HvJ EU 14 juli 2022, C-401/21, ECLI:EU:C:2022:564

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

14 juli 2022 ( *1 )

„Hogere voorziening – Cohesiefonds en Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) – Verordening (EU) nr. 1303/2013 – Toepasselijk medefinancieringspercentage – Wijziging van het percentage tussen de indiening van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling en de goedkeuring van de rekeningen – Beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd en verbod van terugwerkende kracht”

In zaak C‑401/21 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 juni 2021,

Roemenië, vertegenwoordigd door L.‑E. Baţagoi en E. Gane als gemachtigden,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Armenia en S. Pardo Quintillán als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, waarnemend voor de kamerpresident, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Roemenië om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 april 2021, Roemenië/Commissie (T‑543/19, EU:T:2021:193; hierna: „bestreden arrest”), houdende afwijzing van het beroep van Roemenië tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2019) 4027 final van de Commissie van 23 mei 2019 (hierna: „litigieus besluit”) voor wat betreft de goedkeuring van de rekeningen en de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor het boekjaar 2017/2018 voor operationeel programma CCI 2014RO16M1OP001 „Grote infrastructuur”, onder toepassing van een medefinancieringspercentage op de eerste twee prioriteitsassen van dit operationele programma van 75 %, en niet van 85 %.

Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 1 van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320), met rectificatie in PB 2016, L 200, blz. 140, zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 (PB 2018, L 193, blz. 1, met rectificatie in PB 2016, L 200, blz. 140) (hierna: „verordening 1303/2013”) luidt als volgt: „Bij deze verordening worden de gemeenschappelijke regels vastgesteld die van toepassing zijn op het [EFRO], het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), die onder een gemeenschappelijk kader werkzaam zijn (de ,Europese structuur- en investeringsfondsen’ – ,ESI-fondsen’). [...] Deel 3 bevat de algemene regels met betrekking tot het EFRO, het ESF (samen ,de structuurfondsen’ genoemd) en het Cohesiefonds betreffende de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de structuurfondsen en het Cohesiefonds (,de Fondsen’) alsmede de criteria waaraan de lidstaten en de regio’s moeten voldoen om voor steun uit de Fondsen in aanmerking te komen, de beschikbare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan. Deel 4 bevat de algemene regels die van toepassing zijn op de Fondsen en het EFMZV wat betreft beheer en controle, financieel beheer, rekeningen en financiële correcties. [...]”

3 Artikel 2, punt 4, van deze verordening bepaalt het volgende: „Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing: [...] 4) ,fondsspecifieke voorschriften’: de bepalingen zoals neergelegd in of vastgesteld op basis van deel 3 of deel 4 van deze verordening of een verordening die van toepassing is op een of meer van de in artikel 1, vierde alinea, bedoelde of vermelde ESI-fondsen;”

4 Artikel 120 („Bepaling van de medefinancieringspercentages”) van de verordening luidt: „1. In het besluit van de [Europese] Commissie tot vaststelling van een operationeel programma worden het medefinancieringspercentage en het maximumbedrag van de steun uit de Fondsen voor elke prioriteitsas bepaald. Wanneer een prioriteitsas betrekking heeft op verscheidene regiocategorieën of verscheidene Fondsen wordt in het besluit van de Commissie zo nodig het medefinancieringspercentage per categorie regio en Fonds vastgesteld. 2. Voor elke prioriteitsas wordt in het besluit van de Commissie vermeld of het medefinancieringspercentage voor de prioriteitsas van toepassing is op: a) het totaal van de subsidiabele publieke en private uitgaven; of b) de publieke subsidiabele uitgaven. 3. Het medefinancieringspercentage van elke prioriteitsas en, waar relevant, per regiocategorie en Fonds, van operationele programma’s voor de doelstelling ,investeren in groei en werkgelegenheid’ bedraagt niet meer dan: a) 85 % voor het Cohesiefonds; [...] De Commissie voert een evaluatie uit om te beoordelen of het behoud van [het] in de tweede alinea bedoelde medefinancieringspercentage na 30 juni 2017 verantwoord is en zij dient indien nodig een wetgevingsvoorstel in vóór 30 juni 2016. [...]”

5 Artikel 130 („Gemeenschappelijke voorschriften voor de berekening van tussentijdse betalingen en de betaling van het eindsaldo”), lid 1, bepaalt: „De Commissie vergoedt als tussentijdse betalingen 90 % van het bedrag dat wordt berekend door het in het besluit tot vaststelling van het operationele programma bepaalde medefinancieringspercentage voor elke prioriteit toe te passen op de subsidiabele uitgaven voor de prioriteit die in de betalingsaanvraag zijn opgenomen. De Commissie bepaalt welke resterende bedragen worden terugbetaald als tussentijdse betalingen of worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 139.”

6 Artikel 131, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 luidt als volgt: „In betalingsaanvragen wordt voor elke prioriteit het volgende opgenomen: a) het totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit; b) het totaalbedrag van voor de uitvoering van concrete acties betaalde overheidsuitgaven, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit. [...]”

