is om namens hem verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen.
63 In dit verband is het van belang eraan te herinneren dat de rechten van de verdediging een subjectief karakter hebben, zodat het de betrokken partijen zelf zijn die deze rechten daadwerkelijk moeten kunnen uitoefenen (arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑546/18, EU:C:2021:711, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon, die namens hem verbintenissen kan aangaan of hem kan vertegenwoordigen, verschillende belangen hebben.
64 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de mogelijkheid voor de rechtspersoon om krachtens artikel 83f ZANN te verzoeken om heropening van de procedure met het oog op kwijtschelding van de hem opgelegde geldelijke sanctie, met name ingeval de natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, van de hem ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken. Zoals in punt 55 van dit arrest is opgemerkt, kan een dergelijk rechtsmiddel namelijk niet worden gelijkgesteld met een beroep in volle omvang dat door deze rechtspersoon van rechtswege kan worden uitgeoefend.
65 Bovendien biedt de bij de artikelen 83a en volgende ZANN ingestelde procedure weliswaar de mogelijkheid om de financiële belangen van de Unie te beschermen door een juiste inning van de btw te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat een dergelijke doelstelling niet kan rechtvaardigen dat op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de waarborgen van artikel 48 van het Handvest (zie naar analogie EHRM, 23 november 2006, Jussila tegen Finland, CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, § 36). In elk geval is niet aangetoond dat een procedure als die in het hoofdgeding noodzakelijk is om een structureel risico te voorkomen dat strafbare feiten onbestraft blijven.
66 Hieruit volgt dat een procedure als die van de artikelen 83a en volgende ZANN een kennelijk onevenredige inbreuk maakt op de in artikel 48 van het Handvest neergelegde rechten.
67 Uit het voorgaande volgt dat artikel 48 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter aan een rechtspersoon een strafrechtelijke sanctie kan opleggen voor een strafbaar feit waarvoor een natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, aansprakelijk zou zijn, wanneer de rechtspersoon niet de mogelijkheid heeft gekregen te betwisten dat dit strafbaar feit is gepleegd.
Tweede vraag
68 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
69 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter aan een rechtspersoon een strafrechtelijke sanctie kan opleggen voor een strafbaar feit waarvoor een natuurlijke persoon die bevoegd is om namens deze rechtspersoon verbintenissen aan te gaan of hem te vertegenwoordigen, aansprakelijk zou zijn, wanneer de rechtspersoon niet de mogelijkheid heeft gekregen te betwisten dat dit strafbaar feit is gepleegd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 juli 2022, C-576/20, ECLI:EU:C:2022:525
- HvJ EU 5 mei 2022, C-570/20, ECLI:EU:C:2022:348
- HvJ EU 23 november 2021, C-564/19, ECLI:EU:C:2021:949
- HvJ EU 21 oktober 2021, C-845/19, ECLI:EU:C:2021:864
- HvJ EU 9 september 2021, C-546/18, ECLI:EU:C:2021:711
- HvJ EU 15 juli 2021, C-791/19, ECLI:EU:C:2021:596
- HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105
- HvJ EU 14 september 2010, C-550/07, ECLI:EU:C:2010:512