HvJ EU 17 juni 2021, C-800/19, ECLI:EU:C:2021:489

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 juni 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Artikel 7, punt 2 – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen – Persoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden als gevolg van de publicatie van een artikel op internet – Plaats waar de schade is ingetreden – Centrum van de belangen van deze persoon”

In zaak C‑800/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 30 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 30 oktober 2019, in de procedure

Mittelbayerischer Verlag KG

tegen

SM,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, L. Bay Larsen, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Mittelbayerischer Verlag KG, vertegenwoordigd door P. Niezgódka, adwokat,

– SM, vertegenwoordigd door M. Brzozowska-Pasieka, adwokat, en S. Topa, radca prawny,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en K. Herrmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 2021,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mittelbayerischer Verlag KG en SM over een vermeende schending van de persoonlijkheidsrechten van laatstgenoemde als gevolg van de publicatie van een artikel op de website van deze vennootschap.

Toepasselijke bepalingen

3 De overwegingen 4, 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt: „(4) Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing, zijn onontbeerlijk. […] (15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen. (16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.”

4 Artikel 4 van deze verordening, dat valt onder afdeling 1 („Algemene bepalingen”) van hoofdstuk II ervan, bepaalt in lid 1 ervan het volgende: „Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5 Artikel 5 van deze verordening, dat eveneens in afdeling 1 staat, bepaalt in lid 1: „Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

6 Artikel 7 van dezelfde verordening, dat staat in afdeling 2 („Bijzondere bevoegdheid”) van hoofdstuk II, bepaalt in lid 2 het volgende: „Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: […] 2. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7 SM is een Pools staatsburger die in Warschau (Polen) woont en tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangene was in het vernietigingskamp Auschwitz (Polen). Hij zet zich ervoor in om de herinnering aan de slachtoffers van de misdaden die nazi-Duitsland tijdens dit conflict tegen de Polen heeft gepleegd, levend te houden in het publieke bewustzijn.

8 Mittelbayerischer Verlag is een te Ratisbonne (Duitsland) gevestigde vennootschap. Zij publiceert een Duitstalig regionaal dagblad op haar website, die ook toegankelijk is vanuit andere landen, waaronder Polen.

9 Op 15 april 2017 is op die website een artikel met de titel „Ein Kämpfer und sein zweites Leben” (Een strijder en zijn tweede leven) gepubliceerd. In dit artikel, met als voorwerp het lot, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, van Israël Offman, een joodse overlevende van de Holocaust, wordt melding gemaakt van het feit dat zijn zuster „in het Poolse vernietigingskamp Treblinka is vermoord”.

10 De verwijzende rechter, de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), wijst erop dat het historisch niet valt te ontkennen dat het kamp Treblinka een nazi-vernietigingskamp was op Pools grondgebied dat gedurende dat conflict bezet was.

11 Volgens deze rechter stond de uitdrukking „Pools vernietigingskamp Treblinka” slechts enkele uren op internet, totdat deze uitdrukking na tussenkomst per e-mail van het Poolse consulaat te München (Duitsland) werd vervangen door de bewoordingen „door de nazi’s werd vermoord in het Duitse nazi-vernietigingskamp Treblinka, gelegen in het bezette Polen”.

12 Op 27 november 2017 heeft SM beroep ingesteld tegen Mittelbayerischer Verlag bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), waarbij hij heeft verzocht om bescherming van zijn persoonlijkheidsrechten, met name zijn nationale identiteit en waardigheid, waaraan door het gebruik van voormelde uitdrukking afbreuk zou zijn gedaan.

13 Ter onderbouwing van de bevoegdheid van deze rechter heeft SM verwezen naar het arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685).

14 Mittelbayerischer Verlag heeft op haar beurt een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen die steunt op de onbevoegdheid van de Poolse gerechten om kennis te nemen van het beroep van SM omdat, anders dan de situaties die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot dat arrest, het artikel dat zij gepubliceerd heeft op haar website niet rechtstreeks betrekking had op SM. Zij voegt daaraan toe dat haar activiteit een omvang heeft die beperkt is tot de regio Oberpfalz (Duitsland) en dat de krant die zij op haar website publiceert zich hoofdzakelijk toespitst op regionaal nieuws en enkel beschikbaar is in het Duits.

15 In dit verband heeft Mittelbayerischer Verlag, onder verwijzing naar het vereiste van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012, aangevoerd dat zij de bevoegdheid van de Poolse gerechten in dergelijke omstandigheden niet objectief kon voorzien. Bijgevolg moet, volgens haar, dus niet artikel 7, punt 2, van deze verordening, maar artikel 4, lid 1, ervan worden toegepast, welke bepaling moet leiden tot de conclusie dat de Duitse gerechten bevoegd zijn.

16 Bij beschikking van 5 april 2019 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de door Mittelbayerischer Verlag opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen en geoordeeld dat was voldaan aan de voorwaarden om kennis te nemen van het door SM krachtens artikel 7, punt 2, van die verordening ingestelde beroep. Volgens deze rechter had Mittelbayerischer Verlag, aangezien haar website en het op die website gepubliceerde litigieuze artikel in Polen konden worden geraadpleegd en de in dat artikel gebruikte uitdrukking „Pools vernietigingskamp” de aandacht van Poolse lezers kon trekken, namelijk kunnen voorzien dat het Poolse grondgebied kon worden beschouwd als de plaats van schending van de persoonlijkheidsrechten van die lezers en dat zij voor de Poolse gerechten kon worden opgeroepen.

17 Op 25 april 2019 is Mittelbayerischer Verlag tegen deze beschikking opgekomen bij de verwijzende rechter, de Sąd Apelacyjny w Warszawie, en heeft zich daarbij beroepen op schending van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. Volgens haar is deze bepaling toegepast terwijl zij redelijkerwijs niet kon voorzien dat wegens de publicatie van dat artikel tegen haar beroep zou worden ingesteld bij de Poolse gerechten, aangezien de inhoud van dat artikel geen betrekking heeft op SM of zelfs op de Republiek Polen.

18 Deze rechter wijst erop dat de Poolse gerechten zich, in dit stadium, in soortgelijke gevallen bevoegd hebben verklaard. Hij vraagt zich echter af hoe deze bepaling moet worden uitgelegd, met name in het licht van het vereiste van voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/201, zoals geformuleerd in de overwegingen 15 en 16 ervan.

19 Deze rechter erkent dat de uitdrukking „Pools vernietigingskamp”, die is gebruikt in het betrokken artikel in het bij hem aanhangige geding, in Polen negatief kan worden opgevat, een deel van het publiek kan misleiden door het de indruk te geven dat de Polen verantwoordelijk waren voor het oprichten van de vernietigingskampen en de daar gepleegde misdaden, en schokkend kan zijn voor personen die zelf in die kampen waren gedetineerd of wier naasten tijdens de Tweede Wereldoorlog het leven hebben gelaten door toedoen van de Duitse bezetters. Niettemin vraagt deze rechter zich meer bepaald af of de bijzondere omstandigheden van dit geding volstaan om aan te nemen dat Mittelbayerischer Verlag redelijkerwijs kon voorzien dat zij voor een Pools gerecht zou kunnen worden gedaagd op grond dat de inhoud van dit artikel de persoonlijkheidsrechten zou schenden van een in Polen wonende persoon, terwijl de tekst van dit artikel, zelfs in zijn meest ruime uitlegging, SM of enige andere Pool geenszins verwijt enige handeling te hebben verricht, en evenmin direct of indirect op hem gericht is.

20 In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat deze omstandigheden verschillen van die welke aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685), en 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), waarin de betrokken natuurlijke en rechtspersonen rechtstreeks geraakt werden door de betwiste publicaties, waarin zij bij naam en voornaam of bedrijfsnaam waren genoemd.

21 In deze context merkt deze rechter op dat andere potentiële verzoekers, namelijk in andere lidstaten wonende Polen, dezelfde redenen zouden kunnen aanvoeren als die welke SM aanvoert ter staving van de bevoegdheid van de Poolse gerechten, om aan te tonen dat de gerechten van de lidstaat waar het centrum van hun belangen zich bevindt, bevoegd zijn. Wanneer wordt erkend dat de Poolse gerechten op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 bevoegd zijn, zou dat aldus inhouden dat ook wordt erkend dat Mittelbayerischer Verlag had moeten voorzien dat zij door de publicatie van het litigieuze artikel kon worden gedagvaard voor de gerechten van om het even welke lidstaat.

22 Voorts geeft de verwijzende rechter aan dat, mocht het Hof van oordeel zijn dat de bevoegdheid op grond van deze bepaling kan worden vastgesteld in omstandigheden als die van het hoofdgeding, nauwkeuriger moet worden bepaald aan de hand van welke beoordelingscriteria een nationale rechterlijke instantie zich bevoegd kan verklaren.

