HvJ EU 12 mei 2021, C-202/20, ECLI:EU:C:2021:385

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

12 mei 2021 ( *1 )

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Voormalig arbeidscontractant – Sociale zekerheid – Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV) – Artikel 95 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (RAP) – Voortzetting van de aansluiting na pensionering – Voorwaarde van meer dan drie jaar werkzaam te zijn geweest – Verzoek tot aansluiting bij het GSZV naar aanleiding van overdracht van pensioenrechten – Gelijkstelling van extra pensioenjaren met dienstjaren – Afwijzing van het verzoek – Beroep tot nietigverklaring – Bezwarende handeling – Beschikking van het Gerecht waarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard – Vernietiging”

In zaak C‑202/20 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 12 mei 2020,

Claudio Necci, wonende te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Orlandi en T. Martin, advocaten, vervolgens door S. Orlandi, advocaat,

rekwirant,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin en T. S. Bohr als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Van Pottelberge en I. Terwinghe als gemachtigden,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en M. Alver als gemachtigden,

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Wahl, kamerpresident, F. Biltgen (rapporteur) en L. S. Rossi, rechters,

advocaat generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 25 maart 2020, Necci/Commissie (T‑129/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:131; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij zijn krachtens artikel 270 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 18 april 2018 houdende stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek tot aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de instellingen van de Europese Gemeenschappen (GSZV) van 18 december 2017 (hierna: „litigieus besluit”), niet-ontvankelijk is verklaard.

Toepasselijke bepalingen

Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie

2 Artikel 72, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1080/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (PB 2010, L 311, blz. 1), bepaalt in wezen dat de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar, zijn echtgenoot, wanneer deze niet onder toepassing van enige andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen, zijn kinderen en andere personen die te zijnen laste komen, door het GSZV zijn gedekt. Artikel 72, lid 2, eerste alinea, van het Statuut luidt als volgt: „Op de ambtenaar die tot zijn 63e levensjaar in dienst van de Unie is gebleven of die invaliditeitsuitkering geniet, zijn na beëindiging van de dienst de bepalingen van lid 1 van toepassing. De bijdrage wordt op de grondslag van het pensioen of de uitkering berekend.”

3 Artikel 90 van het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1080/2010, staat in titel VII, „Verzoeken en beroep”, en luidt als volgt: „1. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. Het gezag brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van het volgende lid kan worden ingediend. 2. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. [...] [...]”

4 Artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB 2004, L 124, blz. 1), bepaalde in lid 2: „De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na: – de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of – in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt, kan, na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Gemeenschappen doen betalen. In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van het basissalaris, de leefregel en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen het aantal pensioenjaren dat zij volgens de communautaire pensioenregeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het overgeschreven kapitaal, verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht plaatsvindt. [...]”

Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie

5 Artikel 95 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1080/2010 (hierna: „RAP”), bepaalt: „[...] Artikel 72, leden 2 en 2 bis, van het Statuut is evenwel niet van toepassing op de arbeidscontractant die tot de leeftijd van 63 jaar in dienst is gebleven bij de Unie, tenzij hij langer dan drie jaar als arbeidscontractant werkzaam is geweest.”