7 Artikel 135 („Termijnen voor de indiening van aanvragen voor tussentijdse betaling en voor de betaling ervan”) van deze verordening bepaalt: „1. De certificeringsautoriteit dient overeenkomstig artikel 131, lid 1, op gezette tijden een aanvraag voor een tussentijdse betaling in voor de bedragen die in haar boekhoudsysteem zijn opgenomen in het boekjaar. Indien zij dit nodig acht, kan de certificeringsautoriteit deze bedragen evenwel opnemen in betalingsaanvragen die in volgende boekjaren worden ingediend. 2. De certificeringsautoriteit dient de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling ten laatste in op 31 juli na het einde van het vorige boekjaar en in ieder geval vóór de eerste aanvraag voor tussentijdse betaling voor het komende boekjaar. 3. De eerste aanvraag voor tussentijdse betaling wordt niet ingediend voordat de Commissie in kennis is gesteld van de aanwijzing van de management- en de certificeringsautoriteit overeenkomstig artikel 124. 4. Voor een operationeel programma worden geen tussentijdse betalingen gedaan, tenzij het jaarverslag over de uitvoering van een operationeel programma overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften naar de Commissie is gestuurd. 5. Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen voert de Commissie de tussentijdse betalingen uit binnen zestig dagen na de datum waarop de betalingsaanvraag bij de Commissie is geregistreerd.”

8 Artikel 137 van deze verordening, dat voorschrijft hoe de rekeningen moeten worden opgesteld, luidt: „1. De rekeningen als bedoeld in artikel 63, lid 5, onder a), en artikel 63, lid 6, van [verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1)] worden voor elk operationeel programma bij de Commissie ingediend. De rekeningen betreffen het boekjaar en omvatten op het niveau van elke prioriteitsas en, voor zover van toepassing, elk fonds en elke regiocategorie: a) het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de certificeringsautoriteit en die zijn opgenomen in de betalingsaanvragen die uiterlijk op 31 juli van het jaar volgend op het einde van het boekjaar bij de Commissie zijn ingediend conform artikel 131 en artikel 135, lid 2, het totaalbedrag van de overeenkomstige voor de uitvoering van concrete acties betaalde overheidsuitgaven, alsmede het totaalbedrag van de aan begunstigden gedane betalingen krachtens artikel 132, lid 1; [...] d) voor elke prioriteit: een vergelijking tussen de overeenkomstig punt a) vermelde uitgaven en de voor hetzelfde boekjaar in betalingsaanvragen gedeclareerde uitgaven, met een uitleg voor eventuele verschillen. 2. Wanneer een lidstaat uitgaven die voorheen waren opgenomen in een aanvraag tot tussentijdse betaling voor het boekjaar uit zijn rekeningen verwijdert omdat deze uitgaven voorwerp zijn van een aan de gang zijnde beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid, mogen die uitgaven die, of het deel ervan dat, als wettig en regelmatig wordt beoordeeld, opgenomen worden in een aanvraag tot tussentijdse betaling die betrekking heeft op een volgend boekjaar. [...]”

9 Artikel 139 („Onderzoek en goedkeuring van de rekeningen”) van de verordening bepaalt het volgende: „1. De Commissie onderzoekt de documenten die de lidstaten uit hoofde van artikel 138 hebben ingediend. Op verzoek van de Commissie verstrekt de lidstaat alle nodige aanvullende informatie aan de hand waarvan de Commissie vóór de in artikel 84 bepaalde datum kan vaststellen of de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn. 2. De Commissie keurt de rekeningen goed als zij tot de conclusie komt dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn. De Commissie komt tot deze conclusie wanneer de auditautoriteit zonder voorbehoud een goedkeurende auditverklaring heeft uitgebracht omtrent de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de rekeningen, tenzij de Commissie over specifieke bewijzen beschikt dat het auditoordeel over de rekeningen onbetrouwbaar is. [...] 6. De Commissie berekent op basis van de goedgekeurde rekeningen het bedrag dat voor het boekjaar ten laste van de Fondsen en het EFMZV komt, alsmede de daaruit volgende aanpassingen met betrekking tot de betalingen aan de lidstaat. De Commissie houdt rekening met: a) de in artikel 137, lid 1, onder a), bedoelde bedragen in de rekeningen waarop het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit wordt toegepast; b) het totaalbedrag van de betalingen die de Commissie tijdens dat boekjaar heeft verricht, bestaande uit: i) het bedrag van de tussentijdse betalingen door de Commissie overeenkomstig artikel 130, lid 1, en artikel 24; en ii) het bedrag van de jaarlijkse voorfinanciering overeenkomstig artikel 134, lid 2. 7. Na de op grond van lid 6 uitgevoerde berekening keurt de Commissie de respectieve jaarlijkse voorfinancieringen goed en betaalt zij de verschuldigde aanvullende bedragen binnen 30 dagen na de goedkeuring van de rekeningen. Als een bedrag terugvorderbaar is van de lidstaat, wordt dat bedrag voorwerp van een door de Commissie te verstrekken invorderingsopdracht, die zo mogelijk ten uitvoer wordt gelegd door verrekening met de bedragen die aan de lidstaat verschuldigd zijn in het kader van latere betalingen binnen hetzelfde operationele programma. Die terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit de Fondsen en het EFMZV aan het operationele programma. Het teruggevorderde bedrag wordt aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 177, lid 3, van [verordening nr. 966/2012]. [...]”

Voorgeschiedenis van het geding

10 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 1 tot en met 10 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.

11 Bij uitvoeringsbesluit C(2015) 4823 final van 9 juli 2015 (hierna: „uitvoeringsbesluit van 2015”), vastgesteld op grond van artikel 29, lid 4, en artikel 96, lid 10, van verordening nr. 1303/2013, heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan enkele delen van het operationele programma CCI 2014RO16M1OP001 „Grote infrastructuur” met het oog op steun uit het EFRO en het Cohesiefonds, op basis van de doelstelling om te investeren in groei en werkgelegenheid in Roemenië voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 (hierna: „operationeel programma”). Dit programma omvatte acht prioriteitsassen.

12 In artikel 4, lid 3, van het uitvoeringsbesluit van 2015, gelezen in samenhang met bijlage II daarbij, is het medefinancieringspercentage voor de eerste en de tweede prioriteitsas van dit programma vastgesteld op 75 % en is gepreciseerd dat dit percentage van toepassing was op subsidiabele overheidsuitgaven.

13 Op 6 juli 2018 hebben de Roemeense autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 135, lid 2, van verordening nr. 1303/2013 de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling betreffende het operationele programma voor het boekjaar 2017/2018 toegezonden.

14 Bij uitvoeringsbesluit C(2018) 8890 final van 12 december 2018 (hierna: „uitvoeringsbesluit van 2018”), vastgesteld op grond van artikel 96, lid 10, van verordening nr. 1303/2013, heeft de Commissie met name bijlage II van het uitvoeringsbesluit van 2015 gewijzigd, door het medefinancieringspercentage voor de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma te verhogen naar 85 %.

15 Tijdens een vergadering tussen de Roemeense autoriteiten en de Commissie op 15 januari 2019 hebben deze autoriteiten verzocht om voor het boekjaar 2017/2018 een medefinancieringspercentage van 85 % toe te passen op de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma, zoals vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van 2018, in plaats van het percentage van 75 % vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van 2015. In antwoord op dit verzoek heeft de Commissie aangegeven dat de aanwijzingen in het document „Richtsnoer voor de lidstaten voor opstelling, onderzoek en goedkeuring van de rekeningen”, in de op 3 december 2018 door de Commissie vastgestelde versie, in de weg stonden aan de toepassing van het medefinancieringspercentage van 85 % dat in het uitvoeringsbesluit 2018 voor dat begrotingsjaar was vastgesteld.

16 Op 15 februari 2019 hebben de Roemeense autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 138, onder a), van verordening nr. 1303/2013 de rekeningen van het operationeel programma voor het boekjaar 2017/2018 toegezonden.

17 Bij brieven van 8 maart en 13 mei 2019 hebben de Roemeense autoriteiten de Commissie opnieuw verzocht om op de eerste en de tweede prioriteitsas van het operationele programma over het boekjaar 2017/2018 het medefinancieringspercentage van 85 % toe te passen.

18 Bij brief van 17 mei 2019 heeft de Commissie de Roemeense autoriteiten bevestigd dat het medefinancieringspercentage van 85 % voor de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma niet van toepassing was voor het boekjaar 2017/2018. Zij heeft meer bepaald toegelicht dat wijzigingen van een medefinancieringspercentage in het kader van de programmeringsperiode 2014‑2020 en overeenkomstig de aanwijzingen van het in punt 15 van dit arrest genoemde richtsnoer alleen gelden voor lopende en toekomstige boekjaren, op grond van het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd.

19 Op 23 mei 2019 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij zij ten eerste de rekeningen van het operationeel programma voor het boekjaar 2017/2018 overeenkomstig artikel 139, leden 2 en 3, van verordening nr. 1303/2013 heeft goedgekeurd en ten tweede overeenkomstig artikel 139, lid 6, van die verordening op basis van de goedgekeurde rekeningen het bedrag heeft berekend dat voor dat boekjaar ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO kwam. Uit de bijlage bij dit besluit blijkt dat de Commissie bij de berekening van dat bedrag voor de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma het medefinancieringspercentage van 75 % heeft toegepast, dat was vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van 2015.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

20 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 juli 2019, heeft Roemenië verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit, voor zover de Commissie een medefinancieringspercentage van 75 % en niet van 85 % heeft toegepast op de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma.

21 Ter ondersteuning van zijn beroep heeft Roemenië twee middelen aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan schending van artikel 120, lid 3, en artikel 139, lid 6, van verordening nr. 1303/2013, alsook van het vertrouwensbeginsel. Het tweede middel was ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht als bedoeld in artikel 296, tweede alinea, VWEU en van het beginsel van behoorlijk bestuur.

22 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht deze middelen ongegrond verklaard en het beroep bijgevolg in zijn geheel verworpen.

23 Meer bepaald heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel, dat artikel 120, lid 3, en artikel 139, lid 6, van verordening nr. 1303/2013 waren geschonden, afgewezen na die bepaling eerst in de punten 29 tot en met 51 van het bestreden arrest letterlijk, contextueel en teleologisch uit te leggen en vervolgens in de punten 53 tot en met 71 van het bestreden arrest de argumenten te onderzoeken waarmee Roemenië wilde aantonen dat het medefinancieringspercentage dat uit hoofde van artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013 van toepassing is, het percentage is dat geldt op het moment van goedkeuring van de rekeningen.

Conclusies van partijen

24 Met zijn hogere voorziening verzoekt Roemenië het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – definitief uitspraak te doen op het bij het Gerecht ingediende beroep, door het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover de Commissie een medefinancieringspercentage van 75 % en niet van 85 % heeft toegepast op de eerste twee prioriteitsassen van het operationele programma, subsidiair de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om over het beroep te oordelen, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

25 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – Roemenië te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

26 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van, ten eerste, artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, gelezen in samenhang met artikel 137, lid 1, onder a) en d), en lid 2, artikel 131, artikel 135, lid 2, en artikel 139, leden 1, 2 en 7, van deze verordening; ten tweede, het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd, en, ten derde, het verbod van terugwerkende kracht.

