HvJ EU 2 december 2021, C-484/20, ECLI:EU:C:2021:975
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
2 december 2021 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn (EU) 2015/2366 – Betalingsdiensten – Artikel 62, lid 4 – Toepasselijke kosten – Artikel 107, lid 1 – Volledige harmonisatie – Artikel 115, leden 1 en 2 – Omzetting in nationaal recht en toepassing – Abonnementen op kabeltelevisie en internettoegang – Duurovereenkomsten die zijn gesloten voor de datum van omzetting van deze richtlijn – Vergoeding die wordt gevraagd voor betalingstransacties zonder machtiging tot automatische afschrijving die na die datum worden geïnitieerd”
In zaak C‑484/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) bij beslissing van 1 oktober 2020, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
Vodafone Kabel Deutschland GmbH
tegen
Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e. V.,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Negende kamer, S. Rodin en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Vodafone Kabel Deutschland GmbH, vertegenwoordigd door L. Stelten, Rechtsanwalt,
– het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e. V., vertegenwoordigd door C. Hillebrecht, Rechtsanwältin,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Meloncelli, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en T. Scharf als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 62, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35, met rectificatie in PB 2018, L 102, blz. 97).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Vodafone Kabel Deutschland GmbH (hierna: „Vodafone”) en het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e. V. (federatie van consumentenorganisaties, Duitsland; hierna: „Bundesverband”) over de aanrekening van een forfaitair bedrag voor het gebruik van bepaalde betaalinstrumenten ter uitvoering van betalingstransacties die voortvloeien uit overeenkomsten tussen Vodafone en consumenten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 6, 53 en 66 van richtlijn 2015/2366 luiden als volgt:
„(6) Nieuwe voorschriften moeten worden vastgesteld om de leemten in de regelgeving te dichten en tegelijkertijd de juridische duidelijkheid te vergroten en overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingsraamwerk te garanderen. Bestaande en nieuwe spelers op de markt moeten de garantie hebben dat zij onder gelijke voorwaarden hun activiteiten kunnen ontplooien, zodat nieuwe betaalmiddelen makkelijker een grotere markt bereiken en er in de hele Unie bij het gebruik van deze betalingsdiensten een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gegarandeerd. [...]
[...]
(53) Consumenten en ondernemingen verkeren niet in dezelfde positie en behoeven derhalve niet dezelfde mate van bescherming. Het is belangrijk dat de rechten van consumenten worden gewaarborgd door bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, maar redelijkerwijs moeten ondernemingen en organisaties anderszins overeen kunnen komen wanneer zij niet met consumenten te maken hebben. [...] Sommige kernbepalingen van deze richtlijn moeten evenwel altijd van toepassing zijn, ongeacht de status van de gebruiker.
[...]
(66) Uiteenlopende nationale praktijken in verband met het aanrekenen van kosten voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument („toeslagen”) hebben geleid tot een zeer heterogene betaalmarkt in de Unie en zijn een bron van verwarring voor de consument, met name in het kader van elektronische handel en grensoverschrijdende situaties. [...] Het feit dat verordening (EU) 2015/751 [van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PB 2015, L 123, blz. 1)] voorziet in regels voor afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingen, is bovendien een sterk argument dat pleit voor de herziening van de praktijken met toeslagen. [...] Derhalve moeten de lidstaten overwegen te voorkomen dat begunstigden kosten aanrekenen voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvoor de afwikkelingsvergoedingen zijn geregeld bij hoofdstuk II van verordening (EU) 2015/751.”
4 Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
5. ‚betalingstransactie’: een door of voor rekening van de betaler of door de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;
[...]
8. ‚betaler’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij, bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;
9. ‚begunstigde’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;
10. ‚betalingsdienstgebruiker’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;
[...]
13. ‚betalingsopdracht’: door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;
14. ‚betaalinstrument’: gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen door de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan gebruik wordt gemaakt voor het initiëren van een betalingsopdracht;
[...]
20. ‚consument’: een natuurlijke persoon die, in betalingsdienstovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen, voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepswerkzaamheden handelt;
[...]”
5 In artikel 62 van deze richtlijn, met als opschrift „Toepasselijke kosten”, wordt in de leden 3 tot en met 5 bepaald:
„3. De betalingsdienstaanbieder belet niet dat de begunstigde aan de betaler een vergoeding vraagt, een korting aanbiedt of er anderszins op aanstuurt dat de betaler een bepaald betaalinstrument gebruikt. De eventueel in rekening gebrachte kosten liggen niet hoger dan de directe kosten die de begunstigde zelf voor het gebruik van het specifieke betaalinstrument maakt.
4. De lidstaten zorgen er in ieder geval voor dat de begunstigde geen vergoeding vraagt voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van verordening (EU) 2015/751 vallen, noch voor betalingsdiensten waarop verordening (EU) nr. 260/2012 [van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van verordening (EG) nr. 924/2009 (PB 2012, L 94, blz. 22)] van toepassing is.
5. De lidstaten mogen de begunstigde het recht om een vergoeding te vragen ontzeggen of dit recht beperken, rekening houdend met de noodzaak mededinging aan te moedigen en het gebruik van efficiënte betaalinstrumenten te stimuleren.”
6 Artikel 107 van deze richtlijn, met als opschrift „Volledige harmonisatie”, bepaalt in lid 1:
„Onverminderd [...] artikel 62, lid 5, [...] mogen de lidstaten, voor zover deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, geen andere bepalingen handhaven of invoeren dan die welke in deze richtlijn zijn vervat.”
7 Artikel 115 van richtlijn 2015/2366, met als opschrift „Omzetting”, bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. De lidstaten dienen uiterlijk op 13 januari 2018 de nodige bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. [...]
2. Zij passen die bepalingen toe vanaf 13 januari 2018.
[...]”
Duits recht
8 § 270a van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), in de vanaf 13 januari 2018 geldende versie (hierna: „BGB”), bepaalt:
„Een overeenkomst uit hoofde waarvan de debiteur verplicht is een toeslag te betalen voor gebruikmaking van een SEPA-basisafschrijving [(SEPA: Single Euro Payments Area)], een SEPA-afschrijving voor bedrijven, een SEPA-overboeking of een betaalkaart is ongeldig. De eerste volzin geldt met betrekking tot het gebruik van betaalkaarten enkel voor betalingstransacties met consumenten indien daarop hoofdstuk II van [verordening 2015/751] van toepassing is.”
9 Artikel 229, § 45, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek; hierna: „EGBGB”) bepaalt:
„(1) Op verbintenissen die betrekking hebben op de verrichting van betalingstransacties en die zijn aangegaan op of na 13 januari 2018 zijn enkel het BGB en artikel 248 [van deze wet] in de vanaf 13 januari 2018 geldende versie van toepassing.
(2) Op verbintenissen die betrekking hebben op de verrichting van betalingstransacties en die zijn aangegaan voor 13 januari 2018 zijn het BGB en artikel 248 [van deze wet] in de tot 13 januari 2018 geldende versie van toepassing, tenzij in de leden 3 en 4 anders is bepaald.
(3) Indien bij een verbintenis in de zin van lid 2 de verwerking van een betalingstransactie pas op of na 13 januari 2018 is geïnitieerd, zijn op die betalingstransactie enkel het BGB en artikel 248 [van deze wet] in de vanaf 13 januari 2018 geldende versie van toepassing.
[...]
(5) § 270a BGB is van toepassing op alle verbintenissen die op of na 13 januari 2018 zijn aangegaan.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Vodafone is een kabelnetwerkexploitant en internetprovider die actief is op het Duitse grondgebied. Sinds de omzetting van richtlijn 2015/2366 in Duits recht per 13 januari 2018 maakt Vodafone onderscheid tussen dienstverleningsovereenkomsten voor telecommunicatie- en kabeldiensten die voor die datum zijn gesloten en dienstverleningsovereenkomsten voor telecommunicatie- en kabeldiensten die op of na die datum zijn gesloten. Op de eerste categorie overeenkomsten past deze marktdeelnemer op grond van een algemene contractuele clausule een zogeheten „Selbstzahlerpauschale” (forfaitair tarief voor zelfbetalers) van 2,50 EUR per betalingstransactie toe voor klanten die hem geen machtiging tot automatische afschrijving verlenen maar zelf hun facturen betalen door middel van een SEPA-overboeking. Die clausule komt daarentegen niet meer voor in de overeenkomstige prijslijst voor de tweede categorie overeenkomsten.
11 Vodafone is van mening dat zij gerechtigd is om die clausule toe te passen op betalingstransacties die ter uitvoering van voor 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, en dus om ook na die datum dat forfaitaire tarief voor die transacties te ontvangen. Volgens die marktdeelnemer geldt het in § 270a BGB neergelegde toeslagverbod slechts voor duurovereenkomsten die op of na 13 januari 2018 zijn gesloten. Aangezien artikel 229, § 45, lid 5, EGBGB uitdrukkelijk verwijst naar op of na 13 januari 2018 aangegane verbintenissen, kan § 270a BGB niet met terugwerkende kracht worden toegepast op voor die datum gesloten overeenkomsten, ook niet wanneer de op die overeenkomsten gebaseerde betalingstransacties pas op of na die datum worden geïnitieerd.
12 Het Bundesverband voert aan dat het in § 270a BGB neergelegde verbod om vanaf 13 januari 2018 een toeslag in rekening te brengen ook geldt voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten overeenkomsten, aangezien artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 beoogt om per 13 januari 2018 gelijke voorwaarden op de interne markt van de betalingsdiensten tot stand te brengen. Voorts moet de overgangsbepaling in artikel 229, § 45, EGBGB krachtens lid 3 van die paragraaf aldus worden uitgelegd dat vanaf 13 januari 2018 de nieuwe regeling van toepassing is op alle op of na die datum geïnitieerde betalingstransacties, daaronder begrepen die welke zijn gebaseerd op voor die datum gesloten overeenkomsten.
13 In die omstandigheden heeft het Bundesverband een beroep in rechte ingesteld teneinde Vodafone te verbieden om voor alle op of na 13 januari 2018 geïnitieerde betalingstransacties nog langer het forfaitaire tarief voor zelfbetalers aan te rekenen, welk beroep werd toegewezen.
14 Het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland), waarbij Vodafone hoger beroep heeft ingesteld, is geneigd te oordelen dat § 270a BGB, waarbij artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 in Duits recht is omgezet, ook van toepassing is wanneer de aan de betalingstransacties ten grondslag liggende verbintenis voor 13 januari 2018 is ontstaan, maar die transacties, die op regelmatige – meestal maandelijkse – basis verschuldigd zijn, pas na die datum worden geïnitieerd.
15 Volgens die rechterlijke instantie is met ingang van 13 januari 2018 en ongeacht de datum waarop de duurovereenkomsten zijn gesloten, in de Unie een uniform stelsel van vergoedingen op de markt voor betalingsverkeer ingevoerd, zodat het in die bepaling neergelegde toeslagverbod ook geldt voor duurovereenkomsten die voor 13 januari 2018 zijn gesloten.
16 Het Oberlandesgericht München merkt tevens op dat artikel 229, § 45, lid 5, EGBGB, dat enkel verwijst naar het ontstaan van de verbintenis, terwijl dit niet wordt bestreken door richtlijn 2015/2366, de onverkorte toepassing van het toeslagverbod voor betalingstransacties die op of na 13 januari 2018 zijn geïnitieerd, in twijfel trekt wanneer de aan de betalingstransacties ten grondslag liggende verbintenis voor die datum is ontstaan.
17 In die omstandigheden heeft het Oberlandesgericht München de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Dient artikel 62, lid 4, van [richtlijn 2015/2366] aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk die bij wijze van overgangsregeling met betrekking tot duurovereenkomsten met consumenten het verbod om een vergoeding te vragen voor het gebruik van betaalinstrumenten en betalingsdiensten op grond van de overeenkomstige nationale omzettingsbepaling slechts toepast indien de onderliggende verbintenis op of na 13 januari 2018 is aangegaan en niet wanneer de onderliggende verbintenis voor 13 januari 2018 is aangegaan, maar de verwerking van (verdere) betalingstransacties pas op of na 13 januari 2018 plaatsvindt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan het verbod om in het kader van duurovereenkomsten met consumenten een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten slechts van toepassing is op betalingstransacties die ter uitvoering van na 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, zodat die vergoeding nog steeds wordt gevraagd voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten.
19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 13 oktober 2016, Mikołajczyk, C‑294/15, EU:C:2016:772, punt 26, en 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, C‑16/19, EU:C:2021:64, punt 26).
20 Wat de bewoordingen van artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 betreft, daarin wordt bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat de begunstigde in de zin van artikel 4, punt 9, van die richtlijn, geen vergoeding vraagt voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van verordening 2015/751 vallen, noch voor betalingsdiensten waarop verordening nr. 260/2012 van toepassing is. De bewoordingen van die bepaling bevatten geen nadere informatie over de toepassing van dit verbod in de tijd.
21 In die omstandigheden moet rekening worden gehouden met de context van het verbod om een vergoeding te vragen voor het gebruik van in artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten, alsook met de doelstellingen van die richtlijn.
22 Wat de context van artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat volgens artikel 115, lid 1, en artikel 115, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn de lidstaten weliswaar de nodige bepalingen dienen vast te stellen en bekend te maken om voor 13 januari 2018 aan die richtlijn te voldoen, maar dat die bepalingen pas vanaf die datum van toepassing worden.
23 In de tweede plaats bepaalt artikel 107, lid 1, van richtlijn 2015/2366 dat de lidstaten met ingang van de in artikel 115, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn bedoelde datum, in zoverre artikel 62, lid 4, van die richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, geen andere bepalingen mogen handhaven of vaststellen dan die welke in die richtlijn zijn vervat.
24 In de derde plaats is het verbod om een vergoeding te vragen voor het gebruik van in artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten van toepassing op betalingstransacties in de zin van artikel 4, punt 5, van die richtlijn „ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn”, zodat de relevante datum voor de toepassing van dat verbod de datum is waarop de betalingstransactie wordt geïnitieerd en niet die waarop de onderliggende verbintenis van die transactie ontstaat.
25 Uit een systematische uitlegging van artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 vloeit dus voort dat het verbod om een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten van toepassing is op alle op of na 13 januari 2018 geïnitieerde betalingstransacties.
26 Wat de doelstellingen van richtlijn 2015/2366 betreft, moet worden opgemerkt dat die richtlijn, zoals met name blijkt uit de overwegingen 6 en 53 ervan, de verdere integratie van een interne markt voor betalingsdiensten wil bevorderen en de gebruikers van die diensten wil beschermen en in het bijzonder een hoog beschermingsniveau wil bieden aan diegenen die de hoedanigheid van consument hebben (zie in die zin arrest van 11 november 2020, DenizBank, C‑287/19, EU:C:2020:897, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts bepaalt zowel artikel 169 VWEU als artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat de consument wordt beschermd in het kader van het beleid van de Unie (zie naar analogie arrest van 2 maart 2017, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs Frankfurt am Main, C‑568/15, EU:C:2017:154, punt 28).
27 Bovendien heeft de Uniewetgever, zoals blijkt uit overweging 66 van richtlijn 2015/2366, met het verbod van artikel 62, lid 4, van die richtlijn een einde willen maken aan de fragmentatie van de nationale praktijken in verband met het aanrekenen van kosten voor het gebruik van bepaalde betaalinstrumenten, welke fragmentatie heeft geleid tot een zeer heterogene betaalmarkt in de Unie en een bron van verwarring is voor de consument, met name in het kader van elektronische handel en grensoverschrijdende situaties.
28 Elke gedifferentieerde toepassing van dat verbod naargelang de verbintenissen die ten grondslag liggen aan op of na 13 januari 2018 geïnitieerde betalingstransacties voor of na die datum zijn ontstaan, zou de harmonisatie voor de gehele Unie – welke harmonisatie wordt opgelegd in artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366, gelezen in samenhang met artikel 107, lid 1, van die richtlijn – en het door die richtlijn nagestreefde doel van bescherming van de consument in de interne markt voor betalingsdiensten in gevaar brengen.
29 In deze context moet voorts het door Vodafone in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument worden afgewezen dat het verbod van terugwerkende kracht van de wet en het vertrouwensbeginsel worden geschonden door de aldus in artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 erkende temporele werkingssfeer.
30 In dit verband zij eraan herinnerd dat een nieuwe rechtsregel in beginsel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, maar wel op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties, tenzij blijkens de bewoordingen, de opzet of de doelstelling van die regel terugwerkende kracht aan die regel dient te worden toegekend. Dat is met name het geval wanneer die regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor toepassing ratione temporis ervan vastleggen, door die regel terugwerkende kracht toe te kennen (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Azienda Municipale Ambiente, C‑15/19, EU:C:2020:371, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Aangezien artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366, zoals blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest, niet ziet op voor 13 januari 2018 verrichte betalingstransacties, heeft die bepaling in casu geen betrekking op rechtssituaties die voor die datum definitief zijn verworven en heeft zij dus geen terugwerkende kracht. Met betrekking tot betalingstransacties die op of na 13 januari 2018 worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten, is artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 voorts slechts een geval van toepassing van een nieuwe rechtsregel op de toekomstige gevolgen van een onder het oude recht ontstane situatie.
32 Voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat artikel 229, § 45, lid 5, EGBGB de onverkorte toepassing van het verbod om een toeslag in rekening te brengen voor op of na 13 januari 2018 geïnitieerde betalingstransacties in twijfel trekt wanneer die transacties voortvloeien uit een contractuele verplichting die voor die datum is ontstaan, staat het ten slotte volgens vaste rechtspraak aan die rechter om na te gaan of die bepaling kan worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 – zoals uitgelegd in punt 25 van het onderhavige arrest – teneinde in het kader van de beslechting van het bij hem aanhangige geschil de volle werking van het Unierecht te verzekeren (zie in die zin arrest van 15 oktober 2020, Association française des usagers de banques, C‑778/18, EU:C:2020:831, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan het verbod om in het kader van duurovereenkomsten met consumenten een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten slechts van toepassing is op betalingstransacties die ter uitvoering van na 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, zodat die vergoeding nog steeds wordt gevraagd voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten.
Kosten
34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 62, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan het verbod om in het kader van duurovereenkomsten met consumenten een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten slechts van toepassing is op betalingstransacties die ter uitvoering van na 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, zodat die vergoeding nog steeds wordt gevraagd voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 26 januari 2021, C-16/19, ECLI:EU:C:2021:64
- HvJ EU 11 november 2020, C-287/19, ECLI:EU:C:2020:897
- HvJ EU 15 oktober 2020, C-778/18, ECLI:EU:C:2020:831
- HvJ EU 14 mei 2020, C-15/19, ECLI:EU:C:2020:371
- HvJ EU 2 maart 2017, C-568/15, ECLI:EU:C:2017:154
- HvJ EU 13 oktober 2016, C-294/15, ECLI:EU:C:2016:772