Voorgeschiedenis van het geding

6 Het Gerecht heeft de voorgeschiedenis van het geding samengevat in de volgende punten van de bestreden beschikking: „1 Verzoeker, Claudio Necci, heeft tussen 1 juli 2009 en 30 juni 2011 als arbeidscontractant bij de Europese Commissie [...] gewerkt. 2 Op 27 oktober 2010 heeft verzoeker krachtens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut [zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004] verzocht om de pensioenrechten [...] die hij tijdens zijn dienst bij de Italiaanse overheid had verworven, over te dragen naar de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie (hierna: ‚PRIEU’). 3 Op 1 juli 2011 heeft verzoeker de Commissie verlaten en is hij op de leeftijd van 64 jaar met pensioen gegaan. 4 Bij besluit van 18 juli 2011 heeft de Commissie verzoekers pensioenrechten vastgesteld. Tevens heeft zij zijn aansluiting bij het GSZV beëindigd op grond van artikel 95 van de [RAP], dat het voortbestaan van het recht op aansluiting bij het GSZV voor een arbeidscontractant die tot de pensioenleeftijd in dienst van de Unie is gebleven, afhankelijk stelt van een voorwaarde dat hij meer dan drie jaar als arbeidscontractant werkzaam is geweest. Het besluit van 18 juli 2011 is niet betwist. 5 Op 12 februari 2014 heeft het Italiaanse pensioenfonds de Commissie meegedeeld dat het kapitaal dat de pensioenrechten van verzoeker vertegenwoordigde op de datum van het verzoek [tot overdracht van pensioenrechten] 383570,92 EUR bedroeg. 6 Bij e-mail van 18 maart 2014 hebben de diensten van de Commissie verzoeker een informatienota gezonden betreffende de voorlopige berekening van zijn pensioenjaren en hem verzocht een beslissing te nemen over de overdracht van zijn pensioenrechten. In dit document, dat verwees naar artikel 95 RAP, werd herinnerd aan de voorwaarde van drie jaar daadwerkelijke dienst bij de instellingen van de Unie om in aanmerking te komen voor dekking van het risico van ziekte door die instellingen, en werd verzoeker gewezen op de gevolgen die de [overdracht van zijn pensioenrechten] kon hebben. 7 Op 11 april 2014 heeft verzoeker het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) een e-mail gestuurd, waarin hij verzocht om verlenging van de termijn voor het nemen van zijn besluit over de [overdracht van zijn pensioenrechten]. Hij voegde daaraan toe: ‚Ik weet dat ik de ziektekostenverzekering van Italië zal verliezen en dat ik geen dekking van het GSZV van de Commissie heb. Ik zou meer informatie over een particuliere dekking willen vragen.’ Hem is een verlenging van de termijn toegekend tot 5 mei 2014. 8 Op 6 mei 2014 heeft verzoeker het voorlopige aanbod van [overdracht van zijn pensioenrechten] aanvaard, wat leidde tot de toekenning van extra pensioenjaren die in aanmerking moesten worden genomen in de PRIEU voor een periode van 16 jaar, 9 maanden en 17 dagen. [...] 11 Op 14 augustus 2017 heeft het Italiaanse pensioenfonds aan de PRIEU een bedrag van 387768,73 EUR betaald uit hoofde van verzoekers nationale pensioenrechten. 12 Op 19 september 2017 heeft de Commissie een eerste besluit houdende toekenning van extra pensioenjaren vastgesteld, met als gevolg dat aan rekwirant een extra bijdrageperiode in de PRIEU van 14 jaar en 9 dagen werd toegekend. Naar aanleiding van een klacht die verzoeker op 18 december 2017 heeft ingediend en die op 14 maart 2018 is toegewezen, werd deze bonificatie verhoogd tot 16 jaar, 9 maanden en 17 dagen. 13 Op 18 december 2017 heeft verzoeker, na de overdracht van zijn pensioenrechten, bij het PMO een verzoek om aansluiting bij het GSZV ingediend. 14 Dit verzoek is op 18 april 2018 stilzwijgend afgewezen overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut [zoals gewijzigd bij verordening nr. 1080/2010]. [Deze stilzwijgende afwijzing vormt het litigieuze besluit.] 15 Op 18 juli 2018 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut [, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1080/2010,] een klacht ingediend tegen [het litigieuze besluit]. 16 Zijn klacht is afgewezen bij besluit van 19 november 2018. Dit besluit is gebaseerd op het feit dat de klacht niet-ontvankelijk was op grond dat deze had moeten worden ingediend tegen het besluit van 18 juli 2011 tot vaststelling van verzoekers pensioenrechten, waarin was aangegeven dat hij niet bij het GSZV was aangesloten. [...]”

Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

7 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 februari 2019, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. Dit beroep was gebaseerd op twee middelen. Het eerste was gebaseerd op schending van artikel 95 RAP en het tweede, subsidiair aangevoerde middel op de onrechtmatigheid van die bepaling in het licht van artikel 45 VWEU.

8 In haar verweerschrift heeft de Commissie betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het was voorafgegaan door een eveneens niet-ontvankelijke klacht. Volgens haar was de klacht niet-ontvankelijk omdat deze had moeten worden ingediend tegen het besluit van 18 juli 2011 waarin de pensioenrechten van rekwirant werden vastgesteld en waarin erop werd gewezen dat hij niet bij het GSZV zou zijn aangesloten (hierna: „besluit van 18 juli 2011”). Subsidiair heeft deze instelling geconcludeerd tot afwijzing van de door rekwirant aangevoerde middelen.

9 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft om te beginnen geoordeeld dat het besluit van 18 juli 2011 een bezwarend besluit was dat bij gebreke van een klacht van rekwirant definitief was geworden. Het Gerecht heeft eraan herinnerd dat een functionaris die geen beroep heeft ingesteld tegen een voor hem bezwarend besluit, dit verzuim niet kan herstellen door middel van een later verzoek, tenzij een nieuw en wezenlijk feit een heroverweging van zijn situatie kan rechtvaardigen, en heeft geoordeeld dat de overdracht van de pensioenrechten van rekwirant geen dergelijk feit vormde, met name omdat die overdracht geen wijziging bracht in de situatie van rekwirant wat zijn aansluiting bij het GSZV betreft. Het Gerecht is op grond daarvan tot de slotsom gekomen dat rekwirant, met zijn verzoek tot aansluiting bij het GSZV van 17 december 2017, niet opnieuw een recht van beroep tegen het besluit van 18 juli 2011 kon doen ontstaan.

Conclusies van partijen voor de Hof

10 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen, en – de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

11 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirant te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

12 Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een onjuiste opvatting van het voorwerp van het geding, het tweede aan schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het derde aan schending van het beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is.

Eerste middel

Argumenten van partijen

13 Met zijn eerste middel voert rekwirant aan dat het Gerecht het voorwerp van het geding onjuist heeft opgevat door in punt 45 van de bestreden beschikking te oordelen dat het voor hem bezwarende besluit het besluit van 18 juli 2011 was. Rekwirant stelt dat hij dit besluit niet betwist en dat hij er geen belang bij had om daartegen op te komen, aangezien de Commissie daarin terecht heeft vastgesteld dat hij overeenkomstig artikel 95 RAP vanaf zijn pensionering niet meer bij het GSZV kon zijn aangesloten, aangezien hij zijn functie als arbeidscontractant minder dan drie jaar had uitgeoefend. Zijn beroep tot nietigverklaring had daarentegen betrekking op het litigieuze besluit, waarbij de Commissie heeft geweigerd hem vanaf 19 september 2017 bij het GSZV aan te sluiten op grond dat de aan de PRIEU overgedragen Italiaanse pensioenrechten niet konden worden gelijkgesteld met dienstjaren in de zin van die bepaling.

14 Volgens rekwirant berusten het besluit van 18 juli 2011 en het litigieuze besluit op verschillende gronden en hebben zij dus niet hetzelfde voorwerp, aangezien het eerste besluit is gebaseerd op de vaststelling dat rekwirant niet gedurende meer dan drie jaar bij de Unie werkzaam is geweest en het tweede betrekking heeft op de weigering van de administratie om de extra pensioenjaren gelijk te stellen met dienstjaren in de zin van artikel 95 RAP.

15 Rekwirant wijst erop dat hij op 18 juli 2011 inderdaad op de hoogte is gesteld van het feit dat de Commissie artikel 95 RAP aldus zou uitleggen dat de extra pensioenjaren uit hoofde van een eventuele overdracht van pensioenrechten zouden worden uitgesloten. Die kennisgeving geeft echter enkel blijk van het voornemen van de administratie om de aansluiting van rekwirant bij het GSZV niet te herzien in geval van overdracht van zijn pensioenrechten. Die kennisgeving kan niet als bezwarend voor rekwirant worden beschouwd, aangezien zij zijn belangen ten tijde van zijn pensionering niet rechtstreeks en onmiddellijk raakte door zijn rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen.

