HvJ EU 28 april 2022, C-510/20, ECLI:EU:C:2022:324
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
28 april 2022 (*)
„Niet-nakoming – Artikel 258 VWEU – Milieu – Richtlijn 2008/56/EG – Beleid ten aanzien van het mariene milieu – Artikel 5 – Mariene strategieën – Artikel 17, leden 2 en 3 – Verzuim om binnen de gestelde termijnen de initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen te toetsen – Verzuim om binnen de gestelde termijnen de Europese Commissie de nadere bijzonderheden toe te zenden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van de toetsingen”
In zaak C‑510/20,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 12 oktober 2020,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet en I. Zaloguin als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Republiek Bulgarije, vertegenwoordigd door T. Mitova, L. Zaharieva en T. Tsingileva als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele, president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, P. G. Xuereb en A. Kumin (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Bulgarije, door niet binnen de gestelde termijnen over te gaan tot toetsing en actualisering van, ten eerste, de initiële beoordeling van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop, ten tweede, de omschrijving van de goede milieutoestand en, ten derde, de milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren, en voorts tot toezending van die actualiseringen aan die instelling, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), en artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB 2008, L 164, blz. 19).
Toepasselijke bepalingen
2 In de overwegingen 29 en 34 van richtlijn 2008/56 staat het volgende te lezen:
„(29) De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om in het mariene milieu een goede milieutoestand te bereiken of te behouden. Er moet evenwel worden erkend dat het in alle opzichten bereiken of behouden van een goede milieutoestand misschien niet mogelijk zal zijn in alle mariene wateren tegen 2020. Om redenen van billijkheid en haalbaarheid is het bijgevolg passend dat een regeling wordt getroffen voor gevallen waarin het voor een lidstaat onmogelijk is het ambitieniveau van de vastgestelde milieudoelen waar te maken of een goede milieutoestand te bereiken of te behouden.
[...]
(34) Gezien het dynamische karakter en de natuurlijke variabiliteit van mariene ecosystemen, en gezien het feit dat de belastende en beïnvloedende factoren zullen variëren naargelang van de ontwikkeling van verschillende patronen van menselijke activiteiten en onder invloed van de klimaatverandering, is het van primair belang te erkennen dat de bepaling van een goede milieutoestand in de loop van de tijd wellicht dient te worden aangepast. Bijgevolg is het wenselijk dat de programma’s van maatregelen voor de bescherming en het beheer van het mariene milieu flexibel en aanpasbaar zijn en rekening houden met de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de mariene strategieën regelmatig worden geactualiseerd.”
3 Artikel 5 („Mariene strategieën”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Elke lidstaat ontwikkelt ten aanzien van elk voor hem betreffende mariene regio’s of subregio’s een mariene strategie voor zijn mariene wateren overeenkomstig het in lid 2, punten a) en b), omschreven actieplan.
2. Lidstaten die deel uitmaken van eenzelfde mariene regio of subregio, werken samen om ervoor te zorgen dat de voor het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen, met name de in de punten a) en b) genoemde verschillende elementen van de mariene strategieën, in deze regio of subregio samenhang vertonen en worden gecoördineerd overeenkomstig het volgende actieplan waarvoor de betrokken lidstaten een gezamenlijke aanpak proberen te volgen:
a) voorbereiding:
i) een initiële beoordeling, af te ronden uiterlijk op 15 juli 2012, van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop, overeenkomstig artikel 8;
ii) een omschrijving, vast te leggen uiterlijk op 15 juli 2012, van de goede milieutoestand van de betrokken wateren, overeenkomstig artikel 9, lid 1;
iii) de vaststelling, uiterlijk op 15 juli 2012, van een reeks milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren, overeenkomstig artikel 10, lid 1;
[...]”
4 Artikel 14 („Uitzonderingen”) van die richtlijn bepaalt in lid 1:
„Een lidstaat kan binnen zijn mariene wateren gevallen aanwijzen waar om enige onder de punten a) tot en met d) genoemde reden de milieudoelen of de goede milieutoestand niet in alle opzichten door middel van door die lidstaat genomen maatregelen kunnen worden bereikt of om onder punt e) bedoelde redenen niet binnen het betrokken tijdschema kunnen worden bereikt:
a) maatregelen of het uitblijven van maatregelen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is;
b) natuurlijke oorzaken;
c) overmacht;
d) wijzigingen of veranderingen in de fysische kenmerken van mariene wateren veroorzaakt door maatregelen die werden genomen om redenen van dwingend openbaar belang die zwaarder wegen dan de negatieve milieueffecten, inclusief grensoverschrijdende effecten;
e) natuurlijke omstandigheden laten niet toe dat de toestand van de betrokken mariene wateren tijdig verbetert.
[...]”
5 Artikel 17 („Actualisering”) van richtlijn 2008/56 luidt als volgt:
„1. De lidstaten zien erop toe dat de mariene strategieën voor elke betrokken mariene regio of subregio worden geactualiseerd.
2. Voor de toepassing van lid 1 toetsen de lidstaten om de zes jaar na de eerste vaststelling, de volgende elementen van hun mariene strategie op een gecoördineerde manier in de zin van artikel 5:
a) de eerste beoordeling en vaststelling van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 8, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 1;
b) de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen;
[...]
3. Nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van de in lid 2 bedoelde toetsingen worden uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan overeenkomstig artikel 19, lid 2, toegezonden aan de Commissie, aan de instanties van de regionale zeeverdragen en aan alle andere betrokken lidstaten.
[...]”
6 Artikel 19 („Raadpleging van het publiek en informatie”) van die richtlijn bepaalt in lid 2:
„De lidstaten maken een samenvatting van de volgende elementen van hun mariene strategieën c.q. de actualiseringen daarvan, bekend aan het publiek en bieden het de gelegenheid om commentaar te geven:
a) de initiële beoordeling en de vaststelling van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 8, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 1;
b) de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen;
[...]”
Precontentieuze procedure
7 Op 8 maart 2019 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij stelde dat deze lidstaat in strijd met artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), en artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56 de initiële beoordeling van de toestand van het mariene milieu, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen niet uiterlijk op 15 juli 2018 heeft getoetst en geactualiseerd en die actualiseringen niet uiterlijk op 15 oktober 2018 aan de Commissie heeft meegedeeld.
8 In haar antwoord van 7 mei 2019 heeft de Republiek Bulgarije aangegeven dat de Baseynova Direktsia „Chernomorski rayon” (directie voor het „Zwarte Zeegebied”-bassin, Bulgarije) op 16 juli 2018, in haar hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de toepassing van deze richtlijn, had aangekondigd dat zij besloten had om een overheidsopdracht uit te schrijven voor de „Actualisering van de initiële beoordeling van de toestand van het mariene milieu, de omschrijving van de goede milieutoestand, en de milieudoelen en indicatoren, overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 10 van richtlijn [2008/56], voor vijf percelen”. De aankondiging van deze overheidsopdracht is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. De desbetreffende procedure werd echter op 27 augustus 2018 gesloten omdat geen inschrijvingen waren ontvangen.
9 In die brief heeft de Republiek Bulgarije ook plannen gepresenteerd om de betrokken tekortkomingen te verhelpen, waaronder het project „Kennis en informatie over regionale activiteiten ter bescherming van de Zwarte Zee” (Scirena Black Sea) (hierna: „Scirena Black Sea-project”) in het kader van het programma „Milieubescherming en klimaatverandering”, dat valt onder het financieel mechanisme van de Europese Economische Ruimte voor de periode 2014‑2021 (hierna: „financieel mechanisme van de EER”). De Republiek Bulgarije heeft haar reeds op grond van de vereisten van richtlijn 2008/56 aangegane verbintenis om toetsingen en actualiseringen te verrichten bevestigd en heeft toegezegd deze actualiseringen uiterlijk op 30 juni 2020 aan de Commissie mee te delen.