Eerste middel

Argumenten van partijen

27 Met zijn eerste middel verwijt Roemenië het Gerecht in wezen dat het artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, gelezen in samenhang met artikel 137, lid 1, onder a) en d), en artikel 137, lid 2, artikel 131, artikel 135, lid 2, en artikel 139, leden 1, 2 en 7, van deze verordening onjuist heeft uitgelegd en toegepast door te oordelen dat het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO voor een bepaald boekjaar, het medefinancieringspercentage is dat geldt op de datum waarop de betrokken lidstaat de laatste tussentijdse betalingsaanvraag over het betrokken boekjaar indient, gegeven het feit dat, in de eerste plaats, alle subsidiabele uitgaven die de Commissie in aanmerking neemt bij de berekening van het bedrag ten laste van deze fondsen, de uitgaven zijn die in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling zijn vermeld en dat, in de tweede plaats, de subsidiabele uitgaven en het medefinancieringspercentage die op deze uitgaven van toepassing zijn, twee intrinsiek met elkaar verbonden elementen zijn op basis waarvan het bedrag ten laste van deze fondsen wordt berekend.

28 In het bijzonder verwijt rekwirant het Gerecht in de eerste plaats dat het in de punten 38, 39, 60 en 68 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling opgenomen uitgaven de grondslag vormen voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO, terwijl dat bedrag volgens rekwirant uitsluitend aan de hand van de uitgaven in de goedgekeurde rekeningen kan worden vastgesteld omdat alleen die rekeningen uitputtend en definitief weergeven welke uitgaven subsidiabel zijn.

29 Het Gerecht heeft zo ten onrechte het totale bedrag van de subsidiabele uitgaven in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling over een boekjaar gelijkgesteld met het totale bedrag van de subsidiabele uitgaven in de goedgekeurde rekeningen over dat boekjaar, terwijl die bedragen verschillend zijn en de Commissie het bedrag dat voor het boekjaar ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO komt overeenkomstig artikel 139, lid 6, van verordening nr. 1303/2013 berekent op basis van de goedgekeurde rekeningen.

30 Het feit dat een lidstaat een uitgave die voorheen was opgenomen in een aanvraag tot tussentijdse betaling voor een bepaald boekjaar overeenkomstig artikel 137, lid 2, van verordening nr. 1303/2013 uit zijn rekeningen kan verwijderen omdat die uitgave voorwerp is van een aan de gang zijnde beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid, toont aan dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling en de door de Commissie goedgekeurde rekeningen verschillende uitgaven kunnen bevatten.

31 In de tweede plaats betoogt rekwirant dat deze gelijkstelling door het Gerecht in strijd is met het beginsel van goed financieel beheer, met de bepalingen van verordening nr. 1303/2013 inzake de indiening en de goedkeuring van de rekeningen en met de aan de goedkeuring van de rekening verbonden waarborgen om de integriteit van het Cohesiefonds en het EFRO te verzekeren.

32 In deze context bestrijdt rekwirant de beoordeling van het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest dat de procedure van het opstellen, onderzoeken en goedkeuren van de rekeningen over een bepaald boekjaar een „formeel” karakter heeft.

33 In de derde plaats voert rekwirant aan dat het Gerecht, door in punt 40 van het bestreden arrest aan te geven dat de Commissie bij de berekening van het opeisbare bedrag tevens rekening houdt met het totale bedrag van de door haar tijdens dat boekjaar verrichte betalingen, dat met name het totaalbedrag van de door haar krachtens artikel 130, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 verrichte tussentijdse betalingen omvat, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

34 Ten eerste is het opeisbare bedrag namelijk een cumulatief bedrag, bestaande uit de totale steun uit het Cohesiefonds en het EFRO over een boekjaar, dat wordt berekend door het geldende medefinancieringspercentage toe te passen op alle in de rekeningen gecertificeerde en door de Commissie goedgekeurde uitgaven, zodat de vaststelling van het verschuldigde bedrag een nieuwe berekening vereist die volledig losstaat van de voordien tijdens het boekjaar verrichte betalingen. Ten tweede vormen de tussentijdse betalingen slechts een van de factoren waarmee bij de vaststelling van het verschuldigde restbedrag rekening wordt gehouden. De tijdens het boekjaar verrichte betalingen, waaronder de tussentijdse betalingen, worden dus in mindering gebracht op het totale opeisbare bedrag, zodat het door het Cohesiefonds en het EFRO aan de lidstaten, of andersom, verschuldigde saldo kan worden vastgesteld.

35 De Commissie bestrijdt de argumenten van rekwirant.

Beoordeling door het Hof

36 In de eerste plaats moet worden verduidelijkt dat het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest, dat niet door rekwirant wordt bestreden, eerst heeft vastgesteld dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling na het einde van een bepaald boekjaar moet worden ingediend en daarna heeft verklaard dat die aanvraag „de basis vormt voor de opstelling van de rekeningen en voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO”.

37 Uit de tekst van dit punt en met name uit het woord „namelijk” dat op die verklaring volgt, blijkt dat zij is gegrond op de beoordeling van het Gerecht in de tweede volzin van dat punt, dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling de basis vormt voor de bepaling van zowel de uitgaven waarmee de Commissie op grond van artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013 rekening houdt, als het totaalbedrag van de tussentijdse betalingen waarmee de Commissie krachtens lid 6, onder b), rekening houdt.

38 Zoals blijkt uit de punten 38 tot en met 41 van het bestreden arrest bevatten de punten 38 en 39 van dat arrest, die rekwirant bestrijdt, de motivering voor het oordeel dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling de basis vormt voor de bepaling van de uitgaven waarmee de Commissie rekening houdt op grond van artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013. Het Gerecht heeft die bepaling in deze laatste punten met name contextueel uitgelegd.

