HvJ EU 29 april 2021, C-47/20, ECLI:EU:C:2021:332

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

29 april 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vervoer – Rijbewijs – Intrekking van het rijbewijs op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van afgifte ervan – Verlenging van het rijbewijs door de lidstaat van afgifte na de beslissing tot intrekking – Geen automatische onderlinge erkenning”

In zaak C‑47/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) bij beslissing van 10 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2020, in de procedure

F.

tegen

Stadt Karlsruhe,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– F., vertegenwoordigd door W. Säftel, Rechtsanwalt,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Mölls en N. Yerrell als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, artikel 7, lid 3, tweede alinea, en artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB 2006, L 403, blz. 18).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F., een Duits staatsburger die houder is van een in Spanje afgegeven rijbewijs, en de Stadt Karlsruhe (stad Karlsruhe, Duitsland) over een beslissing van de bevoegde Duitse autoriteiten waarbij hem het recht is ontzegd om op het Duitse grondgebied gebruik te maken van zijn rijbewijs.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 2 van richtlijn 2006/126 luidt: „De voorschriften betreffende het rijbewijs zijn onontbeerlijke elementen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid, dragen bij tot de veiligheid van het wegverkeer en vergemakkelijken het vrije verkeer van personen die zich in een andere lidstaat vestigen dan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven. Gezien het belang van individuele vervoermiddelen, bevordert het bezit van een door de gastlidstaat naar behoren erkend rijbewijs aldus het vrije verkeer van personen. [...]”

4 Volgens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn „[worden] [d]e door de lidstaten afgegeven rijbewijzen [...] onderling erkend”.

5 Artikel 7 van deze richtlijn bepaalt: „1. De afgifte van het rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen: a) De aanvrager moet overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen afleggen, alsmede voldoen aan de medische normen van bijlage III. [...] e) De aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven. 2. a) Vanaf 19 januari 2013 hebben de door de lidstaten voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B1 en BE afgegeven rijbewijzen een administratieve geldigheidsduur van tien jaar. Een lidstaat kan ervoor kiezen deze rijbewijzen af te geven met een administratieve geldigheid tot 15 jaar. [...] 3. De verlenging van het rijbewijs op het moment dat de administratieve geldigheidsduur verstrijkt, is afhankelijk van: a) de vaststelling dat nog steeds voldaan is aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig zoals vermeld in bijlage III voor de rijbewijzen van de categorieën C, CE, C1, C1E, D, DE, D1, D1E; en b) het feit dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft, of aantoont dat hij voor ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven, op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft. De lidstaten kunnen bij de verlenging van een rijbewijs van de categorieën A, A1, A2, AM, B, B1 en BE verplichten tot een onderzoek om na te gaan of voldaan is aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig zoals vermeld in bijlage III. [...] 5. [...] Onverminderd artikel 2 zien de lidstaten er bij het afgeven van een rijbewijs grondig op toe dat de houders voldoen aan de voorschriften van lid 1, en passen zij hun nationale bepalingen inzake nietigverklaring en intrekking van de rijbevoegdheid toe indien wordt vastgesteld dat een rijbewijs is afgegeven zonder dat aan de eisen daarvoor is voldaan.”

6 Artikel 11 van richtlijn 2006/126 luidt: „1. Indien de houder van een door een lidstaat afgegeven geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan hij om inwisseling van zijn rijbewijs tegen een gelijkwaardig rijbewijs verzoeken. De lidstaat die tot inwisseling overgaat, moet nagaan voor welke categorie het overgelegde rijbewijs nog geldig is. [...] 4. Een lidstaat weigert een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat is beperkt, geschorst of ingetrokken. Een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken. Een lidstaat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat nietig is verklaard. 5. Een rijbewijs dat bij voorbeeld verloren of gestolen is, kan alleen worden vervangen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de houder zijn gewone verblijfplaats heeft. De autoriteiten vervangen het rijbewijs aan de hand van de gegevens die zij bezitten of, in voorkomend geval, op grond van een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het oorspronkelijke rijbewijs heeft afgegeven. [...]”

7 In artikel 12, eerste alinea, van deze richtlijn is bepaald: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.”

Duits recht

8 § 13 van de Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straßenverkehr – Fahrerlaubnis-Verordnung (regeling inzake de toelating van personen tot het wegverkeer) van 13 december 2010 (BGBl. 2010 I, blz. 1980), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „FeV”), luidt als volgt: „Ter voorbereiding van de besluiten tot afgifte of verlenging van het rijbewijs of tot oplegging van beperkingen of tot oplegging van beperkingen of voorwaarden met betrekking tot de rijbevoegdheid, gelast de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit [...] 2. dat de betrokkene een medisch-psychologisch deskundigenverslag overlegt, wanneer [...] c) hij een voertuig op de openbare weg heeft bestuurd bij een bloedalcoholgehalte van ten minste 1,6 g promille of een ademalcoholgehalte van ten minste 0,8 mg/l, [...]”

9 § 29 FeV bepaalt: „(1) De houders van een buitenlands rijbewijs mogen binnen de grenzen van hun rijbevoegdheid in Duitsland motorvoertuigen besturen, wanneer zij in Duitsland geen gewone verblijfplaats hebben in de zin van § 7. [...] [...] (3) De in lid 1 bedoelde bevoegdheid geldt niet voor houders van een buitenlands rijbewijs [...] 3. aan wie in Duitsland de rijbevoegdheid tijdelijk of definitief door de rechter, dan wel bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve bestuurlijke maatregel is ontzegd, aan wie de rijbevoegdheid definitief is geweigerd of aan wie de rijbevoegdheid niet is ontzegd op de enkele grond dat zij er intussen afstand van hebben gedaan. [...] [...] De eerste alinea, punten 3 en 4, [van lid 3] is slechts van toepassing op de rijbewijzen van de [Europese Unie] of de [Europese Economische Ruimte (EER)] wanneer de daarin genoemde maatregelen zijn ingeschreven in het rijgeschiktheidsregister en niet overeenkomstig § 29 [van het Straßenverkehrsgesetz (Duitse wegverkeerswet; hierna: „StVG”)] zijn doorgehaald. (4) Het recht om in Duitsland van een buitenlands rijbewijs gebruik te maken na een van de in lid 3, punten 3 en 4, genoemde beslissingen, wordt op verzoek verleend, indien de redenen voor de intrekking niet meer bestaan.”

10 In § 3, lid 6, StVG is bepaald: „Met betrekking tot de verlening van het recht om, na voorafgaande intrekking of afstand, in Duitsland weer van een buitenlands rijbewijs gebruik te maken, aan personen met gewone verblijfplaats in het buitenland, zijn de bepalingen inzake de herafgifte van een rijbewijs na voorafgaande intrekking of afstand van overeenkomstige toepassing.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 F. is Duits staatsburger. Hij heeft sinds 1992 een verblijfplaats in Spanje en een tweede verblijfsplaats in Karlsruhe (Duitsland). Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat deze laatste verblijfplaats geen gewone verblijfplaats is als bedoeld in § 7 FeV en artikel 12, eerste alinea, van richtlijn 2006/126.

12 F. is in 1987, 1990, 1995 en 2000 in Duitsland veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol. In 1990 is zijn Duitse rijbewijs bijgevolg ingetrokken. Op 21 oktober 1992 is hem in Spanje een rijbewijs afgegeven voor onder meer de categorieën A en B.

13 Nadat F. op 12 december 2008 in Duitsland een voertuig had bestuurd onder invloed van alcohol, is hij veroordeeld tot een geldboete bij een uitvoerbare strafbeschikking van 20 januari 2009. Bij dezelfde beschikking is hem ook wegens rijongeschiktheid het recht ontzegd om met zijn Spaanse rijbewijs motorvoertuigen in Duitsland te besturen, en is hem voor een periode van 14 maanden verboden om een nieuw rijbewijs aan te vragen. Ten slotte is het hem op 22 oktober 2007 in Spanje afgegeven rijbewijs ingetrokken en toegezonden aan de Spaanse bevoegde autoriteiten. Die autoriteiten hebben dit document vervolgens korte tijd nadien aan F. teruggegeven.

14 Voorts hebben de Spaanse autoriteiten op 23 november 2009, dus tijdens die verbodsperiode van veertien maanden, aan F. een nieuw rijbewijs afgegeven met dezelfde geldigheidsduur als die van het oorspronkelijke Spaanse rijbewijs. Dit in 2012, 2014 en 2016 verlengde rijbewijs is thans geldig tot 22 oktober 2021. De op alle afgegeven documenten vermelde begindatum van geldigheid is 21 oktober 1992, te weten de datum waarop het oorspronkelijke Spaanse rijbewijs is afgegeven.

15 Op 20 januari 2014 heeft F. de stad Karlsruhe verzocht om de geldigheid van zijn Spaanse rijbewijs op het Duitse grondgebied te erkennen. Dit verzoek is afgewezen op grond dat zijn Spaanse rijbewijs in Duitsland was ingetrokken wegens rijden onder invloed van alcohol, waardoor hem de mogelijkheid om op Duits grondgebied een voertuig te besturen definitief werd ontzegd totdat zijn rijgeschiktheid opnieuw was gecontroleerd. De Duitse autoriteiten hebben opgemerkt dat, bij het verstrijken van de hem opgelegde verbodsperiode, hij in Spanje geen nieuw rijbewijs had verkregen dat door de Duitse autoriteiten als geldig moest worden erkend, maar alleen documenten had gekregen voor de verlenging van zijn oorspronkelijke rijbewijs. De stad Karlsruhe was van mening dat F. krachtens § 13, eerste volzin, punt 2, onder c), FeV verplicht was een medisch-psychologisch deskundigenverslag over te leggen om de twijfels over zijn rijgeschiktheid weg te nemen. Daar geen dergelijk deskundigenverslag werd overgelegd, mocht volgens de stad Karlsruhe op grond van § 11, lid 8, FeV worden aangenomen dat hij ongeschikt was om voertuigen te besturen. Het bezwaar van F. tegen dit besluit is op dezelfde gronden afgewezen.

16 F. heeft daarop beroep tot nietigverklaring van dit besluit ingesteld, dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is verworpen.

17 Volgens de appelrechter verzet de uitsluitingsgrond van § 29, lid 3, eerste volzin, punt 3, FeV, gelezen in samenhang met § 29, lid 3, derde volzin, ervan, zich tegen de verlening van een nationaal rijbewijs op grond van § 29 FeV.

18 Deze rechter was van oordeel dat de rijbevoegdheid van F. definitief was ingetrokken door de Duitse autoriteiten nadat hij in december 2008 onder invloed van alcohol had gereden. Deze intrekkingsmaatregel, die niet is doorgehaald en ook van toepassing is op het huidige Spaanse rijbewijs van F., is derhalve nog ingeschreven in het rijgeschiktheidsregister. Om zijn Spaanse rijbewijs opnieuw te kunnen gebruiken in Duitsland moet F. overeenkomstig § 29, lid 4, FeV, gelezen in samenhang met § 3, lid 6, StVG een verzoek tot erkenning van de geldigheid van dat rijbewijs indienen bij de Duitse autoriteit die bevoegd is voor de afgifte van rijbewijzen.

19 Volgens de appelrechter verleent ook artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 F. niet het recht om in Duitsland motorvoertuigen te besturen met zijn Spaanse rijbewijs. Het feit dat de Spaanse autoriteiten het oorspronkelijke rijbewijs kort na de intrekking ervan door de Duitse autoriteiten aan F. hebben teruggegeven en dat rijbewijs op 23 november 2009 hebben vervangen, houdt niet de verplichting in voor de autoriteiten van een lidstaat om de geldigheid van een door de autoriteiten van een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen. De Spaanse autoriteiten hebben deze maatregelen genomen in de bij de Duitse strafbeschikking van 20 januari 2009 vastgestelde periode waarin het F. verboden was een nieuw rijbewijs aan te vragen, waarbij het niet duidelijk is of deze maatregelen zijn voorafgegaan door een controle van zijn rijgeschiktheid. Deze rechter vermeldt ook dat de Spaanse autoriteiten F. geen nieuw rijbewijs hebben afgegeven, maar enkel het oorspronkelijke rijbewijs hebben verlengd overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2006/126, na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan.

20 Voor een dergelijke verlenging geldt volgens de appelrechter echter alleen de voorwaarde inzake de verblijfplaats van de houder, zoals blijkt uit artikel 7, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2006/126. De verlenging van een rijbewijs is dus van dezelfde aard als een vervanging van een rijbewijs als bedoeld in artikel 11, lid 5, van deze richtlijn, aangezien er in beide gevallen slechts een nieuw bewijs van een bestaand rijbewijs wordt afgegeven. Een lidstaat die – zoals het Koninkrijk Spanje – heeft beslist om de periodieke verlenging van een rijbewijs afhankelijk te stellen van een gezondheidstest is niet verplicht om zonder specifieke aanwijzingen de gezondheid van elke rijbewijshouder te onderzoeken om vast te stellen of nog steeds aan alle in bijlage III bij richtlijn 2006/126 vastgestelde minimumgezondheidsnormen is voldaan. Bij een leeftijdsgebonden gezondheidsonderzoek mogen in de regel alleen het gezichts-, gehoor- en reactievermogen worden onderzocht, alsook de klaarblijkelijke gezondheidsaandoeningen. De onvoorwaardelijke erkenning door de andere lidstaten van de geldigheid van een rijbewijs in deze situatie zou in strijd zijn met de doelstelling om de verkeersveiligheid te verhogen.

21 De appelrechter heeft ook het verzoek van F. afgewezen om de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit te gelasten zijn Spaanse rijbewijs op grond van § 29, lid 4, FeV als geldig te erkennen. Hij was van oordeel dat de gronden voor de intrekking van de rijbevoegdheid nog steeds bestonden, nu F. niet het medisch-psychologisch deskundigenverslag had overgelegd dat wegens het bij hem tijdens de verkeerscontrole vastgestelde bloedalcoholgehalte van 2,12 promille vereist was. Hij voegt daaraan toe dat het in het Unierecht geldende evenredigheidsbeginsel zich niet verzet tegen het vereiste van een dergelijk deskundigenverslag, waarin is voorzien wanneer het bloedalcoholgehalte van een bestuurder op de openbare weg een bepaald niveau overschrijdt, gelet op de risico’s die alcoholgebruik voor de verkeersveiligheid met zicht brengt.

22 F. heeft beroep in Revision ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland), waarbij hij aanvoerde dat § 29, leden 3 en 4, FeV het Unierecht schendt voor zover het vereist dat de Duitse autoriteiten een beslissing nemen over de erkenning van de geldigheid van door de autoriteiten van andere lidstaten afgegeven rijbewijzen. Hij is van mening dat willekeurig en zonder rechtsgrondslag werd aangenomen dat de drie bestuurshandelingen waarbij de Spaanse autoriteiten zijn rijbewijs hebben verlengd, geen afgifte van een rijbewijs in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 inhielden, maar verlengingen waren van het oorspronkelijke, op 21 oktober 1992 afgegeven rijbewijs. De redenering dat bij de verlenging van een rijbewijs een bestaande onregelmatigheid overgaat op het huidige rijbewijs, mist volgens verzoeker ook elke rechtsgrondslag. Overigens bestaat er geen enkel arrest van het Hof in die zin. Hij is van mening dat alleen de Spaanse autoriteiten bevoegd zijn om te bepalen of hij opnieuw geschikt is om een motorvoertuig te besturen. Zijns inziens zijn de Duitse autoriteiten niet bevoegd om de beslissingen van de Spaanse autoriteiten ter zake te toetsen.

23 De verwijzende rechter vraagt zich af in hoeverre het in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 neergelegde beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen ook van toepassing is op gevallen van verlenging van een rijbewijs op grond van artikel 7, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 door de lidstaat van gewone verblijfplaats, nadat de lidstaat van de tijdelijke verblijfplaats de betrokkene het recht om van zijn rijbewijs gebruik te maken op het grondgebied van die lidstaat heeft ontzegd wegens rijden onder invloed van alcohol en wegens de daaruit voortvloeiende rijongeschiktheid.

24 Tegen deze achtergrond heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Verzetten artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn [2006/126] zich ertegen dat een lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven EU-rijbewijs van de categorieën A en B vanwege het rijden onder invloed van alcohol het recht is ontzegd om met dat rijbewijs in de eerstgenoemde lidstaat motorvoertuigen te besturen, de erkenning weigert van een rijbewijs van die categorieën dat aan de betrokkene in de tweede lidstaat na de ontzegging is afgegeven bij wijze van verlenging in de zin van artikel 7, lid 3, tweede alinea, van richtlijn [2006/126]?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs van de categorieën A en B de rijbevoegdheid is ontzegd wegens een strafbaar feit dat zich heeft voorgedaan tijdens een tijdelijk verblijf op dat grondgebied na de afgifte van dat rijbewijs, en wegens de daaruit krachtens de wetgeving van de eerste lidstaat voortvloeiende rijongeschiktheid, vervolgens weigert dit rijbewijs als geldig te erkennen nadat het krachtens artikel 7, lid 3, van deze richtlijn is verlengd door de lidstaat waar de houder van dat rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 12, eerste alinea, van deze richtlijn.

26 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 volgens vaste rechtspraak voorziet in de onderlinge erkenning, zonder formaliteiten, van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen. Deze bepaling legt hun een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting op, zonder beoordelingsmarge over de tot nakoming daarvan te nemen maatregelen (arresten van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 oktober 2020, Kreis Heinsberg, C‑112/19, EU:C:2020:864, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het aan de lidstaat van afgifte staat om na te gaan of is voldaan aan de door het Unierecht opgelegde minimumvoorwaarden, met name die van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/126 inzake verblijf en rijvaardigheid, en dus of de afgifte van een rijbewijs gerechtvaardigd is (arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Wanneer de autoriteiten van een lidstaat overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 2006/126 een rijbewijs hebben afgegeven, mogen de andere lidstaten dan ook niet nagaan of aan de afgiftevoorwaarden van deze richtlijn is voldaan. Het bezit van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs is namelijk te beschouwen als het bewijs dat de houder van dit rijbewijs op de dag van de afgifte ervan voldeed aan deze voorwaarden (arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Aangezien artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 bovendien geen onderscheid maakt naar de wijze van afgifte van het rijbewijs, te weten naar aanleiding van het succesvol afleggen van het in artikel 7 van richtlijn 2006/126 bedoelde examen, naar aanleiding van een inwisseling krachtens artikel 11, lid 1, van die richtlijn dan wel naar aanleiding van een verlenging krachtens artikel 11, lid 3, van die richtlijn, geldt het beginsel van onderlinge erkenning ook voor rijbewijzen die op grond van een dergelijke verlenging zijn afgegeven, behoudens de in voornoemde richtlijn vastgestelde uitzonderingen (zie in die zin arrest van 28 oktober 2020, Kreis Heinsberg, C‑112/19, EU:C:2020:864, punt 26).

30 Het Hof heeft evenwel in punt 71 van het arrest van 23 april 2015, Aykul (C‑260/13, EU:C:2015:257), geoordeeld dat artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs tijdelijk verblijft, weigert de geldigheid van dit rijbewijs te erkennen wegens een strafbaar feit dat de betrokken houder op dit grondgebied heeft gepleegd nadat voornoemd rijbewijs is afgegeven en dat volgens de nationale wetgeving van de eerste lidstaat van dien aard is dat het ongeschiktheid tot het besturen van motorvoertuigen meebrengt.

31 Dienaangaande heeft het Hof in punt 60 van dat arrest met name overwogen dat artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 een lidstaat die niet de lidstaat is waar de houder van een in een andere lidstaat verkregen rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft, toestaat om krachtens zijn nationale wetgeving en wegens een strafbare gedraging van die houder op zijn grondgebied, maatregelen te nemen waarvan de draagwijdte beperkt is tot zijn grondgebied en die enkel de weigering van erkenning van de geldigheid van dat rijbewijs op dit grondgebied tot gevolg hebben.

32 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat in een dergelijke situatie, waarin de rijgeschiktheid niet bij de afgifte van het rijbewijs ter discussie is komen te staan, maar wel ingevolge het strafbare feit dat de houder van dit rijbewijs heeft gepleegd na de afgifte ervan en waarvan de bestraffing alleen effecten sorteerde op het grondgebied van de lidstaat waar deze overtreding was begaan, die lidstaat bevoegd is om de voorwaarden vast te stellen waaraan de houder van dit rijbewijs moet voldoen om de rijbevoegdheid op zijn grondgebied terug te krijgen (zie in die zin arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punten 73 en 84).

33 Het Hof heeft evenwel aangegeven dat het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of de betrokken lidstaat zich door de toepassing van zijn eigen regels niet in feite voor onbepaalde duur verzet tegen de erkenning van het rijbewijs dat door een andere lidstaat is afgegeven, en dat het in deze context ook aan die rechter staat om te verifiëren of de door de wetgeving van de eerste lidstaat opgelegde voorwaarden in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door richtlijn 2006/126 nagestreefde doel, namelijk de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren (arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 84).

34 Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, volgt uit de rechtspraak van het Hof weliswaar ook dat een lidstaat de erkenning van de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs niet afhankelijk mag stellen van een in de regeling van de eerste lidstaat voor de afgifte van rijbewijzen gestelde voorwaarde, zoals de overlegging van een medisch-psychologisch deskundigenverslag, wanneer dit rijbewijs is afgegeven na de intrekking van een eerder rijbewijs door de eerste lidstaat na het verstrijken van een eventuele verbodsperiode [zie in die zin met betrekking tot richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB 1991, L 237, blz. 1), die is vervangen door richtlijn 2006/126, arrest van 19 februari 2009, Schwarz, C‑321/07, EU:C:2009:104, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en, met betrekking tot richtlijn 2006/126, arrest van 26 april 2012, Hofmann, C‑419/10, EU:C:2012:240, punt 84].

35 In een dergelijke situatie is de ongeschiktheid om een voertuig te besturen, die is bestraft met de intrekking van het rijbewijs in de eerste lidstaat, namelijk opgeheven doordat de andere lidstaat bij de latere afgifte van een rijbewijs de geschiktheid heeft onderzocht. Zoals in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet de afgiftestaat bij die gelegenheid met name nagaan of de aanvrager overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/126 voldoet aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig (zie in die zin met betrekking tot artikel 7, lid 1, van richtlijn 91/439, dat overeenkomt met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/126, arrest van 19 februari 2009, Schwarz, C‑321/07, EU:C:2009:104, punten 92 en 93).

36 In het hoofdgeding is het betrokken rijbewijs, na te zijn ingetrokken door de lidstaat waar de houder ervan zijn tijdelijke verblijfplaats had, nadien echter niet afgegeven door de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats als bedoeld in artikel 12, eerste alinea, van richtlijn 2006/126, maar enkel door deze staat verlengd. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat het rijbewijs aanvankelijk aan F. is afgegeven in 1992 en, nadat het door de Duitse autoriteiten was ingetrokken, louter herhaaldelijk is verlengd door de Spaanse autoriteiten en thans geldig is tot 22 oktober 2021.

37 In een dergelijke situatie kan de enkele verlenging van een rijbewijs van de categorieën A en B krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 2006/126 door de lidstaat waar de houder ervan zijn gewone verblijfplaats heeft niet worden gelijkgesteld met de afgifte van een nieuw rijbewijs in de zin van artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, aangezien de voorwaarden voor verlenging en afgifte niet identiek zijn. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, zou voor een dergelijke gelijkstelling de in de lidstaat van tijdelijke verblijfplaats vastgestelde ongeschiktheid om motorvoertuigen te besturen namelijk moeten worden opgeheven ingevolge de verlenging in de lidstaat van gewone verblijfplaats.

38 Wat de rijbewijzen van de categorieën AM, A, A1, A2, B, B1 en BE betreft, bepaalt artikel 7, lid 3, eerste alinea, van richtlijn 2006/126 als geharmoniseerde minimumvoorwaarde voor de verlenging van een rijbewijs bij het verstrijken van de administratieve geldigheid ervan, dat de aanvrager zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft of aantoont dat hij er ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven. Het is juist dat de lidstaten, zoals blijkt uit de tweede alinea van deze bepaling, de verlenging van rijbewijzen ook afhankelijk kunnen stellen van een onderzoek om na te gaan of voldaan is aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig zoals vermeld in bijlage III, maar dit betreft slechts een mogelijkheid waarover de lidstaten beschikken.

39 Wat daarentegen de afgifte van rijbewijzen betreft, bepaalt artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/126 dat het rijbewijs slechts kan worden afgegeven indien de aanvrager niet alleen voldoet aan de voorwaarde dat hij zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs kan leveren dat hij er ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven, maar ook overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen heeft afgelegd, alsmede voldoet aan de medische normen van bijlage III. De afgifte van een rijbewijs wordt dus afhankelijk gesteld van een controle van de rijgeschiktheid overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij die richtlijn.

40 Dat krachtens richtlijn 2006/126 een verplichting tot onderlinge erkenning van door de lidstaten afgegeven rijbewijzen is opgelegd, is het gevolg van het feit dat bij deze richtlijn minimumvoorwaarden voor de afgifte van een Europees rijbewijs zijn vastgesteld (arrest van 28 februari 2019, Meyn, C‑9/18, EU:C:2019:148, punt 28).

41 In dit verband heeft het Hof, zoals met name blijkt uit de in de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en zoals de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft opgemerkt, herhaaldelijk gewezen op het verband dat bestaat tussen de in het Unierecht geharmoniseerde minimumvoorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs, de controle van deze voorwaarden door de lidstaat van afgifte en de op de andere lidstaten rustende verplichting om dit rijbewijs als geldig te erkennen.

42 Aangezien de lidstaten krachtens artikel 7, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 niet verplicht zijn om bij de verlenging van een rijbewijs van de categorieën A, A1, A2, AM, B, B1 en BE te onderzoeken of is voldaan aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, zoals vermeld in bijlage III bij deze richtlijn, is de lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een louter verlengd rijbewijs van deze categorieën een motorvoertuig wenst te besturen nadat hij zijn rijbevoegdheid ten aanzien van dat grondgebied was verloren vanwege een aldaar begane verkeersovertreding, gerechtigd om op grond van de uitzondering van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 en dus in afwijking van het in punt 29 van dit arrest genoemde beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen, de erkenning van de geldigheid van dat rijbewijs te weigeren wanneer, na het verstrijken van een eventuele verbodsperiode, niet is voldaan aan de in het nationale recht gestelde voorwaarden voor herkrijging van zijn rijbevoegdheid op dat grondgebied.

43 In dergelijke omstandigheden kan de in richtlijn 2006/126 neergelegde verplichting voor lidstaten om de geldigheid van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen van de categorieën A, A1, A2, AM, B, B1 en BE onderling te erkennen namelijk niet automatisch gelden voor de verlenging van deze rijbewijzen, aangezien de voorwaarden voor verlenging per lidstaat kunnen verschillen.

44 Het is juist dat een dergelijke verplichting tot onderlinge erkenning niet kan afhangen van de verificatie, door de lidstaat waar de houder van een in een andere lidstaat afgegeven en verlengd rijbewijs zijn tijdelijke verblijfplaats heeft, van de voorwaarden waaronder dat rijbewijs is verlengd. De houder van het rijbewijs die na het verstrijken van een eventuele verbodsperiode opnieuw rijbevoegdheid wenst te verkrijgen in de eerste lidstaat, moet evenwel aan de autoriteiten van die staat het bewijs kunnen leveren dat zijn rijgeschiktheid overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij richtlijn 2006/126 is gecontroleerd bij de verlenging van zijn rijbewijs in de tweede lidstaat en dat bijgevolg overeenkomstig de in punt 35 van dit arrest genoemde rechtspraak de door de eerste lidstaat vastgestelde ongeschiktheid om een voertuig te besturen is opgeheven ingevolge die verlenging. Daarbij geldt evenwel als voorwaarde dat die controle inhoudelijk overeenstemt met de door de regeling van die lidstaat voorgeschreven controle.

45 Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 zich er in beginsel niet tegen verzetten dat de autoriteiten van een lidstaat in een situatie als in het hoofdgeding weigeren de geldigheid te erkennen van een rijbewijs van de categorieën A en B dat overeenkomstig artikel 7, lid 3, van richtlijn 2006/126 in een andere lidstaat louter is verlengd, waarbij eerstgenoemde lidstaat dus bevoegd is om de voorwaarden vast te stellen waaraan de houder van het rijbewijs moet voldoen voor herkrijging van zijn rijbevoegdheid op het grondgebied van die lidstaat.

46 In dit verband moet worden vastgesteld dat de mogelijkheid voor de autoriteiten van een lidstaat om in een dergelijke situatie – wegens een op zijn grondgebied begane verkeersovertreding – de erkenning van de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven en verlengd rijbewijs afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden, het risico van verkeersongevallen kan verminderen en dus beantwoordt aan de door richtlijn 2006/126 nagestreefde doelstelling om de verkeersveiligheid te verhogen, zoals in de overweging 2 van die richtlijn in herinnering wordt gebracht.

47 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op het evenredigheidsbeginsel, de voorschriften van de wettelijke regeling van de eerste lidstaat tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de houder van een rijbewijs, aan wie de bevoegdheid om te rijden op het grondgebied van die lidstaat – waar hij zijn tijdelijke verblijfplaats had – vanwege een strafbaar feit is ontzegd, moet voldoen om zijn rijbevoegdheid op het grondgebied van die lidstaat te herkrijgen, niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door richtlijn 2006/126 nagestreefde doel, namelijk de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren (zie in die zin arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 78). Dat zou met name het geval zijn indien deze voorschriften zich ertegen verzetten dat die houder het bewijs levert dat – na het verstrijken van een eventuele verbodsperiode – zijn rijgeschiktheid overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij richtlijn 2006/126 is gecontroleerd bij de verlenging van zijn rijbewijs in de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft en deze controle inhoudelijk overeenstemt met de door de regeling van de eerste lidstaat voorgeschreven controle.

48 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs van de categorieën A en B de rijbevoegdheid is ontzegd wegens een strafbaar feit dat zich heeft voorgedaan tijdens een tijdelijk verblijf op dat grondgebied na de afgifte van dat rijbewijs, vervolgens weigert dit rijbewijs als geldig te erkennen nadat het krachtens artikel 7, lid 3, van deze richtlijn is verlengd door de lidstaat waar de houder van dit rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 12, eerste alinea, van deze richtlijn. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op het evenredigheidsbeginsel, de voorschriften van de wettelijke regeling van de eerste lidstaat tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de houder van een rijbewijs moet voldoen om zijn rijbevoegdheid op het grondgebied van die lidstaat te herkrijgen, niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door richtlijn 2006/126 nagestreefde doel, namelijk de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren.

Kosten

49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 1, en artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat op het grondgebied waarvan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs van de categorieën A en B de rijbevoegdheid is ontzegd wegens een strafbaar feit dat zich heeft voorgedaan tijdens een tijdelijk verblijf op dat grondgebied na de afgifte van dat rijbewijs, vervolgens weigert dit rijbewijs als geldig te erkennen nadat het krachtens artikel 7, lid 3, van deze richtlijn is verlengd door de lidstaat waar de houder van dit rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 12, eerste alinea, van deze richtlijn. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op het evenredigheidsbeginsel, de voorschriften van de wettelijke regeling van de eerste lidstaat tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de houder van een rijbewijs moet voldoen om zijn rijbevoegdheid op het grondgebied van die lidstaat te herkrijgen, niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door richtlijn 2006/126 nagestreefde doel, namelijk de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in