HvJ EU 2 september 2021, C-22/20, ECLI:EU:C:2021:669
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
2 september 2021 ( *1 )
„Niet-nakoming – Richtlijn 91/271/EEG – Artikelen 4, 5, 10 en 15 – Behandeling van stedelijk afvalwater – Secundaire of gelijkwaardige behandeling van stedelijk afvalwater van agglomeraties van bepaalde omvang – Verdergaande behandeling van lozingen in kwetsbare gebieden – Artikel 4, lid 3, VEU – Controle van de door de lidstaten verstrekte gegevens – Verplichting tot loyale samenwerking”
In zaak C‑22/20,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 17 januari 2020,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Manhaeve, C. Hermes, K. Simonsson en E. Ljung Rasmussen als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door O. Simonsson, R. Shahsavan Eriksson, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, H. Shev en H. Eklinder als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin (rapporteur) en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 maart 2021,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat: – het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU niet is nagekomen door de Commissie niet de nodige informatie te verstrekken om na te gaan of de beweringen kloppen dat het door de zuiveringsinstallaties van de agglomeraties Habo en Töreboda geloosde stedelijk afvalwater voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB 1991, L 135, blz. 40), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PB 2008, L 311, blz. 1) (hierna: „richtlijn 91/271”); – het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen door er niet voor te zorgen dat het stedelijk afvalwater van de agglomeraties Lycksele, Malå, Mockfjärd, Pajala, Robertsfors en Tänndalen vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde vereisten; – het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen door er niet voor te zorgen dat het stedelijk afvalwater van de agglomeraties Borås, Skoghall, Habo en Töreboda vóór lozing aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde behandeling en voldoet aan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 1 van richtlijn 91/271 luidt: „Deze richtlijn betreft het opvangen, de behandeling en de lozing van stedelijk afvalwater alsmede de behandeling en de lozing van afvalwater van bepaalde bedrijfstakken. Deze richtlijn heeft ten doel het milieu te beschermen tegen de nadelige gevolgen van lozingen van bovengenoemde soorten afvalwater.”
3 In artikel 4 van deze richtlijn staat te lezen: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing als volgt aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen: – lozingen van agglomeraties met meer dan 15000 [inwonerequivalenten (i.e.)] uiterlijk op 31 december 2000; – lozingen van agglomeraties met 10000 tot 15000 i.e. uiterlijk op 31 december 2005; – lozingen van agglomeraties met 2000 tot 10000 i.e. in zoet water en estuaria uiterlijk op 31 december 2005. [...] 2. Lozingen van stedelijk afvalwater in wateren die gelegen zijn in hoge bergstreken (meer dan 1500 m boven zeeniveau) waar een doeltreffende biologische behandeling wegens de lage temperaturen moeilijk uitvoerbaar is, kunnen aan een minder vergaande behandeling worden onderworpen dan in lid 1 wordt voorgeschreven, mits uit grondig onderzoek is gebleken dat dergelijke lozingen geen nadelige invloed op het milieu hebben. 3. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties als bedoeld in de leden 1 en 2 dienen te voldoen aan de toepasselijke eisen van afdeling B van bijlage I. De Commissie kan deze eisen wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. 4. De belasting, uitgedrukt in i.e. wordt berekend op basis van de maximale gemiddelde wekelijkse belasting van de zuiveringsinstallatie in de loop van het jaar, afgezien van ongebruikelijke situaties, bijvoorbeeld als gevolg van zware regenval.”
4 Artikel 5 van richtlijn 91/271 bepaalt: „1. De lidstaten wijzen voor de toepassing van lid 2 volgens de in bijlage II genoemde criteria uiterlijk op 31 december 1993 kwetsbare gebieden aan. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing in kwetsbare gebieden uiterlijk op 31 december 1998 voor alle lozingen van agglomeraties met meer dan 10000 i.e. aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 bedoelde behandeling. 3. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties als bedoeld in lid 2 dienen te voldoen aan de toepasselijke eisen van afdeling B van bijlage I. De Commissie kan deze eisen wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. 4. Bij wijze van alternatief behoeven de eisen voor afzonderlijke installaties genoemd in de leden 2 en 3 niet te worden toegepast in kwetsbare gebieden, indien kan worden aangetoond dat het minimumpercentage van de vermindering van de totale vracht voor alle stedelijke waterzuiveringsinstallaties in dat gebied ten minste 75 % voor totaal fosfor en ten minste 75 % voor totaal stikstof bedraagt. 5. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties die in de relevante afwateringsgebieden van kwetsbare gebieden gelegen zijn en een bijdrage leveren tot de verontreiniging van die gebieden zijn onderworpen aan de bepalingen van de leden 2, 3 en 4. In gevallen waarin bovengenoemde afwateringsgebieden geheel of gedeeltelijk in een andere lidstaat gelegen zijn, is artikel 9 van toepassing. 6. De lidstaten zorgen ervoor dat de lijst van kwetsbare gebieden met tussenpozen van niet meer dan vier jaar wordt bijgewerkt. 7. De lidstaten zorgen ervoor dat na de bijwerking, bedoeld in lid 6, als kwetsbaar aangewezen gebieden binnen zeven jaar aan de bovengenoemde eisen voldoen. 8. Een lidstaat behoeft geen kwetsbare gebieden in de zin van deze richtlijn aan te wijzen, indien hij op zijn gehele grondgebied de in de leden 2, 3 en 4 omschreven behandeling toepast.”
5 Artikel 10 van diezelfde richtlijn luidt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de ter naleving van de eisen van de artikelen 4 tot en met 7 gebouwde stedelijke waterzuiveringsinstallaties zodanig worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat zij onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden op bevredigende wijze kunnen blijven functioneren. Bij het ontwerpen van de installaties dient met seizoenschommelingen in de belasting rekening te worden gehouden.”
6 Artikel 15 van richtlijn 91/271 bepaalt: „1. De bevoegde autoriteiten of instanties controleren: – de lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties op naleving van de eisen van bijlage I.B, overeenkomstig de controleprocedures van bijlage I.D; – de hoeveelheid en de samenstelling van slib dat naar oppervlaktewateren wordt afgevoerd. 2. De bevoegde autoriteiten of instanties controleren wateren waarin lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties en rechtstreekse lozingen in de zin van artikel 13 plaatsvinden wanneer mag worden verwacht dat het ontvangende milieu significant zal worden beïnvloed. 3. In geval van lozing overeenkomstig artikel 6 en in geval van afvoer van slib naar oppervlaktewateren verrichten de lidstaten controles en eventuele andere toepasselijke studies om zich ervan te vergewissen dat de lozing of afvoer geen nadelige invloed op het milieu heeft. 4. De door de bevoegde autoriteiten of instanties bij de tenuitvoerlegging van de leden 1, 2 en 3 verzamelde gegevens worden in de lidstaat bewaard en binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek daartoe ter beschikking van de Commissie gesteld. 5. De Commissie kan volgens de regelgevingsprocedure van artikel 18, lid 2, richtsnoeren voor de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde controles opstellen.”
7 In bijlage I, afdeling B, bij die richtlijn staat te lezen: „Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties in ontvangende wateren 1. Waterzuiveringsinstallaties moeten zodanig worden ontworpen of aangepast dat representatieve monsters kunnen worden verkregen van het inkomende afvalwater en van het behandelde effluent voordat dit in de ontvangende wateren wordt geloosd. 2. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 moeten worden behandeld, moeten voldoen aan de eisen van tabel 1. 3. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties in kwetsbare gebieden die onderhevig zijn aan eutrofiëring als vermeld in bijlage II.A, onder a), moeten bovendien voldoen aan de eisen van tabel 2. 4. Strengere eisen dan aangegeven in de tabellen 1 en/of 2 moeten indien nodig worden toegepast om ervoor te zorgen dat de ontvangende wateren voldoen aan alle andere toepasselijke richtlijnen. 5. De plaatsen voor de lozing van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het effect op de ontvangende wateren zo gering mogelijk is.”
8 Bijlage I, afdeling D, bij die richtlijn luidt: „Referentiemethoden voor controle en beoordeling van de resultaten 1. De lidstaten zorgen ervoor dat er een controlemethode wordt toegepast die ten minste in overeenstemming is met het niveau van de hierna aangegeven eisen. Andere dan de in de punten 2, 3 en 4 vermelde methoden mogen worden gebruikt, mits kan worden aangetoond dat gelijkwaardige resultaten worden verkregen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle relevante informatie omtrent de toegepaste methode. Indien de Commissie van oordeel is dat niet wordt voldaan aan de eisen van de punten 2, 3 en 4, dient zij een passend voorstel bij de Raad in. 2. Met het debiet evenredige of op tijdsduur gebaseerde 24-uur-monsters moeten genomen worden op dezelfde, welbepaalde plaats in de afvoer en zo nodig in de inlaat van de zuiveringsinstallatie om te controleren of het geloosde afvalwater voldoet aan de eisen van deze richtlijn. Er worden goede internationale laboratoriumpraktijken toegepast, die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van de monsters tussen de monsterneming en de analyse. 3. Het minimumaantal monsters per jaar wordt vastgesteld naargelang van de grootte van de zuiveringsinstallatie en wordt gedurende het jaar met geregelde tussenpozen genomen: – 2 000 tot 9 999 i.e.: 12 monsters gedurende het eerste jaar. 4 monsters in de daaropvolgende jaren indien kan worden aangetoond dat het water in het eerste jaar aan de richtlijn voldoet; indien één van de vier monsters niet aan de eisen voldoet, moeten twaalf monsters in het daaropvolgende jaar worden genomen; – 10 000 tot 49 999 i.e.: 12 monsters; – 50 000 i.e. of meer: 24 monsters. 4. Het gezuiverde afvalwater wordt geacht te voldoen aan de eisen betreffende de relevante parameters indien voor iedere relevante parameter afzonderlijk uit monsters van het water blijkt dat het als volgt voldoet aan de relevante parameterwaarde: a) voor de in tabel 1 en artikel 2, punt 7, vermelde parameters is in tabel 3 een maximaal toegestaan aantal monsters aangegeven dat niet voldoet aan de in concentratie en/of verminderingspercentage uitgedrukte eisen van tabel 1 en artikel 2, punt 7; b) voor de parameters van tabel 1 uitgedrukt in concentratie mogen de monsters die niet aan de eisen voldoen onder normale bedrijfsomstandigheden niet meer dan 100 % afwijken van de parameterwaarden. Voor de parameterwaarden in concentratie betreffende het totaal van gesuspendeerde stoffen mogen afwijkingen tot 150 % worden aanvaard; c) voor de in tabel 2 aangegeven parameters moet het jaargemiddelde van de monsters voor elke parameter voldoen aan de relevante parameterwaarden. 5. Extreme waarden voor de betrokken waterkwaliteit worden buiten beschouwing gelaten indien zij het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties, zoals zware regenval.”
9 In de tabellen 1 tot en met 3 van bijlage I bij richtlijn 91/271 staat te lezen: „Tabel 1: Eisen voor lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de richtlijn. Toegepast wordt de concentratiewaarde of het verminderingspercentage. Parameters Concentratie Minimum-percentage van vermindering (1) Referentie-meetmethode Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C) zonder nitrificatie (2) 25 mg/l O2 70–90 40 overeenkomstig artikel 4, lid 2 Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster Bepaling van opgeloste zuurstof vóór en na een incubatie van vijf dagen bij 20 °C ± 1 °C, in volledige duisternis Toevoeging van een nitrificatieremmer Chemisch zuurstofverbruik (CZV) 125 mg/l O2 75 Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster Kaliumdichromaat Totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen 35 mg/l (3) 35 overeenkomstig artikel 4, lid 2 (meer dan 10 000 i.e.) 60 overeenkomstig artikel 4, lid 2 (2 000 tot 10 000 i.e.) 90 (3) 90 overeenkomstig artikel 4, lid 2 (meer dan 10 000 i.e.) 70 overeenkomstig artikel 4, lid 2 (2 000 tot 10 000 i.e.) — Filtering van een representatief monster door een 0,45 μm-filtermembraan Drogen bij 105 °C en wegen — Centrifugeren van een representatief monster (ten minste 5 minuten, met gemiddelde versnelling van 2 800 tot 3 200 g), drogen bij 105 °C en wegen (1) Vermindering ten opzichte van de vracht van het influent. (2) Deze parameter kan door een andere worden vervangen: totaal organische koolstof (TOK) of totaal zuurstofverbruik (TZV) indien er een verband kan worden gelegd tussen BZV5 en de vervangende parameter. (3) Deze eis is facultatief. De analyses betreffende lozingen uit bezinkvijvers worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van het totaal aan gesuspendeerde stoffen in de ongefilterde watermonsters mag echter niet meer bedragen dan 150 mg/l. Tabel 2: Eisen voor lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties in kwetsbare gebieden die onderhevig zijn aan eutrofiëring, zoals vermeld in bijlage II, deel A, onder a). Afhankelijk van de lokale situatie kan worden gekozen voor toepassing van één of beide parameters. De concentratie of het verminderingspercentage moet worden toegepast. Parameters Concentratie Minimaal percentage voor vermindering (1) Referentiemeetmethode Fosfor totaal 2 mg/l (10 000 tot 100 000 i.e.) 80 Moleculaire absorptiespectrofotometrie 1 mg/l (meer dan 100 000 i.e.) Stikstof totaal (2) 15 mg/l (10 000 tot 100 000 i.e.) (3) 70–80 Moleculaire absorptiespectrofotometrie 10 mg/l (meer dan 100 000 i.e.) (3) (1) Vermindering ten opzichte van de vracht van het influent. (2) Stikstof totaal: de som van de totale hoeveelheid Kjeldahl-stikstof (organische en ammoniakale stikstof), nitraat-stikstof en nitriet-stikstof. (3) Overeenkomstig bijlage I, deel D, punt 4, punt c), gaat het bij deze concentraties om jaargemiddelden. Om aan te tonen dat aan de eisen voor stikstof wordt voldaan, mogen echter ook daggemiddelden worden gebruikt wanneer overeenkomstig bijlage I, deel D, punt 1, wordt aangetoond dat daarbij hetzelfde beschermingsniveau wordt verkregen. In dat geval mag het daggemiddelde niet hoger zijn dan 20 mg stikstof totaal/l voor alle monsters, wanneer de temperatuur van het effluent in de biologische reactor 12 °C of hoger is. In plaats van de voorwaarde betreffende de temperatuur kan een beperkte werkingstijd worden toegepast, rekening houdend met de in het gebied heersende klimaatomstandigheden. Tabel 3 Aantal gedurende een jaar genomen monsters Maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet 4‑7 1 8‑16 2 17‑28 3 29‑40 4 41‑53 5 54‑67 6 68‑81 7 82‑95 8 96‑110 9 111‑125 10 126‑140 11 141‑155 12 156‑171 13 172‑187 14 188‑203 15 204‑219 16 220‑235 17 236‑251 18 252‑268 19 269‑284 20 285‑300 21 301‑317 22 318‑334 23 335‑350 24 351‑365 25”
Precontentieuze procedure
10 Op 29 januari 2010 heeft de Commissie het Koninkrijk Zweden een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij deze lidstaat vragen heeft gesteld over de conformiteit van zijn systeem voor de behandeling van stedelijk afvalwater met richtlijn 91/271.
11 Meer bepaald was de Commissie om te beginnen van mening dat deze lidstaat had nagelaten ervoor te zorgen dat het afvalwater van 13 agglomeraties, overeenkomstig de vereisten van artikel 4, leden 1 en 3, van richtlijn 91/271, aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen. Daarnaast was die instelling van oordeel dat die lidstaat had nagelaten ervoor te zorgen dat het afvalwater van drie agglomeraties, overeenkomstig de vereisten van artikel 5, leden 2 en 3, van die richtlijn, aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde behandeling.
12 Het Koninkrijk Zweden heeft bij brieven van 1 april en 4 november 2010 op die aanmaning geantwoord.
13 Aangezien de Commissie de door het Koninkrijk Zweden verstrekte toelichtingen niet bevredigend achtte, heeft zij besloten om deze lidstaat op 25 september 2015 een aanvullende aanmaningsbrief te sturen, waarin zij elf bijkomende agglomeraties aanwees die niet beschikten over een systeem voor secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces, en 26 bijkomende agglomeraties waarvoor deze lidstaat had nagelaten te zorgen voor een verdergaande behandeling in de zin van artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 91/271. Voorts heeft de Commissie het Koninkrijk Zweden verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de situatie van twee agglomeraties ten aanzien waarvan die instelling van mening was dat deze lidstaat zijn verplichtingen krachtens artikel 4, leden 1 en 3, van richtlijn 91/271 niet was nagekomen.
14 Op 25 november 2015 heeft het Koninkrijk Zweden op de aanvullende aanmaningsbrief geantwoord.
15 Naar aanleiding van de ontvangst van het overeenkomstig artikel 15 van richtlijn 91/271 opgestelde verslag dat het Koninkrijk Zweden in 2016 had bezorgd, heeft de Commissie vastgesteld dat een nog groter aantal agglomeraties van deze lidstaat niet voldeed aan de vereisten van die richtlijn.
16 Op 28 april 2017 heeft de Commissie het Koninkrijk Zweden een tweede aanvullende aanmaningsbrief gestuurd, waarin die instelling om te beginnen heeft gepreciseerd dat artikel 15 van richtlijn 91/271 een aanvullende rechtsgrondslag vormde voor de vaststelling dat die lidstaat zijn verplichtingen krachtens deze richtlijn niet was nagekomen, en waarin zij voorts naar aanleiding van het jaarverslag bijkomende agglomeraties heeft aangewezen die niet voldeden aan de vereisten van richtlijn 91/271.
17 Het Koninkrijk Zweden heeft bij brieven van 28 juni 2017 en 6 november 2018 op de tweede aanvullende aanmaningsbrief geantwoord. Voorts is het niet-nakomingsdossier besproken tijdens vergaderingen tussen de Commissie en de Zweedse autoriteiten in 2017 en 2018.
18 Op 8 november 2018 heeft de Commissie het Koninkrijk Zweden een met redenen omkleed advies gestuurd waarin zij deze lidstaat heeft verweten met betrekking tot twaalf agglomeraties artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 te hebben geschonden en met betrekking tot negen agglomeraties artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van die richtlijn te hebben geschonden. Omdat de installaties van een van die agglomeraties aan geen van beide artikelen voldeden, ging het in totaal om 20 agglomeraties. Bovendien heeft de Commissie vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden eveneens artikel 4, lid 3, VEU had geschonden met betrekking tot vier agglomeraties ten aanzien waarvan deze lidstaat had aangevoerd dat er natuurlijke retentie plaatsvond, zonder evenwel de informatie te verstrekken die de beweringen in zijn antwoord op de tweede aanvullende aanmaningsbrief staafde.
19 Het Koninkrijk Zweden heeft bij brieven van 11 en 21 januari 2019 op dat met redenen omkleed advies geantwoord.
20 Omdat de Commissie geen genoegen nam met die antwoorden, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
21 Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie in essentie drie grieven aan: ten eerste, schending van artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271, ten tweede, schending van artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271, en, ten derde, schending van artikel 4, lid 3, VEU.
Eerste grief: niet-nakoming van de krachtens artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 op het Koninkrijk Zweden rustende verplichtingen
Argumenten van partijen
22 De Commissie is om te beginnen van mening dat artikel 4 van richtlijn 91/271 wordt geschonden wanneer artikel 15 van deze richtlijn – dat bepaalt hoeveel en met welke tussenpozen monsters moeten worden genomen – niet wordt nageleefd, aangezien het niet mogelijk is om te controleren of aan de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271 is voldaan wanneer artikel 15 van deze richtlijn niet is nageleefd. Daarnaast is de Commissie van oordeel dat artikel 4 juncto artikel 15 van richtlijn 91/271 moet worden nageleefd om aan de in artikel 10 van deze richtlijn neergelegde vereisten inzake het ontwerp, de bouw, de exploitatie en het onderhoud van de zuiveringsinstallaties te kunnen voldoen.
23 Ten eerste voert de Commissie aan dat de uitzondering waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 voorziet enkel van toepassing is wanneer is voldaan aan vier cumulatieve voorwaarden, die in het kader van de onderhavige zaak niet zijn onderzocht. Volgens die instelling is een agglomeratie enkel vrijgesteld van de secundaire behandeling van afvalwater indien i) het gaat om stedelijk afvalwater dat wordt geloosd in hoge bergstreken, die worden gedefinieerd als streken die meer dan 1500 m boven zeeniveau gelegen zijn, ii) een doeltreffende biologische behandeling moeilijk uitvoerbaar is, iii) een doeltreffende biologische behandeling wegens de lage temperaturen moeilijk uitvoerbaar is, en iv) uit grondig onderzoek is gebleken dat de lozingen geen nadelige invloed op het milieu hebben.
24 Ten tweede voert de Commissie aan dat uit artikel 4, lid 3, van richtlijn 91/271 blijkt dat lozingen van stedelijk afvalwater van agglomeraties met een belasting die hoger is dan 2000 i.e. dienen te voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in bijlage I, afdeling B, bij deze richtlijn. In afdeling B, punt 2, van deze bijlage wordt verwezen naar de vereisten die zijn vastgelegd in tabel 1 van die bijlage, waaruit blijkt dat de maximaal toegestane concentratie voor biochemisch zuurstofverbruik (hierna: „BZV5”) 25 mg/l bedraagt en dat het toegestane minimumpercentage van vermindering voor BZV5 70 tot 90 % bedraagt, of 40 % indien de uitzondering waarin artikel 4, lid 2, van die richtlijn voorziet van toepassing is. Die instelling voert aan dat de maximaal toegestane concentratie voor chemisch zuurstofverbruik (hierna: „CZV”) 125 mg/l bedraagt en het minimumpercentage van vermindering voor CZV 75 % bedraagt. Volgens de Commissie kan zowel voor de ene als voor de andere met de betreffende waarde verband houdende parameter worden gekozen, zodat aan elk vereiste kan worden voldaan door de grenswaarde van ofwel de maximumconcentratie ofwel het minimumpercentage van vermindering in acht te nemen.
25 Wat ten derde de vereisten inzake controle betreft, die deel uitmaken van artikel 15, lid 1, van richtlijn 91/271, gelezen in samenhang met bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn, stelt de Commissie dat uit bijlage I, afdeling D, punt 3, tweede streepje, bij deze richtlijn blijkt dat gedurende het jaar met geregelde tussenpozen een minimumaantal van 12 monsters bij een belasting van 10000 tot 49999 i.e. en van 24 monsters bij een belasting van 50000 i.e. of meer moet worden genomen. Bij een belasting van 2000 tot 9999 i.e. moeten gedurende het eerste jaar 12 monsters worden genomen. Daarna kan worden volstaan met 4 monsters per jaar indien aan de vereisten van richtlijn 91/271 wordt voldaan.
26 Ten vierde herinnert de Commissie eraan dat volgens bijlage I, afdeling D, punt 4, bij richtlijn 91/271 het gezuiverde afvalwater wordt geacht aan de vereisten met betrekking tot de parameters in tabel 1 van die bijlage te voldoen, indien het aantal monsters dat niet aan de vereisten voldoet, overeenkomstig tabel 3 van die bijlage, één op 4-7, twee op 8-16, drie op 17-28, vier op 29-40 en vijf op 41-53 monsters bedraagt. Voorts mogen de monsters wat BZV5 en CZV betreft, uitgedrukt in concentratie, niet meer dan 100 % afwijken van de grenswaarden.
27 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Zweden op de vastgestelde datum waarop het zich diende te voegen naar het met redenen omkleed advies, te weten 9 januari 2019, artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 schond met betrekking tot zes agglomeraties, namelijk Lycksele, Malå, Mockfjärd, Pajala, Robertsfors en Tänndalen.
28 Wat in de eerste plaats de agglomeratie Lycksele betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 14000 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Zweden in zijn antwoord op het met redenen omkleed advies heeft erkend dat die agglomeratie noch voor BZV5 noch voor CZV heeft voldaan aan de vereisten, maar te kennen heeft gegeven eind 2020 aan die vereisten te zullen voldoen. De Commissie voert aan dat er tussen 7 november 2017 en 6 november 2018 24 monsters zijn genomen in de zuiveringsinstallatie van Lycksele, dat de BZV5-concentratie in alle monsters hoger was dan de grenswaarde van 25 mg/l en dat de CZV-concentratie in 10 monsters hoger was dan de grenswaarde van 125 mg/l, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 4 bedraagt.
29 Wat in de tweede plaats de agglomeratie Malå betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 5000 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat die agglomeratie noch voor BZV5 noch voor CZV heeft voldaan aan de vereisten met betrekking tot de maximale concentratiewaarden. De Commissie stelt dat er tussen 9 november 2017 en 7 november 2018 25 monsters zijn genomen om de CZV-concentratie in het geloosde water te controleren en dat die concentratie in 4 monsters hoger was dan de grenswaarde van 125 mg/l, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 3 bedraagt. Daarnaast stelt zij dat er tussen 9 november 2017 en 7 november 2018 13 monsters zijn genomen teneinde het verminderingspercentage voor CZV te controleren en dat daaruit is gebleken dat die vermindering lager was dan het minimumpercentage van vermindering, In drie gevallen bedroeg dat percentage namelijk 70 %, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 2 bedraagt.
30 Wat de BZV5-concentratie betreft, betoogt de Commissie dat er in dat verband 25 metingen zijn uitgevoerd en dat de maximumconcentratie van 25 mg/l in 19 monsters is overschreden, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet drie bedraagt. Zij voegt daaraan toe dat 7 monsters meer dan 100 % afweken van de grenswaarde. De Commissie bestrijdt in dit verband het argument van het Koninkrijk Zweden dat voormelde agglomeratie onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 valt, aangezien die agglomeratie niet ten minste 1500 meter boven zeeniveau gelegen is.
31 Wat in de derde plaats de agglomeratie Mockfjärd betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 3000 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat er tussen 11 januari en 27 december 2018 19 monsters zijn genomen teneinde de BZV5-concentratie in het geloosde water te controleren en 17 monsters met betrekking tot de CZV-concentratie. Tussen 17 mei en 17 oktober 2018 is er evenwel geen enkel monster genomen. Aangezien bijlage I, afdeling D, punt 3, bij richtlijn 91/271 vereist dat de monsters gedurende het jaar met geregelde tussenpozen worden genomen, is de Commissie van mening dat wanneer over een periode van vijf maanden geen dergelijke bemonstering is verricht, noch aan de vereisten inzake de controle, noch aan de vereisten met betrekking tot de maximale BZV5- en CZV-concentraties in de betreffende lozingen is voldaan.
32 Wat in de vierde plaats de agglomeratie Pajala betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 2400 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat er tussen 16 november 2017 en 1 november 2018 29 monsters zijn genomen. De CZV-concentratie was in 11 monsters hoger dan 125 mg/l terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 4 bedraagt.
33 Met betrekking tot de BZV5-concentratie merkt de Commissie op dat 20 monsters de maximumconcentratie van 25 mg/l overschreden, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 4 bedraagt. Daarnaast weken 9 monsters meer dan 100 % af van de grenswaarde. Voorts voegt die instelling daaraan toe dat er 25 metingen zijn verricht met betrekking tot de BZV5-vermindering in het geloosde water en dat 12 monsters een resultaat opleverden dat lager was dan het minimumpercentage van vermindering van 70 % terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet drie bedraagt. De Commissie bestrijdt in dit verband het argument van het Koninkrijk Zweden dat voormelde agglomeratie onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 valt, aangezien die agglomeratie niet ten minste 1500 meter boven zeeniveau gelegen is.
34 Wat in de vijfde plaats de agglomeratie Robertsfors betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 2800 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat die agglomeratie in 2018 met een aantal problemen is geconfronteerd, maar dat zij sinds 23 oktober 2018 voldeed aan de vereisten van richtlijn 91/271. De Commissie stelt dat uit voormeld antwoord naar voren komt dat er tussen 20 december 2017 en 12 december 2018 30 monsters zijn genomen teneinde de parameters met betrekking tot BZV5 te controleren. In 2018 zijn er 21 monsters genomen. De BZV5-vermindering was in zeven gevallen lager dan de grenswaarde van 70 %, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 3 bedraagt. Daarnaast overschreed de BZV5-concentratie in 20 gevallen de grenswaarde van 25 mg/l terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 4 bedraagt en bovendien werd de grenswaarde in acht gevallen met meer dan 100 % overschreden. De Commissie bestrijdt in dit verband het argument van het Koninkrijk Zweden dat voormelde agglomeratie onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 valt, aangezien die agglomeratie niet ten minste 1500 meter boven zeeniveau gelegen is.
35 Wat in de zesde plaats de agglomeratie Tänndalen betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 6000 i.e. heeft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat er tussen 3 januari en 12 december 2018 35 monsters zijn genomen teneinde de parameters met betrekking tot BZV5 te controleren, maar dat al die monsters betrekking hadden op de BZV5-concentratie in effluenten, zodat er geen informatie over het verminderingspercentage beschikbaar is. De Commissie voegt daaraan toe dat de BZV5-concentratie in 6 monsters de grenswaarde van 25 mg/l overschreed, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 4 bedraagt en 1 monster de maximumconcentratie met meer dan 100 % overschreed.
36 Volgens de Commissie worden de beweringen van het Koninkrijk Zweden in een brief van 20 december 2018 van de gemeente Härjedalen, waarvan de agglomeratie Tänndalen deel uitmaakt, tegengesproken, aangezien uit die brief blijkt dat uit de controle voor 2018 naar voren komt dat voor BZV5 het vereiste op het gebied van de lozing niet kan worden nageleefd.
37 Het Koninkrijk Zweden stelt dat het standpunt van de Commissie dat artikel 4 van richtlijn 91/271 is geschonden zodra artikel 15 van deze richtlijn niet wordt nageleefd, niet kan worden aanvaard aangezien in bijlage I, afdelingen B en D, bij richtlijn 91/271 enkel beknopte aanwijzingen betreffende de bouw van zuiveringsinstallaties en bemonstering zijn neergelegd, en geen specifieke criteria.
38 Evenzo voert het Koninkrijk Zweden aan dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat één enkel monster dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, volstaat om aan te tonen dat de betrokken lidstaat de uit artikel 4 van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen is nagekomen. Het argument van de Commissie dat een lidstaat dient aan te tonen dat gedurende een periode van twaalf maanden monsters zijn genomen die aan de vereisten voldoen, om te kunnen vaststellen dat aan de in artikel 4 juncto artikel 15 van richtlijn 91/271 neergelegde vereisten op het gebied van lozingen is voldaan, kan niet worden aanvaard.
39 Het Koninkrijk Zweden betoogt dat een dergelijke uitlegging zou beletten dat de precontentieuze procedure haar doelstelling bereikt, aangezien de Commissie aan de betrokken lidstaat met name een termijn verleent, normaal gesproken van twee maanden, om zich naar het met redenen omkleed advies te voegen. Indien de lidstaat dient aan te tonen dat gedurende een periode van twaalf maanden monsters zijn genomen die aan de vereisten voldoen, kan hij echter onmogelijk aan een dergelijk verzoek voldoen.
40 Het Koninkrijk Zweden is van mening dat de Commissie artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 onjuist opvat, aangezien de genoemde uitzondering volgens die instelling enkel van toepassing is op streken die meer dan 1500 meter boven zeeniveau gelegen zijn. Volgens deze lidstaat zijn lage temperaturen waardoor een doeltreffende behandeling moeilijk uitvoerbaar wordt, de beslissende factor op basis waarvan de toepassing van de in voormelde bepaling bedoelde uitzondering kan worden toegestaan, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bewoordingen van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271.
41 Wat in de eerste plaats de agglomeratie Lycksele betreft, betwist het Koninkrijk Zweden weliswaar niet dat de geconstateerde waarden met betrekking tot de BZV5- en de CZV-concentratie in de zuiveringsinstallatie van deze agglomeratie niet voldoen aan de vereisten van richtlijn 91/271, maar preciseert het dat er werkzaamheden worden verricht om die situatie te verhelpen en dat het de bedoeling is dat uiterlijk eind 2020 of begin 2021 aan de vereisten van deze richtlijn wordt voldaan.
42 Wat in de tweede plaats de agglomeratie Malå betreft, betwist het Koninkrijk Zweden niet dat deze agglomeratie niet voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271 wat de in deze richtlijn vastgestelde CZV-concentratiewaarden betreft. Daarentegen is het van mening dat die agglomeratie, wegens de lage temperaturen aldaar, wat de BZV5-concentratiewaarden betreft in aanmerking moet komen voor de uitzondering waarin artikel 4, lid 2, van die richtlijn voorziet. Hoe dan ook was het de bedoeling dat de zuiveringsinstallatie van Malå uiterlijk in het voorjaar van 2021 aan de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271 zou voldoen.
43 Wat in de derde plaats de agglomeratie Mockfjärd betreft, betoogt het Koninkrijk Zweden dat uit de resultaten met betrekking tot de tussen 11 januari en 27 december 2018 verrichte controle van de BZV5-concentratie en de tussen 19 december 2017 en 6 december 2018 verrichte controle van de CZV-concentratie blijkt dat die agglomeratie voldeed aan de vereisten van richtlijn 91/271. Deze lidstaat voert ten eerste aan dat, wat BZV5 betreft, 3 van de 19 monsters een concentratie vertoonden die hoger was dan 25 mg/l O2, wat overeenkomt met het toegestane aantal monsters dat niet voldoet. Wat ten tweede de vereisten op het gebied van de CZV-concentratie betreft, voldeden, op één na, alle monsters aan de vereisten, aangezien de vastgestelde concentratie lager was dan 125 mg/l O2.
44 Voorts zijn er tussen 17 mei en 17 oktober 2018 geen monsters genomen wegens werkzaamheden in de zuiveringsinstallatie. Volgens het Koninkrijk Zweden moesten er in die agglomeratie in 2018 slechts 4 monsters worden genomen om aan de vereisten van richtlijn 91/271 te voldoen, aangezien de resultaten van de controle, op basis van de monsters die waren genomen in 2017, hadden aangetoond dat de zuiveringsinstallatie voor zowel BZV5 als CZV voldeed aan de vereisten van deze richtlijn.
45 Wat in de vierde plaats de agglomeratie Pajala betreft, betwist het Koninkrijk Zweden niet dat de zuiveringsinstallatie van deze agglomeratie wat de toegestane CZV-waarden betreft niet voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271, maar wijst het erop dat die zuiveringsinstallatie wat BZV5 betreft wel aan de vereisten voldoet. In dit verband is het van mening dat wegens de lage temperaturen en gelet op het feit dat uit de bestaande documentatie naar voren komt dat de lozingen van de zuiveringsinstallatie van Pajala betrekkelijk gering zijn en geen nadelige invloed op het milieu hebben, de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 van toepassing zou moeten zijn. Hoe dan ook zal in die agglomeratie een nieuwe zuiveringsinstallatie worden gebouwd en is het de bedoeling dat in de lente of in de zomer van 2022 zal worden voldaan aan de vereisten van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn op het gebied van lozingen.
46 Wat in de vijfde plaats de agglomeratie Robertsfors betreft, is het Koninkrijk Zweden van mening dat deze agglomeratie voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271 inzake de maximale BZV5-concentratiewaarden, aangezien de uitzondering van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op die agglomeratie van toepassing is. Bovendien zijn er in 2018 verschillende incidenten op het gebied van de werking van de zuiveringsinstallatie van Robertsfors geweest, die zijn verholpen. Uit de resultaten die tussen 20 december 2017 en 12 december 2018 zijn verzameld, blijkt volgens die lidstaat dat die zuiveringsinstallatie sinds 23 oktober 2018 wat de BZV5-concentratie betreft aan de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271 voldoet, aangezien alle 6 monsters die na die datum zijn genomen voor die concentratie een verminderingspercentage vertonen dat hoger is dan 70.
47 Wat in de zesde en laatste plaats de agglomeratie Tänndalen betreft, stelt het Koninkrijk Zweden dat de lozingen van de zuiveringsinstallatie van Tänndalen in de periode tussen 3 januari en 12 december 2018 tot en met 18 april 2018 de maximale BZV5-concentratiewaarden hebben overschreden. Sinds 16 mei 2018 zou echter uit alle genomen monsters zijn gebleken dat de waarden van het geloosde afvalwater beneden de voor de concentratie vastgestelde maximumdrempel van 25 mg/l O2 lagen. Het Koninkrijk Zweden is van mening dat die agglomeratie aan de vereisten van richtlijn 91/271 voldoet, aangezien alle monsters die tussen 16 mei 2018 en 15 mei 2019 zijn genomen waarden vertonen die lager zijn dan de toegestane maximumconcentratie van 25 mg/l O2.
Beoordeling door het Hof
– Opmerkingen vooraf
48 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 4 van richtlijn 91/271 ervoor zorgen dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen. Daarbij komt dat zij krachtens artikel 5, leden 2 en 3, van deze richtlijn ervoor zorgen dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt, vóór lozing in kwetsbare gebieden aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde behandeling. In beide gevallen moeten de lozingen voldoen aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij die richtlijn.
49 In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat de uit artikel 4 van richtlijn 91/271 voortvloeiende verplichtingen moeten worden geacht te zijn nagekomen wanneer een lidstaat een monster kan tonen dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, aangezien dit artikel niet de verplichting inhoudt om gedurende een heel jaar monsters te nemen, wat wel het geval is in bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn. Er is geen reden om aan te nemen dat dit anders is wat betreft de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 5 van richtlijn 91/271, dat evenmin verwijst naar de bepalingen van bijlage I, afdeling D, bij richtlijn 91/271 (arrest van 10 maart 2016, Commissie/Spanje, C‑38/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:156, punt 24).
50 In de derde plaats moet een onderscheid worden gemaakt tussen de resultaatverplichtingen die krachtens de artikelen 4 en 5 van richtlijn 91/271 op de lidstaten rusten om te controleren of de lozingen van stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties voldoen aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij deze richtlijn, en de voortdurende verplichting waartoe zij krachtens artikel 15 van die richtlijn gehouden zijn teneinde te waarborgen dat die lozingen in de loop der jaren voldoen aan de vanaf de inwerkingstelling van de zuiveringsinstallatie gestelde kwaliteitseisen (arrest van 10 maart 2016, Commissie/Spanje, C‑38/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:156, punt 25).
51 Hieruit volgt dat artikel 15 van richtlijn 91/271 een autonome strekking en een andere doelstelling heeft dan de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn. Derhalve impliceert niet-nakoming van de uit artikel 15 van die richtlijn voortvloeiende controleverplichtingen in voorkomend geval niet automatisch dat de vereisten van voornoemde artikelen 4 en 5 niet zijn nageleefd.
52 Met de stelling van de Commissie dat de artikelen 4 of 5 van richtlijn 91/271 worden geschonden wanneer artikel 15 van deze richtlijn niet wordt nageleefd, kan bijgevolg niet worden ingestemd.
53 Wat voorts de uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 betreft, is de werkingssfeer van deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie heeft opgemerkt, ontegenzeggelijk beperkt tot duidelijk omschreven hoge bergstreken die meer dan 1500 m boven zeeniveau gelegen zijn. De door het Koninkrijk Zweden aan voornoemde bepaling gegeven uitlegging, zoals die in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, zou dan ook leiden tot een uitlegging contra legem van deze bepaling, zodat die uitlegging niet kan worden aanvaard (zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, Entoma, C‑526/19, EU:C:2020:769, punt 43).
54 Derhalve moet het argument van het Koninkrijk Zweden met betrekking tot de toepassing van de uitzondering waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 voorziet, worden afgewezen.
55 In het licht van deze vaststellingen moet worden beoordeeld of er sprake is van niet-nakoming wat betreft de agglomeraties waarop het onderhavige beroep betrekking heeft.
– Agglomeraties Malå, Pajala en Lycksele
56 Wat de agglomeraties Malå, Pajala en Lycksele betreft, dient te worden opgemerkt dat partijen het erover eens zijn dat de CZV-concentratiewaarden hoger zijn dan volgens artikel 4, lid 3, en bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271 is toegestaan. Wat de laatste agglomeratie betreft, zijn partijen het er ook over eens dat de BZV5-concentratie hoger is dan de volgens voormelde bepalingen toegestane concentratie.
57 Ter rechtvaardiging van de verweten niet-nakoming heeft het Koninkrijk Zweden om te beginnen voor de agglomeratie Lycksele aangevoerd dat eind 2020 aan de vereisten met betrekking tot de CZV- en BZV5- concentraties zou zijn voldaan. Wat daarnaast de BZV5-concentratie in de agglomeraties Malå en Pajala betreft, betwist het Koninkrijk Zweden niet dat de BZV5-concentraties de volgens artikel 4, lid 3, en bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271 toegestane concentraties overschrijden, maar heeft het zich beroepen op de uitzondering van artikel 4, lid 2, van die richtlijn.
58 In dit verband moet ten eerste in herinnering worden gebracht dat het bestaan van niet-nakoming moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof geen rekening kan houden met daarna opgetreden wijzigingen [arrest van 5 maart 2020, Commissie/Cyprus (Opvang en zuivering van stedelijk afvalwater), C‑248/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:171, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 In aanmerking genomen dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn 8 januari 2019 was, kan in casu geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat in voorkomend geval na die datum aan de vereisten van richtlijn 91/271 is voldaan.
60 Ten tweede en zoals blijkt uit de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest kan deze lidstaat zich niet met succes beroepen op de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271, zodat moet worden vastgesteld dat de in artikel 4 van richtlijn 91/271 genoemde verplichtingen niet zijn nagekomen.
61 Wat voorts de in artikel 10 van richtlijn 91/271 neergelegde verplichting betreft dat de zuiveringsinstallaties zodanig moeten worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat zij onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden op bevredigende wijze kunnen blijven functioneren, zij opgemerkt dat de nakoming van deze verplichting met name onderstelt dat aan de vereisten van artikel 4 van die richtlijn is voldaan [arrest van 5 maart 2020, Commissie/Cyprus (Opvang en zuivering van stedelijk afvalwater), C‑248/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:171, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
62 Die verplichting kan dan ook niet worden geacht te zijn vervuld in agglomeraties waar de in artikel 4 van richtlijn 91/271 neergelegde verplichting om al het stedelijk afvalwater aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces te onderwerpen, niet wordt nagekomen [arrest van 5 maart 2020, Commissie/Cyprus (Opvang en zuivering van stedelijk afvalwater), C‑248/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:171, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
63 Derhalve dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4 juncto artikel 10 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen door er niet voor te zorgen dat het afvalwater van de agglomeraties Lycksele, Malå en Pajala vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen.
– Agglomeratie Mockfjärd
64 Wat de agglomeratie Mockfjärd betreft, dient te worden opgemerkt dat de Commissie van mening is dat het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen bij gebreke van enige bemonstering overeenkomstig bijlage I, afdeling D, punt 3, bij richtlijn 91/271 tussen 16 mei en 18 oktober 2018.
65 Enerzijds betwist de Commissie wat de BZV5-concentratie betreft niet dat slechts 3 van de 19 tussen 11 januari en 27 december 2018 genomen monsters een concentratie vertoonden die hoger was dan de door richtlijn 91/271 toegestane concentratie. Anderzijds bestrijdt de Commissie wat de CZV-concentratie betreft evenmin dat alle tussen 19 december 2017 en 6 december 2018 genomen monsters, met uitzondering van één, voldeden aan de vereisten van tabel 3 van bijlage I bij richtlijn 91/271, waarin te lezen staat dat wanneer gedurende een jaar 17 tot en met 28 monsters worden genomen, het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 3 bedraagt.
66 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Commissie wenst aan te tonen dat artikel 4 van deze richtlijn niet is nagekomen enkel omdat niet met geregelde tussenpozen, overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage I, afdeling D, punt 3, monsters zijn genomen.
67 De stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 4 van deze richtlijn wordt geschonden, is in punt 51 van dit arrest echter van de hand gewezen.
68 Zoals blijkt uit punt 49 van dit arrest komt daarbij dat de uit artikel 4 van richtlijn 91/271 voortvloeiende verplichtingen moeten worden geacht te zijn nagekomen wanneer een lidstaat een monster kan tonen dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, aangezien dit artikel niet de verplichting inhoudt om gedurende een heel jaar monsters te nemen, wat wel het geval is in bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn.
69 Het beroep van de Commissie moet dan ook worden verworpen wat de agglomeratie Mockfjärd betreft.
– Agglomeratie Robertsfors
70 Wat de agglomeratie Robertsfors betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Koninkrijk Zweden niet betwist dat er in 2018 verschillende incidenten op het gebied van de werking van de zuiveringsinstallatie van deze agglomeratie zijn geweest die zijn verholpen. Daarnaast betwist de Commissie niet dat de 6 monsters die sinds 23 oktober 2018 zijn genomen om de BZV5-concentratie te controleren, alle een vermindering van ten minste 70 % vertoonden, hetgeen in overeenstemming was met de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271.
71 Allereerst dient, zoals blijkt uit de punten 53 en 54 van dit arrest, het argument van het Koninkrijk Zweden met betrekking tot de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/271 te worden afgewezen.
72 Daarnaast is de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 4 van deze richtlijn wordt geschonden, in punt 51 van dit arrest van de hand gewezen.
73 Daarbij komt dat artikel 4 van richtlijn 91/271, zoals blijkt uit de punten 48 tot en met 52 van dit arrest, niet naar bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn verwijst, zodat de uit artikel 4 van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen moeten worden geacht te zijn nagekomen wanneer het Koninkrijk Zweden voor de periode waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, een monster kan tonen dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij die richtlijn.
74 In casu betwisten partijen niet dat de 6 monsters die sinds 23 oktober 2018 zijn genomen om de BZV5-concentratie te controleren, alle voldeden aan de vereisten van richtlijn 91/271.
75 Het beroep van de Commissie moet dan ook worden verworpen wat de agglomeratie Robertsfors betreft.
– Agglomeratie Tänndalen
76 Wat de agglomeratie Tänndalen betreft, is tussen partijen niet in geschil dat er tussen 3 januari en 12 december 2018 35 monsters zijn genomen om de BZV5-concentratie te controleren, en dat 6 van deze monsters de door richtlijn 91/271 toegestane concentratie overschreden, zodat de zuiveringsinstallatie van deze agglomeratie tot en met 18 april 2018 niet aan de vereisten van deze richtlijn voldeed.
77 Het Koninkrijk Zweden voert aan dat uit alle tussen 16 mei 2018 en 15 mei 2019 genomen monsters is gebleken dat de waarden van het geloosde afvalwater beneden de met betrekking tot de concentratie vastgestelde maximumdrempel lagen.
78 In dit verband kan – zoals in de punten 58 en 59 van dit arrest in herinnering is gebracht –, in aanmerking genomen dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn 8 januari 2019 was, geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat in voorkomend geval na die datum aan de vereisten van richtlijn 91/271 is voldaan.
79 Evenwel zij om te beginnen opgemerkt dat de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 4 van deze richtlijn wordt geschonden, in punt 51 van dit arrest van de hand is gewezen.
80 Daarbij komt dat artikel 4 van richtlijn 91/271, zoals blijkt uit de punten 48 tot en met 52 van dit arrest, niet naar bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn verwijst, zodat de krachtens artikel 4 van deze richtlijn op het Koninkrijk Zweden rustende verplichtingen moeten worden geacht te zijn nagekomen wanneer deze lidstaat voor de periode waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, een monster kan tonen dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij die richtlijn.
81 In casu voldeden alle tussen 16 mei 2018 en 8 januari 2019 genomen monsters aan de vereisten van richtlijn 91/271.
82 Het beroep van de Commissie moet dan ook worden verworpen wat de agglomeratie Tänndalen betreft.
Tweede grief: niet-nakoming van de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 op het Koninkrijk Zweden rustende verplichtingen
Argumenten van partijen
83 De Commissie is om te beginnen van mening dat artikel 5 van richtlijn 91/271 wordt geschonden wanneer artikel 15 van deze richtlijn niet wordt nageleefd – dat bepaalt hoeveel en met welke tussenpozen monsters moeten worden genomen – aangezien het niet mogelijk is om te controleren of aan de vereisten van artikel 5 van richtlijn 91/271 is voldaan wanneer artikel 15 van deze richtlijn niet is nageleefd. Daarnaast is de Commissie van oordeel dat de naleving van artikel 5 juncto artikel 15 van richtlijn 91/271 een voorwaarde is om te kunnen aannemen dat is voldaan aan de in artikel 10 van deze richtlijn neergelegde vereisten inzake het ontwerp, de bouw, de exploitatie en het onderhoud van de zuiveringsinstallaties.
84 De Commissie voert aan dat uit artikel 5, lid 2, van richtlijn 91/271 blijkt dat lozingen van stedelijk afvalwater van agglomeraties met meer dan 10000 i.e. aan een behandeling moeten worden onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde behandeling. Uit artikel 5, lid 3, van die richtlijn volgt dat dergelijke lozingen dienen te voldoen aan de toepasselijke vereisten van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, waarin naar de tabellen 1 en 2 van deze bijlage wordt verwezen.
85 De Commissie herinnert eraan dat de twee criteria, die afwisselend worden toegepast, betrekking hebben op de stikstof in het afvalwater, namelijk ofwel op de maximaal toegelaten concentratie stikstof van 15 mg/l voor agglomeraties met 10000 tot 100000 i.e. en van 10 mg/l voor agglomeraties met meer dan 100000 i.e., ofwel op het minimumpercentage van vermindering voor stikstof van 70 tot 80 %. Voorts voert de Commissie aan dat bijlage I, afdeling D, punt 4, onder a), bij richtlijn 91/271 bepaalt dat het gezuiverde afvalwater wat stikstof betreft wordt geacht te voldoen aan de vereisten van tabel 2 van die bijlage indien het jaargemiddelde van de monsters de toepasselijke grenswaarde niet overschrijdt.
86 De Commissie stelt dat het Koninkrijk Zweden wat de agglomeraties Borås, Skoghall, Habo en Töreboda betreft, zijn verplichtingen krachtens artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen.
87 Wat in de eerste plaats de agglomeratie Borås betreft, waarvan de zuiveringsinstallaties afvalwater voor 110000 respectievelijk 150000 i.e. behandelden of behandelen, betoogt de Commissie dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat de oude zuiveringsinstallatie, die op 28 mei 2018 buiten dienst is gesteld, niet voldeed aan de vereisten van richtlijn 91/271, maar dat de nieuwe installatie sinds 17 september 2018 wel aan die vereisten voldoet.
88 De Commissie voert aan dat uit de door het Koninkrijk Zweden overgelegde tabel met de resultaten van de stikstofconcentraties niet kan worden opgemaakt welke resultaten van welke zuiveringsinstallatie afkomstig zijn, en dat uit deze tabel hoe dan ook blijkt dat in de periode tussen 1 november 2017 en 31 oktober 2018 niet was voldaan aan de vereisten van richtlijn 91/271 met betrekking tot de maximale stikstofconcentraties. In die periode van een jaar bedroeg het jaargemiddelde van de monsters namelijk 18 mg/l, terwijl de grenswaarde 10 mg/l bedraagt.
89 Wat in de tweede plaats de agglomeratie Skoghall betreft, waarvan de zuiveringsinstallaties een capaciteit voor afvalwaterbehandeling voor 5457 respectievelijk 15000 i.e. hebben, stelt de Commissie dat uit het antwoord op het met redenen omkleed advies blijkt dat in de periode van twaalf maanden tussen 9 november 2017 en 6 november 2018 de grenswaarde voor stikstofconcentratie in een van beide zuiveringsinstallaties is overschreden, hetgeen het Koninkrijk Zweden niet betwist. In dit verband voert de Commissie aan dat het jaargemiddelde van de monsters 17 mg/l bedroeg, terwijl de grenswaarde 15 mg/l bedraagt.
90 Wat in de derde plaats de agglomeratie Habo betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling heeft voor 17000 i.e., is de Commissie van mening dat die installatie slechts 33 % van de stikstof verwijderde en dat het Koninkrijk Zweden zijn beweringen dat de stikstofvermindering tussen Habo en de Oostzee 78 tot 87 % bedroeg, op generlei wijze heeft onderbouwd. Volgens de Commissie kan op basis van het model Hydrological Predictions for the Environment (hydrologische prognoses voor het milieu; hierna: „HYPE-model”) niet worden vastgesteld of de agglomeratie Habo al dan niet voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271. Uit het HYPE-model zou blijken dat in alle meren en waterlopen tussen Habo en de Oostzee tot 87 % stikstofvermindering wordt gerealiseerd voordat het afvalwater het kwetsbare kustgebied bereikt. Voorts zou uit een officiële verklaring van het Sveriges meteorologiska och hydrografiska institut (Zweeds Meteorologisch en Hydrologisch Instituut; hierna: „IMHS”) naar voren komen dat de totale stikstofvermindering, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de natuurlijke retentie, 91 % bedraagt.
91 De Commissie voert aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat het jaargemiddelde van de vermindering van de stikstofconcentratie in de zuiveringsinstallatie van Habo slechts 32 % bedraagt en dat die zuiveringsinstallatie zelfs niet is uitgerust om stikstof te behandelen. De Commissie is van mening dat het Koninkrijk Zweden zich weliswaar op het HYPE-model beroept, maar niet de relevante informatie heeft verstrekt om de gegevens die het aanvoert te kunnen controleren. Derhalve gaat de Commissie voor Habo uit van een stikstofvermindering van 32 %, terwijl het minimumpercentage van vermindering tussen 70 en 80 % moet liggen.
92 Wat in de vierde plaats de agglomeratie Töreboda betreft, waarvan de zuiveringsinstallatie een capaciteit voor afvalwaterbehandeling heeft voor 35500 i.e., voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat volgens deze lidstaat aan de vereisten op het gebied van de BZV5-concentratie was voldaan. Daarnaast stelde het Koninkrijk Zweden, in essentie om dezelfde redenen als die het voor de agglomeratie Habo had aangevoerd, dat de door de zuiveringsinstallatie van Töreboda bewerkstelligde vermindering van de stikstofconcentratie 43 % bedroeg. Dit percentage liep volgens deze lidstaat op tot 71 % wanneer rekening werd gehouden met de natuurlijke retentie voordat het afvalwater de kwetsbare kustgebieden bereikte.
93 Uit dit antwoord blijkt volgens de Commissie dat tussen 8 november 2017 en 6 november 2018 50 monsters zijn genomen om de BZV5-concentratie in de zuiveringsinstallatie van Töreboda te controleren. Volgens die instelling zijn er tussen 8 november 2017 en 3 januari 2018 echter geen monsters genomen van het inkomende en het uitgaande water, zodat er voor die periode geen vermindering is opgegeven en niet was voldaan aan de in bijlage I, afdeling D, punt 3, bij richtlijn 91/271 neergelegde vereisten op het gebied van controle.
94 Voorts voert de Commissie aan dat de maximumconcentratie van 25 mg/l in 18 monsters is overschreden, terwijl het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 5 bedroeg en 3 monsters deze grenswaarde met meer dan 100 % overschreden. Aangezien deze agglomeratie niet voldeed aan de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271, voldeed zij volgens de Commissie evenmin aan de vereisten van artikel 5 van deze richtlijn, dat zuiveringsinstallaties met meer dan 10000 i.e. de verplichting oplegt om een verdergaande behandeling te verrichten.
95 Wat de vermindering van de stikstofconcentratie betreft, voert de Commissie aan dat uit het antwoord van het Koninkrijk Zweden op het met redenen omkleed advies blijkt dat het jaargemiddelde op het gebied van stikstofvermindering in de zuiveringsinstallatie 43 % bedraagt, terwijl het minimumpercentage van vermindering tussen 70 en 80 % moet bedragen en dat die zuiveringsinstallatie niet is uitgerust om stikstof te behandelen. De Commissie voert aan dat haar geen informatie is bezorgd om de door het Koninkrijk Zweden verstrekte informatie of de informatie die dateert van na 2013, te kunnen controleren.
96 Om te beginnen betwist het Koninkrijk Zweden om dezelfde redenen als die welke het heeft aangevoerd in het kader van de grief inzake niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271, de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van deze richtlijn schending van de artikelen 5 en 10 van die richtlijn met zich brengt.
97 Wat in de eerste plaats de agglomeratie Borås betreft, is het Koninkrijk Zweden van mening dat niet kan worden ingestemd met het betoog van de Commissie dat niet kan worden vastgesteld op welke zuiveringsinstallatie de door die lidstaat aangehaalde resultaten betrekking hebben. Uit zijn antwoord op het met redenen omkleed advies blijkt immers dat de zuiveringsinstallatie van Gässlösa tot 28 mei 2018 in gebruik was en dat de installatie van Sobacken vanaf die datum in gebruik is genomen. In dit verband voert het Koninkrijk Zweden aan dat de stikstofconcentratie van het door deze installatie geloosde afvalwater voor de periode tussen 28 mei 2018 en 9 mei 2019 lager was dan het jaargemiddelde dat maximaal 10 mg/l mag bedragen, zodat die installatie voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271.
98 Wat in de tweede plaats de agglomeratie Skoghall betreft, die gebruikmaakt van twee zuiveringsinstallaties, betoogt het Koninkrijk Zweden dat de in de installatie van Sättersviken genomen monsters een stikstofconcentratie van 17 mg/l vertoonden wegens de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door het smelten van de sneeuw in combinatie met een lange periode van lage temperaturen. Er zijn evenwel maatregelen genomen om dit probleem te verhelpen, zodat tussen 4 juni 2018 en 15 mei 2019 de stikstofconcentraties in het door de zuiveringsinstallatie van Sättersviken geloosde water lager zouden zijn dan het jaargemiddelde dat maximaal 15 mg/l mag bedragen.
99 Wat in de derde plaats de agglomeratie Habo betreft, stelt het Koninkrijk Zweden dat uit de analyse van 26 monsters die tussen 14 november 2017 en 13 november 2018 zijn genomen, naar voren komt dat het verminderingspercentage voor stikstofbelasting in de zuiveringsinstallatie van Habo gemiddeld 32 % bedroeg. Het Koninkrijk Zweden voert echter aan dat de stikstofconcentratie in het door deze zuiveringsinstallatie geloosde water met 87 % is verminderd door natuurlijke retentie, die volgens de rechtspraak van het Hof in aanmerking mag worden genomen bij de berekening van de vermindering van de stikstofbelasting.
100 Uit de verklaring van het IMHS, die is gebaseerd op de gegevens die beschikbaar zijn op de internetsite van de Sveriges lantbruksuniversitet (Zweedse universiteit voor landbouwwetenschappen; hierna: „SLU”), blijkt namelijk dat het HYPE-model aantoont dat de natuurlijke vermindering van de stikstofbelasting tussen de zuiveringsinstallatie en de zee tot 87 % bedroeg. Aangezien de zuiveringsinstallatie van Habo een stikstofvermindering van 32 % bewerkstelligt en de natuurlijke retentie oploopt tot 87 %, bedraagt de retentie in totaal 91 %, zodat het Koninkrijk Zweden van mening is dat het in dit verband voldoet aan de vereisten van richtlijn 91/271.
101 Wat in de vierde plaats de agglomeratie Töreboda betreft, stelt het Koninkrijk Zweden met betrekking tot de BZV5-concentratie dat uit tabel 2 van bijlage I bij richtlijn 91/271 blijkt dat ofwel de concentratiewaarden ofwel de verminderingspercentages moeten worden toegepast. Daarnaast blijkt uit tabel 3 van deze bijlage dat indien gedurende een jaar tussen 17 en 28 monsters moeten worden genomen, het maximaal toegestane aantal monsters dat niet voldoet 3 bedraagt. Tussen 4 januari en 11 oktober 2018 voldeden 22 van de 23 monsters die met geregelde tussenpozen waren genomen, aan de vereisten met betrekking tot het minimumpercentage van vermindering, terwijl in die installatie in dat jaar slechts 12 monsters hoefden te worden genomen.
102 Met betrekking tot de stikstofretentie voert het Koninkrijk Zweden aan dat het op basis van 54 monsters vastgestelde verminderingspercentage voor stikstofbelasting van de zuiveringsinstallatie van Töreboda tussen 10 november 2017 en 6 november 2018 32 % bedroeg, terwijl de vermindering door natuurlijke retentie tot gevolg had dat die belasting met 50 % werd gereduceerd.
103 Uit de verklaring van het IMHS, die is gebaseerd op de gegevens die beschikbaar zijn op de internetsite van de SLU, blijkt namelijk dat het HYPE-model aantoont dat de natuurlijke vermindering van de stikstofbelasting tussen de zuiveringsinstallatie en de zee tot 50 % bedroeg. Gelet op het feit dat de vermindering in de zuiveringsinstallatie 43 % bedraagt, leidt dit in totaal tot een stikstofretentie van 71 %.
Beoordeling door het Hof
104 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271, moet worden onderzocht in het licht van de punten 48 tot en met 52 van dit arrest.
– Agglomeratie Töreboda
105 De Commissie verwijt het Koninkrijk Zweden in essentie dat het artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 heeft geschonden doordat de zuiveringsinstallatie van die agglomeratie niet voldoet aan de vereisten van artikel 4 van deze richtlijn die betrekking hebben op de BZV5-concentratie, zodat die installatie a fortiori niet kan voldoen aan de striktere vereisten van artikel 5 van deze richtlijn. Daarnaast is de Commissie van mening dat evenmin is voldaan aan de vereisten inzake het stikstofgehalte van het gezuiverde water.
106 Ten eerste is in dit verband de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 5 van deze richtlijn wordt geschonden, in punt 51 van dit arrest van de hand gewezen.
107 Ten tweede verwijst artikel 5 van richtlijn 91/271, zoals blijkt uit de punten 48 tot en met 52 van dit arrest, niet naar bijlage I, afdeling D, bij deze richtlijn, zodat de uit artikel 5 van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen moeten worden geacht te zijn nagekomen, wanneer het Koninkrijk Zweden voor de periode waarop het onderhavige beroep betrekking heeft een monster kan tonen dat voldoet aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij deze richtlijn.
108 Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat het Koninkrijk Zweden 50 monsters heeft verstrekt voor de periode tussen 8 november 2017 en 6 november 2018, betwist deze lidstaat in dit verband dat uit het feit dat 9 monsters in het eerste semester van 2018 niet voldeden aan de vereisten, blijkt dat de zuiveringsinstallatie van deze agglomeratie de BZV5-concentratie onvoldoende vermindert.
109 Gelet op het feit dat die lidstaat om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 5 van richtlijn 91/271 echter kan volstaan met het voorleggen van één enkel monster dat voldoet aan de voorschriften van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, is het precieze aantal monsters dat niet aan de vereisten voldoet niet relevant om te beoordelen of de uit dat artikel voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen.
110 Aangezien de Commissie niet betwist dat het Koninkrijk Zweden ten minste één monster heeft getoond dat voldeed aan de vereisten van bijlage I, afdeling B, bij richtlijn 91/271, moet het beroep worden verworpen voor zover het betrekking heeft op de BZV5-concentratie in de agglomeratie Töreboda.
111 Wat het verminderingspercentage van de stikstofconcentratie in dat water betreft, moet ten eerste in herinnering worden gebracht dat de bevoegde autoriteiten volgens artikel 5, lid 2, van richtlijn 91/271 de maatregelen dienen te nemen die vereist zijn opdat uiterlijk op 31 december 1998 voor alle lozingen van agglomeraties met meer dan 10000 i.e. het stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt, vóór lozing in kwetsbare gebieden aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde behandeling.
112 Ten tweede zij eraan herinnerd dat in artikel 5, lid 3, van richtlijn 91/271 wordt verwezen naar bijlage I, afdeling B, bij deze richtlijn. In voormelde afdeling wordt verwezen naar de vereisten in tabel 2 van die bijlage. Voor stikstof vereist die tabel ofwel een vermindering waarmee de norm van 15 mg/l kan worden bereikt voor agglomeraties met een i.e. tussen 10000 en 100000, ofwel een minimumpercentage van vermindering van 70 tot 80 %.
113 Het Hof heeft reeds vastgesteld dat geen enkele bepaling van richtlijn 91/271 eraan in de weg staat dat natuurlijke retentie van stikstof wordt beschouwd als een methode om stikstof uit het stedelijk afvalwater te verwijderen (arresten van 6 oktober 2009, Commissie/Finland, C‑335/07, EU:C:2009:612, punt 86, en 6 oktober 2009, Commissie/Zweden, C‑438/07, EU:C:2009:613, punt 97).
114 Hoewel het Koninkrijk Zweden in casu niet betwist dat de zuiveringsinstallatie van de agglomeratie Töreboda niet over speciale apparatuur beschikt om de stikstofconcentratie in het afvalwater te verminderen en dus slechts ongeveer 43 % stikstof verwijdert, voert deze lidstaat aan dat rekening moet worden gehouden met de natuurlijke retentie van nog eens 50 %, zodat de stikstof in het afvalwater in totaal met 71 % is verminderd alvorens de kwetsbare kustwateren te bereiken.
115 In dit verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 109 en 110 van haar conclusie heeft opgemerkt, de Commissie weliswaar aanvoert dat het Koninkrijk Zweden geen relevante gegevens had bezorgd aan de hand waarvan zij de beweringen met betrekking tot de natuurlijke retentie van stikstof kon verifiëren, maar zij noch in het met redenen omkleed advies, noch in haar processtukken precies heeft aangegeven welke meetgegevens zij nodig had om het HYPE-model te kunnen verifiëren, zodat het Koninkrijk Zweden niet in staat was om precies de door de Commissie verlangde gegevens te verstrekken.
116 In de tweede plaats heeft het Koninkrijk Zweden, voor zover het heeft verwezen naar de gegevens die beschikbaar zijn op de internetsite van de SLU, daardoor de door de Commissie overgelegde gegevens en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en in detail weerlegd (zie naar analogie arrest van 18 oktober 2012, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑301/10, EU:C:2012:633, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 Zoals de advocaat-generaal in punt 111 van haar conclusie heeft aangegeven, had de Commissie onder die omstandigheden de op de betreffende internetsite beschikbare gegevens inhoudelijk moeten onderzoeken en in voorkomend geval, zo nodig, om een verlenging van de termijn of om een schorsing van de procedure moeten verzoeken.
118 Aangezien de Commissie echter ten eerste niet op duidelijke en nauwkeurige wijze om specifieke meetgegevens heeft verzocht teneinde het HYPE-model te toetsen en, ten tweede, de argumentatie van het Koninkrijk Zweden over de natuurlijke retentie van stikstof niet op overtuigende wijze heeft kunnen ontkrachten, moet worden vastgesteld dat zij er niet in is geslaagd aan te tonen dat artikel 5 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen wat de lozing van stikstof door de zuiveringsinstallatie van de agglomeratie Töreboda betreft.
119 Derhalve moet worden vastgesteld dat het beroep wegens niet-nakoming moet worden verworpen wat de agglomeratie Töreboda betreft.
– Agglomeratie Borås
120 Wat de agglomeratie Borås betreft, moet in het licht van de punten 111 tot en met 113 van dit arrest worden onderzocht of de in artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 neergelegde verplichtingen met betrekking tot de grenswaarden voor en de vermindering van de stikstofconcentratie in het afvalwater niet zijn nagekomen.
121 In casu moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden, zoals de advocaat-generaal in de punten 95 tot en met 97 van haar conclusie heeft opgemerkt, ten gevolge van de vervanging van de oude zuiveringsinstallatie van die agglomeratie op 28 mei 2018, aanvankelijk weliswaar een jaarlijkse gemiddelde stikstofconcentratie van 18 mg/l had meegedeeld voor beide installaties, maar dat deze lidstaat in zijn verweerschrift aanvullende gegevens heeft overgelegd die afkomstig zijn van monsters die tussen 28 mei 2018 en 5 september 2019 waren genomen, en waaruit een stikstofconcentratie met een jaargemiddelde van 9 mg/l en een gemiddelde vermindering van 70 % naar voren komt.
122 Zoals blijkt uit de punten 58 en 59 van dit arrest kan, in aanmerking genomen dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn 8 januari 2019 was, geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat in voorkomend geval na die datum aan de vereisten van richtlijn 91/271 is voldaan.
123 Aangezien ten eerste de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 5 van deze richtlijn wordt geschonden in punt 51 van het onderhavige arrest van de hand is gewezen en, ten tweede, het Koninkrijk Zweden voor de periode tussen 28 mei 2018 en 8 januari 2019 monsters heeft voorgelegd die voldeden aan de vereisten van die richtlijn, moet worden vastgesteld dat de zuiveringsinstallatie van de agglomeratie Borås op laatstgenoemde datum voldeed aan de vereisten van de artikelen 5 en 10 van diezelfde richtlijn.
124 Derhalve moet worden vastgesteld dat het beroep wegens niet-nakoming moet worden verworpen wat de agglomeratie Borås betreft.
– Agglomeratie Skoghall
125 Wat de agglomeratie Skoghall betreft, moet in het licht van de punten 111 tot en met 113 van dit arrest worden onderzocht of de in artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 neergelegde verplichtingen met betrekking tot de grenswaarden voor en de vermindering van de stikstofconcentratie in het afvalwater niet zijn nagekomen.
126 In casu heeft het Koninkrijk Zweden, zoals de advocaat-generaal in de punten 102 en 103 van haar conclusie heeft opgemerkt, weliswaar erkend dat voor een van de zuiveringsinstallaties van die agglomeratie de stikstofconcentratie in het door die installatie gezuiverde water voor de periode tussen 9 november 2017 en 6 november 2018 een jaargemiddelde van 17 mg/l vertoonde, maar dit neemt niet weg dat deze lidstaat in zijn verweerschrift aanvullende gegevens heeft overgelegd die afkomstig zijn van monsters die tussen 6 april 2018 en 15 mei 2019 waren genomen, en waaruit wat de stikstofconcentratie betreft een jaargemiddelde van 12 mg/l en een gemiddelde vermindering van 73 % naar voren komt.
127 Zoals blijkt uit de punten 58 en 59 van dit arrest kan, in aanmerking genomen dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn 8 januari 2019 was, geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat in voorkomend geval na die datum aan de vereisten van richtlijn 91/271 is voldaan.
128 Aangezien ten eerste de stelling van de Commissie dat niet-naleving van artikel 15 van richtlijn 91/271 automatisch impliceert dat artikel 5 van deze richtlijn wordt geschonden in punt 51 van het onderhavige arrest van de hand is gewezen en, ten tweede, het Koninkrijk Zweden voor de periode tussen 6 april 2018 en 8 januari 2019 monsters heeft voorgelegd die voldeden aan de vereisten van die richtlijn, moet worden vastgesteld dat de zuiveringsinstallatie van de agglomeratie Skoghall op laatstgenoemde datum voldeed aan de vereisten van de artikelen 5 en 10 van diezelfde richtlijn.
129 Derhalve moet worden vastgesteld dat het beroep wegens niet-nakoming moet worden verworpen wat de agglomeratie Skoghall betreft.
– Agglomeratie Habo
130 Wat de agglomeratie Habo betreft moet in het licht van de punten 111 tot en met 113 van dit arrest worden onderzocht of de in artikel 5 junctis de artikelen 10 en 15 van richtlijn 91/271 neergelegde verplichtingen met betrekking tot de grenswaarden voor en de vermindering van de stikstofconcentratie in het afvalwater niet zijn nagekomen.
131 Hoewel het Koninkrijk Zweden in casu niet betwist dat de zuiveringsinstallatie van de agglomeratie Habo niet over speciale apparatuur beschikt om de stikstof in het afvalwater te verminderen en dus slechts ongeveer 30 % stikstof verwijdert, hetgeen een jaargemiddelde van 40 mg/l oplevert, voert deze lidstaat aan dat rekening moet worden gehouden met de natuurlijke retentie van nog eens 87 %, zodat de stikstof in het afvalwater in totaal met 91 % wordt verminderd alvorens de kwetsbare kustwateren te bereiken.
132 In dit verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 109 en 110 van haar conclusie heeft opgemerkt, de Commissie weliswaar heeft aangevoerd dat het Koninkrijk Zweden haar geen relevante gegevens had meegedeeld aan de hand waarvan zij de beweringen van deze lidstaat met betrekking tot de natuurlijke retentie van stikstof kon controleren, maar zij noch in het met redenen omkleed advies, noch tijdens de gerechtelijke procedure precies heeft aangegeven welke meetgegevens zij nodig had om het HYPE-model te kunnen verifiëren, zodat het Koninkrijk Zweden niet in staat was om precies de door de Commissie verlangde gegevens te verstrekken.
133 In de tweede plaats heeft het Koninkrijk Zweden, zoals blijkt uit de punten 110 en 111 van die conclusie, verwezen naar de gegevens die beschikbaar zijn op de internetsite van de SLU, zodat de Commissie de aldaar beschikbare gegevens inhoudelijk had moeten onderzoeken en in voorkomend geval, zo nodig, om een verlenging van de termijn of om een schorsing van de procedure had moeten verzoeken.
134 Aangezien de Commissie echter ten eerste niet op duidelijke en nauwkeurige wijze om specifieke meetgegevens heeft verzocht om het HYPE-model te toetsen en, ten tweede, de argumentatie van het Koninkrijk Zweden over de natuurlijke retentie van stikstof niet op overtuigende wijze heeft kunnen ontkrachten, moet worden vastgesteld dat zij er niet in is geslaagd om aan te tonen dat artikel 5 van richtlijn 91/271 niet is nagekomen wat de lozing van stikstof in de agglomeratie Habo betreft.
135 Derhalve moet worden vastgesteld dat het beroep wegens niet-nakoming moet worden verworpen wat de agglomeratie Habo betreft.
Derde grief: niet-nakoming van de krachtens artikel 4, lid 3, VEU op het Koninkrijk Zweden rustende verplichtingen
Argumenten van partijen
136 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU niet is nagekomen door haar niet de relevante gegevens betreffende de agglomeraties Habo en Töreboda mee te delen, teneinde haar in staat te stellen de argumenten te onderzoeken die de lidstaat had aangevoerd tegen de niet-nakomingen die hem in verband met die twee agglomeraties waren verweten.
137 In dit verband voert de Commissie aan dat een lidstaat er niet mee kan volstaan louter beweringen te formuleren zonder haar in staat te stellen om de juistheid daarvan te verifiëren. Zo betoogt de Commissie dat het Koninkrijk Zweden weliswaar stelt dat het HYPE-model, dat wordt gebruikt in het kader van de berekening van stikstofretentie, op reële metingen gebaseerd is, maar dat zij van die lidstaat geen informatie heeft ontvangen over de voor elke agglomeratie afzonderlijk berekende retentie, zodat zij die beweringen niet heeft kunnen verifiëren.
138 Meer bepaald was de Commissie volgens haar niet in staat geweest om te controleren of de natuurlijke stikstofretentie de beweerde proporties aannam, noch om een objectieve wetenschappelijke beoordeling te verrichten van de juistheid van de beweringen van het Koninkrijk Zweden over de wijze waarop het mogelijk was geweest het retentiepercentage vast te stellen. In dit verband betoogt de Commissie dat zij zelf niet over onderzoeksbevoegdheden ter zake beschikt, zodat het beginsel van loyale samenwerking vereist dat een lidstaat haar de gegevens verstrekt die nodig zijn om na te gaan of de bepalingen van een richtlijn correct zijn uitgevoerd.
139 In casu zouden de gegevens die aan de Commissie zijn meegedeeld en die aan de basis liggen van de officiële verklaring van het IMHS, afkomstig zijn uit een gegevensbestand dat niet door het IMHS wordt gehost en waarin het stikstofgehalte van de waterlopen voor de periode na 2013 niet wordt gepreciseerd. De Commissie voegt hieraan toe dat het zelfs aan de hand van de gegevens uit dat gegevensbestand niet mogelijk is om de omvang van de stikstofretentie te bepalen.
140 Het Koninkrijk Zweden antwoordt hierop dat het wel degelijk relevante informatie heeft verstrekt en dat die informatie afkomstig is van op basis van milieumonitoring verkregen gegevens die vrij toegankelijk zijn op de internetsite van de SLU, die in het kader van milieumonitoring gegevens over zoet water heeft verzameld. Het IMHS zou die gegevens gebruiken voor haar verificatie- en ijkingswerkzaamheden.
141 Voorts betoogt het Koninkrijk Zweden dat zowel het HYPE-model als de eerdere modellen waarop dit model is gebaseerd, goed gedocumenteerd zijn en het voorwerp zijn geweest van wetenschappelijke onderzoeken en proeven waarvan de resultaten in verschillende wetenschappelijke studies en artikelen zijn gepubliceerd. Deze lidstaat voert aan dat twee wetenschappelijke studies aantonen dat het om een betrouwbaar model gaat, en benadrukt ten eerste dat de verificaties en ijkingen worden verricht aan de hand van door de SLU gemeten gegevens, en ten tweede dat uit de aangehaalde studies blijkt dat de internetsite van het IMHS uitgerust is met een tool waarmee het in procenten uitgedrukte gemiddelde verschil tussen de waarden van het model en de gemeten gegevens kan worden weergegeven.
142 Bovendien heeft het Koninkrijk Zweden in zijn antwoord op de aanmaningsbrief van 28 juni 2017 gedetailleerde toelichtingen gegeven over het HYPE-model en heeft het de Commissie de informatie van het IMHS verstrekt waaruit bleek hoe het stikstofvervoer en -verlies plaatsvindt, en welke natuurlijke retentie uiteindelijk aldus in Habo en Töreboda wordt bereikt. Het Koninkrijk Zweden komt dan ook tot de slotsom dat het al het mogelijke heeft gedaan om met de Commissie samen te werken.
Beoordeling door het Hof
143 In herinnering dient te worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak inzake de bewijslast in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 258 VWEU aan de Commissie staat om de gestelde niet-nakoming aan te tonen. Zij moet het Hof de gegevens verschaffen die het nodig heeft om uit te maken of er sprake is van deze niet-nakoming en zij kan zich daarbij niet baseren op enig vermoeden [arrest van 14 januari 2021, Commissie/Italië (Bijdrage voor de aankoop van motorbrandstoffen), C‑63/19, EU:C:2021:18, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
144 De lidstaten zijn evenwel krachtens artikel 4, lid 3, VEU verplicht, de Commissie de vervulling van haar taak te vergemakkelijken, die er volgens artikel 17, lid 1, VEU met name in bestaat, toe te zien op de toepassing van de bepalingen van het VWEU en van de bepalingen die de instellingen ingevolge dit Verdrag vaststellen. In het bijzonder moet er bij het onderzoek naar de correcte toepassing in de praktijk van nationale bepalingen die de daadwerkelijke uitvoering van een richtlijn dienen te verzekeren, rekening mee worden gehouden dat de Commissie, die niet over eigen onderzoeksbevoegdheden ter zake beschikt, grotendeels op de door eventuele klagers en de betrokken lidstaat verstrekte gegevens is aangewezen (arrest van 18 oktober 2012, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑301/10, EU:C:2012:633, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 In casu moet worden opgemerkt dat het Koninkrijk Zweden het verzoek van de Commissie om haar de resultaten mee te delen van recentere metingen met betrekking tot de stikstofvermindering in de agglomeraties Habo en Töreboda heeft beantwoord door te verwijzen naar de verklaring van het IMHS, waaruit bleek dat deze inderdaad was gebaseerd op recentere metingen van het stikstofgehalte, maar dat die metingen niet beschikbaar waren op de internetsite van het IMHS omdat zij afkomstig waren uit het gegevensbestand van een andere instantie.
146 Het Koninkrijk Zweden heeft de Commissie echter pas in de procedure voor het Hof, namelijk in zijn verweerschrift, meegedeeld dat die gegevens door de SLU werden gehost en dat zij vrij beschikbaar waren op de internetsite van die universiteit.
147 Opgemerkt dient te worden dat het Koninkrijk Zweden daardoor tijdens de precontentieuze procedure onvolledige informatie aan de Commissie heeft meegedeeld en het goede verloop van de onderhavige procedure heeft verhinderd.
148 Zoals de advocaat-generaal in punt 123 van haar conclusie heeft opgemerkt, heeft deze lidstaat, hoewel de Commissie zich over het tekort aan specifieke gegevens had beklaagd, noch dergelijke gegevens, noch de bron van recentere gegevens of hun vindplaats op het internet meegedeeld. Deze tekortkoming heeft een nadelige invloed gehad op de voorbereiding van het onderhavige beroep door de Commissie.
149 Hieruit volgt dat het Koninkrijk Zweden zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU niet is nagekomen door de Commissie tijdens de precontentieuze procedure niet de informatie te verstrekken die zij nodig zou hebben gehad om te beoordelen of de zuiveringsinstallaties van de agglomeraties Habo en Töreboda voldeden aan de vereisten van richtlijn 91/271.
150 Uit een en ander volgt: – Het Koninkrijk Zweden is zijn verplichtingen krachtens artikel 4 juncto artikel 10 van richtlijn 91/271 niet nagekomen door er niet voor te zorgen dat het afvalwater van de agglomeraties Lycksele, Malå en Pajala vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen, en – het Koninkrijk Zweden is zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU niet nagekomen door de Commissie tijdens de precontentieuze procedure niet de informatie te verstrekken die zij nodig zou hebben gehad om te beoordelen of de zuiveringsinstallaties van de agglomeraties Habo en Töreboda voldeden aan de vereisten van richtlijn 91/271.
Kosten
151 Overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof zullen de Commissie en het Koninkrijk Zweden elk hun eigen kosten dragen, aangezien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) Het Koninkrijk Zweden is zijn verplichtingen krachtens artikel 4 juncto artikel 10 van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008, niet nagekomen door er niet voor te zorgen dat het afvalwater van de agglomeraties Lycksele, Malå en Pajala vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen, en het Koninkrijk Zweden is zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU niet nagekomen door de Europese Commissie tijdens de precontentieuze procedure niet de informatie te verstrekken die zij nodig zou hebben gehad om te beoordelen of de zuiveringsinstallaties van de agglomeraties Habo en Töreboda voldeden aan de vereisten van richtlijn 91/271, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1137/2008.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Europese Commissie en het Koninkrijk Zweden dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.