39 Wat dat betreft zij eraan herinnerd dat de Commissie volgens artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013 bij de berekening van het bedrag dat voor het betreffende boekjaar ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO komt, rekening houdt met de bedragen in de in artikel 137, lid 1, onder a), van deze verordening bedoelde rekeningen, waarop het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit wordt toegepast.

40 Artikel 137, lid 1, onder a), van verordening nr. 1303/2013 bepaalt dat de rekeningen het boekjaar betreffen en onder andere het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven omvatten die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de certificeringsautoriteit en in de betalingsaanvragen die conform artikel 131 en artikel 135, lid 2, van deze verordening uiterlijk op 31 juli van het jaar volgend op het einde van het boekjaar bij de Commissie zijn ingediend.

41 Artikel 131, lid 1, van deze verordening bepaalt dat in betalingsaanvragen voor elke prioriteit het totaalbedrag wordt opgenomen van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit, en het totaalbedrag van voor de uitvoering van concrete acties betaalde overheidsuitgaven, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit.

42 Artikel 135 van verordening nr. 1303/2013 bepaalt in de leden 1 en 2 respectievelijk dat de certificeringsautoriteit overeenkomstig artikel 131, lid 1, van deze verordening op gezette tijden een aanvraag voor een tussentijdse betaling indient voor de bedragen die in haar boekhoudsysteem zijn opgenomen in het boekjaar en dat deze autoriteit de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling ten laatste indient op 31 juli na het einde van het vorige boekjaar en in ieder geval vóór de eerste aanvraag voor tussentijdse betaling voor het komende boekjaar.

43 Uit de in de punten 39 tot en met 42 van dit arrest weergegeven bepalingen volgt ten eerste dat de rekeningen voor een bepaald boekjaar slechts subsidiabele uitgaven kunnen omvatten die in de loop van het boekjaar zijn verricht en zijn opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit en die deze autoriteit heeft gedeclareerd middels bij de Commissie ingediende aanvragen voor tussentijdse betalingen.

44 Ten tweede worden de subsidiabele uitgaven die in de loop van het boekjaar zijn verricht en zijn opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit, in elke aanvraag voor tussentijdse betaling vanaf het begin opnieuw opgenomen, zodat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling, die uiterlijk op 31 juli na het einde van dat boekjaar kan worden ingediend, het totale gecumuleerde bedrag van de in de loop van dat boekjaar gedeclareerde subsidiabele uitgaven consolideert. Dit stelt het Gerecht vast in de punten 38 en 68 van het bestreden arrest en wordt door rekwirant in zijn hogere voorziening erkend.

45 Ten derde sluit de laatste tussentijdse betalingsaanvraag de declaratie van subsidiabele uitgaven voor het betrokken boekjaar af in de zin dat de betrokken lidstaat na de indiening ervan geen subsidiabele uitgaven voor dat boekjaar meer kan indienen, zoals ook het Gerecht heeft vastgesteld in punt 38 van het bestreden arrest. Hieruit volgt dat de totale subsidiabele uitgaven voor een boekjaar die kunnen worden opgenomen in de goedgekeurde rekeningen over dat boekjaar, op basis waarvan voor dat boekjaar het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO wordt berekend, de uitgaven zijn die in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling zijn opgenomen.

46 Dientengevolge blijkt uit artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, gelezen in samenhang met artikel 131, lid 1, artikel 135, leden 1 en 2, en artikel 137, lid 1, onder a), van deze verordening dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling de basis vormt voor de vaststelling van de uitgaven waar de Commissie uit hoofde van artikel 139, lid 6, onder a), van deze verordening rekening mee houdt en daarmee tevens de basis vormt voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO, zoals het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, in de zin dat het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling over een bepaald boekjaar het „vertrekpunt” vormt om voor dat boekjaar het ten laste van die fondsen komende bedrag te berekenen.

47 Uit de gecombineerde lezing van de punten 37 tot en met 41 van het bestreden arrest kan worden vastgesteld dat het Gerecht tot precies die conclusie is gekomen in punt 39 van dat arrest, waar het heeft geoordeeld dat artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, gelezen in samenhang met artikel 137, lid 1, onder a), en artikel 135, lid 2, van die verordening, die achtereenvolgens naar elkaar verwijzen, erop wijst dat de subsidiabele uitgaven die de Commissie in aanmerking neemt bij de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO, de uitgaven zijn die in het betrokken boekjaar in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit zijn geregistreerd en in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling zijn opgenomen.

48 Datzelfde heeft overigens ook rekwirant vastgesteld in punt 46 van zijn hogere voorziening, waarin hij heeft aangegeven dat „om het bedrag ten laste [van het Cohesiefonds en het EFRO] te bepalen eerst het totaal moet worden berekend van de in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit geregistreerde bedragen dat is opgenomen in de bij de Commissie ingediende aanvragen voor tussentijdse betaling” en dat „aangezien elke aanvraag voor tussentijdse betaling de in de boekhoudsystemen geregistreerde uitgaven vanaf het begin herhaalt, de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling de weergave zou moeten vormen van alle uitgaven die gedurende het boekjaar zijn gedeclareerd”. Rekwirant zelf is dus om dezelfde redenen als het Gerecht van mening dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling het vertrekpunt vormt voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO, echter zonder dat daarmee de in die aanvraag opgenomen uitgaven worden gelijkgesteld met die in de goedgekeurde rekeningen.

49 Tot slot zij opgemerkt dat het Gerecht op grond van het feit dat alle subsidiabele uitgaven voor een bepaald boekjaar worden vastgesteld op het tijdstip van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling voor dat boekjaar, in punt 39 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het coherent lijkt met de opzet van verordening nr. 1303/2013 om bij de vaststelling van het voor die uitgaven geldende medefinancieringspercentage dezelfde logica te volgen, zodat dit het percentage is dat uiterlijk op het tijdstip van de indiening van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling van kracht was.

50 Het feit dat het Gerecht de datum waarop de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling is ingediend in aanmerking neemt voor de vaststelling van het geldende medefinancieringspercentage volgt uitsluitend uit zijn terechte constateringen dat in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling het totaalbedrag komt vast te staan van de subsidiabele uitgaven die in het betrokken boekjaar in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit zijn opgenomen en in het kader van dat boekjaar voor betaling zijn ingediend, en dat de declaratie van subsidiabele uitgaven voor het betrokken boekjaar door die aanvraag wordt afgesloten, zodat de betrokken lidstaat na de indiening ervan geen subsidiabele uitgaven voor dat boekjaar meer kan declareren.

51 In deze context moet worden onderstreept dat het feit dat bepaalde subsidiabele uitgaven in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling eventueel uit de rekening kunnen worden verwijderd vanwege met name onregelmatigheid, niet afdoet aan de constateringen in het voorgaande punt van het onderhavige arrest (zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld in punt 68 van het bestreden arrest), waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd voor de in punt 39 van het bestreden arrest vermelde gevolgtrekking.

52 Anders dan rekwirant betoogt, kan uit de motieven in de punten 38, 39 en 68 van het bestreden arrest dus niet worden afgeleid dat het Gerecht het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling over een bepaald boekjaar heeft gelijkgesteld met het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven in de goedgekeurde rekeningen over dat boekjaar, en zo impliciet een definitief karakter heeft gegeven aan het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven in die aanvraag. Uit die motieven valt evenmin af te leiden dat het Gerecht tot de slotsom is gekomen dat de datum van indiening van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling de referentiedatum is voor de bepaling van het voor een bepaald boekjaar geldende medefinancieringspercentage op grond van die gelijkstelling. Datzelfde geldt voor punt 60 van het bestreden arrest, waarin het oordeel in punt 39 ervan is overgenomen.

53 Derhalve is het in de punten 28 tot en met 30 van het onderhavige arrest samengevatte betoog van rekwirant ongegrond.

54 Evenmin gegrond is, in de tweede plaats, het argument van rekwirant dat de vaststelling van het geldende medefinancieringspercentage aan de hand van de datum waarop de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling is ingediend, een gevaar vormt voor de procedures voor het opstellen, indienen, onderzoeken en goedkeuren van de rekeningen en de aan de goedkeuring van de rekening verbonden waarborgen om de integriteit van het Cohesiefonds en het EFRO te verzekeren.

55 Het volstaat namelijk op te merken dat deze procedures hoe dan ook overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1303/2013 en het beginsel van goed financieel beheer moeten worden uitgevoerd en dat het dus niet relevant is of de voor de aangegeven doelen gehanteerde datum die van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling is dan wel die waarop de rekeningen zijn goedgekeurd.

56 Bovendien heeft het Gerecht, anders dan rekwirant suggereert, geenszins het belang van de procedure voor het opstellen, onderzoeken en goedkeuren van de rekeningen over een bepaald boekjaar voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO onderschat door aan die procedure een formeel karakter toe te kennen.

57 Behalve het feit dat het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest uitdrukkelijk heeft erkend dat deze procedure daarvoor van „groot” belang is, omdat de Commissie ermee kan nagaan of de door de betrokken lidstaat ingediende rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn, zoals rekwirant betoogt, houdt het door het Gerecht aan deze procedure toegekende „formele” karakter namelijk uitsluitend verband met het terecht door het Gerecht geconstateerde feit dat die procedure bestaat in een controle achteraf van de subsidiabele uitgaven in de rekeningen die de lidstaten hebben opgesteld op basis van de bij de Commissie ingediende aanvragen voor tussentijdse betaling, zoals blijkt uit punt 59 van het bestreden arrest, zodat die procedure niet kan leiden tot boeking van niet in die aanvragen voorkomende uitgaven.

58 In de derde en laatste plaats moet, wat betreft het argument van rekwirant tegen punt 40 van het bestreden arrest, worden geconstateerd dat uit dat punt geen onjuiste rechtsopvatting blijkt, aangezien daarin slechts de inhoud van artikel 139, lid 6, onder b), en van artikel 130, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 in herinnering wordt gebracht.

59 Bijgevolg dient het eerste middel te worden afgewezen.

Tweede middel

Argumenten van partijen

60 Met zijn tweede middel betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd, verkeerd heeft uitgelegd en toegepast door in punt 50 van het bestreden arrest te oordelen dat dat beginsel in wezen zou worden geschonden indien op de in een boekjaar gedane uitgaven die in het boekhoudsysteem zijn opgenomen, een medefinancieringspercentage wordt toegepast dat is vastgesteld na de laatste tussentijdse betalingsaanvraag.

61 Rekwirant voert aan dat de toepassing van een medefinancieringspercentage dat is vastgesteld na de datum van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling voor een bepaald boekjaar maar voordat de boeken voor dat boekjaar worden gesloten, zoals het door het uitvoeringsbesluit van 2018 bepaalde medefinancieringspercentage, recht doet aan het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd.

62 Volgens rekwirant worden de uitgaven, ook al worden zij gespreid gedeclareerd middels de aanvragen voor tussentijdse betaling, gecumuleerd op het moment dat de rekeningen worden ingediend om te worden goedgekeurd en om het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO te berekenen aan de hand van het totaal van de subsidiabele kosten die in een boekjaar zijn opgenomen, zodat het medefinancieringspercentage op ieder moment kan worden bijgewerkt tot aan de datum waarop de rekeningen worden goedgekeurd en het opeisbare bedrag wordt berekend, zonder dat de toepassing van het bijgewerkte medefinancieringspercentage ertoe leidt dat reeds door de Commissie verrichte tussentijdse betalingen opnieuw moeten worden berekend.

63 De Commissie bestrijdt de argumenten van rekwirant.

Beoordeling door het Hof

64 Zoals het Gerecht heeft geconstateerd in de punten 34 en 35 van het bestreden arrest, die niet door rekwirant worden betwist, is het door verordening nr. 1303/2013 ingevoerde systeem voor gedeeld beheer van de Europese structuurfondsen en investeringsfondsen gebaseerd op het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd. Dit beginsel impliceert met name dat de door deze verordening voorgeschreven procedures betreffende zowel het financieel beheer van de uitgaven die door het Cohesiefonds en het EFRO worden vergoed als de vaststelling, het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen op dat beginsel zijn gebaseerd, zodat zij het boekjaar als enige referentieperiode hebben.

65 De toepassing van het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd verplicht er dus toe dat de voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO in aanmerking te nemen factoren in verband met een bepaald boekjaar, te weten – overeenkomstig artikel 139, lid 6, onder a) en b), van verordening nr. 1303/2013 – de subsidiabele uitgaven, het toepasselijke medefinancieringspercentage en de door de Commissie verrichte betalingen, betrekking hebben op dat boekjaar, behoudens door de Uniewetgever bepaalde uitzonderingen.

66 In overeenstemming met het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd kunnen dus uitsluitend de subsidiabele uitgaven die „in het boekjaar” zijn opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit en bij de Commissie middels aanvragen voor tussentijdse betaling zijn gedeclareerd, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO voor dat boekjaar, zoals volgt uit artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, gelezen in samenhang met artikel 137, lid 1, onder a), artikel 131, lid 1, en artikel 135 van deze verordening. Bovendien mogen slechts de betalingen die „tijdens dat boekjaar” zijn verricht voor dat doel in aanmerking worden genomen, zoals blijkt uit artikel 139, lid 6, onder b), van die verordening.

67 Wat betreft het toepasselijke medefinancieringspercentage moet worden opgemerkt dat dit percentage uiteindelijk verwijst naar het door de Unie te vergoeden percentage van de totale door de betrokken lidstaat gedane subsidiabele uitgaven in een boekjaar.

68 Hoewel verordening nr. 1303/2013 niet aangeeft welk percentage voor de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO voor een bepaald boekjaar geldt in het geval dat het medefinancieringspercentage wordt gewijzigd nadat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling over dat boekjaar is ingediend maar voordat de rekeningen over dat boekjaar zijn goedgekeurd, neemt dat niet weg dat dat volgens het aan verordening nr. 1303/2013 ten grondslag liggende beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd, slechts het percentage kan zijn dat gold tijdens het betreffende boekjaar, in casu het door het uitvoeringsbesluit van 2015 vastgestelde medefinancieringspercentage.

69 Het feit dat het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO voor een bepaald boekjaar wordt berekend na goedkeuring van de rekeningen over dat boekjaar en dus na de afsluiting daarvan, is derhalve niet van belang voor de vaststelling van het op dat boekjaar toepasselijke medefinancieringspercentage, net zoals dat feit niet van belang is voor de vaststelling van de subsidiabele uitgaven en van de betalingen door de Commissie die voor die berekening in aanmerking moeten worden genomen.

70 Die gang van zaken is namelijk het gevolg van het feit dat de Commissie zich er uit hoofde van haar verplichtingen als verantwoordelijke voor de uitvoering van de Uniebegroting van moet verzekeren dat de lidstaten de Europese structuur- en investeringsfondsen rechtmatig en regelmatig aanwenden, en die middelen niet kan vrijgeven zonder vooraf te verifiëren of is voldaan aan de voorwaarden van verordening nr. 1303/2013 voor de uit die fondsen verleende steun. Die verificaties kunnen naar hun aard pas worden verricht nadat het betreffende boekjaar is afgesloten, in het kader van de procedure om de rekeningen over dat boekjaar te onderzoeken en goed te keuren.

71 De gevolgtrekking in punt 68 van dit arrest dringt zich des te meer op omdat de vergoedingen die de Commissie in de vorm van tussentijdse betalingen tijdens het boekjaar naar aanleiding van aanvragen voor tussentijdse betaling aan de lidstaten betaalt overeenkomstig artikel 130, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 worden berekend door het op de datum van die aanvragen geldende medefinancieringspercentage toe te passen op de subsidiabele uitgaven, hetgeen rekwirant niet betwist.

72 Het zou namelijk inconsistent zijn om het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO over een boekjaar te berekenen door op de subsidiabele uitgaven die de betreffende lidstaat tijdens dat boekjaar heeft gedaan een ander medefinancieringspercentage toe te passen dan gedurende dat gehele boekjaar is toegepast om de tussentijdse, reeds door de Commissie betaalde vergoedingen van die uitgaven te berekenen.

73 Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 50 van het bestreden arrest te constateren dat, indien op de in een boekjaar verrichte uitgaven die in het boekhoudsysteem zijn opgenomen, een medefinancieringspercentage wordt toegepast dat is vastgesteld na de laatste tussentijdse betalingsaanvraag, in wezen het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd zou worden geschonden.

74 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

75 Met zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat die instantie het verbod van terugwerkende kracht onjuist heeft uitgelegd en toegepast door in punt 65 van het bestreden arrest te oordelen dat toepassing van het bij het uitvoeringsbesluit van 2018 vastgestelde medefinancieringspercentage op het boekjaar 2017/2018 mee zou brengen dat dit besluit terugwerkt in de tijd.

76 In de eerste plaats erkent rekwirant wel dat het boekjaar 2017/2018 op 30 juni 2018 is afgesloten en dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling begin juli 2018 is ingediend, maar betoogt hij dat de rechtspositie van Roemenië, anders dan het Gerecht heeft geconstateerd, op 12 december 2018, de datum waarop het uitvoeringsbesluit van 2018 is vastgesteld, niet als definitief verworven kon worden beschouwd. Tot de datum van goedkeuring van de rekeningen kon die positie daarentegen nog worden gewijzigd.

77 Dat blijkt uit het feit dat de administratieve procedures aangaande een boekjaar na dat boekjaar doorlopen en de op basis van de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling ontstane rechtsverhouding tussen de lidstaat en de Commissie nog kunnen wijzigen, totdat de rekeningen zijn goedgekeurd.

78 In de tweede plaats is rekwirant van mening dat de indiening en goedkeuring van de rekeningen latere gevolgen zijn van de aanvragen voor tussentijdse betaling over een boekjaar en voert hij aan dat de toepassing van het verbod van terugwerkende kracht, ook al zou de rechtspositie van een lidstaat verworven moeten worden geacht op het moment dat de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling wordt ingediend, vereist dat het nieuwe medefinancieringspercentage wordt gebruikt, aangezien een nieuwe rechtsregel volgens dat verbod onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een onder het oude recht ontstane rechtspositie.

79 In de derde plaats betoogt rekwirant dat het met terugwerkende kracht toepassen van het medefinancieringspercentage in werkelijkheid meebrengt dat opeisbare bedragen worden berekend over boekjaren waarvan de rekeningen al zijn afgesloten en waarop eventuele administratieve handelingen die de rechtsverhoudingen tussen de lidstaat en de Commissie kunnen wijzigen niet langer betrekking hebben, wat in casu niet aan de orde is.

80 De Commissie bestrijdt de argumenten van rekwirant.

Beoordeling door het Hof

81 Nadat het Gerecht had geoordeeld dat uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van verordening nr. 1303/2013 volgt dat het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO voor een bepaald boekjaar overeenkomstig artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013, het medefinancieringspercentage is dat geldt op de datum waarop de betrokken lidstaat de laatste tussentijdse betalingsaanvraag over het betrokken boekjaar heeft ingediend, heeft het in de punten 52 tot en met 71 van het bestreden arrest de argumenten van Roemenië onderzocht en verworpen volgens welke het toepasselijke medefinancieringspercentage in de zin van artikel 139, lid 6, onder a), van verordening nr. 1303/2013 het percentage is dat geldt op het moment van goedkeuring van de rekeningen.

82 In het bijzonder heeft het Gerecht in de punten 57 tot en met 65 van het bestreden arrest het argument onderzocht dat de procedures voor een bepaald boekjaar geopend blijven totdat de rekeningen zijn goedgekeurd en het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO is berekend.

83 In de punten 58 tot en met 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dat argument afgewezen door in punt 59 van dat arrest te constateren dat de fase van de procedure betreffende de goedkeuring van de rekeningen, hoe belangrijk ook, slechts beoogt dat de uitgaven die de betrokken lidstaat heeft opgenomen in zijn aanvragen voor tussentijdse betaling met betrekking tot een boekjaar en die in de laatste betalingsaanvraag opnieuw zijn vermeld, achteraf worden gecontroleerd. Tijdens deze fase van de procedure kunnen dus geen uitgaven worden geboekt die niet in die laatste aanvraag voorkomen.

84 In punt 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat dat de reden is waarom de subsidiabele uitgaven die de Commissie in aanmerking neemt bij de berekening van het bedrag ten laste van het Cohesiefonds en het EFRO, de uitgaven zijn die in het betrokken boekjaar in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit zijn geregistreerd en in de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling zijn opgenomen, zoals het in punt 39 van dat arrest had aangegeven. Zo heeft het Gerecht vastgesteld dat het medefinancieringspercentage dat op die uitgaven van toepassing is dezelfde logica moet volgen, aangezien de wetgever van de Unie op dit punt geen nadere verduidelijking heeft gegeven. Anders gezegd moet het medefinancieringspercentage van toepassing zijn dat van kracht was op de datum waarop de laatste aanvraag voor tussentijdse betaling is ingediend, zoals in punt 39 van het bestreden arrest is geoordeeld.

85 Uit de punten 61 tot en met 65 van het bestreden arrest en met name uit het gebruik van „overigens” in punt 61 volgt dat het in die punten, waarmee het oordeel in punt 60 van dat arrest wordt onderbouwd, gaat om een motivering ten overvloede ten opzichte van die in de punten 58 tot en met 60 ervan.

86 Aangezien het eerste en het tweede middel zijn afgewezen en de punten 39, 59 en 60 van het bestreden arrest als gevolg daarvan zijn bevestigd, moet het derde middel derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen.

87 Geen van de door rekwirant ter ondersteuning van zijn hogere voorziening aangevoerde middelen is aanvaard, zodat deze hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

Kosten

88 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

89 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

90 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet deze overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Roemenië wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken