HvJ EU 21 oktober 2021, C-866/19, ECLI:EU:C:2021:865
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
21 oktober 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 52, lid 1, onder b) – Werknemer die in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst heeft uitgeoefend – Naar nationaal recht vereist minimumtijdvak voor de verkrijging van een ouderdomspensioen – Inaanmerkingneming van tijdvakken van premie- of bijdragebetaling vervuld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat – Samentelling – Berekening van het uit te keren bedrag van het ouderdomspensioen”
In zaak C‑866/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 19 september 2019, ingekomen bij het Hof op 27 november 2019, in de procedure
SC
tegen
Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J. Passer, F. Biltgen (rapporteur), L. S. Rossi en N. Wahl, rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie, vertegenwoordigd door J. Piotrowski en S. Żółkiewski, radcowie prawni,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Pavliš en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en M. M. Tátrai als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. Brauhoff als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 april 2021,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SC en de Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie (socialezekerheidsinstantie, bureau I Warschau, Polen; hierna: „pensioeninstantie”) over de vaststelling van het pro-ratabedrag van de pensioenuitkering die deze instantie aan SC moet betalen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), is ingetrokken op 1 mei 2010, de datum waarop verordening nr. 883/2004 in werking is getreden.
Verordening nr. 1408/71
4 Artikel 1, onder r), van verordening nr. 1408/71, definieerde „tijdvakken van verzekering” als „de tijdvakken van premie‑ of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend”.
5 Artikel 45 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Inaanmerkingneming van tijdvakken van verzekering of van wonen, vervuld krachtens de wetgevingen welke op de werknemer of zelfstandige van toepassing zijn geweest, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen”, bepaalde in lid 1: „Indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen krachtens een stelsel dat geen bijzonder stelsel in de zin van lid 2 of lid 3 is, afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt het bevoegde orgaan van deze lidstaat, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wetgeving van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, ongeacht of deze onder een algemeen dan wel onder een bijzonder stelsel, en onder een stelsel voor werknemers dan wel onder een stelsel voor zelfstandigen zijn vervuld. Daartoe houdt het bevoegde orgaan rekening met deze tijdvakken alsof deze krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld.”
6 Artikel 46 van deze verordening, met het opschrift „Vaststelling van uitkeringen”, bepaalde in de leden 1 en 2: „1. Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden is voldaan, zonder dat noch artikel 45 noch artikel 40, lid 3, behoeft te worden toegepast, gelden de volgende regels: a) het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn: i) enerzijds, uitsluitend op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving; ii) anderzijds, op grond van lid 2; [...] 2. Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden eerst is voldaan na toepassing van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, gelden de volgende regels: a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. [...] b) het bevoegde orgaan stelt op basis van het onder a) bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.”
Verordening nr. 883/2004
7 Volgens artikel 1, onder t), van verordening nr. 883/2004 wordt onder „tijdvakken van verzekering” verstaan „de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van werkzaamheden in loondienst of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden, die als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt op grond van de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij door die wetgeving als gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering zijn erkend”.
8 Artikel 6 van verordening nr. 883/2004, met het opschrift „Samentelling van tijdvakken”, treedt in de plaats van artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71. Het luidt als volgt: „Tenzij in deze verordening anders is bepaald, houdt het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving: – het verkrijgen, het behoud, de duur of het herstel van het recht op prestaties, [...] afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.”
9 Titel III van verordening nr. 883/2004 bevat een hoofdstuk 5, „Ouderdoms- en nabestaandenpensioenen”. In dat hoofdstuk staat artikel 52, dat als opschrift „Toekenning van uitkeringen” heeft. Artikel 52, lid 1, van die verordening, dat inhoudelijk de bepalingen van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 heeft overgenomen, bepaalt het volgende: „Het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering: a) krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving alleen als uitsluitend op grond van de nationale wetgeving is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op een uitkering (autonoom pensioen); b) door eerst een theoretisch bedrag en vervolgens het werkelijke bedrag (uitkering pro rata) als volgt te berekenen: i) het theoretische bedrag van de uitkering is gelijk aan de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke krachtens de wetgevingen van de andere lidstaten vervuld zijn, zouden zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving die het orgaan op de datum van vaststelling van de uitkering toepast. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het theoretische bedrag; ii) vervolgens stelt het bevoegde orgaan het werkelijke bedrag van de pro-rata-uitkering vast door op het theoretische bedrag het verhoudingsgetal van de duur van de tijdvakken van verzekering en/of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, en van de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgevingen van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.”
Pools recht
10 Volgens artikel 5, lid 1, punt 2, van de ustawa o emeryturach i rentach z Funduszu Ubezpieczeń Społecznych (wet betreffende ouderdomspensioenen en andere pensioenen van het socialezekerheidsfonds) van 17 december 1998, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2018, volgnr. 1270), worden bij de vaststelling van het recht op het ouderdomspensioen en de berekening van het bedrag daarvan de tijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling slechts in aanmerking genomen tot een derde van het aantal geregistreerde tijdvakken met premie- of bijdragebetaling.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11 Bij besluit van 24 februari 2014 heeft de pensioeninstantie verzoeker in het hoofdgeding met ingang van 5 november 2013 een ouderdomspensioen toegekend.
12 De pensioeninstantie heeft voor het vaststellen van het recht op ouderdomspensioen de verschillende verzekeringstijdvakken van verzoeker in het hoofdgeding in aanmerking genomen. Deze instantie heeft eerst de totale duur van de overeenkomstig de Poolse wetgeving vervulde tijdvakken van premie- of bijdragebetaling vastgesteld en vervolgens de overeenkomstig die wetgeving vervulde tijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in aanmerking genomen tot een derde van de tijdvakken met premie- of bijdragebetaling. Ten slotte zijn, voor zover de verzekerde op grond van enkel de overeenkomstig de Poolse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken niet kon aantonen de vereiste minimumverzekeringsduur te hebben bereikt om aanspraak te kunnen maken op een ouderdomspensioen, de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat – in casu Nederland – vervulde verzekeringstijdvakken toegevoegd aan de overeenkomstig de Poolse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.
13 Na vaststelling van de verzekeringsduur heeft de pensioeninstantie overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 op dezelfde wijze het theoretische uitkeringsbedrag berekend, door de tijdvakken met nationale premie- of bijdragebetaling en die zonder nationale premie- of bijdragebetaling, tot een derde van die eerste tijdvakken, op te tellen, en aan het geheel de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken toe te voegen. Het werkelijke uitkeringsbedrag is pro rata berekend op basis van de overeenkomstig de Poolse wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering met en zonder premie- of bijdragebetaling, die laatste tot een derde van de nationale tijdvakken van verzekering met premie- of bijdragebetaling, in verhouding tot de totale duur van de verzekeringstijdvakken die overeenkomstig de Poolse wetgeving en overeenkomstig dat van een andere lidstaat waren vervuld.
14 Verzoeker in het hoofdgeding heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de pensioeninstantie van 24 februari 2014. Volgens hem moesten de verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling die overeenkomstig de Poolse wetgeving waren vervuld in grotere mate in aanmerking worden genomen bij de berekening van het bedrag van het ouderdomspensioen. De pensioeninstantie had namelijk ten onrechte geen rekening gehouden met de redenering van het Hof in het arrest van 3 maart 2011, Tomaszewska (C‑440/09, EU:C:2011:114; hierna: „arrest Tomaszewska”), volgens hetwelk bij de vaststelling van het benodigde aantal tijdvakken om aanspraak te maken op een ouderdomspensioen, voor het bepalen van het maximumaandeel van verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling rekening moet worden gehouden met alle tijdvakken van verzekering die de migrerende werknemer tijdens zijn beroepsleven heeft vervuld, inclusief die in andere lidstaten.
15 Van oordeel dat de berekeningsmethode van de pensioeninstantie correct was, heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) dit beroep bij vonnis van 19 november 2015 verworpen.
16 Verzoeker in het hoofdgeding heeft hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), die dat vonnis en het besluit van de pensioeninstantie van 24 februari 2014 bij arrest van 9 augustus 2017 heeft gewijzigd. De rechter in tweede aanleg heeft toegelicht dat de uitlegging in het arrest Tomaszewska betreffende de toepassing van artikel 45 van verordening nr. 1408/71 niet alleen geldt voor de vaststelling van de vereiste duur voor het verkrijgen van een ouderdomspensioen, maar ook voor de berekening van het uit te keren bedrag.
17 De pensioeninstantie heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen). Ter ondersteuning van haar beroep voert zij ten eerste aan dat het arrest Tomaszewska betrekking had op de uitlegging van artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat overeenkomt met artikel 6 van verordening nr. 883/2004 en niet op de uitlegging van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat overeenkomt met artikel 52, lid 1, van verordening nr. 883/2004, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling. Ten tweede kan dit arrest slechts worden toegepast op feitelijke situaties die analoog zijn aan die van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest. Ten derde heeft de uitlegging van artikel 45 van verordening nr. 1408/71 volgens het arrest Tomaszewska in casu tot gevolg dat de tijdvakken van verzekering zonder premie- of bijdragebetaling die overeenkomstig de Poolse wetgeving zijn vervuld, in grotere mate in aanmerking worden genomen dan het Poolse recht bepaalt. Dit leidt tot een verhoging van de relatieve bijdrage uit hoofde van het Poolse stelsel van sociale verzekeringen in de aan de verzekerde verschuldigde uitkering. Ten vierde blijkt uit punt 2 van besluit nr. H6 van de Administratieve Commissie voor coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 16 december 2010 betreffende de toepassing van bepaalde beginselen inzake de samentelling van tijdvakken ingevolge artikel 6 van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2011, C 45, blz. 5), dat door andere lidstaten gecommuniceerde tijdvakken van verzekering door de ontvangende lidstaat worden meegeteld zonder dat de waarde van die tijdvakken in twijfel wordt getrokken, zodat de Poolse socialeverzekeringsinstantie niet gedwongen kan worden meer rekening te houden met de nationale tijdvakken van verzekering dan het nationale recht bepaalt.
18 Volgens de verwijzende rechter kan artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 op drie verschillende wijzen worden uitgelegd.
19 De eerste mogelijke uitlegging is die van de Sąd Apelacyjny w Warszawie. Deze rechter baseert zich op de uitlegging van artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 volgens het arrest Tomaszewska, dat het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat voor de vaststelling van het maximumaandeel van verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in verhouding tot de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling rekening moet houden met alle vervulde tijdvakken van verzekering, inclusief die in andere lidstaten. Deze juridische fictie geldt niet alleen voor de verwerving van het recht op een uitkering maar ook voor de berekening van het theoretische én het werkelijke bedrag van die uitkering.
20 De tweede uitlegging komt erop neer dat het arrest Tomaszewska slechts deels van invloed is op de uitlegging van artikel 52 van verordening nr. 883/2004, in de zin dat alleen lid 1, onder b), i), van dat artikel uitdrukkelijk bepaalt dat het theoretische bedrag moet worden berekend aan de hand van de juridische fictie dat de verzekerde alle tijdvakken van verzekering heeft vervuld in de lidstaat waar de uitkering wordt aangevraagd, inclusief de tijdvakken die in andere lidstaten zijn vervuld. Bij de berekening van het werkelijke bedrag zoals bedoeld in lid 1, onder b), ii), van dat artikel wordt die fictie daarentegen niet meer stelselmatig toegepast.
21 Volgens de derde uitlegging is het arrest Tomaszewska uitsluitend van toepassing op de verwerving van het recht op een ouderdomspensioen en niet op de berekening van het bedrag daarvan.
22 Daarop heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 52, lid 1, onder b), van verordening [nr. 883/2004] aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan: a) zowel bij de vaststelling van het theoretische bedrag [punt i)] als bij de vaststelling van het werkelijke bedrag [punt ii)] van de uitkering overeenkomstig het nationale recht tijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in aanmerking neemt tot een maximum van een derde van de som van de krachtens zowel het nationale recht als de wetgeving van andere lidstaten vervulde tijdvakken met premie- of bijdragebetaling, of b) alleen bij de vaststelling van het theoretische bedrag [punt i)], maar niet bij de vaststelling van het werkelijke bedrag [punt ii)] van de uitkering overeenkomstig het nationale recht tijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in aanmerking neemt tot een maximum van een derde van de som van de krachtens zowel het nationale recht als de wetgeving van andere lidstaten vervulde tijdvakken met premie- of bijdragebetaling, of c) noch bij de vaststelling van het theoretische bedrag [punt i)], noch bij de vaststelling van het werkelijke bedrag [punt ii)] van de uitkering, voor de berekening, volgens nationaal recht, van het maximumaantal tijdvakken zonder premie- of ‑bijdragebetaling rekening houdt met de in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat voor de vaststelling van het maximumaandeel van de verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in verhouding tot de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat, zowel bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt i) van die bepaling als bij de berekening van het werkelijke bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt ii) ervan, rekening moet houden met alle verzekeringstijdvakken, ook de tijdvakken die zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten.
24 Vooraf moet worden opgemerkt dat, hoewel verordening nr. 1408/71 met ingang van 1 mei 2010 is vervangen door verordening nr. 883/2004, de bepalingen van de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 1408/71 in wezen zijn overgenomen in de artikelen 6 respectievelijk 52 van verordening nr. 883/2004. De rechtspraak van het Hof betreffende die bepalingen in verordening nr. 1408/71 blijft derhalve, zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volledig relevant voor de uitlegging van de betreffende bepalingen van verordening nr. 883/2004.
25 Er zij op gewezen dat noch de bepalingen van verordening nr. 1408/71 noch die van verordening nr. 883/2004 een algemeen socialezekerheidsstelsel regelen maar uitsluitend de coördinatie beogen tussen de verschillende nationale stelsels, die blijven voortbestaan. Volgens vaste rechtspraak blijven de lidstaten derhalve bevoegd om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten (zie in die zin met name arresten van 21 februari 2013, Salgado González, C‑282/11, EU:C:2013:86, punt 35, en 7 december 2017, Zaniewicz-Dybeck, C‑189/16, EU:C:2017:946, punt 38).
26 Aangezien de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004 niet de voorwaarden bepalen waaronder de tijdvakken van werkzaamheden in loondienst of van verzekering worden samengesteld, worden deze voorwaarden uitsluitend vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat onder toepassing waarvan de betrokken tijdvakken zijn vervuld. Dit blijkt uit zowel artikel 1, onder r), van verordening nr. 1408/71 als artikel 1, onder t), van verordening nr. 883/2004 (zie arrest van 20 januari 2005, Salgado Alonso, C‑306/03, EU:C:2005:44, punt 30).
27 Hoewel de wetgeving van elke lidstaat in het bijzonder de voorwaarden vaststelt waaronder het recht op een uitkering bestaat, moeten de lidstaten niettemin het Unierecht in acht nemen, en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie in die zin met name arresten van 21 februari 2013, Salgado González, C‑282/11, EU:C:2013:86, punten 36 en 37, en 23 januari 2020, Bundesagentur für Arbeit, C‑29/19, EU:C:2020:36, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Om die inachtneming te waarborgen bepaalt artikel 45 van verordening nr. 1408/71, dat inhoudelijk is overgenomen in artikel 6 van verordening nr. 883/2004, dat wanneer de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herkrijgen van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, het bevoegde orgaan van die lidstaat rekening moet houden met de krachtens de wetgeving van elke lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld. Met andere woorden, de volgens de wetgeving van verschillende lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering moeten worden samengeteld (arrest van 7 december 2017, Zaniewicz-Dybeck, C‑189/16, EU:C:2017:946, punt 41).
29 Zo geeft artikel 45 van verordening nr. 1408/71, net als artikel 6 van verordening nr. 883/2004, toepassing aan de in artikel 48 VWEU vervatte regel dat de tijdvakken van verzekering, wonen of arbeid moeten worden samengeteld. Het gaat om een van de basisbeginselen van de coördinatie, op het niveau van de Unie, van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, die beoogt te waarborgen dat de uitoefening van het recht op vrij verkeer niet tot gevolg heeft dat een werknemer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid verliest waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij zijn volledige loopbaan in één enkele lidstaat had volbracht. Een dergelijk gevolg zou een werknemer van de Unie er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en daarmee een belemmering van deze vrijheid opleveren (zie in die zin arrest Tomaszewska, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Bijgevolg, wanneer een nationale wetgeving voor de vaststelling van de minimumverzekeringsduur die is vereist voor een aanspraak op het ouderdomspensioen een maximum bepaalt van de verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in verhouding tot de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling, moet het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat voor de vaststelling van de tijdvakken van verzekering met premie- of bijdragebetaling alle verzekeringstijdvakken die de migrerende werknemer tijdens zijn beroepsleven heeft vervuld meetellen, met inbegrip van de overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten vervulde verzekeringstijdvakken (zie in die zin arrest Tomaszewska, punten 37 en 39).
31 Daarbij moet worden verduidelijkt dat deze samentellingsregel geldt in alle situaties waarin voor verkrijging van het recht op een ouderdomspensioen rekening moet worden gehouden met de overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten vervulde tijdvakken. De toepassing van die regel kan dus niet worden beperkt tot de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Tomaszewska, waarin de drempelwaarde niet wordt bereikt bij een eerste berekening, waarbij de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling die overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, eenvoudigweg worden opgeteld bij de verzekeringstijdvakken met en zonder premie- of bijdragebetaling die zijn vervuld op grond van nationale bepalingen, zonder dat die buitenlandse tijdvakken meetellen voor die drempelwaarde.
32 Het hoofdgeding betreft evenwel niet de verkrijging van pensioenrechten – waarvoor de regels zijn vastgesteld in artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat is vervangen door artikel 6 van verordening nr. 883/2004 –, maar de berekening van het bedrag van een ouderdomspensioen.
33 Wat dat betreft zij erop gewezen dat artikel 48, eerste alinea, onder a), VWEU bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers de nodige maatregelen moeten vaststellen voor het samentellen van alle tijdvakken van verzekering die volgens de verschillende nationale wetgevingen zijn vervuld, niet alleen voor het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen maar ook voor de berekening daarvan.
34 Uit de bewoordingen van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004, dat de berekeningsregels van met name artikel 46 van verordening nr. 1408/71 inhoudelijk heeft overgenomen (zie in die zin arrest Tomaszewska, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak), volgt dat het bedrag van het ouderdomspensioen in twee fasen wordt berekend, in die zin dat eerst een theoretische berekening plaatsvindt, en vervolgens een berekening van een werkelijk bedrag.
35 In de eerste fase zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, moet het bevoegde orgaan het theoretische bedrag berekenen van de uitkering waarop de verzekerde aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen die hij krachtens de wetgevingen van de andere lidstaten heeft vervuld, zouden zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving die het orgaan toepast [zie voor wat betreft artikel 46, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, arresten van 26 juni 1980, Menzies, 793/79, EU:C:1980:172, punt 9, en 7 december 2017, Zaniewicz-Dybeck, C‑189/16, EU:C:2017:946, punt 42].
36 Volgens deze bepaling moet het theoretische bedrag van de uitkering dus worden berekend alsof de verzekerde uitsluitend in de betrokken lidstaat werkzaam was geweest (zie in die zin arresten van 26 juni 1980, Menzies, 793/79, EU:C:1980:172, punt 10; 21 juli 2005, Koschitzki, C‑30/04, EU:C:2005:492, punt 27, en 21 februari 2013, Salgado González, C‑282/11, EU:C:2013:86, punt 41).
37 Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, betekent dit in casu dat, voor het berekenen van het theoretische bedrag van de uitkering, de overeenkomstig de Nederlandse wetgeving vervulde tijdvakken van premie- of bijdragebetaling tezamen met de overeenkomstig de Poolse wetgeving vervulde tijdvakken van premie- of bijdragebetaling in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het overeenkomstig de Poolse wetgeving geldende maximum van een derde van de tijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling ten opzichte van de tijdvakken met premie- of bijdragebetaling. Met andere woorden, de overeenkomstig de wetgeving van de verschillende lidstaten vervulde verzekeringstijdvakken worden voor de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering samengeteld.
38 Deze uitlegging van artikel 52, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 sluit aan op de doelstelling van deze bepaling, aangezien de berekening op grond daarvan, net als de berekening op grond van artikel 46, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, dient om de werknemer het theoretische maximumbedrag te verzekeren waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij al zijn verzekeringstijdvakken overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat had vervuld (arresten van 26 juni 1980, Menzies, 793/79, EU:C:1980:172, punt 11, en 21 juli 2005, Koschitzki, C‑30/04, EU:C:2005:492, punt 28).
39 Bovendien volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het maximaliseren van de relevante elementen voor de berekening van het theoretische bedrag de vaste rechtspraak volgens welke artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, waarvoor artikel 52, lid 1, van verordening nr. 883/2004 in de plaats is getreden, uitgelegd moet worden in het licht van de doelstelling, neergelegd in artikel 48 VWEU, dat moet worden bijgedragen aan de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers, in het bijzonder door de tijdvakken van verzekering, wonen of arbeid samen te tellen. Dit impliceert dat migrerende werknemers geen rechten op socialezekerheidsuitkeringen mogen verliezen of daarop gekort worden vanwege het feit dat zij hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend (zie in die zin arresten van 9 augustus 1994, Reichling, C‑406/93, EU:C:1994:320, punten 21 en 24; 17 december 1998, Lustig, C‑244/97, EU:C:1998:619, punten 30 en 31, en 21 februari 2013, Salgado González, C‑282/11, EU:C:2013:86, punt 43).
40 In de tweede fase zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b), ii), van verordening nr. 883/2004 stelt het bevoegde orgaan het werkelijke uitkeringsbedrag vast op basis van het theoretische bedrag naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering en/of wonen overeenkomstig de wetgeving die het toepast, tot de totale duur van de in alle betrokken lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering en/of wonen [zie voor wat betreft artikel 46, lid 2, onder b), van verordening nr. 1408/71, arresten van 26 juni 1980, Menzies, 793/79, EU:C:1980:172, punt 9, en 7 december 2017, Zaniewicz-Dybeck, C‑189/16, EU:C:2017:946, punt 42].
41 Artikel 52, lid 1, onder b), ii), van verordening nr. 883/2004 beoogt dus enkel de lasten van de respectieve uitkeringen tussen de instellingen van de betrokken lidstaten te verdelen naar rato van de duur van de verzekeringstijdvakken die overeenkomstig de wetgeving van elk van die lidstaten zijn vervuld. Het is gerechtvaardigd om voor de berekening van het werkelijke bedrag het pro‑ratabeginsel en niet dat van samentelling toe te passen, omdat er geen gezamenlijk socialezekerheidsstelsel bestaat. Terwijl werknemers die hun recht op vrij verkeer uitoefenen niet benadeeld moeten worden, dient ook de financiële integriteit van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te worden bewaard. Zou bij de berekening pro rata acht worden geslagen op een tijdvak dat niet overeenkomt met een tijdvak van verzekering of zelfs werkelijk verblijf in de betrokken lidstaat, dan zou daarmee het evenwicht tussen de uitkeringslasten van de lidstaten eenzijdig en kunstmatig worden verstoord op een wijze die met het door dit artikel ingestelde mechanisme niet te verenigen valt [zie in die zin betreffende artikel 46, lid 2, onder b), van verordening nr. 1408/71, arrest van 26 juni 1980, Menzies, 793/79, EU:C:1980:172, punt 11].
42 Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 55 en 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is volgens het beginsel van pro-rataberekening elk bevoegd orgaan slechts gehouden tot betaling van het deel van de uitkering dat zich verhoudt tot de vervulde relevante tijdvakken overeenkomstig de wetgeving die het toepast. Het werkelijke bedrag van de te betalen uitkering is dus het deel van het theoretische bedrag dat overeenkomt met het totaal van de tijdvakken van verzekering of wonen die daadwerkelijk zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat.
43 Derhalve moet het werkelijke bedrag van de uitkering worden berekend met inaanmerkingneming van alle tijdvakken van premie- of bijdragebetaling of de tijdvakken die de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving daarmee gelijkstelt (zie in die zin arrest van 3 oktober 2002, Barreira Pérez, C‑347/00, EU:C:2002:560, punt 39), met uitsluiting van de buiten de betrokken lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken.
44 In casu moet het werkelijke bedrag dus overeenkomstig de Poolse wetgeving worden berekend, met inaanmerkingneming van de overeenkomstig die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling en verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling – tot een derde van de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling zoals die wetgeving bepaalt – waarvan echter de in een andere lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken worden uitgesloten.
45 Gelet op het voorgaande moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling van het maximumaandeel van de verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in verhouding tot de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling overeenkomstig de nationale wetgeving, het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt i) van die bepaling rekening moet houden met alle verzekeringstijdvakken, ook de tijdvakken die zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten, terwijl voor de berekening van het werkelijke bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt ii) van die bepaling uitsluitend rekening wordt gehouden met de verzekeringstijdvakken die overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat zijn vervuld.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van het maximumaandeel van de verzekeringstijdvakken zonder premie- of bijdragebetaling in verhouding tot de verzekeringstijdvakken met premie- of bijdragebetaling overeenkomstig de nationale wetgeving, het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt i) van die bepaling rekening moet houden met alle verzekeringstijdvakken, ook de tijdvakken die zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten, terwijl voor de berekening van het werkelijke bedrag van de uitkering zoals bedoeld in punt ii) van die bepaling uitsluitend rekening wordt gehouden met de verzekeringstijdvakken die overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat zijn vervuld.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 23 januari 2020, C-29/19, ECLI:EU:C:2020:36
- HvJ EU 7 december 2017, C-189/16, ECLI:EU:C:2017:946
- HvJ EU 21 februari 2013, C-282/11, ECLI:EU:C:2013:86
- HvJ EU 3 maart 2011, C-440/09, ECLI:EU:C:2011:114
- HvJ EU 21 juli 2005, C-30/04, ECLI:EU:C:2005:492
- HvJ EU 20 januari 2005, C-306/03, ECLI:EU:C:2005:44
- HvJ EU 3 oktober 2002, C-347/00, ECLI:EU:C:2002:560
- HvJ EU 17 december 1998, C-244/97, ECLI:EU:C:1998:619
- HvJ EU 9 augustus 1994, C-406/93, ECLI:EU:C:1994:320
- HvJ EU 26 juni 1980, 793/79, ECLI:EU:C:1980:172