HvJ EU 30 april 2020, C-184/19, ECLI:EU:C:2020:337
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
30 april 2020 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijnen 92/83/EEG en 92/84/EEG – Accijnstarieven voor wijn en andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier – Gedifferentieerde accijnstarieven – Beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen”
In zaak C‑184/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (belastingrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 19 december 2018, ingekomen bij het Hof op 26 februari 2019, in de procedure
Hecta Viticol SRL
tegen
Agenţia Naţională de Administrare Fiscală – Direcţia Generală de Soluţionare a Contestaţiilor,
Biroul Vamal de Interior Buzău,
Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Galaţi,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, T. von Danwitz en A. Kumin (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Hecta Viticol SRL, vertegenwoordigd door C. Potîrniche en R. Vartan,
– de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door C.‑R. Canţăr, L. Liţu, O.‑C. Ichim en E. Gane, vervolgens door de drie laatstgenoemden als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Armenia en C. Perrin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB 1992, L 316, blz. 21), artikel 5 van richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB 1992, L 316, blz. 29) en de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hecta Viticol SRL enerzijds en Agenţia Naţională de Administrare Fiscală – Direcţia Generală de Soluţionare a Contestaţiilor (nationaal bureau van de belastingdienst – algemene directie afhandeling van bezwaren, Roemenië) (hierna: „ANAF”), Biroul Vamal de Interior Buzău (Roemeense douane, kantoor Buzău) en Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Galaţi (regionaal hoofdbestuur openbare financiën Galaţi, Roemenië) anderzijds over een belastingaanslag die de door SC Principal Company SA, rechtsvoorgangster van Hecta Viticol, verschuldigde accijns vastlegt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 92/83
3 Volgens de derde overweging van richtlijn 92/83 is „het voor de goede werking van de interne markt van belang […] dat voor alle [onder deze richtlijn vallende] […] producten gemeenschappelijke definities worden vastgesteld”.
4 De tiende overweging van die richtlijn bepaalt dat „de lidstaten in beginsel één enkel tarief per hectoliter eindproduct dienen toe te passen op alle niet-mousserende wijn en andere niet-mousserende gegiste dranken en één enkel accijnstarief per hectoliter eindproduct op alle mousserende wijn en andere mousserende gegiste dranken”.
5 In richtlijn 92/83 worden in dit verband vijf categorieën producten geïdentificeerd en voor elk van die categorieën zijn respectievelijk de volgende bepalingen van de richtlijn van toepassing: afdeling I van die richtlijn voor „bier”, afdeling II voor „wijn”, afdeling III voor „andere gegiste dranken dan wijn en bier”, afdeling IV voor „tussenproducten” en afdeling V voor „ethylalcohol”.
6 De artikelen 7 en 9 van richtlijn 92/83 maken deel uit van afdeling II, „wijn”, van deze richtlijn.
7 Artikel 7 van die richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten heffen accijns op wijn overeenkomstig deze richtlijn. 2. De lidstaten stellen hun tarieven vast overeenkomstig [richtlijn 92/84].”
8 Volgens artikel 8 van richtlijn 92/83 moet voor wijn onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds „niet-mousserende wijn” en anderzijds „mousserende wijn”.
9 Artikel 9, lid 2, van die richtlijn is als volgt geformuleerd: „Onverminderd de leden 3 en 4 passen de lidstaten hetzelfde accijnstarief toe op alle producten die aan de accijns op niet-mousserende wijn zijn onderworpen. Evenzo passen zij hetzelfde accijnstarief toe op alle producten die aan de accijns op mousserende wijn zijn onderworpen. Zij mogen op niet-mousserende en op mousserende wijn hetzelfde accijnstarief toepassen.”
10 De artikelen 11, 13 en 15 van richtlijn 92/83 zijn opgenomen in afdeling III, die betrekking heeft op „andere gegiste dranken dan wijn en bier”.