10 Bij brief van 11 oktober 2019, die dezelfde dag door de Republiek Bulgarije is ontvangen, heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij bleef bij het standpunt dat zij in haar aanmaningsbrief had uiteengezet, aangezien de Republiek Bulgarije de in die brief uiteengezette punten van bezwaar niet had verholpen. Zij heeft die lidstaat verzocht om binnen twee maanden na ontvangst van dit advies de nodige maatregelen te nemen om daaraan te voldoen.
11 De Republiek Bulgarije heeft op het met redenen omkleed advies geantwoord bij brief van 9 december 2019, waarin zij heeft erkend dat zij de vereiste actualiseringen van de initiële beoordeling van het mariene milieu, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen niet had toegezonden omdat er zich bij de gunning van een overheidsopdracht om deze actualiseringen uit te voeren problemen hadden voorgedaan, in het bijzonder het feit dat er in het kader van de desbetreffende procedure geen inschrijvingen waren ontvangen. Deze lidstaat heeft ook nogmaals toegezegd om uiterlijk op 30 juni 2020 te voldoen aan artikel 17 van richtlijn 2008/56.
12 Aangezien zij geen genoegen kon nemen met de antwoorden van de Republiek Bulgarije op het met redenen omkleed advies heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Ontvankelijkheid van het beroep
Argumenten van partijen
13 De Republiek Bulgarije verzoekt niet uitdrukkelijk om niet-ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep, maar voert niettemin een aantal argumenten aan waarmee zij de ontvankelijkheid ervan betwist. Zij betoogt dat de vordering tot vaststelling dat zij niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), en artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56, zoals geformuleerd door de Commissie, resulteert in rechtsonzekerheid, aangezien voor een goed begrip van de precieze draagwijdte ervan een uitlegging a posteriori en nadere verduidelijking noodzakelijk zijn.
14 Bovendien kan volgens deze lidstaat niet duidelijk worden vastgesteld wat het voorwerp van het beroep is, aangezien gelijktijdig schendingen worden aangevoerd van de verplichtingen die in twee bepalingen van deze richtlijn zijn neergelegd.
15 De Commissie merkt op dat haar beroep geen betrekking heeft op de verplichtingen van deze lidstaat om de initiële mariene strategieën op te stellen en aan haar mee te delen, maar enkel op de verplichtingen om deze mariene strategieën te actualiseren en over deze actualiseringen verslag te leggen, zoals blijkt uit zowel de aanmaningsbrief als het met redenen omkleed advies.
Beoordeling door het Hof
16 Uit vaste rechtspraak over artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat elk inleidend verzoekschrift duidelijk en nauwkeurig het voorwerp van het geschil dient te vermelden en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, zodat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop een dergelijk beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf, en dat de conclusies van dat verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze moeten zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een grief recht te doen (arrest van 31 oktober 2019, Commissie/Nederland, C‑395/17, EU:C:2019:918, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU dit beroep de grieven coherent en nauwkeurig moet uiteenzetten opdat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de vermeende niet-nakoming kan beoordelen (arrest van 31 oktober 2019, Commissie/Nederland, C‑395/17, EU:C:2019:918, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 In het bijzonder moet het beroep van de Commissie een coherente en gedetailleerde uiteenzetting bevatten van de redenen die haar tot de overtuiging hebben gebracht dat de betrokken lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen (arrest van 31 oktober 2019, Commissie/Nederland, C‑395/17, EU:C:2019:918, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de Commissie nauwkeurig de bepalingen van het Unierecht vermeldt die door de Republiek Bulgarije zouden zijn geschonden, namelijk artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), en artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56, en dat deze instelling voorts nauwkeurig de verweten feiten vermeldt, namelijk het verzuim om over te gaan tot toetsing en actualisering van, ten eerste, de initiële beoordeling van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop, ten tweede, de omschrijving van de goede milieutoestand en, ten derde, de milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren, en voorts tot toezending van die actualiseringen aan die instelling binnen de door die richtlijn gestelde termijn.
20 Bovendien geeft het feit dat de Commissie zich in haar beroep zowel op artikel 5, lid 2, onder a), i) ii) en iii), als op artikel 17, leden 2 en 3, van deze richtlijn heeft gebaseerd, geen aanleiding tot problemen inzake de samenhang ervan. Zoals de Republiek Bulgarije overigens erkent, hangen deze bepalingen immers logisch met elkaar samen, aangezien artikel 17 betrekking heeft op de toetsing en actualisering van de mariene strategieën, en deze strategieën onder artikel 5 vallen.
21 In die omstandigheden kan er, anders dan de Republiek Bulgarije betoogt, geen twijfel over bestaan dat de onderhavige procedure niet ziet op de niet-nakoming van de verplichting om initiële mariene strategieën op te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, en lid 2, onder a), i) ii) en iii), van richtlijn 2008/56, en om de Commissie in kennis te stellen van de elementen van die strategieën, maar alleen betrekking heeft op de niet-nakoming van de verplichting om die strategieën te toetsen en te actualiseren en om die actualiseringen aan die instelling toe te zenden, als bedoeld in respectievelijk artikel 17, lid 2, onder a) en b), en artikel 17, lid 3, van die richtlijn.
22 Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep ontvankelijk is.
Ten gronde
Argumenten van partijen
23 De Commissie herinnert er in de eerste plaats aan dat de Republiek Bulgarije, om te voldoen aan haar verplichtingen krachtens artikel 5, lid 2, onder a), i) ii) en iii), en artikel 17, lid 2, van richtlijn 2008/56, uiterlijk op 15 juli 2018 de elementen van haar mariene strategieën had moeten toetsen en actualiseren die betrekking hebben op 1) de initiële beoordeling van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop, overeenkomstig artikel 8 van die richtlijn; 2) de omschrijving van de goede milieutoestand, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die richtlijn, en 3) de milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren, overeenkomstig artikel 10, lid 1, van die richtlijn. Bovendien had die lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 3, van richtlijn 2008/56 de Commissie uiterlijk op 15 oktober 2018 gedetailleerde informatie moeten toezenden over de actualisering van die elementen.
24 Volgens de Commissie hebben de Bulgaarse autoriteiten in hun antwoord op de aanmaningsbrief de gestelde tekortkomingen erkend, met name wat artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56 betreft. Voorts hebben die autoriteiten in hun antwoord op het met redenen omkleed advies nogmaals erkend dat zij de op grond van die richtlijn vereiste informatie niet hebben meegedeeld aan de Commissie, welke schending blijft voortduren.
25 De Bulgaarse Republiek wijst er in de eerste plaats op dat zij heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), van richtlijn 2008/56. In 2012 heeft zij de initiële beoordeling van de toestand van het mariene milieu verricht, de goede milieutoestand omschreven en de milieudoelen en de daarmee samenhangende indicatoren vastgesteld, en de betrokken verslagen aan de Commissie toegezonden. Wat de niet-nakoming van de uit deze bepaling voortvloeiende verplichtingen betreft, is het onderhavige beroep volgens de Republiek Bulgarije dus ongegrond.
26 In de tweede plaats voert de Republiek Bulgarije met betrekking tot de toetsing en actualisering van bepaalde elementen van haar mariene strategieën aan dat zij over de mechanismen beschikt om ervoor te zorgen dat de krachtens artikel 17 van richtlijn 2008/56 vereiste actualiseringen worden uitgevoerd, maar dat een poging om daartoe een overheidsopdracht te gunnen is mislukt omdat geen enkele potentiële contractant een offerte heeft ingediend. Vervolgens heeft zij de Commissie meegedeeld dat de nakoming van deze verplichtingen hand in hand ging met de start en uitvoering van het Scirena Black Sea-project.
27 Dienaangaande betoogt de Republiek Bulgarije dat die nakoming diende te geschieden met inachtneming van de vereisten van richtlijn 2008/56 en de Bulgaarse uitvoeringswetgeving daarvan, alsook van die wetgeving inzake overheidsopdrachten. Voorts merkt deze lidstaat op dat hij verplicht was de goedkeuringsprocedure voor dat project in acht te nemen en dat het project moest voldoen aan alle eisen van het financieel mechanisme van de EER. In die omstandigheden was het deze lidstaat, ondanks de getroffen maatregelen, wegens objectieve omstandigheden absoluut onmogelijk om de krachtens artikel 17, leden 2 en 3, van die richtlijn op hem rustende verplichtingen na te komen. Het onderhavige beroep dient derhalve ook ongegrond te worden verklaard wat de gestelde schending van de verplichtingen uit hoofde van deze laatste bepaling betreft.
28 De Republiek Bulgarije verzoekt het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren, dan wel het beroep slechts gedeeltelijk toe te wijzen, namelijk voor zover het betrekking heeft op de niet-nakoming van haar verplichtingen op grond van artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/56, en het voor het overige te verwerpen.
29 De Commissie repliceert om te beginnen dat de artikelen 5 en 17 van richtlijn 2008/56 verband met elkaar houden, aangezien laatstgenoemde bepaling uitdrukkelijk naar eerstgenoemde verwijst. De Republiek Bulgarije is er dus ten onrechte van uitgegaan dat deze bepalingen afzonderlijke verplichtingen bevatten die zij gedeeltelijk is nagekomen. Bovendien werden de organisatorische inspanningen van de lidstaat pas geleverd na het verstrijken van de termijn voor de actualisering van zijn mariene strategieën.
30 Vervolgens betoogt de Commissie dat de beschrijving van de wetgeving en de procedures inzake overheidsopdrachten en het financieel mechanisme van de EER geen rechtvaardiging kan bieden voor de door de Republiek Bulgarije aangevoerde absolute onmogelijkheid om te voldoen aan de actualiseringsverplichting en aan de verplichting om deze actualiseringen aan de Commissie mee te delen. Dergelijke technische moeilijkheden kunnen namelijk niet rechtvaardigen dat de door het recht van de Unie opgelegde verplichtingen niet binnen de gestelde termijn worden nagekomen, en voorts zijn die wetgeving en procedures de Bulgaarse autoriteiten goed bekend.
31 Tot slot merkt de Commissie op dat het nieuwe project voor de toetsing en actualisering van bepaalde elementen van de mariene strategieën van de Republiek Bulgarije sinds eind mei 2020 het voorwerp uitmaakt van interne procedures, die naar verwachting drie jaar zullen duren. Deze lidstaat kan derhalve onmogelijk voldoen aan zijn toezegging om uiterlijk op 30 juni 2020 een verslag in te dienen.
32 In haar dupliek wijst de Republiek Bulgarije er om te beginnen op dat het feit dat de overheidsopdracht voor de betrokken actualiseringen niet kon worden gegund, te wijten is aan een gebrek aan inschrijvingen en niet aan een gebrek aan inspanningen van haar kant.
33 Voorts voert deze lidstaat aan dat het nodig was het Scirena Black Sea-project te herzien omdat de belangrijkste partner zich heeft teruggetrokken.
34 Ten slotte verklaart de Republiek Bulgarije dat zij bij een op 16 maart 2021 voor een periode van vijf maanden gesloten overeenkomst een derde partij heeft belast met de nakoming van haar verplichtingen krachtens richtlijn 2008/56, met name wat betreft de actualisering van haar mariene strategieën en de opstelling van een verslag voor de periode 2012‑2017.
Beoordeling door het Hof
35 Er zij aan herinnerd dat in artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/56 is bepaald dat „[l]idstaten die deel uitmaken van eenzelfde mariene regio of subregio, [samenwerken] om ervoor te zorgen dat de voor het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen, met name de in de punten a) en b) genoemde verschillende elementen van de mariene strategieën, in deze regio of subregio samenhang vertonen en worden gecoördineerd”. Voorts diende elke lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), i) ii) en iii), van die richtlijn uiterlijk op 15 juli 2012 ten eerste een initiële beoordeling te maken van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten op die wateren, ten tweede een definitie vast te leggen van de goede milieutoestand van de betrokken wateren en ten derde een reeks milieustreefdoelen en daarmee samenhangende indicatoren vast te stellen.
36 Volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 2008/56 zien de lidstaten erop toe dat voor elke betrokken mariene regio of subregio de mariene strategieën worden geactualiseerd. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a) en b), en lid 3, van deze richtlijn moeten de in punt 35 van het onderhavige arrest vermelde elementen van de mariene strategie om de zes jaar na de eerste vaststelling ervan op een gecoördineerde manier in de zin van artikel 5 van die richtlijn worden getoetst, en moeten de nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van die toetsingen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan overeenkomstig artikel 19, lid 2, worden toegezonden aan de Commissie.
37 In dit verband wordt in overweging 34 van richtlijn 2008/56 uiteengezet dat moet worden voorzien in regelmatige actualiseringen van de mariene strategieën „gezien het dynamische karakter en de natuurlijke variabiliteit van mariene ecosystemen, en gezien het feit dat de belastende en beïnvloedende factoren zullen variëren naargelang van de ontwikkeling van verschillende patronen van menselijke activiteiten en onder invloed van de klimaatverandering”. Volgens die overweging „is het wenselijk dat de programma’s van maatregelen voor de bescherming en het beheer van het mariene milieu flexibel en aanpasbaar zijn en rekening houden met de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling”.
38 Aangezien artikel 5, lid 2, onder a), i) ii) en iii), van richtlijn 2008/56 bepaalt dat de initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand, en de vaststelling van de milieudoelen en de daarmee samenhangende indicatoren uiterlijk op 15 juli 2012 moesten zijn voltooid, had de toetsing van die elementen van de mariene strategieën overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a) en b), van die richtlijn uiterlijk op 15 juli 2018 moeten zijn uitgevoerd, en hadden de nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van de toetsingen overeenkomstig artikel 17, lid 3, van die richtlijn uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan – dus uiterlijk op 15 oktober 2018 – moeten zijn toegezonden aan de Commissie.
39 Tevens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (arrest van 4 maart 2021, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Grenswaarden – NO2), C‑664/18, niet gepubliceerd, EU:C:2021:171, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu is de termijn die is gesteld in het met redenen omkleed advies van de Commissie, dat de Republiek Bulgarije op 11 oktober 2019 heeft ontvangen, op 11 december 2019 verstreken.
41 Vast staat dat deze lidstaat de in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde verplichtingen, die op hem rusten krachtens artikel 17, lid 2, onder a) en b), en lid 3, van richtlijn 2008/56, niet is nagekomen binnen de genoemde termijn, en dat hij deze zelfs nog niet was nagekomen op de datum waartegen die lidstaat in zijn antwoorden op de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies had toegezegd zijn mariene strategieën te toetsen en te actualiseren en die actualiseringen aan de Commissie toe te zenden, namelijk 30 juni 2020.
42 Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door de argumenten van de Republiek Bulgarije. Ten eerste moet het argument dat deze lidstaat had voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten op grond van artikel 5, lid 2, onder a), i), ii) en iii), van richtlijn 2008/56 worden afgewezen. Dat argument zag namelijk enkel op de verplichting om de mariene strategieën in de loop van 2012 te ontwikkelen en de verplichting om de desbetreffende verslagen aan de Commissie toe te zenden. Deze verplichtingen zijn evenwel niet het voorwerp van het onderhavige beroep, zoals blijkt uit punt 21 van het onderhavige arrest.
43 Wat ten tweede het argument van de Republiek Bulgarije betreft dat zij onmogelijk binnen de in richtlijn 2008/56 gestelde termijn kon voldoen aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 17, leden 2 en 3, van deze richtlijn, met name wegens de moeilijkheden bij de gunning van de betrokken overheidsopdracht en de noodzaak om te voldoen aan de vereisten van het Unierecht, de relevante nationale wetgeving en de goedkeuringsprocedure voor het Scirena Black Sea-project, zij opgemerkt dat die lidstaat niet heeft uitgelegd hoe de noodzaak om te voldoen aan de vereisten van het Unierecht hem kon beletten om zijn verplichtingen krachtens voornoemde bepaling van richtlijn 2008/56 na te komen. Voor het overige volstaat het eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet kan beroepen op bepalingen, praktijken of situaties in zijn interne rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de in een richtlijn vastgestelde verplichtingen en termijnen [arrest van 2 april 2020, Commissie/Spanje (Overstromingsrisico’s – Beheersplannen voor de Canarische Eilanden), C‑384/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:271, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Meer het bijzonder is de verplichting voor een lidstaat om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het door een richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken, een dwingende verplichting die wordt opgelegd door artikel 288, derde alinea, VWEU en door de richtlijn zelf. Deze verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te nemen, is bindend voor alle autoriteiten van de lidstaten (arrest van 16 juli 2015, Commissie/Bulgarije, C‑145/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:502, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Bovendien voorziet richtlijn 2008/56 niet in een afwijking van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 17, leden 2 en 3, aangezien artikel 14 van die richtlijn alleen betrekking heeft op uitzonderingen in het geval dat een lidstaat gevallen kan aanwijzen waarin de milieudoelen of de goede milieutoestand niet in alle opzichten kunnen worden bereikt. Voorts wordt in overweging 29 van de genoemde richtlijn weliswaar verwezen naar de onmogelijkheid voor een lidstaat om het ambitieniveau van de vastgestelde milieudoelen waar te maken, maar deze verwijzing heeft geen betrekking op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 17 van die richtlijn.
46 Hoe dan ook zij erop gewezen dat de Republiek Bulgarije blijkens haar antwoord op de aanmaningsbrief de eerste organisatorische maatregelen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 17, lid 2, onder a) en b), en lid 3, van richtlijn 2008/56, heeft genomen op 16 juli 2018, dus na het verstrijken van de in artikel 17, lid 2, van deze richtlijn bedoelde termijn, te weten 15 juli 2018. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat deze lidstaat zijn verbintenissen onmogelijk binnen de gestelde termijn kon nakomen.
47 Ten derde is de omstandigheid dat op 16 maart 2021 een overeenkomst is gesloten ter uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn opdat de Republiek Bulgarije aan haar verplichtingen voldoet, irrelevant voor de beoordeling van de gegrondheid van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming, aangezien, zoals blijkt uit de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, wijzigingen die zich na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn hebben voorgedaan, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van het bestaan van de betrokken niet-nakoming.
48 Bijgevolg is het door de Commissie ingestelde beroep gegrond.
49 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat de Republiek Bulgarije, door niet binnen de gestelde termijnen over te gaan tot toetsing, op een gecoördineerde manier in de zin van artikel 5 van richtlijn 2008/56, van de initiële beoordeling, van de omschrijving van de goede milieutoestand, en van de milieudoelen, en tot toezending aan de Commissie van de nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van deze toetsingen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, onder a) en b), en lid 3, van die richtlijn.
Kosten
50 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Republiek Bulgarije in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijnen over te gaan tot toetsing, op een gecoördineerde manier in de zin van artikel 5 van richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie), van de initiële beoordeling, van de omschrijving van de goede milieutoestand, en van de milieudoelen, en tot toezending aan de Europese Commissie van de nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van deze toetsingen, is de Republiek Bulgarije de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, onder a) en b), en lid 3, van die richtlijn.
2) De Republiek Bulgarije wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Bulgaars.