23 Daarop heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 7, punt 2, van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat er een op het centrum van de belangen gebaseerde rechterlijke bevoegdheid bestaat voor de vordering van een natuurlijke persoon tot bescherming van zijn persoonlijkheidsrechten, wanneer de publicatie op internet waarvan wordt beweerd dat zij inbreuk op deze rechten maakt, geen informatie bevat die direct of indirect betrekking heeft op deze specifieke natuurlijke persoon, maar wel informatie of beweringen bevat waarin wordt gesuggereerd dat de gemeenschap waartoe verzoeker behoort (in dit specifieke geval: zijn volk) wandaden heeft begaan, hetgeen door verzoeker als een schending van zijn persoonlijkheidsrechten wordt opgevat? 2) Moet in een zaak die betrekking heeft op de bescherming van materiële en immateriële persoonlijkheidsrechten tegen schendingen op internet, bij de beoordeling van de bevoegdheidsgronden van artikel 7, punt 2, van [verordening nr. 1215/2012], dat wil zeggen bij de beoordeling of de nationale rechterlijke instantie het gerecht is van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, rekening worden gehouden met omstandigheden als: – het publiek tot hetwelk de inbreukmakende website in de eerste plaats gericht is, – de taal waarin de website en de litigieuze publicatie zijn opgesteld, – de periode dat de litigieuze online-informatie voor het betrokken publiek beschikbaar was, – de individuele omstandigheden van verzoeker, zoals zijn lot tijdens de oorlog en zijn huidige maatschappelijke activiteiten, die in de behandelde zaak worden ingeroepen als rechtvaardigingsgrond voor het bijzondere recht zich in rechte te verzetten tegen de verspreiding van aantijgingen tegen de gemeenschap waartoe hij behoort?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

24 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen bevindt van een persoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door op een website geplaatste content, enkel bevoegd is om, voor de volledige gestelde schade, kennis te nemen van een door die persoon ingestelde aansprakelijkheidsvordering indien die content toelaat die persoon, direct of indirect, als individu te identificeren.

25 Blijkens de overwegingen 4 en 15 ervan, is verordening nr. 1215/2012 gericht op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken, door bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn. Deze verordening streeft dus een doelstelling van rechtszekerheid na, die de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen wil vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arrest van 4 oktober 2018, Feniks, C‑337/17, EU:C:2018:805, punt 34).

26 Als uitzondering op de algemene regel van artikel 4 van verordening nr. 1215/2012, namelijk dat de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft bevoegd is, moet de bijzondere bevoegdheidsregel ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in artikel 7, punt 2, van deze verordening restrictief worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Kerr, C‑25/18, EU:C:2019:376, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Deze bijzondere bevoegdheidsregel berust op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zodat het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze gerechten bevoegd zijn (arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Zoals in overweging 16 van verordening nr. 1215/2012 in herinnering is gebracht en waarmee bij de uitlegging van artikel 7, punt 2, van die verordening rekening moet worden gehouden, moet het bestaan van een nauwe band tussen het gerecht en de vordering zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad (arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 28).

29 Overigens is het vaste rechtspraak dat de in deze bepaling gebruikte term „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” zowel duidt op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als op de plaats waar de schade is ingetreden, daar deze plaatsen, afhankelijk van de omstandigheden, beide een bijzonder nuttig uitgangspunt kunnen vormen voor de bewijslevering en de procesvoering (arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of hij zich in omstandigheden als die van het hoofdgeding bevoegd kan verklaren op grond van de plaats waar de gestelde schade is ingetreden.

31 In dit verband heeft het Hof, in de specifieke context van het internet, geoordeeld dat bij vermeende schending van de persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content de persoon die zich gelaedeerd acht de mogelijkheid heeft een vordering tot vergoeding van de volledige schade in te stellen bij het gerecht van de plaats waar zich het centrum van zijn belangen bevindt (arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In deze context heeft het Hof verduidelijkt dat deze mogelijkheid wordt gerechtvaardigd door het belang van een goede rechtsbedeling en niet specifiek is ingegeven door de bescherming van de verzoeker (zie in die zin arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 38).

33 De bijzondere bevoegdheidsregel ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 heeft namelijk niet dezelfde doelstelling als de bevoegdheidsregels in de afdelingen 3 tot en met 5 van hoofdstuk II van deze verordening, die beogen de zwakste partij een betere bescherming te bieden (arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Bovendien heeft het Hof in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685), en 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), geoordeeld dat de bevoegdheid van het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft, strookt met het doel dat de bevoegdheidsregels voorzienbaar moeten zijn vanuit het oogpunt van de verweerder, aangezien de uitgever van inbreukmakende content op het moment waarop hij deze op internet plaatst de centra van de belangen van de bij de content betrokken personen kan kennen, zodat met het criterium van het centrum van de belangen niet alleen de verzoeker gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken, maar ook de verweerder redelijkerwijze kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arresten van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 50, en 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 35).

35 Deze zaken hadden betrekking op situaties waarin content die op het internet werd geplaatst rechtstreeks was gericht op de personen die beweerdelijk slachtoffer waren van schending van hun persoonlijkheidsrechten, aangezien zij daarin met naam werden genoemd.

36 Anders dan in die zaken, betreft het hoofdgeding echter een situatie waarin de op de website van Mittelbayerischer Verlag geplaatste content, zoals de verwijzende rechter opmerkt, direct noch indirect is gericht op de persoon die meent dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden, ook niet wanneer die content zo ruim mogelijk wordt uitgelegd. Deze persoon heeft zijn vorderingen immers gebaseerd op de aantasting van zijn nationale identiteit en waardigheid als gevolg van het gebruik van de uitdrukking „Pools vernietigingskamp Treblinka”.

37 Indien het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen van deze persoon bevindt de bevoegdheid werd toegekend om, voor de volledige gestelde schade, kennis te nemen van de door deze persoon ingestelde vordering wanneer hij noch bij naam wordt genoemd noch indirect is geïdentificeerd als individu in voormelde content, zou dit afbreuk doen aan de voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 en aan de rechtszekerheid die deze verordening beoogt te waarborgen, met name ten aanzien van de uitgever van de betrokken content.

38 Deze laatste kan namelijk redelijkerwijs niet voorzien dat hij voor die gerechten wordt opgeroepen, aangezien hij op het moment dat hij content op internet plaatst geen weet kan hebben van de centra van de belangen van personen op wie deze content geenszins is gericht.

39 Een andere uitlegging zou leiden tot een vermeerdering van de mogelijke aanknopingspunten voor de bevoegdheid en zou aldus de voorzienbaarheid van de door verordening nr. 1215/2012 gestelde bevoegdheidsregels aantasten, en bijgevolg afbreuk doen aan het rechtszekerheidsbeginsel waarop deze verordening berust (zie naar analogie arrest van 13 juli 2006, Roche Nederland e.a., C‑539/03, EU:C:2006:458, punt 37).

40 Behoudens het feit dat afwijkingen van het beginsel dat de rechter van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft bevoegd is uitzonderlijk moeten zijn en strikt moeten worden uitgelegd (arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C‑106/17, EU:C:2018:50, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zou een uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 waarbij, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen bevindt van een persoon die meent dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door op internet geplaatste content, bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vordering die door die persoon is ingesteld voor de volledige gestelde schade, bovendien de grondslag miskennen waarop de in deze bepaling gestelde bijzondere bevoegdheidsregel berust, namelijk het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen het geschil en de gerechten die zijn aangewezen door deze regel die, zoals in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is geroepen, beoogt de rechtszekerheid te waarborgen en te vermijden dat de vermeende dader van een inbreuk op deze rechten wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat hij redelijkerwijs niet kon voorzien.

41 Alleen het bestaan van deze band maakt het dus mogelijk om op grond van deze bepaling af te wijken van de in artikel 4, lid 1, van deze verordening voorziene principiële bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft.

42 Om de doelstellingen van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 en van rechtszekerheid die door deze verordening worden nagestreefd te kunnen verwezenlijken, moet die band, wanneer een persoon stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door op internet geplaatste content, niet berusten op louter subjectieve elementen, die uitsluitend verband houden met de individuele gevoeligheid van die persoon, maar op objectieve en controleerbare elementen op basis waarvan deze persoon direct of indirect als individu kan worden geïdentificeerd.

43 Het enkele feit dat een persoon behoort tot een grote identificeerbare groep, zoals die waarop de verwijzende rechter in zijn eerste vraag doelt, maakt het evenmin mogelijk deze doelstellingen van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels en rechtszekerheid te verwezenlijken, aangezien de belangencentra van de leden van een dergelijke groep zich in elke willekeurige lidstaat van de Unie kunnen bevinden.

44 In casu wordt SM duidelijk niet direct of indirect geïdentificeerd als individu in de content die op de website van Mittelbayerischer Verlag online is geplaatst, maar is hij van mening dat het gebruik van de door hem betwiste uitdrukking in die content, gelet op het feit dat hij tot het Poolse volk behoort, een inbreuk op zijn persoonlijkheidsrechten vormt.

45 In dergelijke omstandigheden ontbreekt een bijzonder nauwe band tussen het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen bevindt van de persoon die zich op deze persoonlijkheidsrechten beroept en het betrokken geding, zodat dat gerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van dat geding op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.

46 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen bevindt van een persoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door op een website geplaatste content, slechts bevoegd is om, voor de volledige gestelde schade, kennis te nemen van een door die persoon ingestelde aansprakelijkheidsvordering indien die content objectieve en controleerbare gegevens bevat die het mogelijk maken om die persoon direct of indirect als individu te identificeren.

Kosten

47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het gerecht van de plaats waar zich het centrum van de belangen bevindt van een persoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door op een website geplaatste content, slechts bevoegd is om, voor de volledige gestelde schade, kennis te nemen van een door die persoon ingestelde aansprakelijkheidsvordering indien die content objectieve en controleerbare gegevens bevat die het mogelijk maken om die persoon direct of indirect als individu te identificeren.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken