HvJ EU 25 februari 2021, C-940/19, ECLI:EU:C:2021:135
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
25 februari 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Erkenning van beroepskwalificaties – Richtlijn 2005/36/EG – Artikel 4 septies, lid 6 – Nationale regeling – Aanvaarding van de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen die onder het stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties vallen”
In zaak C‑940/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissing van 19 december 2019, ingekomen bij het Hof op 30 december 2019, in de procedure
Les chirurgiens-dentistes de France, voorheen Confédération nationale des syndicats dentaires,
Confédération des syndicats médicaux français,
Fédération des syndicats pharmaceutiques de France,
Syndicat des biologistes,
Syndicat des laboratoires de biologie clinique,
Syndicat des médecins libéraux,
Union dentaire,
Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes,
Conseil national de l’ordre des masseurs-kinésithérapeutes,
Conseil national de l’ordre des infirmiers,
tegen
Ministre des Solidarités et de la Santé,
Ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche et de l’Innovation,
Premier ministre,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: G. Hogan,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Les chirurgiens-dentistes de France, de Confédération des syndicats médicaux français, de Fédération des syndicats pharmaceutiques de France, het Syndicat des biologistes, het Syndicat des laboratoires de biologie clinique, het Syndicat des médecins libéraux en de Union dentaire, vertegenwoordigd door V. Pellegrain, avocate,
– de Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes, vertegenwoordigd door F. Thiriez, avocat,
– de Conseil national de l’ordre des infirmiers, vertegenwoordigd door O. Smallwood, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door A.-L. Desjonquères, N. Vincent en A. Daniel als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en I. Gavrilová als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati, H. Støvlbæk en C. Vrignon als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 oktober 2020,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 354, blz. 132) (hierna: „gewijzigde richtlijn 2005/36”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Les chirurgiens-dentistes de France (tandheelkundigen van Frankrijk), voorheen de Confédération nationale des syndicats dentaires (nationale confederatie van vakverenigingen voor tandartsen) genoemd, de Confédération des syndicats médicaux français (confederatie van Franse medische vakverenigingen), de Fédération des syndicats pharmaceutiques de France (federatie van apothekersvakverenigingen van Frankrijk), het Syndicat des biologistes (vakvereniging voor biologen), het Syndicat des laboratoires de biologie clinique (vakvereniging van laboratoria voor klinische biologie), het Syndicat des médecins libéraux (vakvereniging voor vrijgevestigde artsen), de Union dentaire (vakvereniging voor tandartsen), de Conseil national de l’ordre des chirurgiens‑dentistes (nationale raad van de orde van tandheelkundigen), de Conseil national de l’ordre des masseurs‑kinésithérapeutes (nationale raad van de orde van masseurs‑fysiotherapeuten) en de Conseil national de l’ordre des infirmiers (nationale raad van de orde van verpleegkundigen) (hierna gezamenlijk: „Les chirurgiens-dentistes de France e.a.”), en anderzijds de Ministre des Solidarités et de la Santé (minister van Solidariteit en Gezondheid), de Ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche et de l’Innovation (minister van Hoger Onderwijs, Onderzoek en Innovatie) en de Premier ministre (eerste minister), betreffende een verzoek tot nietigverklaring van regelgevingshandelingen die betrekking hebben op bepaalde aspecten van de gedeeltelijke toegang tot beroepen in de gezondheidszorg.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2013/55
3 In overweging 1 van richtlijn 2013/55 staat te lezen dat richtlijn 2005/36 – in de oorspronkelijke versie ervan – voor een beperkt aantal beroepen voorziet in automatische erkenning op basis van geharmoniseerde minimumopleidingseisen.
4 Overweging 7 van richtlijn 2013/55 luidt: „[Richtlijn 2005/36] is alleen van toepassing op beroepsbeoefenaren die hetzelfde beroep in een andere lidstaat willen uitoefenen. In bepaalde situaties kunnen de betrokken activiteiten tot een beroep behoren dat in de ontvangende lidstaat een groter scala aan werkzaamheden omvat dan in de lidstaat van oorsprong. Als de verschillen tussen de activiteitengebieden zo groot zijn dat de beroepsbeoefenaar eigenlijk een volledig onderwijs- en opleidingsprogramma zou moeten volgen om de tekortkomingen te compenseren, moet de ontvangende lidstaat in deze bijzondere omstandigheden gedeeltelijke toegang verlenen indien de beroepsbeoefenaar daarom verzoekt. In geval van dwingende redenen van algemeen belang, zoals omschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die zich eventueel nog verder kan ontwikkelen, moet een lidstaat gedeeltelijke toegang kunnen weigeren. Dit kan met name het geval zijn voor beroepen in de gezondheidszorg, indien daaraan implicaties voor de volksgezondheid of de veiligheid van de patiënt zijn verbonden. Het verlenen van gedeeltelijke toegang mag geen afbreuk doen aan het recht van de sociale partners om zich te organiseren.”
Gewijzigde richtlijn 2005/36
5 In de overwegingen 1 en 19 van de gewijzigde richtlijn 2005/36 staat te lezen: „(1) In artikel 3, lid 1, onder c), van het Verdrag wordt de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen en diensten als een van de doelstellingen van de Gemeenschap genoemd. Voor de onderdanen van de lidstaten houdt dat met name de mogelijkheid in om als zelfstandige of werknemer een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificaties werden verworven. Daarnaast is in artikel 47, lid 1, van het Verdrag bepaald dat er richtlijnen inzake de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels worden vastgesteld. [...] (19) Het vrije verkeer en de onderlinge erkenning van de opleidingstitels van artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten moeten gebaseerd zijn op het grondbeginsel dat opleidingstitels op basis van een coördinatie van de minimumopleidingseisen automatisch worden erkend. [...]”
6 Artikel 1 van de gewijzigde richtlijn 2005/36, met als opschrift „Doel”, bepaalt: „Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ‚ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ‚lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep. Deze richtlijn stelt ook de regels vast voor de gedeeltelijke toegang tot een gereglementeerd beroep alsook voor de erkenning van een beroepsstage die in een andere lidstaat is volbracht.”
7 Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Gevolgen van de erkenning”, luidt: „1. Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigden in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor zij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezitten en stelt hen in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden. 2. Voor de toepassing van deze richtlijn is het beroep dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen. 3. In afwijking van lid 1, wordt gedeeltelijke toegang tot een beroep in de ontvangende lidstaat verleend onder de in artikel 4 septies vastgestelde voorwaarden.”
8 In artikel 4 septies van de gewijzigde richtlijn 2005/36, dat als opschrift „Gedeeltelijke toegang” heeft, is bepaald: „1. De bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat verleent per geval gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit op zijn grondgebied, doch alleen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) de beroepsbeoefenaar is in zijn lidstaat van oorsprong volledig gekwalificeerd om de beroepsactiviteit uit te oefenen waarvoor in de ontvangende lidstaat gedeeltelijke toegang wordt aangevraagd; b) de verschillen tussen de in de lidstaat van oorsprong legaal verrichte beroepsactiviteiten en het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat zijn zo groot dat de toepassing van compenserende maatregelen erop zou neerkomen dat de aanvrager het volledige onderwijs- en opleidingsprogramma in de ontvangende lidstaat zou moeten doorlopen om tot het volledige gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat toegelaten te worden; c) de beroepsactiviteit kan objectief worden gescheiden van andere activiteiten die het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat omvat. Voor de toepassing van punt c) dient de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat rekening te houden met de vraag of de beroepsactiviteit autonoom in de lidstaat van oorsprong kan worden uitgeoefend. 2. Gedeeltelijke toegang kan worden afgewezen indien deze afwijzing door een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is, indien zulks passend is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en het niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om dat doel te bereiken. 3. Aanvragen bedoeld voor vestiging in een ontvangende lidstaat worden overeenkomstig titel III, hoofdstukken I en IV, onderzocht. 4. Aanvragen bedoeld voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van diensten in de ontvangende lidstaat die betrekking hebben op beroepsactiviteiten met implicaties voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid, worden overeenkomstig titel II onderzocht. 5. In afwijking van artikel 7, lid 4, zesde alinea, en artikel 52, lid 1, wordt de beroepsactiviteit uitgeoefend onder de beroepstitel van de lidstaat van oorsprong zodra gedeeltelijke toegang is verleend. De ontvangende lidstaat kan het gebruik van die beroepstitel in de talen van de ontvangende lidstaat voorschrijven. Beroepsbeoefenaren aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, maken de ontvangers van de diensten duidelijk kenbaar tot welke gebieden hun beroepsactiviteiten zich uitstrekken. 6. Dit artikel is niet van toepassing op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend uit hoofde van titel III, hoofdstukken II, III en III bis.”
9 Titel III, hoofdstuk III, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 heeft betrekking op de „erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen”. Dit hoofdstuk bevat artikel 21 („Beginsel van automatische erkenning”), waarvan lid 1, eerste alinea, bepaalt dat „[e]lke lidstaat [...] de opleidingstitels van artsen welke toegang geven tot de beroepswerkzaamheden van arts met een basisopleiding of medische specialist [erkent], alsmede de opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen, apothekers en architecten, zoals bedoeld in bijlage V, respectievelijk de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.6.2 en 5.7.1, die voldoen aan de minimumopleidingseisen van respectievelijk de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 44 en 46, door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels”.
Frans recht
10 Artikel L. 4002-3 van de code de la santé publique (wetboek volksgezondheid) voorziet in de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot alle beroepen in de gezondheidszorg die worden geregeld door deel IV van dat wetboek, dus ook tot de beroepen waarop het stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is.
11 Décret no 2017-1520 relatif à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la santé (decreet nr. 2017-1520 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de gezondheidszorg) van 2 november 2017 is vastgesteld ter uitvoering van met name artikel L. 4002-3 van het wetboek volksgezondheid.
12 De besluiten van de minister van Solidariteit en Gezondheid van 4 en 8 december 2017 zijn vastgesteld ter uitvoering van decreet nr. 2017-1520 van 2 november 2017.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13 Les chirurgiens-dentistes de France e.a. hebben bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) door middel van meerdere verzoekschriften beroepen wegens bevoegdheidsoverschrijding ingesteld die naargelang van het geval strekten tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van decreet nr. 2017-1520 van 2 november 2017 en/of nietigverklaring van de besluiten van de minister van Solidariteit en Gezondheid van 4 december 2017 en/of 8 december 2017.
14 Met betrekking tot voormeld decreet betoogden Les chirurgiens‑dentistes de France e.a., die dat decreet hebben aangevochten, onder meer dat artikel L. 4002-3 van het wetboek volksgezondheid – dat de rechtsgrondslag van dat decreet vormt – onverenigbaar is met artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 voor zover dat artikel van toepassing is op het beroep van arts, tandheelkundige, verloskundige en ziekenverpleger, zodat voornoemd decreet de onder titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vallende beroepen op onrechtmatige wijze binnen de werkingssfeer van de gedeeltelijke toegang heeft gebracht.
15 Wat de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten betreft, is met name aangevoerd dat zij onrechtmatig zijn voor zover zij betrekking hebben op de beroepen die onder titel III, hoofdstuk III, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 vallen, omdat die beroepen uitgesloten zijn van het bij artikel 4 septies, lid 6, van die richtlijn vastgestelde stelsel van gedeeltelijke toegang.
16 De verwijzende rechter is van oordeel dat het feit dat decreet nr. 2017‑1520 van 2 november 2017 is vastgesteld op grond van artikel L. 4002‑3 van het wetboek volksgezondheid, met zich meebrengt dat de beantwoording van de vraag of artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 aldus moet worden opgevat dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat voorziet in de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen waarop het bij titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is, beslissend is voor de beslechting van het geding en een ernstige moeilijkheid oplevert. Of de twee bestreden besluiten rechtmatig zijn, hangt volgens de verwijzende rechter af van de rechtmatigheid van voormeld decreet, dat de rechtsgrondslag ervan vormt.
17 In deze omstandigheden heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staat artikel 4 septies, lid 6, van [de gewijzigde richtlijn 2005/36] eraan in de weg dat een lidstaat voorziet in de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen waarop het bij titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling die de aanvaarding inhoudt van de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen die onder het bij titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties vallen.
19 In dit verband is het volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat voor zover Unierechtelijke bepalingen voor de vaststelling van hun betekenis en draagwijdte niet verwijzen naar het recht van de lidstaten, aan deze bepalingen in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging moet worden gegeven waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van die bepalingen, maar ook met hun context en met de doelstelling van de regeling in kwestie (arrest van 21 oktober 2020, Möbel Kraft, C‑529/19, EU:C:2020:846, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Zoals blijkt uit overweging 19 van de gewijzigde richtlijn 2005/36 voorziet deze richtlijn met betrekking tot de opleidingstitels van artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren van tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten in een stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels dat gebaseerd is op een coördinatie van de minimumopleidingseisen (zie in die zin arrest van 30 april 2014, Ordre des architectes, C‑365/13, EU:C:2014:280, punt 20).
21 Krachtens artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 is dit artikel niet van toepassing op beroepsbeoefenaren van wie de beroepskwalificaties automatisch worden erkend op grond van titel III, hoofdstukken II, III en III bis, van die richtlijn.
22 Uit de bewoordingen van voormelde bepaling volgt dan ook dat het de beroepsbeoefenaren van wie de beroepskwalificaties automatisch worden erkend op grond van titel III, hoofdstukken II, III en III bis van de gewijzigde richtlijn 2005/36 zijn die van de gedeeltelijke toegang als bedoeld in artikel 4 septies, leden 1 tot en met 5, van die richtlijn uitgesloten zijn, en niet de beroepen waarop die automatische erkenning betrekking heeft.
23 Uit de bewoordingen van artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 komt dus duidelijk naar voren dat deze bepaling betrekking heeft op personen.
24 Een dergelijke letterlijke uitlegging van die bepaling strookt met de context en de doelstelling van die richtlijn.
25 In dit verband moet worden vastgesteld dat zowel de totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2005/36 als de opzet van deze richtlijn bevestigt dat de Uniewetgever een onderscheid heeft willen maken tussen het gebruik van de woorden „beroepen” en „beroepsbeoefenaren”.
26 Ten eerste blijkt namelijk uit het onderzoek van het aan het Hof overgelegde dossier dat het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2005/36 [COM(2011) 883 definitief] geen bepaling als het huidige artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 bevatte, maar dat het Europees Parlement een amendement heeft voorgesteld dat ertoe strekte om beroepen waarvoor automatische erkenning geldt, uit te sluiten van gedeeltelijke toegang.
27 Nadat overeenstemming was bereikt tussen de bij het wetgevingsproces betrokken instellingen, is echter gekozen voor de uitdrukking „beroepsbeoefenaren”.
28 Wat ten tweede de opzet van de automatische erkenning betreft, wordt in artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 weliswaar verwezen naar de „beroepsbeoefenaren” op wie deze automatische erkenning van toepassing is, maar hebben andere bepalingen van die richtlijn – zoals die welke de advocaat‑generaal in punt 23 en in voetnoot 4 van zijn conclusie vermeldt – juist betrekking op „beroepen” waarvoor die automatische erkenning al dan niet geldt.
29 Voorts dient in herinnering te worden gebracht dat een lidstaat, met name voor beroepen in de gezondheidszorg, volgens overweging 7 van richtlijn 2013/55 in geval van dwingende redenen van algemeen belang gedeeltelijke toegang moet kunnen weigeren indien daaraan implicaties voor de volksgezondheid of de veiligheid van de patiënt zijn verbonden. Tot de beroepen in de gezondheidszorg behoren in het bijzonder beroepen waarvoor de automatische erkenning van beroepskwalificaties geldt, zoals artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren van tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers. Voor deze beroepen, die worden genoemd in artikel 21 van de gewijzigde richtlijn 2005/36, geldt automatische erkenning. De mogelijkheid om gedeeltelijke toegang tot de betreffende beroepen te weigeren onderstelt dan ook dat gedeeltelijke toegang tot die beroepen in beginsel niet is uitgesloten.
30 Een dergelijke gedeeltelijke toegang beantwoordt om te beginnen aan de in overweging 1 van de gewijzigde richtlijn 2005/36 geformuleerde algemene doelstelling die bestaat in de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen en diensten. Daarnaast beantwoordt die gedeeltelijke toegang tevens aan de meer specifieke doelstelling die naar voren komt uit overweging 7 van richtlijn 2013/55, te weten verder gaan dan richtlijn 2005/36 – die enkel van toepassing was op beroepsbeoefenaren die hetzelfde beroep in een andere lidstaat willen uitoefenen – en gedeeltelijke toegang verlenen aan de beroepsbeoefenaar die erom verzoekt, wanneer de activiteiten in kwestie verband houden met een beroep dat in de ontvangende lidstaat een groter scala aan werkzaamheden omvat dan in de lidstaat van oorsprong en de verschillen tussen de activiteitengebieden zo groot zijn dat de beroepsbeoefenaar eigenlijk een volledig onderwijs- en opleidingsprogramma zou moeten volgen om de tekortkomingen te compenseren.
31 Indien er geen sprake was van een mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot de in punt 28 van dit arrest opgesomde beroepen in de gezondheidszorg – te weten de beroepen die worden genoemd in titel III, hoofdstuk III, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 – zou een groot aantal beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg met de kwalificaties die in een lidstaat vereist zijn om aldaar bepaalde met die beroepen verband houdende activiteiten te verrichten, maar die in de ontvangende lidstaat niet overeenkomen met een bestaand beroep, nog steeds te maken krijgen met belemmeringen voor mobiliteit.
32 Daarbij komt dat – zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie in wezen opmerkt – het verlenen van gedeeltelijke toegang tot activiteiten die onder de beroepen vallen waarvoor met name op grond van titel III, hoofdstuk III, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 automatische erkenning geldt, niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de in overweging 1 van richtlijn 2013/55 genoemde harmonisatie van de minimumopleidingseisen voor deze beroepen.
33 Uit artikel 4 septies, lid 5, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 blijkt namelijk dat de activiteiten die in het kader van de gedeeltelijke toegang tot een gereglementeerd beroep zijn toegestaan, worden verricht onder de – in voorkomend geval in de talen van de ontvangende lidstaat vertaalde – beroepstitel van de lidstaat van oorsprong en op voorwaarde dat de betrokken beroepsbeoefenaar aan de ontvangers van de diensten duidelijk kenbaar maakt tot welke gebieden zijn beroepsactiviteiten zich uitstrekken. Dat een persoon slechts gerechtigd is om een deel van de werkzaamheden te verrichten die onder een beroep vallen waarvoor automatische erkenning geldt, doet dus geen afbreuk aan het bij die richtlijn ingevoerde stelsel op grond waarvan enkel personen die voldoen aan de bij deze richtlijn vastgestelde minimumopleidingseisen voor een beroep waarop de automatische erkenning betrekking heeft, daadwerkelijk voor deze erkenning in aanmerking komen en alle werkzaamheden mogen verrichten die een dergelijk beroep omvat.
34 Artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 impliceert dus – zoals de Commissie in wezen heeft betoogd in haar schriftelijke opmerkingen – dat beroepsbeoefenaren van wie de beroepskwalificaties op grond van met name titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn automatisch worden erkend, toegang hebben tot alle activiteiten die onder het overeenkomstige beroep in de ontvangende lidstaat vallen, zodat de gedeeltelijke toegang geen betrekking heeft op hen. Die bepaling impliceert daarentegen niet dat de gedeeltelijke toegang geen betrekking heeft op de in titel III, hoofdstuk III, vermelde beroepen.
35 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4 septies, lid 6, van de gewijzigde richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling die de aanvaarding inhoudt van de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen die onder het bij titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties vallen.
Kosten
36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling die de aanvaarding inhoudt van de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen die onder het bij titel III, hoofdstuk III, van die gewijzigde richtlijn vastgestelde stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties vallen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.