HvJ EU 7 april 2022, C-150/21, ECLI:EU:C:2022:268
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
7 april 2022 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Wederzijdse erkenning – Kaderbesluit 2005/214/JBZ – Tenuitvoerlegging van geldboeten – Artikel 1, onder a), ii) – Beslissing van een administratieve autoriteit waarbij een geldboete wordt opgelegd – Beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld bij een openbaar aanklager die onderworpen is aan de instructies van de minister van Justitie – Later beroep bij een met name in strafzaken bevoegde rechter”
In zaak C‑150/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź, Polen) bij beslissing van 23 februari 2021, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2021, in de procedure betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van een geldelijke sanctie die is opgelegd aan
D.B.,
in tegenwoordigheid van:
Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty, vertegenwoordigd door J. Szubert, prokurator regionalny w Łodzi,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en P. Huurnink als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en K. Herrmann als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB 2005, L 76, blz. 16), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2005/214”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure ingeleid door het Centraal Justitieel Incassobureau, Ministerie van Justitie en Veiligheid (Nederland) (hierna: „CJIB”) om in Polen erkenning en tenuitvoerlegging te verkrijgen van een geldboete die D.B. in Nederland is opgelegd voor een overtreding van de verkeersregels.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 1 van kaderbesluit 2005/214 heeft als opschrift „Definities” en bepaalt:
„In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
a) ‚beslissing’: een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door:
[...]
ii) een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter, ten aanzien van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter;
iii) een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter ten aanzien van een feit dat naar het nationale recht van de beslissingsstaat wordt bestraft als inbreuk op de rechtsvoorschriften, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter;
[...]
b) ‚geldelijke sanctie’: de verplichting tot betaling van
i) een geldsom die in geval van veroordeling wegens een strafbaar feit bij beslissing is opgelegd;
[...]”
4 Artikel 3 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Grondrechten” en luidt:
„Dit kaderbesluit heeft niet tot gevolg dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”
5 Artikel 4 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Toezending van beslissingen en inschakeling van de centrale autoriteit”, bepaalt in lid 1:
„Een beslissing, vergezeld van het in dit artikel bedoelde certificaat, kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen wie de beslissing is gegeven, eigendom heeft of inkomsten geniet, gewoonlijk verblijf houdt of, in geval van een rechtspersoon, zijn statutaire zetel heeft.”
6 Artikel 5 van dit kaderbesluit, „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1:
„Tot erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen kunnen leiden, overeenkomstig dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, de navolgende in de beslissingsstaat strafbare feiten, zoals omschreven in het recht van die staat:
[...]
– gedragingen in strijd met de verkeersregels, met inbegrip van overtredingen van de rij- en rusttijdenwetgeving en van de wetgeving inzake gevaarlijke goederen,
[...]”
7 Artikel 6 van kaderbesluit 2005/214 heeft als opschrift „Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen” en luidt als volgt:
„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent de overeenkomstig artikel 4 toegezonden beslissing zonder verdere formaliteiten en neemt onverwijld alle nodige maatregelen tot tenuitvoerlegging ervan, tenzij zij beslist zich te beroepen op een van de in artikel 7 genoemde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging.”
8 Artikel 7 van dit kaderbesluit, „Gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging”, bepaalt:
„[...]
2. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan tevens weigeren de beslissing te erkennen of ten uitvoer te leggen, indien vaststaat dat:
[...]
g) volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene, in het geval van een schriftelijke procedure, niet in overeenstemming met het recht van de beslissingsstaat persoonlijk of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend;
[...]
3. In de gevallen bedoeld in lid 1 en in lid 2, onder c), g), i) en j), raadpleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit een beslissing geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, in voorkomend geval met het verzoek onverwijld alle noodzakelijke gegevens te verstrekken.”
9 Artikel 20 van hetzelfde kaderbesluit bepaalt in lid 3:
„Iedere lidstaat kan zich verzetten tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, indien het in artikel 4 bedoelde certificaat doet vermoeden dat de grondrechten of de fundamentele rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet zijn geëerbiedigd. De in artikel 7, lid 3, bedoelde procedure is dan van toepassing.”
Pools recht
10 Artikel 611ff, lid 1, van de ustawa – Kodeks postępowania karnego (wet houdende het wetboek van strafvordering) van 6 juni 1997 (geconsolideerde versie; Dz. U. van 2020, volgnr. 30) luidt als volgt:
„Wanneer een lidstaat van de Unie, in dit hoofdstuk ‚de beslissingsstaat’ genoemd, om de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden beslissing inzake een geldelijke sanctie verzoekt, dient deze beslissing ten uitvoer te worden gelegd door de rechter in eerste aanleg in het gebied waar de pleger eigendom heeft of inkomsten geniet, dan wel gewoonlijk of tijdelijk verblijf houdt. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Op 22 september 2020 heeft het CJIB bij de verwijzende rechter, de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź, Polen), een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van zijn beslissing van 17 januari 2020, die onherroepelijk was geworden op 28 februari 2020 en waarbij D.B. een boete werd opgelegd van 92 EUR voor een overtreding van de verkeersregels, te weten een overschrijding van de maximumsnelheid op 5 januari 2020.
12 Op 6 november 2020 heeft de verwijzende rechter het CJIB vragen gesteld over het beroep dat volgens de Nederlandse regeling tegen een dergelijke beslissing kan worden ingesteld en over de hoedanigheid van de autoriteit die dat beroep onderzoekt. Op 22 februari 2021 heeft de verwijzende rechter het antwoord van het CJIB ontvangen.
13 D.B. is op geen enkele van de door de verwijzende rechter geplande terechtzittingen van 6 november 2020, 8 december 2020 en 23 februari 2021 verschenen. Hij heeft ook geen schriftelijk stuk ingediend.
14 De verwijzende rechter stelt dat de door het CJIB opgelegde geldboete volgens de Nederlandse regeling binnen zes weken kan worden betwist bij een openbaar aanklager in Nederland. Indien de openbare aanklager het standpunt van de betrokkene niet deelt, heeft deze het recht om beroep in te stellen bij een kantonrechter (Nederland). Indien de boete 225 EUR of meer bedraagt, moet evenwel een zekerheid van hetzelfde bedrag worden gesteld opdat die rechter de zaak onderzoekt.
15 Derhalve betwijfelt de verwijzende rechter of een openbaar aanklager in de zin van de Nederlandse regeling wel kan worden gezien als een „met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214.
16 De verwijzende rechter is van mening dat, gelet op artikel 3 en artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214, alsook op artikel 6 VEU over de bescherming van de grondrechten, bij de uitlegging van artikel 1, onder a), ii), van dit kaderbesluit rekening moet worden gehouden met artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de uitlegging die aan dat artikel wordt gegeven in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
17 Volgens de rechtspraak van het EHRM is de voorwaarde voor een eerlijk verloop van de procedure, de kennisneming door een onpartijdig gerecht, dat geen kenmerken van afhankelijkheid vertoont ten opzichte van de uitvoerende macht (EHRM, 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven en De Meyer tegen België, CE:ECHR:1981:0623JUD000687875, en EHRM, 29 april 1988, Belilos tegen Zwitserland, CE:ECHR:1988:0429JUD001032883). Bovendien is het daarbij essentieel dat er geen buitensporige fiscale of juridische belemmeringen zijn die de toegang tot een dergelijk gerecht kunnen belemmeren.
18 In verband met de uitlegging van het begrip „met name in strafzaken bevoegde rechter” in artikel 1, onder a), iii), van kaderbesluit 2005/214 heeft het Hof reeds geoordeeld dat, om te beoordelen of een orgaan waarin de nationale regeling voorziet een dergelijke rechter is, rekening moet worden gehouden met een samenstel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van dat orgaan, zijn permanent karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, het toepassen door het orgaan van de rechtsregels, alsmede zijn onafhankelijkheid (arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 32).
19 Het vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties omvat twee aspecten. Het eerste, externe, aspect veronderstelt dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zouden kunnen brengen en hun beslissingen zouden kunnen beïnvloeden [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 63].
20 Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 65].
21 Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof zich meer bepaald reeds uitgesproken over de vraag of een nationaal openbaar aanklager kan worden beschouwd als een „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299. Volgens het Hof is dit niet het geval indien het openbaar ministerie van een lidstaat het risico loopt dat het in een individueel geval rechtstreeks of indirect wordt aangestuurd door of instructies ontvangt van de uitvoerende macht, zoals een minister van Justitie, in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 90].
22 Tegelijkertijd heeft het Hof geoordeeld dat een beslissing van een openbaar ministerie van een lidstaat om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen een „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt voor zover dat aanhoudingsbevel moet worden goedgekeurd door een rechter die op onafhankelijke en objectieve wijze de voorwaarden voor de uitvaardiging en de evenredigheid van dat aanhoudingsbevel controleert [arrest van 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punt 49].
23 Gelet op die rechtspraak en de positie die het openbaar ministerie in de Nederlandse rechtsorde inneemt, is de verwijzende rechter van mening dat het openbaar ministerie niet kan worden beschouwd als een „met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, onder a), ii) en iii), van kaderbesluit 2005/214.
24 De verwijzende rechter benadrukt in dit verband het belang van de in die bepalingen vereiste mogelijkheid om de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter wanneer de beslissing waarbij de betrokkene schuldig wordt verklaard en de sanctie wordt opgelegd, volledig geautomatiseerd is, en de nationale autoriteit die deze beslissing vaststelt dus enkel de gegevens van de eigenaar van het voertuig nakijkt en hem het door het IT-systeem gegenereerde document toestuurt.
25 De Nederlandse regeling die erin voorziet dat de betrokkene beroep kan instellen bij een kantonrechter wanneer de openbare aanklager zijn beroep tegen de beslissing van het CJIB verwerpt, kan volgens de verwijzende rechter niet voldoen aan het vereiste van artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214 dat tegen de beslissing van een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter beroep moet kunnen worden ingesteld bij een „met name in strafzaken bevoegde rechter”.
26 Het kaderbesluit doelt immers op de mogelijkheid om rechtstreeks bij een rechter beroep in te stellen, zonder dat eerst een andere aanvullende procedure hoeft te worden uitgeput.
27 In dit verband blijkt volgens de verwijzende rechter uit het arrest van 14 november 2013, Baláž (C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 46), dat de toegang tot een met name in strafzaken bevoegde rechter in de zin van kaderbesluit 2005/214 niet afhankelijk mag zijn van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken.
28 Bovendien bepaalt de Nederlandse regeling dat indien de geldboete 225 EUR of meer bedraagt, de behandeling van het beroep door een rechter afhankelijk is van het stellen door de betrokkene van een zekerheid ten belope van dat bedrag. Deze procedureregel kan echter een beletsel vormen dat een onderdaan van een lidstaat ontmoedigt om een rechtsmiddel in te stellen in de beslissingsstaat.
29 In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Voldoet een beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie die is gegeven door de Nederlandse centrale bestuurlijke autoriteit die is aangewezen op grond van artikel 2 van kaderbesluit [2005/214], waartegen beroep kan worden ingesteld bij het Openbaar Ministerie, dat organisatorisch ressorteert onder het Ministerie van Justitie, aan de criteria van een beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld ‚bij een in strafzaken bevoegde rechter’ in de zin van artikel 1, onder a), ii), van dit kaderbesluit?
2) Kan aan het criterium dat tegen een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, beroep openstaat bij een ‚in strafzaken bevoegde rechter’, geacht worden te zijn voldaan wanneer een beroep bij de kantonrechter pas in een later stadium van de procedure mogelijk is, te weten nadat het beroep is afgewezen door de openbare aanklager, en bovendien in bepaalde gevallen de betaling van een vergoeding meebrengt die overeenkomt met de opgelegde sanctie?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
30 Met zijn vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen allereerst te vernemen of artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing van een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter waarbij aan een natuurlijk persoon onherroepelijk een geldelijke sanctie wordt opgelegd voor het plegen van een naar het recht van die lidstaat strafbaar feit, een „beslissing” in de zin van die bepaling is wanneer de regeling van deze lidstaat bepaalt dat het beroep tegen die beslissing eerst wordt onderzocht door een onder het hiërarchieke gezag van de minister van Justitie staande openbaar aanklager en de betrokkene zich vervolgens tot een met name in strafzaken bevoegde rechter kan wenden indien die openbare aanklager zijn beroep verwerpt. Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de betrokkene „de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van die bepaling wanneer de regeling van de beslissingsstaat bepaalt dat ingeval de geldboete 225 EUR of meer bedraagt, de betrokkene een zekerheid van hetzelfde bedrag moet stellen opdat een rechter het beroep onderzoekt.
31 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 5, lid 1, drieëndertigste streepje, van kaderbesluit 2005/214 overtredingen van de verkeersregels kunnen leiden tot erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen overeenkomstig dit kaderbesluit en zonder dat de dubbele strafbaarheid wordt getoetst, indien zij in de beslissingsstaat strafbaar zijn, zoals omschreven in het recht van die lidstaat.
32 In artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214 wordt het begrip „beslissing” gedefinieerd als „een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door [...] een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter, ten aanzien van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter”.
33 Luidens artikel 1, onder a), iii), van dit kaderbesluit kan een „beslissing” ook zijn „een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door [...] een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter ten aanzien van een feit dat naar het nationale recht van de beslissingsstaat wordt bestraft als inbreuk op de rechtsvoorschriften, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter”.
34 Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier en met name het in artikel 4 van kaderbesluit 2005/214 bedoelde certificaat, dat bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing van het CJIB is gevoegd, is D.B. een geldboete opgelegd voor het plegen van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit, te weten een overtreding van de verkeersregels zoals deze in het recht van deze lidstaat zijn vastgesteld.
35 In die omstandigheden is in deze zaak weliswaar artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214 en niet artikel 1, onder a), iii), van dit besluit van toepassing, maar beide bepalingen vereisen in identieke bewoordingen dat de betrokkene de gelegenheid moet hebben gehad „de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter”.
36 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of het recht op hoger beroep is gewaarborgd ondanks de verplichting om een voorafgaande bestuurlijke procedure te volgen alvorens de zaak wordt onderzocht door een met name in strafzaken bevoegde rechter in de zin van artikel 1, onder a), iii), van kaderbesluit 2005/214, heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 1, onder a), iii), van dit kaderbesluit niet vereist dat de zaak onmiddellijk door een dergelijke rechter wordt behandeld (zie in die zin arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 45).
37 Voor zover kaderbesluit 2005/214 eveneens toepassing vindt op geldelijke sancties die zijn opgelegd door bestuurlijke autoriteiten, mag naargelang van de bijzonderheden van de rechtsstelsels van de lidstaten worden vereist dat een voorafgaande bestuurlijke fase plaatsvindt. Evenwel mag de toegang tot een met name in strafzaken bevoegde rechter in de zin van dit kaderbesluit niet afhankelijk zijn van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken (arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Betreffende in de tweede plaats de omvang en de aard van de toetsing door de rechter die wordt aangezocht, moet deze rechter volle rechtsmacht hebben om de zaak te onderzoeken, zowel voor de beoordeling in rechte als de beoordeling van de feitelijke omstandigheden, inzonderheid de mogelijkheid om het bewijsmateriaal te onderzoeken en op grond daarvan de aansprakelijkheid van de betrokkene alsook de gepastheid van de sanctie vast te stellen (arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 47).
39 Niettegenstaande het feit dat het beroep tegen de beslissing van het CJIB tot oplegging van een geldboete volgens de Nederlandse regeling wordt onderzocht door een openbaar aanklager die hiërarchiek gezien onder het gezag van de minister van Justitie staat, bepaalt die regeling, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, dat de betrokkene tegen de beslissing van de openbare aanklager beroep kan instellen bij de kantonrechter.
40 In die omstandigheden hoeft niet te worden nagegaan of een openbaar aanklager die bevoegd is om een beroep te onderzoeken tegen een beslissing van het CJIB waarbij aan een bestuurder die een inbreuk heeft gemaakt op de wettelijke regeling inzake het verkeer, een boete wordt opgelegd, een „met name in strafzaken bevoegde rechter” is in de zin van artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214, maar wel of de in het vorige punt bedoelde kantonrechter dat is.
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat het in die bepaling bedoelde begrip „met name in strafzaken bevoegde rechter” een autonoom Unierechtelijk begrip is en aldus moet worden uitgelegd dat onder dit begrip elke rechterlijke instantie valt die een procedure toepast die aan de wezenlijke kenmerken van een strafrechtelijke procedure voldoet en die, in het bijzonder, volle rechtsmacht heeft en een procedure toepast waarin de in strafzaken gepaste procedurele waarborgen gelden (zie in die zin arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punten 39 en 42).
42 Het Hof, dat de verwijzende rechter nuttige antwoorden dient te verschaffen, is bevoegd om op basis van het dossier van het hoofdgeding en van de ontvangen opmerkingen aanwijzingen te geven die de verwijzende rechter in staat stellen uitspraak te doen in het concrete, bij hem aanhangige geschil (zie naar analogie arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, C‑16/19, EU:C:2021:64, punt 38).
43 In casu blijkt uit het dossier dat aan het Hof is overgelegd dat de in punt 39 van dit arrest bedoelde kantonrechter zich kan uitspreken over de juridische en de feitelijke kwesties alsook over de vraag of de opgelegde boete evenredig is aan de begane overtreding, en dat in de procedure bij die rechter de in strafzaken gepaste procedurele waarborgen gelden. Deze waarborgen betreffen inzonderheid de wijze waarop procesdocumenten ter kennis van de betrokkene worden gebracht, het feit dat de betrokkene wordt opgeroepen voor een publieke terechtzitting, de mogelijkheid om te worden bijgestaan of vertegenwoordigd, het horen van getuigen en deskundigen en het gebruik van een tolk.
44 Derhalve dient voornoemde kantonrechter te worden aangemerkt als een „met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214.
45 Wat de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid betreft dat de Nederlandse regeling erin voorziet dat indien de geldboete 225 EUR of meer bedraagt, de betrokkene een zekerheid van hetzelfde bedrag moet stellen opdat een rechter het beroep onderzoekt, dit gegeven is in casu irrelevant. Vast staat immers dat de geldboete die het CJIB aan D.B. in het hoofdgeding heeft opgelegd slechts 92 EUR bedroeg.
46 Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing van een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter waarbij aan een natuurlijk persoon onherroepelijk een geldelijke sanctie wordt opgelegd voor het plegen van een naar het recht van die lidstaat strafbaar feit, een „beslissing” in de zin van die bepaling is wanneer de regeling van deze lidstaat bepaalt dat het beroep tegen die beslissing eerst wordt onderzocht door een onder het hiërarchieke gezag van de minister van Justitie staande openbaar aanklager en de betrokkene zich vervolgens tot een met name in strafzaken bevoegde rechter kan wenden indien die openbare aanklager zijn beroep verwerpt, op voorwaarde dat de toegang tot die rechter niet afhankelijk is van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, onder a), ii), van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een beslissing van een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter waarbij aan een natuurlijk persoon onherroepelijk een geldelijke sanctie wordt opgelegd voor het plegen van een naar het recht van die lidstaat strafbaar feit, een „beslissing” in de zin van die bepaling is wanneer de regeling van deze lidstaat bepaalt dat het beroep tegen die beslissing eerst wordt onderzocht door een onder het hiërarchieke gezag van de minister van Justitie staande openbaar aanklager en de betrokkene zich vervolgens tot een met name in strafzaken bevoegde rechter kan wenden indien die openbare aanklager zijn beroep verwerpt, op voorwaarde dat de toegang tot die rechter niet afhankelijk is van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken.
ondertekeningen
* Procestaal: Pools.