HvJ EU 6 oktober 2022, C-436/21, ECLI:EU:C:2022:762
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
6 oktober 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 3, lid 1, onder a) – Werkingssfeer – Artikel 2, onder f) tot en met h) – Begrip ‚ticket’ – Begrip ‚boeking’ – Begrip ‚rechtstreeks aansluitende vluchten’ – Boeking via een reisbureau – Artikel 7 – Compensatie aan luchtreizigers bij langdurige vertraging van vluchten – Vervoer bestaande uit meerdere vluchten die door verschillende luchtvaartmaatschappijen worden uitgevoerd – Rechtstreeks aansluitende vluchten vanaf een luchthaven in een lidstaat, met tussenlanding in Zwitserland en eindbestemming in een derde land”
In zaak C‑436/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 22 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 15 juli 2021, in de procedure
flightright GmbH
tegen
American Airlines Inc.,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Safjan en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– flightright GmbH, vertegenwoordigd door M. Michel en R. Weist, Rechtsanwälte,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun, G. Wilms en N. Yerrell als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 3 en 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 420, blz. 134), alsook van artikel 2 van en de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake Wetenschappelijke en Technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 73), zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/2017 van het krachtens deze overeenkomst opgerichte Gemengd Comité luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland van 29 november 2017 (PB 2017, L 348, blz. 46) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen flightright GmbH, een maatschappij die rechtsbijstand aan luchtreizigers verleent, en American Airlines Inc., een luchtvaartmaatschappij, over een compensatie die op grond van verordening nr. 261/2004 is gevorderd wegens langdurige vertraging van een vlucht bij aankomst op de eindbestemming.
Toepasselijke bepalingen
3 In overweging 1 van verordening nr. 261/2004 staat te lezen: „Het optreden van de Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.”
4 Artikel 2 van deze verordening, met het opschrift „Definities”, bepaalt het volgende: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] b) ‚luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier; […] d) ‚touroperator’: een organisator als bedoeld in artikel 2, punt 2, van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, met uitzondering van een luchtvaartmaatschappij [PB 1990, L 158, blz. 59]; […] f) ‚ticket’: een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan; g) ‚boeking’: het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator; h) ‚eindbestemming’: de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht; […] […]”
5 Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1: „Deze verordening is van toepassing a) op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is; […]”
6 Artikel 7 van dezelfde verordening, met als opschrift „Recht op compensatie”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van: a) 250 EUR voor alle vluchten tot en met 1500 km; b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km; c) 600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten. […]”
7 Artikel 13 van verordening nr. 261/2004, met het opschrift „Recht op schadevergoeding”, bepaalt: „In gevallen waarin een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert compensatie betaalt of aan de overige verplichtingen voldoet die krachtens deze verordening op haar rusten, mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht om volgens het geldend recht compensatie te verlangen van enige persoon, inclusief derden. Deze verordening beperkt met name geenszins het recht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om terugbetaling te eisen van een touroperator of enige andere persoon waarmee de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 Een passagier die op 25 juli 2018 vanuit Stuttgart (Duitsland) naar Kansas City (Verenigde Staten) wilde reizen, heeft daartoe met een reisbureau een bemiddelingsovereenkomst gesloten voor de aankoop van één enkel elektronisch ticket voor een vlucht van Stuttgart naar Zürich (Zwitserland), die zou worden uitgevoerd door Swiss International Air Lines AG, en twee vluchten tussen Zürich en Philadelphia (Verenigde Staten) en tussen Philadelphia en Kansas City, die zouden worden uitgevoerd door American Airlines. Het nummer van dit ticket was vermeld op de instapkaarten voor deze vluchten. Verder blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat dit ticket American Airlines als dienstverlener vermeldde en één enkel boekingsnummer („Filekey”) bevatte voor het gehele traject. Het reisbureau heeft een factuur opgesteld waarop één enkele „deelnemerprijs” was vermeld voor het hele traject en voor de terugkeer van Kansas City naar Stuttgart via Chicago (Verenigde Staten) en Londen (Verenigd Koninkrijk).
9 De vluchten van Stuttgart naar Zürich en van Zürich naar Philadelphia zijn verlopen zoals gepland, maar die tussen Philadelphia en Kansas City had bij aankomst meer dan vier uur vertraging.
10 De uit deze vertraging ontstane rechten zijn overgedragen aan flightright, die voor de Duitse gerechten 600 EUR compensatie vordert van American Airlines op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004.
11 Het beroep van flightright is in eerste aanleg verworpen. In hoger beroep is die uitspraak bevestigd door het Landgericht Stuttgart (rechter in tweede aanleg Stuttgart, Duitsland), dat heeft geoordeeld dat American Airlines niet de luchtvaartmaatschappij was die een vlucht vanuit het grondgebied van een lidstaat had uitgevoerd, zodat verordening nr. 261/2004 niet op haar van toepassing was en er op grond van die verordening dus geen compensatie verschuldigd was. Volgens die rechter wees niets erop dat verweerster in het hoofdgeding zich ertoe had verbonden om het vervoer van de betrokken passagier van Stuttgart naar Kansas City uit te voeren, noch dat zij dit vervoer op zich had genomen ter uitvoering van een codesharingovereenkomst.
12 Flightright heeft daarop verzoek tot Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), dat van oordeel is dat de uitkomst van het geding afhangt van de uitlegging van de artikelen 2, 3 en 7 van verordening nr. 261/2004 alsook, in voorkomend geval, van de Overeenkomst EG-Zwitserland.
13 In de eerste plaats merkt het Bundesgerichtshof op dat deze verordening volgens artikel 3, lid 1, onder a), ervan in casu van toepassing is indien de drie aan de orde zijnde vluchten waaruit het vervoer van Stuttgart naar Kansas City bestaat, moeten worden beschouwd als een „eenheid” in de zin van de rechtspraak van het Hof, met name de arresten van 31 mei 2018, Wegener (C‑537/17, EU:C:2018:361), en 11 juli 2019, České aerolinie (C‑502/18, EU:C:2019:604).
14 Volgens de verwijzende rechter blijkt uit deze rechtspraak weliswaar dat twee of meer vluchten waarvoor één enkele boeking is verricht, als rechtstreeks aansluitende vluchten één geheel vormen voor het in verordening nr. 261/2004 bedoelde recht op compensatie, maar rijst niettemin de vraag of er reeds sprake is van één enkele boeking wanneer een reisbureau vluchten die door verschillende luchtvaartmaatschappijen worden uitgevoerd, samenvoegt tot één enkele vervoershandeling, de passagier daar een totaalprijs voor in rekening brengt en één enkel elektronisch ticket uitreikt, dan wel of daarvoor ook een bijzondere rechtsverhouding tussen die luchtvaartmaatschappijen vereist is.
15 De verwijzende rechter is geneigd om aan te nemen dat een boeking tegen een totaalprijs waarbij één enkel ticket wordt uitgereikt voor alle betreffende vluchten volstaat om te kunnen spreken van „één enkele boeking” in de zin van de in punt 13 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, en dat uit artikel 2, onder f) en g), van verordening nr. 261/2004 volgt dat een passagier recht heeft op compensatie ten laste van een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert wanneer deze weliswaar niet betrokken was bij de boeking of de bevestiging daarvan, maar een tussenpersoon of een touroperator de mogelijkheid heeft geboden om een dergelijke boeking te aanvaarden en te registreren. Volgens de verwijzende rechter is deze uitlegging in overeenstemming met de in overweging 1 van die verordening genoemde doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen en versterkt zij aldus het vertrouwen van degenen die zich bij de aankoop van tickets tot een door de luchtvaartmaatschappij erkend tussenpersoon wenden.
16 Voor het geval dat die bepalingen anders zouden moeten worden uitgelegd, wijst het Bundesgerichtshof er in de tweede plaats op dat, als minstens de twee vluchten die door American Airlines werden uitgevoerd, namelijk die tussen Zürich en Philadelphia en tussen Philadelphia en Kansas City, moeten worden beschouwd als rechtstreeks aansluitende vluchten, de vraag rijst of verordening nr. 261/2004 van toepassing is op een vlucht vanuit Zwitserland naar een derde land.
17 In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is er reeds sprake van rechtstreeks aansluitende vluchten in de zin van artikel 2, onder h), van [verordening nr. 261/2004] wanneer een reisbureau vluchten van verschillende luchtvaartmaatschappijen tot één vervoershandeling samenvoegt, daarvoor een totaalprijs aan de passagier in rekening brengt en één enkel elektronisch ticket uitreikt, of is er daarnaast een bijzondere rechtsverhouding tussen de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren vereist? 2) Indien een bijzondere rechtsverhouding tussen de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren vereist is: Volstaat het dat bij een boeking als bedoeld in de eerste vraag twee opeenvolgende vluchten zijn samengevoegd die door dezelfde luchtvaartmaatschappij dienen te worden uitgevoerd? 3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Moeten artikel 2 van de [Overeenkomst EG/Zwitserland] en de verwijzing naar [verordening nr. 261/2004] [die in] de bijlage bij [die overeenkomst is opgenomen] aldus worden uitgelegd dat [die] verordening ook van toepassing is op passagiers die vanaf luchthavens op het grondgebied van Zwitserland naar een derde land vertrekken?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
18 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder h), van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „rechtstreeks aansluitende vluchten” ook betrekking heeft op vervoer dat meerdere vluchten omvat die worden uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen waartussen geen bijzondere rechtsverhouding bestaat, wanneer deze vluchten zijn samengevoegd door een reisbureau dat voor dit vervoer een totaalprijs in rekening heeft gebracht en één enkel ticket heeft uitgereikt, zodat een passagier die vertrekt vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat en die met grote vertraging aankomt op de bestemming van de laatste vlucht, zich kan beroepen op het recht op compensatie krachtens artikel 7 van deze verordening.
19 Artikel 2, onder h), van deze verordening definieert het begrip „eindbestemming” als de bestemming die vermeld staat op het ticket dat bij de incheckbalie wordt aangeboden of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht van de betrokken passagier (zie in die zin arresten van 26 februari 2013, Folkerts, C‑11/11, EU:C:2013:106, punten 34 en 35, en 31 mei 2018, Wegener, C‑537/17, EU:C:2018:361, punt 17).
20 „[R]echtstreeks aansluitende vluchten” in de zin van deze bepaling moeten worden begrepen als twee of meer vluchten die een geheel vormen voor het krachtens verordening nr. 261/2004 aan passagiers toekomende recht op compensatie. Dat is het geval wanneer twee of meer vluchten in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht (arrest van 31 mei 2018, Wegener, C‑537/17, EU:C:2018:361, punten 18 en 19).
21 Het begrip „boeking” wordt in artikel 2, onder g), van verordening nr. 261/2004 gedefinieerd als „het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd”. Een boeking kan zowel door de luchtvaartmaatschappij als door een touroperator in de zin van punt d) van dat artikel worden aanvaard en geregistreerd. Het begrip „ticket” in de zin van artikel 2, onder f), van de verordening omvat alle materiële en immateriële elementen die de passagier recht op vervoer geven (beschikking van 11 oktober 2021, Vueling Airlines, C‑686/20, niet gepubliceerd, EU:C:2021:859, punt 28) en door een luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent zijn uitgegeven of toegestaan.
22 Deze begrippen moeten in het belang van het hoge niveau van bescherming van de passagiers dat wordt beoogd in overweging 1 van verordening nr. 261/2004, ruim worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 45, en 4 oktober 2012, Finnair, C‑22/11, EU:C:2012:604, punt 23).
23 Wat rechtstreeks aansluitende vluchten in de zin van artikel 2, onder h), van verordening nr. 261/2004 betreft, moet voor de beoordeling van de toepasselijkheid van deze verordening dus worden gekeken naar de aanvankelijke plaats van vertrek en de eindbestemming. Aangezien de verordening krachtens artikel 3, lid 1, onder a), ervan met name van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, vallen rechtstreeks aansluitende vluchten vanaf een dergelijke luchthaven binnen de werkingssfeer van die verordening (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C‑502/18, EU:C:2019:604, punten 16‑18).
24 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat aan de passagier om wie het in het hoofdgeding gaat, door een reisbureau één enkel elektronisch ticket was afgegeven waarmee zij met drie opeenvolgende vluchten van Stuttgart naar Kansas City kon reizen, en dat het nummer van dit ticket vermeld stond op de instapkaarten voor deze vluchten. Voorts blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat dit ticket melding maakte van één enkele dienstverrichter, namelijk American Airlines, en één enkel boekingsnummer („Filekey”) voor het gehele traject, waarvoor een totaalprijs in rekening werd gebracht.
25 Vast staat dat enkel de laatste vlucht, die volledig buiten het grondgebied van de Unie werd uitgevoerd, met meer dan vier uur vertraging is aangekomen. Om te bepalen of een passagier zoals die in het hoofdgeding krachtens verordening nr. 261/2004 compensatie kan krijgen voor die vertraging, moet dus aan de hand van de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden nagegaan of die vlucht moet worden geacht een onderdeel te vormen van rechtstreeks aansluitende vluchten in de zin van artikel 2, onder h), van die verordening, met als vertrekpunt een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat.
26 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt in dit verband dat de passagier in het hoofdgeding beschikte over een ticket in de zin van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004, dat bewijst dat de reservering voor het gehele traject van Stuttgart naar Kansas City werd aanvaard en geregistreerd door een touroperator, zoals bepaald in punt g) van dat artikel. Dergelijk vervoer moet worden geacht op één enkele boeking te berusten en bijgevolg worden beschouwd als een geval van „rechtstreeks aansluitende vluchten” in de zin van de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
27 De verwijzende rechter geeft aan dat de vluchten die het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoer omvatten, werden uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen, namelijk Swiss International Air Lines en American Airlines, waartussen geen bijzondere rechtsverhouding bestond.
28 Geen enkele bepaling van verordening nr. 261/2004 laat de kwalificatie „rechtstreeks aansluitende vluchten” echter afhangen van het bestaan van een bijzondere rechtsverhouding tussen de luchtvaartmaatschappijen die in voorkomend geval de deelvluchten uitvoeren (zie naar analogie arrest van 31 mei 2018, Wegener, C‑537/17, EU:C:2018:361, punt 22).
29 Een dergelijke aanvullende voorwaarde zou overigens in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 261/2004 om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen, zoals vermeld in overweging 1 ervan, aangezien ze de rechten die de verordening toekent aan passagiers, waaronder met name het recht op compensatie op grond van artikel 7 van die verordening, zou kunnen beperken wanneer hun vlucht aankomt met een langdurige vertraging, dat wil zeggen een vertraging van minstens drie uur (zie in die zin arresten van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punten 60 en 61, en 23 oktober 2012, Nelson e.a., C‑581/10 en C‑629/10, EU:C:2012:657, punten 34 en 40).
30 Ten slotte zij eraan herinnerd dat de luchtvaartmaatschappijen die de betrokken rechtstreeks aansluitende vluchten hebben uitgevoerd, volgens artikel 13 van verordening nr. 261/2004 overeenkomstig het toepasselijke nationale recht compensatie kunnen verlangen van een touroperator of enige andere persoon met wie zij een overeenkomst hebben. Aldus verhindert deze verordening niet dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht heeft uitgevoerd en de in de verordening bedoelde compensatie heeft moeten betalen, die financiële last met name verhaalt op de tussenpersoon via wie de tickets werden uitgereikt ingeval die zijn verplichtingen niet is nagekomen (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Azurair e.a., C‑146/20, C‑188/20, C‑196/20 en C‑270/20, EU:C:2021:1038, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder h), van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „rechtstreeks aansluitende vluchten” ook betrekking heeft op vervoer dat meerdere vluchten omvat die worden uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen waartussen geen bijzondere rechtsverhouding bestaat, wanneer deze vluchten zijn samengevoegd door een reisbureau dat voor dit vervoer een totaalprijs in rekening heeft gebracht en één enkel ticket heeft uitgereikt, zodat een passagier die vertrekt vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat en die met grote vertraging aankomt op de bestemming van de laatste vlucht, zich kan beroepen op het recht op compensatie krachtens artikel 7 van deze verordening.
Tweede en derde vraag
32 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
33 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder h), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91,
moet aldus moet worden uitgelegd dat:
het begrip „rechtstreeks aansluitende vluchten” ook betrekking heeft op vervoer dat meerdere vluchten omvat die worden uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen waartussen geen bijzondere rechtsverhouding bestaat, wanneer deze vluchten zijn samengevoegd door een reisbureau dat voor dit vervoer een totaalprijs in rekening heeft gebracht en één enkel ticket heeft uitgereikt, zodat een passagier die vertrekt vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat en die met grote vertraging aankomt op de bestemming van de laatste vlucht, zich kan beroepen op het recht op compensatie krachtens artikel 7 van deze verordening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 december 2021, C-146/20, ECLI:EU:C:2021:1038
- HvJ EU 11 juli 2019, C-502/18, ECLI:EU:C:2019:604
- HvJ EU 31 mei 2018, C-537/17, ECLI:EU:C:2018:361
- HvJ EU 23 oktober 2012, C-581/10, ECLI:EU:C:2012:657
- HvJ EU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604
- HvJ EU 19 november 2009, C-402/07, ECLI:EU:C:2009:716
Aangehaald in
- HvJ EU 6 maart 2025, C-20/24, ECLI:EU:C:2025:139
- Rb. Noord-Holland 28 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9196
- Rb. Noord-Holland 9 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7885
- Rb. Noord-Holland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7353
- Rb. Noord-Holland 9 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4181
- Rb. Noord-Holland 31 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15926
- Rb. Noord-Holland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10458
- Rb. Noord-Holland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10446
- Rb. Noord-Holland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10183
- Rb. Noord-Holland 8 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1697