11 Artikel 11 van dezelfde richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten heffen accijns op andere gegiste dranken dan bier en wijn (,andere gegiste dranken’) overeenkomstig deze richtlijn. 2. De lidstaten stellen hun tarieven vast overeenkomstig [richtlijn 92/84].”
12 Volgens artikel 12 van richtlijn 92/83 moet voor andere gegiste dranken dan wijn en bier onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds „andere niet-mousserende gegiste dranken” en anderzijds „andere mousserende gegiste dranken”.
13 In artikel 13, lid 2, van die richtlijn is het volgende gepreciseerd: „Onverminderd lid 3 passen de lidstaten hetzelfde accijnstarief toe op alle producten die aan de accijns op andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier onderworpen zijn. Evenzo passen zij hetzelfde accijnstarief toe op alle producten die aan de accijns op andere mousserende gegiste dranken zijn onderworpen. Zij mogen op andere niet-mousserende en mousserende gegiste dranken hetzelfde accijnstarief toepassen.”
14 Artikel 15 van richtlijn 92/83 bepaalt: „Voor de toepassing van [richtlijn 92/84] en [richtlijn] 92/12/EEG [van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB 1992, L 76, blz. 1)] worden de bepalingen inzake ,wijn’ geacht gelijkelijk te gelden voor andere gegiste dranken als omschreven in deze afdeling.”
Richtlijn 92/84
15 Artikel 5 van richtlijn 92/84 luidt als volgt: „Het minimumtarief van de accijns op wijn wordt met ingang van 1 januari 1993 vastgesteld op: – 0 [EUR] voor niet-mousserende wijn, en – 0 [EUR] voor mousserende wijn per hectoliter van het product.”
Roemeens recht
16 Lege nr. 571/2003 privind Codul fiscal (wet nr. 571/2003 houdende het belastingwetboek) van 22 december 2003 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 927 van 23 december 2003), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „belastingwetboek”), bepaalt in artikel 20611, betreffende „wijn”: „(1) Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‚wijn’ verstaan: a) niet-mousserende wijn, die alle producten van de [codes] 2204 en 2205 [van de gecombineerde nomenclatuur (GN)] omvat, met uitzondering van mousserende wijn als omschreven onder b), en die: 1. een effectief alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 1,2 doch niet meer dan 15 % vol, voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen; of 2. een effectief alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 15 doch niet meer dan 18 % vol, voor zover die zonder enige verrijking is geproduceerd en de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen; b) mousserende wijn, die alle producten van de GN‑codes 220410, 22042110, 22042910 en 2205 omvat en die: 1. verpakt is in flessen met een champignonvormige stop die door draden of banden of anderszins is geborgd, of die een overdruk heeft die teweeggebracht is door koolzuurgas in oplossing, van 3 bar of meer; 2. een effectief alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 1,2 doch niet meer dan 15 % vol, voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen. […]”
17 Artikel 20612 van het belastingwetboek betreffende „andere gegiste dranken dan bier en wijn” bepaalt: „(1) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ,andere gegiste dranken dan bier en wijn’: a) alle niet in artikel 20611 genoemde niet-mousserende gegiste dranken van de GN‑codes 2204 en 2205, alsmede producten van GN‑code 220600, met uitzondering van andere mousserende gegiste dranken als bedoeld onder b) van dit artikel en alle producten die onder artikel 20610 vallen, die: 1. een effectief alcoholvolumegehalte hebben van meer dan 1,2 doch niet meer dan 10 % vol, of 2. een effectief alcoholvolumegehalte hebben van meer dan 10 doch niet meer dan 15 % vol, voor zover de alcohol in het product volledig door gisting is verkregen; b) mousserende gegiste dranken van de GN‑codes 22060031, 22042910, 22060039, 220410, 22042110 en 2205, die niet onder artikel 20611 vallen en die worden aangeboden in flessen met een champignonvormige stop die door draden of banden of anderszins is geborgd, of die een overdruk hebben die teweeggebracht is door koolzuurgas in oplossing, van 3 bar of meer, en die: 1. een effectief alcoholvolumegehalte hebben van meer dan 1,2 doch niet meer dan 13 % vol, of 2. een effectief alcoholvolumegehalte hebben van meer dan 13 doch niet meer dan 15 % vol, voor zover de alcohol in het product volledig door gisting is verkregen. […]”
18 Artikel 20655, lid 1, van het belastingwetboek luidt als volgt: „Het komt elke accijnsplichtige toe om binnen de bij de wet gestelde termijn de accijns correct te berekenen en aan de schatkist af te dragen alsook de accijnsaangifte bij de bevoegde autoriteit in te dienen, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en van de geldende douanewetgeving.”
19 Vóór 1 juli 2010 bepaalde bijlage I bij titel VII van het belastingwetboek onder punt 3.1. voor „niet-mousserend” dranken van de categorie „[a]ndere gegiste dranken dan wijn en bier” het accijnstarief op nul.
20 Artikel I, punt 21, van de Ordonanţã de urgenţă a Guvernului nr. 54/2010, privind unele măsuri pentru combaterea evaziunii fiscale (noodbesluit van de regering nr. 54/2010 houdende maatregelen ter bestrijding van belastingontduiking) van 23 juni 2010 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 421 van 23 juni 2010; hierna: „OUG nr. 54/2010”) stelt het accijnstarief op andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier vast op 100 EUR per hectoliter product.
21 Artikel IV, eerste alinea, OUG nr. 54/2010 preciseert dat deze bepaling met ingang van 1 juli 2010 in werking treedt.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22 Naar aanleiding van een belastingcontrole werd op 29 april 2011 vastgesteld dat SC Principal Company sinds 1 juli 2010 13929342 liter andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier had verkocht.
23 Aangezien deze vennootschap op deze hoeveelheid een accijnstarief van nul had toegepast, hebben de belastingautoriteiten op 3 mei 2011 op basis van het in artikel I, punt 21, OUG nr. 54/2010 omschreven accijnstarief een belastingaanslag opgelegd ten bedrage van 59461575 Roemeense leu (RON) (ongeveer 12339419 EUR).
24 SC Principal Company heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij beslissing van het ANAF van 25 juli 2017 afgewezen nadat de Curte Constituţională (grondwettelijk hof, Roemenië) de grondwettigheid van OUG nr. 54/2010 had bevestigd.
25 Hecta Viticol, die met ingang van 14 juni 2013 in de rechten van SC Principal Company is getreden, heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze beslissing van het ANAF, de belastingaanslag van 3 mei 2011 en het controleverslag van 29 april 2011.
26 Hecta Viticol benadrukt dat niet-mousserende wijn en andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier tot 1 juli 2010 onderworpen waren aan een accijnstarief van nul. Vanaf die datum werden alleen andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier aan een accijnstarief van 100 EUR per hectoliter product onderworpen. Het aldus ingevoerde verschil in behandeling is evenwel in strijd met de bepalingen van de richtlijnen 92/83 en 92/84.
27 Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat de beginselen van fiscale neutraliteit, belastingzekerheid en rechtszekerheid zijn verankerd in het belastingwetboek. Het ontbreken van een overgangsregeling en het feit dat OUG nr. 54/2010 acht dagen na de bekendmaking ervan in werking is getreden, kunnen indruisen tegen deze beginselen.
28 Daarop heeft de Curte de Apel București (belastingrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: 1) Verzetten de artikelen 7, 11 en 15 van [richtlijn 92/83] en artikel 5 van [richtlijn 92/84] zich tegen artikel I, punt 21, en artikel IV, eerste alinea, van [OUG nr. 54/2010]? 2) Verzetten de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen zich tegen artikel I, punt 21, en artikel IV, eerste alinea, van [OUG nr. 54/2010], voor zover daarbij het accijnstarief voor andere niet-mousserende gegiste dranken dan bier en wijn is gewijzigd?”
Bevoegdheid van het Hof
29 De Roemeense regering betoogt ten eerste dat het Hof niet bevoegd is om te beoordelen of het nationale recht verenigbaar is met het Unierecht en ten tweede dat de Unierechtelijke bepalingen geen procedureregels voor de wijziging van de accijnstarieven voor alcoholhoudende dranken omvatten, zodat alleen de lidstaten bevoegd zijn om deze vast te stellen.
30 In dit verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 267 VWEU weliswaar niet bevoegd is uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Unierecht, maar dat het uit de formulering van de vragen van de nationale rechter, rekening houdend met door hem verstrekte gegevens, de aspecten kan selecteren die de uitlegging van het Unierecht betreffen, om hem in staat te stellen de voor hem gerezen rechtsvraag op te lossen (arrest van 17 juli 2008, ASM Brescia, C‑347/06, EU:C:2008:416, punt 25).
31 De verwijzingsbeslissing bevat hiertoe voldoende gegevens, daar de verwijzende rechter voor zijn uitspraak over de verenigbaarheid met het Unierecht van artikel I, punt 21, en artikel IV, eerste alinea, OUG nr. 54/2010 de uitlegging van de artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83, artikel 5 van richtlijn 92/84 en de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen als noodzakelijk heeft aangegeven.
32 In de tweede plaats maken de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen deel uit van de rechtsorde van de Europese Unie. Uit dien hoofde moeten zij niet alleen worden nageleefd door de instellingen van de Unie, maar tevens door de lidstaten in de uitoefening van de hun door de richtlijnen van de Unie verleende bevoegdheden (arrest van 9 juni 2016, Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaft, C‑332/14, EU:C:2016:417, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Omdat de verwijzende rechter zich afvraagt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen verenigbaar zijn met de bepalingen van de richtlijnen 92/83 en 92/84 en met de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, staat het bijgevolg aan het Hof om deze bepalingen en beginselen uit te leggen teneinde hem een antwoord te geven dat nuttig is voor de afdoening van het bij hem aanhangige geding.
34 Het Hof is bijgevolg bevoegd om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
35 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83 en artikel 5 van richtlijn 92/84 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de verplichting opleggen om dezelfde accijnstarieven vast te stellen voor zowel alcoholhoudende dranken die onder de categorie „wijn” in de zin van richtlijn 92/83 vallen als alcoholhoudende dranken die onder de categorie „andere gegiste dranken dan wijn en bier” in de zin van die richtlijn vallen.
36 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat richtlijn 92/83 tot doel heeft de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken te harmoniseren.
37 Daartoe stelt richtlijn 92/83 overeenkomstig de derde overweging ervan gemeenschappelijke definities vast voor die producten.
38 Deze richtlijn onderscheidt hiertoe verschillende categorieën alcohol en alcoholhoudende dranken, waaronder in afdeling II „wijn” en in afdeling III „andere gegiste dranken dan wijn en bier”, en verwijst hierbij naar de codes van de gecombineerde nomenclatuur.
39 Krachtens artikel 9, lid 2, van richtlijn 92/83 moet één enkel accijnstarief worden toegepast op alle producten die onder de subcategorie „niet-mousserende wijn” vallen en moet evenzo één enkel accijnstarief worden toegepast op alle producten die onder de subcategorie „mousserende wijn” vallen, hoewel de lidstaten voor deze twee subcategorieën hetzelfde tarief kunnen toepassen.
40 Artikel 13, lid 2, van richtlijn 92/83 bepaalt dat één enkel accijnstarief moet worden toegepast op alle producten die onder de subcategorie „andere niet-mousserende gegiste dranken” vallen en dat evenzo één enkel accijnstarief moet worden toegepast op alle producten die onder de subcategorie „andere mousserende gegiste dranken” vallen, hoewel de lidstaten voor deze twee subcategorieën hetzelfde tarief kunnen toepassen.
41 Hieruit volgt dat de Uniewetgever duidelijk een onderscheid heeft willen maken tussen de categorieën „wijn” en „andere gegiste dranken” door de lidstaten weliswaar op te leggen om binnen elke subcategorie van deze categorieën in beginsel één enkel accijnstarief te heffen, doch zonder hen te verplichten om voor de tot die categorieën behorende dranken één enkel accijnstarief te hanteren.
42 Aan een dergelijke uitlegging, die voortvloeit uit de bewoordingen zelf van deze bepalingen van richtlijn 92/83, kan niet worden afgedaan door de lezing die Hecta Viticol geeft aan artikel 15 van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste streepje van richtlijn 92/84.
43 Hoewel artikel 15 van richtlijn 92/83 preciseert dat de bepalingen inzake „wijn” worden geacht gelijkelijk te gelden voor gegiste dranken die onder afdeling III van die richtlijn vallen, met name voor de toepassing van de richtlijnen 92/84 en 92/12, moet een dergelijke semantische vereenvoudiging immers aldus worden opgevat dat zij in de context van die richtlijnen alleen van toepassing is voor zover die richtlijnen geen specifieke regels vastleggen voor andere gefermenteerde dranken dan wijn en bier.
44 Dit is in het bijzonder het geval met betrekking tot artikel 5, eerste streepje, van richtlijn 92/84, waarin in de eerste plaats een minimumaccijnstarief voor niet-mousserende wijn van nul wordt vastgesteld en in de tweede plaats een minimumaccijnstarief voor mousserende wijn van nul wordt vastgesteld, zonder dat een minimumaccijnstarief voor andere gegiste dranken dan wijn en bier wordt gespecificeerd.
45 Aangezien deze bepaling enkel een minimumaccijnstarief vaststelt, legt zij evenwel geen verplichting op om wijn en andere gegiste dranken dan wijn en bier aan hetzelfde tarief te onderwerpen.
46 Aan de in punt 41 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging wordt evenmin afgedaan door het feit dat, volgens de tiende overweging van richtlijn 92/83, de lidstaten in beginsel één enkel accijnstarief toepassen op alle niet-mousserende wijn en op andere niet-mousserende gegiste dranken en één enkel accijnstarief op alle mousserende wijn en op mousserende gegiste dranken. Uit deze overweging blijkt immers niet dat de lidstaten wordt belet dienaangaande verschillende tarieven toe te passen.
47 Ook het door Hecta Viticol aangevoerde arrest van 4 maart 1986, Commissie/Denemarken (106/84, EU:C:1986:99), kan die uitlegging niet weerleggen.
48 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, was het door de Europese Commissie tegen het Koninkrijk Denemarken ingestelde beroep wegens niet-nakoming immers gebaseerd op schending van artikel 95 EEG-Verdrag, dat de lidstaten verbiedt ingevoerde producten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale producten.
49 In deze context heeft het Hof in punt 20 van het arrest van 4 maart 1986, Commissie/Denemarken (106/84, EU:C:1986:99), verklaard dat de lidstaten in beginsel vrij waren om met behulp van objectieve criteria een systeem van gedifferentieerde belasting vast te stellen voor bepaalde producten, zelfs indien deze gelijksoortig zijn.
50 Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83 en artikel 5 van richtlijn 92/84 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet de verplichting opleggen om dezelfde accijnstarieven vast te stellen voor zowel alcoholhoudende dranken die onder de categorie „wijn” in de zin van richtlijn 92/83 vallen als alcoholhoudende dranken die onder de categorie „andere gegiste dranken dan wijn en bier” in de zin van die richtlijn vallen.
Tweede vraag
51 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die het accijnstarief op andere gegiste dranken dan wijn en bier wijzigt zonder in een overgangsregeling te voorzien indien een dergelijke wijziging in werking treedt acht dagen na de bekendmaking van de handeling die er aan de oorsprong van ligt.
52 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen vereisen dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn voor de justitiabelen (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Călin, C‑676/17, EU:C:2019:700, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Voorts moeten op de door het Unierecht bestreken gebieden de rechtsregels van de lidstaten ondubbelzinnig zijn geformuleerd, zodat de betrokkenen op duidelijke en nauwkeurige wijze hun rechten en plichten kunnen kennen en de nationale rechter in staat is de eerbiediging ervan te verzekeren (arrest van 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C‑183/14, EU:C:2015:454, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat een nieuwe rechtsregel die van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij die regel is ingevoerd, in beginsel verenigbaar is met het Unierecht, zodat de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen er in beginsel niet aan in de weg staan dat een lidstaat een oudere wet met onmiddellijke ingang kan wijzigen zonder in een overgangsregeling te voorzien (arrest van 9 juni 2016, Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaft, C‑332/14, EU:C:2016:417, punt 56).
55 In bijzondere situaties, waarin de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen dit vereisen, kan de invoering van een dergelijke regeling die gezien de omstandigheden passend is, niettemin vereist zijn.
56 Zo schendt een nationale wetgever mogelijk de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen wanneer hij plotseling en op niet-voorzienbare wijze een nieuwe wet vaststelt waarbij een recht dat de belastingplichtigen tot dat moment hadden, wordt afgeschaft, zonder hun de nodige tijd te geven om zich aan te passen, terwijl het te bereiken doel dit niet vereiste (arrest van 9 juni 2016, Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaft, C‑332/14, EU:C:2016:417, punt 58).
57 De belastingplichtigen moeten meer bepaald tijd krijgen om zich aan te passen wanneer de afschaffing van het recht dat zij tot dan toe hadden, hen verplicht tot de uitvoering van aanzienlijke economische aanpassingen (arrest van 9 juni 2016, Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaft, C‑332/14, EU:C:2016:417, punt 59).
58 Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de verhoging van het accijnstarief voor andere niet-mousserende gegiste dranken dan wijn en bier met 100 EUR per hectoliter bij OUG nr. 54/2010, dat acht dagen na de bekendmaking van die handeling in de Monitorul Oficial al României (Roemeens publicatieblad) van 23 juni 2010 in werking is getreden, als plotseling en niet-voorzienbaar kan worden beschouwd, blijkt niet dat in omstandigheden als in het hoofdgeding is voldaan aan de in de twee voorgaande punten in herinnering gebrachte voorwaarden.
59 Ten eerste kan de betrokken verhoging van het accijnstarief in het onderhavige geval niet worden beschouwd als de afschaffing van een recht op een nultarief.
60 Ten tweede blijkt een dergelijke verhoging voor de belastingplichtigen op zich niet met aanzienlijke economische aanpassingen gepaard te gaan, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
61 Uit een en ander volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die het accijnstarief op andere gegiste dranken dan wijn en bier wijzigt zonder in een overgangsregeling te voorzien indien een dergelijke wijziging in werking treedt acht dagen na de bekendmaking van de handeling die er aan de oorsprong van ligt, en indien zij voor de belastingplichtige niet met aanzienlijke economische aanpassingen gepaard gaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken en artikel 5 van richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet de verplichting opleggen om dezelfde accijnstarieven vast te stellen voor zowel alcoholhoudende dranken die onder de categorie „wijn” in de zin van richtlijn 92/83 vallen als alcoholhoudende dranken die onder de categorie „andere gegiste dranken dan wijn en bier” in de zin van die richtlijn vallen.
2) De beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die het accijnstarief op andere gegiste dranken dan wijn en bier wijzigt zonder in een overgangsregeling te voorzien indien een dergelijke wijziging in werking treedt acht dagen na de bekendmaking van de handeling die er aan de oorsprong van ligt, en indien zij voor de belastingplichtigen niet met aanzienlijke economische aanpassingen gepaard gaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Roemeens.