16 Rekwirant voegt hieraan toe dat de overwegingen van het Gerecht in de punten 46 en 52 van de bestreden beschikking met betrekking tot het feit dat hij met volledige kennis van zaken heeft ingestemd met de overdracht van zijn pensioenrechten, geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. Hij is namelijk van mening dat hij niet kon opkomen tegen de weigering van de Commissie om rekening te houden met de extra pensioenjaren zolang die overdracht niet had plaatsgevonden.

17 De Commissie betwist de gestelde onjuiste opvatting en concludeert tot afwijzing van dit middel. Onder verwijzing naar punt 51 van de bestreden beschikking stelt deze instelling dat de daadwerkelijke overdracht van de Italiaanse pensioenrechten geen gevolgen heeft kunnen hebben voor de toepassingsvoorwaarden van artikel 95 RAP, aangezien die overdracht het aantal jaren dat rekwirant als arbeidscontractant in de zin van die bepaling bij de Unie werkzaam is geweest, niet heeft gewijzigd. Er bestaat immers geen enkel verband tussen die bepaling en artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004, op grond waarvan het aantal pensioenjaren kan worden verhoogd door de overdracht van in het kader van de nationale regeling betaalde bijdragen. Rekwirant haalt de jaren van daadwerkelijke tewerkstelling in dienst van de Unie en het aantal pensioenjaren dat wegens die overdracht is toegekend dus ten onrechte door elkaar.

18 Volgens de Commissie hadden het besluit van 18 juli 2011 en het litigieuze besluit een ander voorwerp, zoals rekwirant zelf erkent. Aangezien laatstgenoemd besluit betrekking heeft op het aantal overgedragen pensioenjaren, kan het geen nieuw feit vormen voor de beoordeling van het aantal dienstjaren in de zin van artikel 95 RAP, dat definitief is vastgesteld bij het besluit van 18 juli 2011. Aangezien de overgedragen pensioenjaren het aantal dienstjaren binnen de Unie niet kunnen wijzigen, kunnen zij de situatie van rekwirant niet wezenlijk wijzigen ten opzichte van die welke tot dat besluit heeft geleid.

19 Het besluit van 18 juli 2011 vormt geen „kennisgeving”, zoals rekwirant stelt, en vermeldt evenmin dat het besluit over de intrekking van de dekking door de ziektekostenverzekering van het GSZV slechts voorlopig was. Integendeel, in dat besluit is vastgesteld dat rekwirant tijdens zijn pensionering niet voor deze verzekering in aanmerking kwam, en aan het besluit is onmiddellijk toepassing gegeven.

Beoordeling door het Hof

20 Met zijn eerste middel betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht het voorwerp van het geding onjuist heeft opgevat door in de bestreden beschikking te oordelen dat het litigieuze besluit louter een bevestiging vormde van de voor hem bezwarende handeling, te weten het besluit van 18 juli 2011, zonder dat zich een nieuw en wezenlijk feit had voorgedaan dat een nieuw onderzoek van dat besluit kon rechtvaardigen, terwijl die besluiten op verschillende gronden berustten en dus niet hetzelfde voorwerp hadden.

21 In dit verband zij eraan herinnerd dat een handeling louter een bevestiging van een eerdere handeling is als zij vergeleken met deze laatste geen nieuw element bevat. Met betrekking tot een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden eerder besluit volgt uit vaste rechtspraak dat enkel het bestaan van nieuwe wezenlijke feiten de indiening van een dergelijk verzoek kan rechtvaardigen (arrest van 15 november 2018, Estland/Commissie, C‑334/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:914, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 In casu moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie zelf erkent, het besluit van 18 juli 2011 en het litigieuze besluit een verschillend voorwerp hebben. Bijgevolg kan het tweede besluit niet worden beschouwd als een loutere bevestiging van het eerste.

23 Enerzijds is immers bij het besluit van 18 juli 2011 de aansluiting van rekwirant bij het GSZV op grond van artikel 95 RAP beëindigd met ingang van 1 juli 2011, de datum waarop hij met pensioen is gegaan. Op grond van dat artikel wordt de aansluiting van een arbeidscontractant na beëindiging van zijn werkzaamheden afhankelijk gesteld van een arbeidsduur van meer dan drie jaar bij de Unie. Anderzijds is bij het litigieuze besluit het verzoek van rekwirant om aansluiting bij het GSZV met ingang van 19 september 2017, na de overdracht van zijn Italiaanse pensioenrechten, afgewezen, op grond dat de extra pensioenjaren niet konden worden gelijkgesteld met dienstjaren in de zin van die bepaling.

24 Hieruit volgt dat het op de overdracht van die pensioenrechten gebaseerde verzoek om aansluiting bij het GSZV ten opzichte van het besluit van 18 juli 2011 een nieuw element vormt in de zin van de in punt 21 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

25 In dit verband kan niet worden geoordeeld dat dit besluit betrekking had op de weigering om voor de toepassing van artikel 95 RAP de extra pensioenjaren van rekwirant gelijk te stellen met dienstjaren. Rekwirant had immers niet alleen vóór de vaststelling van dat besluit geen verzoek in die zin ingediend, maar bovendien zou hij daartoe niet in staat zijn geweest, aangezien de overdracht van de Italiaanse pensioenrechten, hoewel hij daar in 2010 om had verzocht, pas in 2017 heeft plaatsgevonden.

26 Een dergelijke weigering zou dus betrekking hebben gehad op een toekomstige en hypothetische situatie, zodat rekwirant bij gebrek aan belang geen ontvankelijk beroep had kunnen instellen tegen die weigering, aangezien een dergelijk belang een verkregen en daadwerkelijk belang moet zijn op het moment van het instellen van het beroep (zie in die zin arrest van 23 november 2017, Bionorica en Diapharm/Commissie, C‑596/15 P en C‑597/15 P, EU:C:2017:886, punten 83 en 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 De vaststelling van het Gerecht in punt 51 van de bestreden beschikking dat de overdracht van de Italiaanse pensioenrechten van rekwirant aan de PRIEU diens rechtspositie met betrekking tot zijn aansluiting bij het GSZV niet wijzigde, net zoals de stelling van de Commissie dat rekwirant ten onrechte de jaren van daadwerkelijke tewerkstelling bij de Unie en het aantal pensioenjaren dat als gevolg van die overdracht was toegekend door elkaar haalt, laten bovendien het voorwerp van het litigieuze besluit onverlet en betreffen de gegrondheid ervan.

28 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht, door te oordelen dat het voor rekwirant bezwarende besluit het besluit van 18 juli 2011 was en dat zijn beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit op die grond niet-ontvankelijk was, in de bestreden beschikking het voorwerp van dat beroep onjuist heeft opgevat.

29 In die omstandigheden moet het eerste middel worden aanvaard en moet de bestreden beschikking dus worden vernietigd, zonder dat het tweede en het derde middel hoeven te worden onderzocht.

Gevolgen van de vernietiging van de bestreden beschikking

30 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, ingeval het de beslissing van het Gerecht vernietigt, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

31 Aangezien het Gerecht in casu het beroep van rekwirant niet-ontvankelijk heeft verklaard en de door rekwirant tot staving van zijn beroep aangevoerde middelen dus niet heeft onderzocht, is het Hof van oordeel dat de zaak niet in staat van wijzen is. Derhalve moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht.

Kosten

32 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart:

1) De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 25 maart 2020, Necci/Commissie (T‑129/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:131), wordt vernietigd.

2) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken