HvJ EU 24 februari 2022, C-226/20, ECLI:EU:C:2022:122

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

24 februari 2022 (*)

„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland, Servië en Oekraïne – Beëindiging van de procedure met betrekking tot de invoer van oorsprong uit Servië – Vaststelling van schade – Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit meer dan één derde land – Verordening (EU) 2016/1036 – Artikel 3, lid 4 – Beëindiging van de procedure zonder maatregelen– Artikel 9, lid 2 – ‚Verwaarloosbaar’ karakter van de invoer – De-minimisdrempel – Beoordelingsbevoegdheid van de Europese Commissie”

In zaak C‑226/20 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 mei 2020,

Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Killick en G. Forwood, advocaten,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en A. Demeneix, vervolgens door T. Maxian Rusche en G. Luengo als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

HBIS Group Serbia Iron & Steel LLC Belgrade, gevestigd te Belgrado (Servië), vertegenwoordigd door R. Luff, advocaat,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 september 2021,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL (hierna: „Eurofer”), om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 maart 2020, Eurofer/Commissie (T‑835/17, EU:T:2020:96; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 van de Commissie van 5 oktober 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië (PB 2017, L 258, blz. 24; hierna: „litigieuze verordening”), is verworpen.

Toepasselijke bepalingen

2 Ten tijde van de feiten van het geding waren de bepalingen voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie opgenomen in verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2016, L 44, blz. 20), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 (PB 2014, L 18, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1225/2009”).

3 Op de datum van vaststelling van de litigieuze verordening waren de bepalingen voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Unie opgenomen in verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21). Deze verordening is krachtens artikel 25, eerste alinea, ervan op 20 juli 2016 in werking getreden. Overeenkomstig artikel 24, eerste alinea, van verordening 2016/1036 is verordening nr. 1225/2009 ingetrokken.

4 De middelen van deze hogere voorziening dienen te worden onderzocht in het licht van de bepalingen van verordening 2016/1036, onverminderd de toepassing ratione temporis van de verordeningen nr. 1225/2009 en 2016/1036 op de onderhavige zaak. Ten eerste stemmen de voor de onderhavige zaak relevante materiële bepalingen van de verordeningen nr. 1225/2009 en 2016/1036 overeen en ten tweede verwijzen het bestreden arrest en de onderhavige hogere voorziening enkel naar de bepalingen van laatstgenoemde verordening.

5 Overweging 16 van verordening 2016/1036, die in wezen de inhoud van overweging 15 van verordening nr. 1225/2009 heeft overgenomen, luidt:

„Een onderzoek of procedure dient te worden beëindigd wanneer de dumping minimaal of de schade te verwaarlozen is en deze omstandigheden dienen nader te worden omschreven. Wanneer maatregelen noodzakelijk zijn, dienen bepalingen betreffende de beëindiging van het onderzoek te worden vastgesteld en dient te worden voorgeschreven dat de maatregelen lager moeten zijn dan de dumpingmarge indien een dergelijk lager bedrag de schade zou wegnemen en ook dient de wijze van berekening van de hoogte van de maatregelen in het geval van een steekproefonderzoek te worden vastgesteld.”

6 Artikel 3 van verordening 2016/1036, met als opschrift „Vaststelling van schade”, dat inhoudelijk de bepalingen van artikel 3 van verordening nr. 1225/2009 heeft overgenomen, bepaalt in de leden 3 en 4:

„3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Unie, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.

4. Wanneer de invoer van een product uit meer dan één land terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen, worden de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordeeld indien wordt vastgesteld, dat:

a) de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, en de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is, en

b) een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de Unie, opportuun is.”

7 Artikel 5 van verordening 2016/1036, met als opschrift „Inleiding van de procedure”, dat inhoudelijk de bepalingen van artikel 5 van verordening nr. 1225/2009 heeft overgenomen, bepaalt in lid 7:

„Bij het besluit om al dan niet een onderzoek te openen wordt het bewijsmateriaal ten aanzien van dumping en schade terzelfder tijd in overweging genomen. Een klacht wordt afgewezen wanneer er onvoldoende bewijs van dumping of schade is om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen. Er worden geen procedures ingeleid tegen landen waarvan de invoer een marktaandeel van minder dan 1 % bedraagt, tenzij die landen tezamen ten minste 3 % van het verbruik in de Unie voor hun rekening nemen.”

8 Artikel 9, leden 1 tot en met 3, van verordening 2016/1036, dat inhoudelijk de bepalingen van artikel 9 van verordening nr. 1225/2009 heeft overgenomen, luidt:

„1. Wanneer de klacht wordt ingetrokken, kan de procedure worden beëindigd, tenzij dit strijdig met het belang van de Unie is.

2. Wanneer beschermende maatregelen niet nodig zijn, wordt het onderzoek of de procedure beëindigd. De [Europese] Commissie beëindigt het onderzoek volgens de in artikel 15, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

3. Bij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, ingeleide procedure wordt de schade normaal als te verwaarlozen beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, aangegeven hoeveelheden. Deze procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien wordt vastgesteld dat de dumpingmarge minder dan 2 % bedraagt, uitgedrukt als percentage van de uitvoerprijs, met dien verstande dat wanneer de marge voor individuele exporteurs minder dan 2 % bedraagt enkel het onderzoek wordt beëindigd en de procedure op deze exporteurs van toepassing blijft en zij bij een latere herziening voor het betrokken land overeenkomstig artikel 11 aan een nieuw onderzoek kunnen worden onderworpen.”

9 Artikel 20, leden 1 en 2, van verordening 2016/1036, dat inhoudelijk de bepalingen van artikel 20, leden 1 en 2, van verordening nr. 1225/2009 heeft overgenomen, luidt als volgt:

„1. De klagers, de importeurs, de exporteurs, de representatieve verenigingen van importeurs en exporteurs, en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer kunnen verzoeken om mededeling van bijzonderheden betreffende de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan voorlopige maatregelen zijn ingesteld. Deze verzoeken dienen onmiddellijk na de instelling van de voorlopige maatregelen schriftelijk te worden ingediend en de mededeling wordt zo spoedig mogelijk daarna schriftelijk gedaan.

2. De in lid 1 genoemde partijen mogen om definitieve mededeling verzoeken van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen of de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mededeling van feiten of overwegingen die afwijken van die waarop de voorlopige maatregelen zijn gebaseerd.”

Voorgeschiedenis van het geding

10 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 12 van het bestreden arrest uiteengezet. Zij kunnen in het kader van de onderhavige zaak als volgt worden samengevat.

11 Naar aanleiding van een klacht die Eurofer op 23 mei 2016 had ingediend heeft de Europese Commissie een antidumpingonderzoek geopend naar de invoer in de Unie van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland, Servië en Oekraïne.

12 Op 7 juli 2016 heeft de Commissie overeenkomstig verordening nr. 1225/2009 een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende deze invoer bekendgemaakt (PB 2016, C 246, blz. 7).

13 Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de voor de schadebeoordeling relevante ontwikkelingen had betrekking op de periode van 1 januari 2013 tot het einde van het onderzoektijdvak.

14 In het in punt 12 van het onderhavige arrest vermelde bericht van inleiding van het onderzoek heeft de Commissie aangegeven dat zij mogelijk bij de betrokkenen een steekproef zou uitvoeren overeenkomstig de relevante bepalingen van verordening nr. 1225/2009. Wat de producenten in de Unie betreft, bestond de uiteindelijke steekproef uit zes producenten, die gevestigd waren in vijf verschillende lidstaten en meer dan 45 % van de productie in de Unie vertegenwoordigden, te weten:

– ThyssenKrupp Steel Europe AG (Duisburg, Duitsland);

– Tata Steel IJmuiden BV (Velsen-Noord, Nederland);

– Tata Steel UK Limited (Port Talbot, Zuid-Wales, Verenigd Koninkrijk);

– ArcelorMittal Méditerranée SAS (Fos-sur-Mer, Frankrijk);

– ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (Duinkerken, Frankrijk), en

– ArcelorMittal España SA (Gozón, Spanje).

15 Uit hoofde van artikel 16 van verordening 2016/1036 zijn controlebezoeken ter plaatse uitgevoerd bij de betrokken producenten.

16 Op 4 april 2017 heeft de Commissie alle belanghebbenden via een informatiedocument (hierna: „informatiedocument”) in kennis gesteld van het feit dat zij het onderzoek zou voortzetten zonder voorlopige maatregelen in te stellen met betrekking tot de invoer in de Unie waarop het onderzoek betrekking had. Dat document bevatte de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie had besloten het onderzoek voort te zetten zonder voorlopige maatregelen in te stellen. Na de mededeling van dat document hebben de belanghebbenden schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van de bekendgemaakte informatie en bevindingen. De belanghebbenden die daarom hebben verzocht, zijn tevens gehoord.

17 Op 4 mei 2017 is een hoorzitting gehouden met Eurofer in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur voor handelsprocedures. Op 8 juni 2017 is een tweede hoorzitting met Eurofer gehouden.

18 In de periode van 29 mei tot en met 9 juni 2017 zijn vijf aanvullende controlebezoeken afgelegd bij de volgende belanghebbenden op het grondgebied van de Unie:

– ThyssenKrupp Steel Europe AG (Duisburg) (producent in de Unie);

– HUS Ltd (Plovdiv, Bulgarije) [gebruiker, lid van een consortium genaamd „Consortium for Imports of Hot-Rolled Flats” (consortium voor de invoer van warmgewalste platte producten)];

– Technotubi SpA (Alfianello, Italië) (gebruiker, lid van het in het vorige streepje genoemde consortium);

– een Italiaanse gebruiker die geen lid is van het consortium en om anonimiteit heeft verzocht, en

– Eurofer.

19 Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen op 17 juli 2017 (hierna: „mededeling van de definitieve bevindingen”) is op 27 juli 2017 opnieuw een hoorzitting met Eurofer gehouden, in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

20 Na een hoorzitting op 3 augustus 2017 met een Iraanse producent-exporteur heeft de Commissie de dumpingberekening en de daarop gebaseerde berekeningen opnieuw uitgevoerd. Op 4 augustus 2017 zijn de partijen door middel van een aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen van deze herziening op de hoogte gebracht.

21 Op 5 oktober 2017 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld.

22 Artikel 2 van de litigieuze verordening bepaalt dat „[d]e antidumpingprocedure betreffende invoer in de Unie van het betrokken product van oorsprong uit Servië [...] hierbij [wordt] beëindigd overeenkomstig artikel 9, lid 2, van [verordening 2016/1036]”.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

23 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 2017, heeft Eurofer beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld.

24 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 april 2018, heeft HBIS Group Serbia Iron Steel LLC Belgrade (hierna: „HBIS Serbia”) verzocht om toelating tot interventie in de procedure bij het Gerecht aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 12 juli 2018 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Bepaalde gegevens in het verzoekschrift in eerste aanleg zijn ten opzichte van HBIS Serbia vertrouwelijk behandeld.

25 Tot staving van haar beroep had Eurofer drie middelen aangevoerd. Het eerste middel had betrekking op een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie had besloten de Servische invoer niet overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 te cumuleren. Het tweede middel betrof een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie van mening was dat beschermende maatregelen tegen de Republiek Servië niet „nodig” waren, zelfs niet op een niet-cumulatieve basis. Het derde middel zag op schending van artikel 20, lid 2, van die verordening, schending van haar recht op informatie en rechten van verdediging, en schending van het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) verankerde recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie heeft geweigerd de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens voor de Servische exporteur mee te delen.

26 Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, heeft het Gerecht op de argumenten van de Commissie tegen deze ontvankelijkheid geantwoord door te verwijzen naar de rechtspraak van het Hof die met name voortvloeit uit het arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punten 51 en 52), volgens welke de Unierechter bevoegd is om te beoordelen of het in het belang van een goede rechtsbedeling is om het beroep te verwerpen zonder eerst uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan, en heeft het geoordeeld dat het in casu gerechtvaardigd was om het beroep ten gronde te onderzoeken en geen uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan.

27 Ten gronde heeft het Gerecht de argumenten van Eurofer betreffende de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 over de niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid verworpen. Aangezien de in deze bepaling gestelde voorwaarden cumulatief zijn, heeft het Gerecht het eerste middel tot nietigverklaring in zijn geheel afgewezen.

28 Met betrekking tot het tweede middel tot nietigverklaring heeft het Gerecht geoordeeld dat Eurofer niet had aangetoond dat de Commissie de beoordelingsmarge waarover zij in het kader van de toepassing van artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 beschikte, had overschreden. Het Gerecht heeft de grief betreffende een oppervlakkig en onvolledig onderzoek van de invoer uit Servië en dientengevolge het tweede middel in zijn geheel ongegrond verklaard.

29 Met betrekking tot het derde middel tot nietigverklaring heeft het Gerecht geoordeeld dat Eurofer overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening 2016/1036 in kennis was gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan was overwogen aan te bevelen om de procedure inzake de invoer uit Servië zonder maatregelen te beëindigen, dat zij in de gelegenheid was gesteld haar standpunt op zinvolle wijze kenbaar te maken en dat haar rechten van verdediging derhalve in casu zijn geëerbiedigd. Voorts heeft het Gerecht het betoog van Eurofer inzake de analogie met de rechtspraak op het gebied van het mededingingsrecht verworpen. Bovendien heeft het geoordeeld dat de Commissie, zoals blijkt uit het onderzoek van het tweede middel, alle relevante gegevens van de onderhavige zaak had onderzocht en het beginsel van behoorlijk bestuur dus niet had geschonden. Bijgevolg heeft het Gerecht dit derde middel tot nietigverklaring afgewezen.

30 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van Eurofer in zijn geheel verworpen.

Conclusies van partijen voor het Hof

31 Met haar hogere voorziening verzoekt Eurofer het Hof:

– het bestreden arrest te vernietigen;

– artikel 2 van de litigieuze verordening nietig te verklaren;

– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;

– de Commissie en HBIS Serbia te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

32 De Commissie verzoekt het Hof:

– het bestreden arrest te vernietigen en het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren;

– de hogere voorziening af te wijzen;

– Eurofer te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

33 HBIS Serbia verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen;

– Eurofer te verwijzen in de kosten die HBIS Serbia in de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening heeft gemaakt.

34 Bij beschikking van de president van het Hof van 2 september 2020, Eurofer/Commissie (C‑226/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:669), is het verzoek van Eurofer aan het Hof om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van HBIS Serbia van de in bijlage A.4 bij de hogere voorziening van Eurofer opgenomen gegevens toegewezen. Die gegevens zijn identiek aan de gegevens die reeds vertrouwelijk waren behandeld in de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid en in bijlage bij het verzoekschrift in eerste aanleg van Eurofer waren verstrekt.

Hogere voorziening

35 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 aldus uit te leggen dat de Commissie de beoordelingsbevoegdheid heeft om invoer met een marktaandeel van meer dan 1 % als „verwaarloosbaar” te beschouwen. Het tweede middel is ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de beoordeling dat de „ingevoerde hoeveelheid” uit Servië „te verwaarlozen” was in de zin van artikel 3, lid 4, van die verordening. Het derde middel ziet op een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vaststelling dat „beschermende maatregelen niet nodig zijn” in de zin van artikel 9, lid 2, van die verordening. Met het vierde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens aan haar mee te delen.

Eerste middel

Argumenten van partijen

36 Met haar eerste middel betoogt Eurofer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 3, lid 4, onder a), en artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 aldus uit te leggen dat de Commissie de beoordelingsbevoegdheid heeft om invoer die overeenkomt met een marktaandeel van meer dan 1 %, als „te verwaarlozen” in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van deze verordening te beschouwen. Dit middel heeft betrekking op de punten 67, 68, 73, 74 en 78 tot en met 80 van het bestreden arrest.

37 In de eerste plaats bevestigt de rechtspraak van het Gerecht die voortvloeit uit het arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad (T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punten 101‑105), dat artikel 3, lid 4, onder a), en artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 „complementair” zijn. Volgens de juiste uitlegging van artikel 3, lid 4, van deze verordening moet de in artikel 5, lid 7, van deze verordening neergelegde drempel van 1 % dus worden toegepast als bindende drempel om te beoordelen of de ingevoerde hoeveelheid „te verwaarlozen” is in de zin van artikel 3, lid 4, van deze verordening. Deze uitlegging vindt steun in de besluitvormingspraktijk van de Commissie, waarnaar het Gerecht met name verwijst in de punten 73 en 74 van het bestreden arrest, alsmede in de in punt 37 van het bestreden arrest aangehaalde toelichtende nota van de Commissie van 21 september 2000 aan het Antidumpingcomité (ad-hocgroep voor de uitvoering) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die de „betere uitlegging van het Unierecht door de Commissie” weergeeft.

38 In de tweede plaats geeft het Gerecht volgens verzoekster in de punten 65 tot en met 68 en 79 van het bestreden arrest geen overtuigende motivering ter ondersteuning van de gekozen uitlegging. Ten eerste betekent het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing in artikel 3, lid 4, naar artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 niet dat deze bepalingen niet samen kunnen worden gelezen. Ten tweede is het feit dat artikel 5, lid 7, van deze verordening van toepassing is in het stadium van de opening van het onderzoek terwijl artikel 3, lid 4, van die verordening van toepassing is in het stadium van dat onderzoek zelf, geen voldoende reden om een coherente uitlegging van deze twee bepalingen uit te sluiten. Het zou in dit verband logisch zijn dat dezelfde regels van toepassing zijn in deze twee stadia van de procedure, hetgeen het geval is voor andere bepalingen van die verordening. Ten derde is de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek irrelevant om uit te maken of de invoer uit een bepaald land hoger is dan de drempel van 1 %, aangezien deze vraag enkel met ja of nee kan worden beantwoord. Ten vierde zijn de voorbeelden van invoer die overeenkomt met een marktaandeel dat hoger ligt dan 1 %, waarop het Gerecht zich in punt 79 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, niet relevant voor de uitlegging van artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036.

39 In de derde plaats is de uitlegging van het Gerecht volgens verzoekster in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien deze uitlegging ook onzekerheid doet ontstaan over de vraag of de in artikel 5, lid 7, van die verordening vastgestelde drempel van 3 % van overeenkomstige toepassing is in het stadium van de inleiding van het onderzoek en in het stadium van het onderzoek zelf. Ook de uitlegging van het Gerecht dat artikel 5, lid 7, van die verordening als richtsnoer zou kunnen dienen voor de uitlegging van artikel 3, lid 4, van deze verordening, zonder evenwel te veronderstellen dat daarin een dwingende drempel wordt vastgesteld, kan leiden tot rechtsonzekerheid en een element van politieke druk in dumpingzaken vormen. Volgens een dergelijke uitlegging beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid, die aan een oppervlakkige rechterlijke toetsing is onderworpen.

40 De Commissie betoogt dat dit middel niet ter zake doet en hoe dan ook ongegrond is.

41 HBIS Serbia stelt dat dit middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

42 Om te beginnen moet het argument van de Commissie dat het onderhavige middel niet ter zake doet, worden afgewezen. Hoewel dit middel in het bijzonder betrekking heeft op de punten 67, 68, 73, 74 en 78 tot en met 80 van het bestreden arrest, blijkt immers duidelijk uit het betoog van Eurofer ter ondersteuning van dit middel, dat daarmee in werkelijkheid wordt opgekomen tegen alle overwegingen van dat arrest waarbij het Gerecht het eerste middel tot nietigverklaring heeft afgewezen, aangezien het betrekking heeft op de voorwaarde van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 betreffende het verwaarloosbare karakter van de ingevoerde hoeveelheid.

43 Ten gronde stelt Eurofer in essentie dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 7, van deze verordening, aangezien deze bepalingen de Commissie geen enkele beoordelingsbevoegdheid verlenen om aan te nemen dat de invoer uit Servië, voor zover die een hoeveelheid van meer dan 1 % vertegenwoordigt, „te verwaarlozen” is in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening.

44 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 bepaalt dat de gevolgen van de invoer van een product uit meer dan één land die terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen, uitsluitend cumulatief worden beoordeeld, ten eerste, indien de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, van die verordening en de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is en, ten tweede, indien een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer, gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de Unie, opportuun is.

45 Zoals het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, stelt artikel 3, lid 4, van deze verordening in wezen drie voorwaarden om een cumulatieve beoordeling van de terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek onderworpen invoer van een product uit meer dan één land toe te staan en volstaat het dat aan een van die drie voorwaarden niet is voldaan om een dergelijke beoordeling uit te sluiten.

46 In casu is alleen de tweede voorwaarde, namelijk die betreffende een niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid, in de onderhavige zaak aan de orde.

47 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 dat deze bepaling, wat deze voorwaarde betreft, niet verwijst naar artikel 5, lid 7, van deze verordening of naar enige andere bepaling van die verordening.

48 Zoals het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is in het tweede onderdeel van artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening geen verwijzing opgenomen en wordt er louter vereist dat de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet „te verwaarlozen” is, zonder dit begrip meer in detail te omschrijven, in tegenstelling tot in het eerste onderdeel van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036, waarin de eerste voorwaarde inzake de dumpingmarge nauwgezet wordt vastgesteld door middel van verwijzing naar het minimumniveau in artikel 9, lid 3, van die verordening,.

49 Hieruit volgt dat de Uniewetgever, bij gebreke van een uitdrukkelijke verwijzing naar de in artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 vastgestelde drempel van 1 %, niet heeft geëist dat het verwaarloosbare karakter van de invoer voor de toepassing van de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening dwingend wordt beoordeeld aan de hand van die drempel.

50 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 verschillende doelstellingen nastreven in het kader van de procedure waarin deze verordening voorziet.

51 Het Gerecht heeft dienaangaande in punt 66 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat artikel 5, lid 7, van deze verordening ziet op een ander stadium van het onderzoek dan artikel 3, lid 4, ervan.

52 Volgens artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 wordt immers geen antidumpingprocedure ingeleid wanneer de in die bepaling vastgestelde drempel van 1 % niet wordt bereikt. Hieruit volgt dat deze bepaling ziet op een fase die voorafgaat aan de opening van het onderzoek.

53 Artikel 3, lid 4, van die verordening heeft daarentegen betrekking op invoer waarnaar door de Commissie al een onderzoek wordt gevoerd na de inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die verordening.

54 Zoals de advocaat in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan in deze context weliswaar niet worden uitgesloten dat er rekening kan worden gehouden met de in artikel 5, lid 7, van die verordening vastgestelde drempel van 1 % als een indicatieve drempel voor het onderzoek of de ingevoerde hoeveelheid niet „te verwaarlozen” is in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036, maar deze drempel kan geen dwingende grenswaarde vormen waarvan bij overschrijding moet worden aangenomen dat de ingevoerde hoeveelheid uit een bepaald derde land „niet te verwaarlozen is” in de zin van deze laatste bepaling.

55 In de derde plaats strookt de uitlegging die het Gerecht aan artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 heeft gegeven met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie volgens de rechtspraak van het Hof beschikken op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen. Een dergelijke bevoegdheid vloeit voort uit de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die deze instellingen moeten onderzoeken (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Trace Sport, C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en bestaat met name in de vaststelling of de bedrijfstak van de Unie in het kader van een antidumpingprocedure schade heeft geleden (arrest van 10 juli 2019, Caviro Distillerie e.a./Commissie, C‑345/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:589, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan de in artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 vastgestelde drempel van 1 % in casu weliswaar een aanwijzing vormen die de Unierechter in aanmerking kan nemen bij de toetsing van de door de Commissie in het kader van artikel 3, lid 4, onder a), van deze verordening gemaakte beoordelingen, maar deze drempel kan geen dwingende grenswaarde vormen waarboven de Commissie in geen geval tot de conclusie kan komen dat de invoer uit een land die aan het antidumpingonderzoek wordt onderworpen, te verwaarlozen is.

57 Een dergelijke uitlegging van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 zou er immers op neerkomen dat deze instelling de beoordelingsbevoegdheid verliest die deze bepaling haar verleent voor de beoordeling van het verwaarloosbare karakter van de invoer, met het oog op een cumulatieve beoordeling van de terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek onderworpen invoer van een product uit verschillende landen.

58 Uit de voorgaande overwegingen volgt dus dat het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat artikel 5, lid 7, van deze verordening als richtsnoer kan dienen voor de te verwaarlozen invoer, zonder dat daaruit evenwel kan worden afgeleid dat invoer met een marktaandeel van meer dan 1 % uit het betrokken land in het kader van artikel 3, lid 4, van deze verordening niet als te verwaarlozen kan worden beschouwd.

59 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten die Eurofer tot staving van dit middel heeft aangevoerd.

60 Wat om te beginnen het argument betreft dat de uitlegging door het Gerecht van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 in wezen in strijd is met de eerdere besluitvormingspraktijk van de instellingen van de Unie, kan worden volstaan met de opmerking dat met een dergelijke besluitvormingspraktijk volgens vaste rechtspraak van het Hof geen rekening kan worden gehouden bij de uitlegging van een bepaling van deze verordening (zie in die zin arrest van 10 februari 2021, RFA International/Commissie, C‑56/19 P, EU:C:2021:102, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Wat vervolgens de verenigbaarheid van deze uitlegging met de in punt 37 van het onderhavige arrest vermelde toelichtende nota betreft, heeft het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest – dat in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet specifiek wordt betwist – geoordeeld dat deze nota niet kan worden bestempeld als „richtsnoeren” waaruit volgt dat zij zichzelf een beperking van haar beoordelingsbevoegdheid heeft opgelegd.

62 Ten slotte moeten ook de argumenten dat deze uitlegging in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel worden afgewezen.

63 Ten eerste kan het argument van Eurofer dat deze uitlegging tot onzekerheid zou leiden over de uitlegging van de drempels van artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036 niet slagen, gelet op de overwegingen in de punten 50 tot en met 54 van het onderhavige arrest. Ten tweede zou de door Eurofer voorgestelde uitlegging van artikel 3, lid 4, onder a), van deze verordening aan deze bepaling elke nuttige werking ontnemen, zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft beklemtoond, aangezien overeenkomstig artikel 5, lid 7, van die verordening in beginsel geen procedure wordt ingeleid tegen landen waarvan de invoer een marktaandeel van minder dan 1 % vertegenwoordigt.

64 Gelet op een en ander moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

65 Met haar tweede middel betoogt Eurofer dat het oordeel van het Gerecht dat de ingevoerde hoeveelheid uit Servië „te verwaarlozen” was in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit middel heeft betrekking op de punten 81 tot en met 85 van het bestreden arrest en bestaat uit drie onderdelen.

66 Met het eerste onderdeel van dit middel betoogt zij dat het Gerecht in de punten 81 tot en met 83 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling of de ingevoerde hoeveelheid „te verwaarlozen” was, elementen betreffende de prijs op te nemen, terwijl enkel een kwantitatieve beoordeling van de ingevoerde hoeveelheid moest worden verricht.

67 De drie elementen die nodig zijn voor de cumulatieve beoordeling op grond van artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 zijn terecht in herinnering gebracht in de punten 50 en 51 van dat arrest. Het tweede element betreft de ingevoerde hoeveelheid, die als „te verwaarlozen” moet worden beschouwd op basis van de marktaandelen en niet op basis van de prijs van deze invoer. Die prijs betreft het derde element en verordening 2016/1036 maakt een duidelijk onderscheid tussen deze twee aspecten. Volgens verzoekster heeft het Gerecht echter twee verschillende begrippen door elkaar gehaald en zijn redenering met betrekking tot het verwaarloosbare karakter van de ingevoerde hoeveelheid dus op een irrelevante overweging gebaseerd.

68 Met het tweede, subsidiair aangevoerde onderdeel van het onderhavige middel voert Eurofer aan dat het Gerecht in elk geval de criteria die het in punt 82 van het bestreden arrest heeft uiteengezet om te beoordelen of er sprake is van dit verwaarloosbare karakter, onjuist heeft toegepast. Door in haar analyse voorbij te gaan aan prijsonderbieding en prijsbederf heeft de Commissie dus niet alle relevante bewijselementen in aanmerking genomen, zoals artikel 3, lid 3, van verordening 2016/1036 vereist. Bijgevolg heeft het Gerecht, door in punt 83 van het bestreden arrest de benadering van de Commissie te bevestigen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

69 In het derde onderdeel van dit middel stelt Eurofer dat het Gerecht in de punten 83 en 85 van het bestreden arrest eveneens een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en de bewijselementen onjuist heeft opgevat door vast te stellen dat de gemiddelde prijzen in verband met de hoeveelheid die overeenkomt met een gering marktaandeel, de vaststelling staafden dat de betrokken invoer verwaarloosbaar was. Eurofer erkent dat de gemiddelde prijs van de invoer uit Servië hoger was dan die van de invoer uit andere landen. Uit het bewijsmateriaal in het dossier blijkt echter duidelijk dat de gemiddelde prijs van de enige Servische producent-exporteur vrijwel identiek was aan die van twee andere exporteurs aan wie de Commissie antidumpingrechten heeft opgelegd.

70 De Commissie is van mening dat het onderhavige middel niet ter zake dienend is en dat elk van de drie onderdelen ervan hoe dan ook ongegrond is. Volgens de Commissie is het derde onderdeel bovendien gedeeltelijk niet-ontvankelijk.

71 HBIS Serbia stelt dat dit middel ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

72 Vastgesteld moet worden dat het onderhavige middel, zoals de Commissie betoogt, niet ter zake dienend is.

73 Met dit middel wordt immers met name opgekomen tegen de punten 81 tot en met 84 van het bestreden arrest.

74 In punt 81 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie in overweging 248 van de litigieuze verordening terecht ervan heeft kunnen uitgaan dat het feit dat de Servische gemiddelde verkoopprijzen in het onderzoektijdvak aanzienlijk hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen eveneens een aanwijzing was voor het feit dat dit lage invoervolume geen schade kon berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie.

75 In punt 82 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar geoordeeld dat de vraag wat een te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van verordening 2016/1036 is niet alleen betrekking heeft op het onderzoek naar de loutere omvang van die hoeveelheid, maar zich uitstrekt tot de kwaliteit ervan, te weten de andere elementen die een indicatie geven van de gevolgen die deze hoeveelheid kan teweegbrengen, zoals de prijzen met betrekking tot die invoer.

76 Zoals met name uit punt 69 van het bestreden arrest blijkt, heeft de Commissie in overweging 232 van de litigieuze verordening echter in wezen vastgesteld dat de uit Servië ingevoerde hoeveelheid op grond van artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 te verwaarlozen was, aangezien deze hoeveelheid zeer dicht bij de in artikel 5, lid 7, van die verordening vastgestelde drempel van 1 % lag waaronder geen onderzoek door de Commissie wordt geopend. Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat deze hoeveelheid aanzienlijk lager lag dan de invoerhoeveelheden uit elk van de vier betrokken landen.

77 Gesteld al dat de redenering van het Gerecht in de punten 81 tot en met 84 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de analyse van de prijzen in verband met de betrokken invoer, blijk geeft van een of meerdere onjuiste rechtsopvattingen, zoals Eurofer stelt, dan nog hebben deze fouten geen gevolgen voor de vaststelling in de punten 70 en 80 van dat arrest dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in casu te oordelen dat de uit Servië ingevoerde hoeveelheid voor de toepassing van artikel 3, lid 4, van verordening 2016/1036 te verwaarlozen bleef.

78 In die omstandigheden zijn de drie onderdelen van het tweede middel, en derhalve het middel in zijn geheel, niet ter zake dienend.

Derde middel

Argumenten van partijen

79 Met haar derde middel betoogt Eurofer dat het Gerecht in de punten 109, 114, 120 en 121 van het bestreden arrest op verschillende punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de conclusie van de Commissie te bevestigen dat beschermende maatregelen overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 in casu niet nodig waren. Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

80 Met het eerste onderdeel stelt Eurofer dat het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een gedetailleerde analyse van met name het bestaan van dumping in de zin van artikel 2 van verordening 2016/1036 en van het bestaan van schade in de zin van artikel 3 van deze verordening niet altijd vereist is, en dat de beëindiging van een onderzoek of een procedure louter op grond van de dumpingmarge of de ingevoerde hoeveelheid aangewezen kan zijn.

81 Eurofer stelt dat artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 weliswaar niet preciseert in welke omstandigheden „beschermende maatregelen niet nodig zijn”, maar dat overweging 16 van deze verordening wel duidelijke richtsnoeren bevat, voor zover daarin wordt gesteld dat procedures moeten worden beëindigd „wanneer de dumping minimaal of de schade te verwaarlozen is”. In die omstandigheden heeft het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest ten onrechte geconcludeerd dat een beoordeling van de potentiële aanmerkelijke schade niet vereist is.

82 Artikel 9, lid 3, van verordening 2016/1036 is in dit verband irrelevant, voor zover het voorziet in twee „veiligheidsdrempels” waaronder in beginsel is voldaan aan de twee in overweging 16 van die verordening genoemde voorwaarden. In casu voldoet de invoer uit Servië niet aan deze drempels. Bijgevolg had de Commissie alleen op basis van de vaststelling van het verwaarloosbare karakter van de schade van de invoer uit Servië kunnen beslissen dat beschermende maatregelen niet nodig waren. Daarvoor zou vereist zijn geweest dat de Commissie was nagegaan of deze invoer had kunnen bijdragen aan aanmerkelijke schade, rekening houdend met de beoordelingselementen van artikel 3 van verordening 2016/1036.

83 Met het tweede onderdeel betoogt Eurofer dat het Gerecht in de punten 115 tot en met 121 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat de Commissie de beoordelingsmarge waarover zij in het kader van artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 beschikt, niet had overschreden. Volgens Eurofer konden noch de uit Servië ingevoerde hoeveelheid noch de gemiddelde verkoopprijzen, bij gebreke van andere elementen, de conclusies van de Commissie rechtvaardigen.

84 Wat betreft de uit Servië ingevoerde hoeveelheid boven de drempel van 1 % van artikel 9, lid 3, van verordening 2016/1036, gelezen tegen de achtergrond van artikel 5, lid 7, van deze verordening, kan dus niet worden aangenomen dat deze hoeveelheid geen enkele schade veroorzaakte. Voor het gebruik van de gemiddelde invoerprijzen had de Commissie niet alleen rekening moeten houden met deze prijzen, maar ook met de prijzen van de exporteurs uit de andere betrokken landen en met de niveaus van prijsonderbieding en prijsbederf. Bovendien is het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met relevante gegevens een kennelijke beoordelingsfout. De Commissie heeft bij haar beoordeling geen rekening gehouden met de hoge dumpingmarge van de invoer uit Servië, terwijl dit gegeven kennelijk relevant was om de schadelijke gevolgen van deze invoer vast te stellen, zoals blijkt uit artikel 3, lid 3, van deze verordening.

85 De Commissie is van mening dat het onderhavige middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond is.

86 HBIS Serbia stelt dat dit middel ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

87 Met het eerste onderdeel van dit middel stelt Eurofer in wezen dat het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat een gedetailleerde analyse van het bestaan van schade niet altijd vereist is en dat de beëindiging van een onderzoek of een procedure louter op grond van de dumpingmarge of de ingevoerde hoeveelheid aangewezen kan zijn.

88 Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 wordt het onderzoek of de procedure beëindigd wanneer beschermende maatregelen niet nodig zijn. Uit overweging 16 van deze verordening blijkt dat een onderzoek of procedure dient te worden beëindigd wanneer de dumping minimaal of de schade te verwaarlozen is.

89 In dit verband bepaalt artikel 9, lid 3, van verordening 2016/1036 met name dat bij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, ervan ingeleide procedure de schade normaal als te verwaarlozen wordt beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, aangegeven hoeveelheid, namelijk een marktaandeel van minder dan 1 %.

90 Zoals de advocaat-generaal in punt 100 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan artikel 9, lid 3, van deze verordening echter niet zo worden uitgelegd dat het de Commissie belet de door invoer veroorzaakte schade als verwaarloosbaar te beschouwen wanneer de ingevoerde hoeveelheid net boven deze drempel ligt, zoals in casu het geval is.

91 Uit het gebruik van „normaal” blijkt immers dat de Uniewetgever de Commissie een zekere beoordelingsmarge heeft willen laten bij de beoordeling of de potentiële schade die door invoer zou kunnen ontstaan te verwaarlozen is.

92 Een dergelijke uitlegging strookt met de beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen beschikken en die, zoals in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, zich uitstrekt tot de vaststelling van schade voor de bedrijfstak van de Unie in het kader van een antidumpingprocedure.

93 Bijgevolg mag de Commissie oordelen dat er geen beschermende maatregelen in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 nodig zijn wanneer zij vaststelt dat de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft, de drempel van 1 % overschrijdt waaronder de door deze invoer uit een derde land veroorzaakte schade normaal als te verwaarlozen wordt beschouwd, in het geval dat die invoer dicht bij deze drempel ligt en deze instelling over andere elementen beschikt die de verwaarloosbaarheid van die invoer kunnen schragen.

94 In die omstandigheden stelt de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt haar in staat om het onderzoek louter op basis van artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 te beëindigen, zonder dat zij hoeft te bepalen of die invoer, gelet op de elementen die met name in artikel 3, leden 2 en 3, van die verordening zijn genoemd, aanmerkelijke schade kan veroorzaken.

95 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het onderhavige middel dus ongegrond worden verklaard.

96 Met het tweede onderdeel van dit middel stelt Eurofer in essentie dat het Gerecht in de punten 115 tot en met 121 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de vaststelling van de Commissie dat in casu geen beschermende maatregelen nodig waren, te bevestigen.

97 Om te beginnen moet het argument van de Commissie worden afgewezen dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is omdat het enkel betrekking heeft op de beoordeling van de feiten door het Gerecht zonder dat een onjuiste rechtsopvatting is vastgesteld. Zoals de advocaat-generaal in punt 105 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Gerecht in de punten 115 tot en met 121 van het bestreden arrest – waartegen dit onderdeel is gericht – rechtsoverwegingen geformuleerd en zijn de argumenten van Eurofer daartegen gericht.

98 Wat allereerst het argument van Eurofer betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de Commissie de beoordelingsmarge waarover zij bij de toepassing van artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 beschikte, niet had overschreden, moet worden opgemerkt dat dit argument ongegrond moet worden geacht om dezelfde redenen als die welke in de punten 91 tot en met 94 van dit arrest zijn uiteengezet.

99 Wat vervolgens het argument betreft dat de conclusie van de Commissie volgens welke er geen noodzaak was om beschermende maatregelen vast te stellen op een kennelijke beoordelingsfout berust omdat geen rekening is gehouden met de beweerdelijk hoge dumpingmarge van de invoer uit Servië, moet worden opgemerkt dat artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 de Commissie een zekere beoordelingsmarge laat, zonder de omstandigheden te preciseren waaronder zij kan besluiten dat beschermende maatregelen niet nodig zijn, zoals het Gerecht in de punten 110 en 111 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld.

100 In die omstandigheden is de dumpingmarge geen relevant gegeven waarmee de Commissie noodzakelijkerwijs rekening had moeten houden om te concluderen dat beschermende maatregelen niet nodig waren.

101 In elk geval moet worden vastgesteld dat Eurofer tot staving van haar betoog enkel stelt dat het, gelet op de betrokken dumpingmarge, „weinig waarschijnlijk” is dat de gevolgen van de betrokken invoer te verwaarlozen zijn en zij verder geen enkel concreet en nauwkeurig bewijs aandraagt op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het Gerecht had moeten oordelen dat de redenering van de Commissie op een kennelijke beoordelingsfout berustte.

102 Zoals de advocaat-generaal in punt 109 van zijn conclusie heeft beklemtoond, moet ten slotte het argument worden afgewezen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens van de Servische producten, aangezien dit argument erop neerkomt dat de Commissie, anders dan in punt 94 van het onderhavige arrest is geoordeeld, nauwgezet het bestaan van schade had moeten nagaan voordat zij het onderzoek overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 kon beëindigen.

103 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard, zodat dit middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

104 Met haar vierde middel betoogt Eurofer dat het Gerecht op verschillende punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de Commissie niet verplicht was om de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens voor de Servische exporteur mee te delen. Dit middel heeft betrekking op de punten 135 tot en met 137, 141 tot en met 146 en 148 van het bestreden arrest en bestaat uit drie onderdelen.

105 Met het eerste onderdeel van dit middel stelt Eurofer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat haar rechten van verdediging niet waren geschonden.

106 De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt niet alleen in dat de gegevens waarop de Commissie haar betoog heeft gebaseerd overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening 2016/1036 ter kennis van de betrokkene moeten worden gebracht, maar ook dat hem toegang moet worden verleend tot andere relevante gegevens in het dossier van de Commissie. In casu waren de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens essentiële informatie waarmee de invloed van de betrokken invoer kon worden aangetoond en die Eurofer nodig had om zich te kunnen uitlaten over de vraag of deze invoer de bedrijfstak van de Unie schade heeft berokkend en of de vaststelling van de Commissie dat deze invloed te verwaarlozen was, juist was.

107 In het kader van het tweede onderdeel van het onderhavige middel voert Eurofer aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 142 van het bestreden arrest te oordelen dat zij zich in een antidumpingonderzoek als vertegenwoordigster van de bedrijfstak van de Unie niet kon beroepen op de vereisten die voortvloeien uit de rechten van de verdediging. Deze conclusie berust op geen enkele rechtsgrondslag en vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht.

108 Met het derde onderdeel van dit middel stelt Eurofer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 146 van het bestreden arrest te concluderen dat de Commissie het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Indien het tweede of het derde middel in hogere voorziening wordt aanvaard, dan moeten ook de argumenten van Eurofer inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur worden aanvaard. Bovendien is Eurofer van mening dat het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de Commissie niet te gelasten de bewijselementen inzake de prijsonderbieding en het prijsbederf mee te delen.

109 De Commissie en HBIS Serbia betogen dat het vierde middel van de hogere voorziening gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet ter zake dienend is.

Beoordeling door het Hof

110 Volgens artikel 20, lid 2, van verordening 2016/1036 mogen de in lid 1 van dat artikel genoemde partijen, waaronder een representatieve vereniging zoals Eurofer, om definitieve mededeling verzoeken van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen.

111 Vastgesteld moet worden dat de drie onderdelen van het onderhavige middel zijn gebaseerd op de premisse dat de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens gegevens vormden waarmee de Commissie rekening had moeten houden voor de toepassing van artikel 3, lid 4, onder a), en artikel 5, lid 7, van verordening 2016/1036.

112 Uit het onderzoek van het tweede middel in hogere voorziening blijkt evenwel dat het Gerecht op goede gronden kon oordelen dat de Commissie terecht had besloten de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië te beëindigen uitsluitend op grond van de ingevoerde hoeveelheden en de gegevens met betrekking tot de gemiddelde verkoopprijzen, zonder de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens te onderzoeken.

113 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 137 van het bestreden arrest te oordelen dat Eurofer overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening 2016/1036 in kennis was gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan was overwogen aan te bevelen om de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië zonder maatregelen te beëindigen, dat zij in de gelegenheid is gesteld haar standpunt op zinvolle wijze kenbaar te maken en dat haar rechten van verdediging in casu zijn geëerbiedigd.

114 Om dezelfde redenen heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 146 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie alle relevante gegevens van de onderhavige zaak heeft onderzocht en dat zij het beginsel van behoorlijk bestuur dus niet heeft geschonden. Eurofer kan evenmin een argument ontlenen aan het feit dat het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest haar verzoek tot overlegging van gegevens over de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarges voor de Republiek Servië heeft afgewezen.

115 Onder deze omstandigheden moet het vierde middel ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging in antidumpingonderzoeksprocedures onderscheid moet worden gemaakt tussen Eurofer en de ondernemingen die een sanctie of een antidumpingrecht riskeren.

116 Gelet op de voorgaande overwegingen en aangezien geen van de in de onderhavige hogere voorziening aangevoerde middelen is toegewezen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de argumenten van de Commissie inzake de niet-ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg.

Kosten

117 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

118 Aangezien Eurofer in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en HBIS Serbia te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie en HBIS Serbia.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL wordt verwezen in haar eigen kosten, alsook in die van de Europese Commissie en HBIS Group Serbia Iron & Steel LLC Belgrade.

ondertekeningen

* Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken