HvJ EU 29 september 2022, C-3/21, ECLI:EU:C:2022:737
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
29 september 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Gezinsbijslagen – Uitbetaling met terugwerkende kracht – Verhuizing van de ontvanger naar een andere lidstaat – Artikel 81 – Begrip ‚aanvraag’ – Artikel 76, lid 4 – Verplichting om elkaar inlichtingen te verstrekken en samen te werken – Niet-naleving – Verjaringstermijn van twaalf maanden – Doeltreffendheidsbeginsel”
In zaak C‑3/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 30 november 2020, ingekomen bij het Hof op 4 januari 2021, in de procedure
FS
tegen
The Chief Appeals Officer,
The Social Welfare Appeals Office,
The minister for Employment Affairs,
The minister for Social Protection,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, F. Biltgen (rapporteur) en N. Wahl, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– FS, vertegenwoordigd door S. Kirwan, solicitor, A. McMahon, BL, en D. Shortall, SC,
– The Chief Appeals Officer, The Social Welfare Appeals Office, The minister for Employment Affairs en The minister for Social Protection, vertegenwoordigd door M. Browne, A. Joyce en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door K. Binchy, barrister, en C. Donnelly, SC,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Pavliš, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en D. Martin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 76, lid 4, en artikel 81 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds FS, verzoekster in het hoofdgeding, en anderzijds de Chief Appeals Officer (hoofdambtenaar van het orgaan dat bezwaren behandelt, Ierland), de Social Welfare Appeals Office (orgaan van de sociale zekerheid dat bezwaren behandelt, Ierland), de minister for Employment Affairs (minister van Werkgelegenheid) en de minister for Social Protection (minister van Sociale Zaken) over de afwijzing van een door FS ingediende aanvraag tot betaling van kinderbijslag met terugwerkende kracht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 76 („Samenwerking”) van verordening nr. 883/2004 bepaalt in de leden 4 en 5: „4. De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn met het oog op de goede toepassing van deze verordening verplicht elkaar inlichtingen te verstrekken en samen te werken. De organen reageren, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur, binnen een redelijke termijn op alle aanvragen en verstrekken de betrokkenen daartoe alle informatie die nodig is om de hun door deze verordening verleende rechten uit te oefenen. De betrokkenen moeten de organen van de bevoegde lidstaat en van de lidstaat van de woonplaats zo spoedig mogelijk in kennis stellen van iedere verandering in hun persoonlijke of gezinssituatie die gevolgen heeft voor hun rechten op de prestaties waarin deze verordening voorziet. 5. Indien niet voldaan wordt aan de informatieplicht als bedoeld in lid 4, derde alinea, kunnen overeenkomstig het nationaal recht evenredige maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen zijn gelijkwaardig aan de maatregelen die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn en mogen in de praktijk de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maken.”
4 Artikel 81 („Aanvragen, verklaringen of beroepschriften”) van deze verordening luidt: „Aanvragen, verklaringen of beroepschriften die ter uitvoering van de wetgeving van een lidstaat binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van die lidstaat, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van een andere lidstaat worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde lidstaat, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. De datum waarop die aanvragen, verklaringen of beroepschriften bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de andere lidstaat zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteiten, het orgaan of de rechterlijke instantie die bevoegd is hiervan kennis te nemen.”
Iers recht
5 Section 220 van de Social Welfare Consolidation Act 2005 (geconsolideerde wet van 2005 op de sociale zekerheid) van 27 november 2005, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet van 2005”), bepaalt dat degene bij wie een ten laste komend kind gewoonlijk verblijft, recht heeft op kinderbijslag voor dat kind en wordt aangeduid als de „in aanmerking komende persoon”.
6 Section 241, lid 1, van deze wet bepaalt dat het recht op een uitkering afhankelijk is van de voorwaarde dat daarvoor op de voorgeschreven wijze een aanvraag wordt ingediend.
7 Krachtens section 182, onder k), van de Social Welfare (Consolidated Claims, Payment and Control) Regulations 2007 (S.I. No 142 of 2007) – Prescribed time for making claim [geconsolideerde bijstandsregeling van 2007 inzake aanvragen, betalingen en controle (uitvoeringsbesluit nr. 142 van 2007) – verjaringstermijn voor de indiening van aanvragen], in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bedraagt de verjaringstermijn inzake aanvragen voor kinderbijslag twaalf maanden vanaf de datum waarop de betrokkene voldoet aan de in section 220 vastgestelde toekenningsvoorwaarden en een in aanmerking komend persoon wordt.
8 Section 241, lid 4, van de wet van 2005 bepaalt, kort gesteld, dat een persoon die niet binnen de voorgeschreven termijn een aanvraag voor kinderbijslag indient, niet in aanmerking komt voor uitbetaling met terugwerkende kracht met betrekking tot een tijdvak vóór de datum waarop de aanvraag is ingediend, tenzij een ambtenaar met beslissingsbevoegdheid of een ambtenaar van het orgaan dat bezwaren behandelt zich ervan heeft vergewist dat er een goede reden bestond voor het late indienen van de aanvraag. In dit laatste geval is de kinderbijslag verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvrager een in aanmerking komend persoon in de zin van section 220 van deze wet is geworden.
9 Section 301 van die wet bepaalt onder meer dat een ambtenaar met beslissingsbevoegdheid te allen tijde een besluit van een andere ambtenaar kan herzien wanneer zich na dat besluit een relevante wijziging van omstandigheden voordoet.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Verzoekster in het hoofdgeding, een Roemeens staatsburger, is in 2012 in Roemenië getrouwd en heeft daar in december 2015 een kind gekregen.
11 Zij heeft in die lidstaat een aanvraag ingediend voor kinderbijslag, die haar vanaf december 2015 of januari 2016 is toegekend.
12 In oktober 2016 is de echtgenoot van verzoekster in het hoofdgeding naar Ierland verhuisd om daar als arbeidscontractant in een zorginstelling te werken. Hij heeft in die lidstaat geen aanvraag voor kinderbijslag ingediend. Toen verzoekster in het hoofdgeding en hun kind eind 2016 eveneens naar Ierland zijn verhuisd, heeft ook zij in die lidstaat geen aanvraag ingediend, maar bleef zij de Roemeense kinderbijslag ontvangen.
13 Op 10 januari 2018 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de bevoegde Ierse autoriteiten Ierse kinderbijslag aangevraagd.
14 Naar Iers sociaal recht werd haar aanvraag als tardief beschouwd, aangezien deze was ingediend meer dan twaalf maanden na de datum waarop verzoekster in het hoofdgeding of haar echtgenoot zich in Ierland had gevestigd. Volgens dit recht kan een dergelijke aanvraag slechts aanleiding geven tot betaling van kinderbijslag met terugwerkende kracht indien de aanvrager een goede reden aanvoert voor het te laat indienen van zijn aanvraag. Volgens vaste praktijk vormt de omstandigheid dat een aanvrager niet wist dat hij aanspraak kon maken op kinderbijslag echter geen goede reden.
15 Aangezien verzoekster in het hoofdgeding geen goede reden had aangevoerd, waren de bevoegde Ierse autoriteiten in casu van mening dat zij niet specifiek om uitbetaling met terugwerkende kracht had verzocht, zodat zij daar geen recht op had.
16 Voor het overige is de door verzoekster in het hoofdgeding bij die autoriteiten ingediende aanvraag voor kinderbijslag in februari 2018 door deze autoriteiten ingewilligd, en ongeveer op hetzelfde tijdstip kwam er een einde aan de betaling van de Roemeense kinderbijslag.
17 Op 13 augustus 2018 heeft verzoekster in het hoofdgeding op grond van section 301 van de wet van 2005 verzocht om herziening van het besluit van de Ierse autoriteiten. Zij vond namelijk dat zij in aanmerking had moeten komen voor uitbetaling met terugwerkende kracht. Dit verzoek tot herziening werd afgewezen op 22 augustus 2018.
18 Het bezwaar dat verzoekster in het hoofdgeding op 29 augustus 2018 heeft aangetekend bij het orgaan van de sociale zekerheid dat bezwaren behandelt, werd op 12 februari 2019 afgewezen. Daarop heeft zij op 10 mei 2019 tegen die afwijzing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
19 Om te beginnen merkt deze rechter op – zonder zich evenwel achter deze benadering te scharen – dat volgens verzoekster in het hoofdgeding het feit dat zij Roemeense kinderbijslag ontving een aanvraag in de zin van artikel 81 van verordening nr. 883/2004 vormde omdat de „doorlopende” aanvraag in Roemenië overeenkomstig dat artikel had moeten worden beschouwd als een aanvraag voor Ierse kinderbijslag vanaf het tijdstip waarop Ierland de bevoegde lidstaat is geworden.
20 Vervolgens vraagt die rechter zich af of artikel 76 van verordening nr. 883/2004 van toepassing is op het bij hem aanhangige geding, waarbij verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat schending van de in dat artikel neergelegde verplichting niet tot gevolg heeft dat de bepalingen van artikel 81 van deze verordening buiten toepassing worden gelaten. De verplichting om een aanvraag te behandelen staat los van deze verplichting, aangezien het Hof heeft geoordeeld dat het niet meedelen van informatie niet noodzakelijk leidt tot verbreking van de continuïteit van de socialezekerheidsdekking.
21 Ten slotte meent de verwijzende rechter dat er, aangezien verzoekster in het hoofdgeding niet heeft voldaan aan haar verplichting om de relevante wijzigingen in haar situatie mee te delen, naar nationaal recht evenredige maatregelen moeten worden toegepast die de uitoefening van de door verordening nr. 883/2004 aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maken.
22 In deze omstandigheden heeft de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Omvat het begrip ‚aanvraag’ in artikel 81 van verordening nr. 883/2004 mede de omstandigheid dat er nog een periodieke uitkering wordt ontvangen van een lidstaat (terwijl de uitkering in feite door een andere lidstaat verschuldigd is), telkens wanneer de desbetreffende uitkering wordt betaald, ook al is er de oorspronkelijke aanvraag en het oorspronkelijke besluit van de eerste lidstaat om de uitkering toe te kennen? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is het dan zo dat wanneer een aanvraag voor een uitkering ten onrechte bij de lidstaat van herkomst wordt ingediend, terwijl dat bij een andere lidstaat had moeten gebeuren, de krachtens artikel 81 van verordening nr. 883/2004 op die andere lidstaat rustende verplichting (namelijk de verplichting om de bij de lidstaat van herkomst ingediende aanvraag als ontvankelijk te beschouwen in de eigen lidstaat) aldus moet worden uitgelegd dat zij geheel losstaat van de krachtens artikel 76, lid 4, van die verordening op de aanvrager rustende verplichting om juiste informatie over zijn woonplaats te verstrekken, zodat een aanvraag die ten onrechte bij de lidstaat van herkomst is ingediend, door de andere lidstaat overeenkomstig artikel 81 van de verordening als ontvankelijk moet worden beschouwd, ook al heeft de aanvrager in strijd met artikel 76, lid 4, van de verordening geen juiste informatie over zijn woonplaats verstrekt binnen de naar het recht van de andere lidstaat gestelde termijn voor het indienen van een aanvraag? 3) Moet het algemene Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden als die van de onderhavige procedure (in het bijzonder wanneer een burger van de [Europese] Unie zijn recht van vrij verkeer uitoefent, maar niet voldoet aan de krachtens artikel 76, lid 4, van verordening nr. 883/2004 op hem rustende verplichting om de socialezekerheidsinstanties in de lidstaat van herkomst in kennis te stellen van het feit dat hij in een andere lidstaat is gaan wonen), het doeltreffend uitoefenen van Unierechtelijke rechten wordt verhinderd doordat volgens het recht van de lidstaat waar het recht van vrij verkeer wordt uitgeoefend, een burger van de Unie die een aanvraag voor kinderbijslag wil indienen met terugwerkende kracht, dat aldaar moet doen binnen een naar het recht van die lidstaat gestelde termijn van twaalf maanden?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 81 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „aanvraag” in de zin van dat artikel alleen ziet op de oorspronkelijke aanvraag die overeenkomstig de wettelijke regeling van een lidstaat is ingediend door een persoon die nadien gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, dan wel of het ook ziet op een doorlopende aanvraag die plaatsvindt wanneer de bevoegde autoriteiten van die lidstaat periodiek een uitkering betalen die op het tijdstip van betaling normaliter verschuldigd is door een andere lidstaat.
24 Voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht moet volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, waarbij ook de ontstaansgeschiedenis van die bepaling relevante gegevens voor de uitlegging ervan kan bevatten (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Inspecteur van de Belastingdienst,C‑631/17, EU:C:2019:381, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In casu heeft het Hof met betrekking tot artikel 83 van verordening nr. 4 van de Raad van 3 december 1958 strekkende tot uitvoering en aanvulling van de bepalingen van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, 30, blz. 597), waarvan de inhoud grotendeels overeenkomt met die van artikel 81 van verordening nr. 883/2004, reeds geoordeeld dat uit de bewoordingen van genoemd artikel 83 blijkt dat het betrekking heeft op de indiening van aanvragen van migrerende werknemers (zie in die zin arrest van 10 juni 1982, Camera,92/81, EU:C:1982:219, punt 7).
26 Artikel 81 van verordening nr. 883/2004 heeft namelijk tot doel om het verkeer van migrerende werknemers te vergemakkelijken door de vereenvoudiging van de administratieve stappen die zij moeten doorlopen – daar de in de verschillende lidstaten bestaande administratieve procedures zo complex zijn – en om te voorkomen dat de betrokkenen om zuiver formalistische redenen van hun rechten zouden worden beroofd. Zo heeft de indiening van een aanvraag bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de lidstaat die de uitkering dient te verlenen, krachtens dit artikel dezelfde gevolgen als wanneer deze aanvraag rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van deze laatste lidstaat was ingediend [zie in die zin voor artikel 83 van verordening nr. 4, arrest van 10 juni 1982, Camera,92/81, EU:C:1982:219, punt 7, en voor artikel 86 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), arrest van 27 mei 1982, Aubin,227/81, EU:C:1982:209, punt 23].
27 Hieruit volgt dat artikel 81 van verordening nr. 883/2004 van toepassing is wanneer een migrerende werknemer een aanvraag voor kinderbijslag indient bij de autoriteiten van een lidstaat die op grond van de collisieregels van deze verordening niet bevoegd is om die aanvraag te behandelen.
28 Wanneer een aanvraag voor kinderbijslag daarentegen uitsluitend op grond van het nationale recht van een lidstaat bij de autoriteiten van die lidstaat wordt ingediend en de situatie van de persoon die kinderbijslag ontvangt tot die lidstaat beperkt blijft, valt de aanvraag niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 en kan deze dus niet worden aangemerkt als een „aanvraag” in de zin van artikel 81 van die verordening.
29 In casu moet worden vastgesteld dat de gezinssituatie van verzoekster in het hoofdgeding ten tijde van de indiening van de oorspronkelijke aanvraag voor kinderbijslag in Roemenië geen grensoverschrijdend aspect vertoonde en dat alleen de Roemeense autoriteiten bevoegd waren om die aanvraag te behandelen.
30 Pas nadat verzoekster in het hoofdgeding haar woonplaats naar Ierland had verplaatst, viel zij binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 883/2004, en werden bijgevolg de in deze verordening vastgestelde collisieregels op haar van toepassing.
31 Evenwel kan niet worden aanvaard dat, wanneer de betrokkene geen administratieve stappen heeft ondernomen, het feit dat deze persoon periodiek uitkeringen van de autoriteiten van een lidstaat blijft ontvangen, kan worden gelijkgesteld met een „aanvraag” in de zin van artikel 81 van verordening nr. 883/2004.
32 Een dergelijke uitlegging zou immers niet stroken met het doel van artikel 81 van verordening nr. 883/2004, dat er volgens punt 26 van het onderhavige arrest juist in bestaat de administratieve stappen voor de betrokkenen te vereenvoudigen omdat de in de verschillende lidstaten bestaande procedures zo complex zijn.
33 In dit verband moet worden opgemerkt dat het bij artikel 81 van verordening nr. 883/2004 ingevoerde systeem voor de doorzending van aanvragen, verklaringen en beroepschriften – op grond waarvan de autoriteiten van een lidstaat die krachtens de collisieregels van deze verordening niet bevoegd is, de bij hen ingediende aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doorzenden aan de autoriteiten van de bevoegde lidstaat – enkel werkt indien de betrokken organen en personen voldoen aan de op hen rustende verplichting om elkaar inlichtingen te verstrekken en samen te werken.
34 In het bijzonder blijkt uit artikel 76, lid 4, van verordening nr. 883/2004 dat de autoriteiten weliswaar verplicht zijn om binnen een redelijke termijn op alle aanvragen te reageren en de betrokkenen daartoe alle informatie te verstrekken die nodig is om de hun door deze verordening verleende rechten uit te oefenen, maar dat deze betrokkenen op hun beurt verplicht zijn om de organen van de bevoegde lidstaat en van de lidstaat van de woonplaats zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van iedere verandering in hun persoonlijke of gezinssituatie die gevolgen heeft voor hun rechten op de prestaties waarin deze verordening voorziet.
35 Bovendien zou een uitlegging van het begrip „aanvraag” volgens welke de betrokkene geen administratieve stappen hoeft te ondernemen, het voor de autoriteiten onmogelijk maken om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit zowel artikel 76 als artikel 81 van verordening nr. 883/2004, aangezien zij niet zouden kunnen bepalen op welk tijdstip de betrokken inlichtingen, aanvragen, verklaringen of beroepschriften moeten worden toegezonden, noch aan welke autoriteiten.
36 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 81 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „aanvraag” in de zin van dat artikel alleen ziet op de aanvraag die door een persoon die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer is ingediend bij de autoriteiten van een lidstaat die krachtens de in deze verordening vastgestelde collisieregels niet bevoegd is. Bijgevolg omvat dit begrip niet de oorspronkelijke aanvraag die overeenkomstig de wettelijke regeling van een lidstaat is ingediend door een persoon die nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, en ook niet de periodieke betaling door de autoriteiten van deze lidstaat van een uitkering die op het tijdstip van die betaling normaliter verschuldigd is door een andere lidstaat.
Tweede vraag
37 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
38 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het Unierecht, en met name het doeltreffendheidsbeginsel, zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling waarin er voor een aanvraag van kinderbijslag met terugwerkende kracht een verjaringstermijn van twaalf maanden geldt.
39 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Unierecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te organiseren niet aantast en dat het aan de lidstaten is om in hun wetgeving de voorwaarden voor toekenning van socialezekerheidsuitkeringen vast te stellen, alsook de hoogte en de uitkeringsduur daarvan, alsmede de termijnen om de aanvragen voor deze uitkeringen in te dienen (zie in die zin arrest van 18 november 2010, Xhymshiti,C‑247/09, EU:C:2010:698, punt 43). Deze voorwaarden moeten niettemin het Unierecht eerbiedigen en mogen niet tot gevolg hebben dat van de werkingssfeer van een nationale wettelijke regeling worden uitgesloten de personen op wie die wettelijke regeling krachtens verordening nr. 883/2004 van toepassing is (zie in die zin arrest van 4 juni 2015, Fischer-Lintjens,C‑543/13, EU:C:2015:359, punt 49).
40 In casu moet worden opgemerkt dat de in de Ierse wettelijke regeling vastgestelde verjaringstermijn er niet toe leidt dat de betrokkenen van het recht op kinderbijslag worden uitgesloten, maar enkel hun recht op betaling met terugwerkende kracht beperkt wanneer de aanvraag niet wordt ingediend binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop zij voldoen aan de voorwaarden om voor kinderbijslag in aanmerking te komen.
41 Het valt dus niet uit te sluiten dat indien verzoekster in het hoofdgeding zo spoedig mogelijk haar verandering van woonplaats aan de Roemeense of de Ierse autoriteiten had meegedeeld, zij met terugwerkende kracht Ierse kinderbijslag zou kunnen hebben ontvangen.
42 Zoals immers uit punt 34 van het onderhavige arrest blijkt, moet volgens artikel 76, lid 4, derde alinea, van verordening nr. 883/2004 eenieder die een sociale uitkering ontvangt, de organen van de bevoegde lidstaat en die van de lidstaat van woonplaats zo spoedig mogelijk in kennis stellen van iedere verandering in hun persoonlijke of gezinssituatie die gevolgen kan hebben voor hun rechten op de prestaties waarin deze verordening voorziet.
43 Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in die bepaling, overeenkomstig artikel 76, lid 5, van deze verordening enkel evenredige maatregelen kunnen worden getroffen, die, enerzijds, gelijkwaardig moeten zijn aan de maatregelen die in soortgelijke onder de nationale rechtsorde vallende situaties van toepassing zijn (gelijkwaardigheidsbeginsel) en, anderzijds, de uitoefening van de door deze verordening aan de betrokkenen verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 4 juni 2015, Fischer-Lintjens,C‑543/13, EU:C:2015:359, punt 57).
44 Zoals de verwijzende rechter benadrukt, heeft verzoekster in het hoofdgeding geen schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel aangevoerd, zodat het Hof dit beginsel in de onderhavige zaak niet hoeft te onderzoeken.
45 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, is het vaste rechtspraak dat het vaststellen van redelijke vervaltermijnen in beginsel voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien het een toepassing is van het fundamentele beginsel van rechtszekerheid, waarin zowel de betrokkene als de betrokken overheid bescherming vindt. Dergelijke termijnen maken de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk immers niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk (zie in die zin arresten van 15 april 2010, Barth,C‑542/08, EU:C:2010:193, punt 28, en 8 juli 2010, Bulicke,C‑246/09, EU:C:2010:418, punt 36).
46 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een nationale bepaling die de terugwerkende kracht van aanvragen voor kinderbijslag tot zes maanden beperkt, de uitoefening van de door het Unierecht aan migrerende werknemers verleende rechten niet onmogelijk maakt (zie in die zin arrest van 23 november 1995, Alonso-Pérez,C‑394/93, EU:C:1995:400, punten 30 en 32), en heeft het ook erkend dat het redelijk is om een nationale vervaltermijn van drie jaar vast te stellen (zie in die zin arrest van 15 april 2010, Barth,C‑542/08, EU:C:2010:193, punt 28).
47 Hieruit volgt dat een verjaringstermijn van twaalf maanden op zich de uitoefening van de door verordening nr. 883/2004 verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maakt.
48 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat het Unierecht, en met name het doeltreffendheidsbeginsel, zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling waarin er voor een aanvraag van kinderbijslag met terugwerkende kracht een verjaringstermijn van twaalf maanden geldt, aangezien deze termijn het voor de betrokken migrerende werknemers in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maakt om de door verordening nr. 883/2004 verleende rechten uit te oefenen.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 81 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet aldus worden uitgelegd dat: het begrip „aanvraag” in de zin van dat artikel alleen ziet op de aanvraag die door een persoon die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer is ingediend bij de autoriteiten van een lidstaat die krachtens de in deze verordening vastgestelde collisieregels niet bevoegd is. Bijgevolg omvat dit begrip niet de oorspronkelijke aanvraag die overeenkomstig de wettelijke regeling van een lidstaat is ingediend door een persoon die nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, en ook niet de periodieke betaling door de autoriteiten van deze lidstaat van een uitkering die op het tijdstip van die betaling normaliter verschuldigd is door een andere lidstaat.
2) Het Unierecht, en met name het doeltreffendheidsbeginsel, verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale regeling waarin er voor een aanvraag van kinderbijslag met terugwerkende kracht een verjaringstermijn van twaalf maanden geldt, aangezien deze termijn het voor de betrokken migrerende werknemers in de praktijk niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maakt om de door verordening nr. 883/2004 verleende rechten uit te oefenen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 mei 2019, C-631/17, ECLI:EU:C:2019:381
- HvJ EU 4 juni 2015, C-543/13, ECLI:EU:C:2015:359
- HvJ EU 18 november 2010, C-247/09, ECLI:EU:C:2010:698
- HvJ EU 8 juli 2010, C-246/09, ECLI:EU:C:2010:418
- HvJ EU 15 april 2010, C-542/08, ECLI:EU:C:2010:193
- HvJ EU 23 november 1995, C-394/93, ECLI:EU:C:1995:400
- HvJ EU 10 juni 1982, 92/81, ECLI:EU:C:1982:219
- HvJ EU 27 mei 1982, 227/81, ECLI:EU:C:1982:209