HvJ EU 17 oktober 2019, C-423/18, ECLI:EU:C:2019:872
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
17 oktober 2019 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van de markten – Verordening (EG) nr. 967/2006 – Artikel 3, lid 2 – Suiker – Overschotheffing – Termijn voor de mededeling van het totale bedrag van de te betalen heffing – Maximale termijn voor een correctie achteraf – Beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen”
In zaak C‑423/18,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg (belastingrechter in eerste aanleg Baden-Württemberg, Duitsland) bij beslissing van 20 maart 2018, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2018, in de procedure
Südzucker AG
tegen
Hauptzollamt Karlsruhe,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: L. S. Rossi (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: M. Krausenböck, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 mei 2019,
gelet op de opmerkingen van:
– Südzucker AG, vertegenwoordigd door D. Ehle, Rechtsanwalt,
– het Hauptzollamt Karlsruhe, vertegenwoordigd door A. Weins, R. Gleim-Arnold en T.-M. Seith als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en B. Hofstötter als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker (PB 2006, L 176, blz. 22).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Südzucker AG en het Hauptzollamt Karlsruhe (hoofdkantoor van de douane te Karlsruhe, Duitsland; hierna: „douanekantoor”) over de vaststelling van de heffing op het in het verkoopseizoen 2007/2008 geproduceerde suikeroverschot.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 15 van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 2006, L 58, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1260/2007 van de Raad van 9 oktober 2007 (PB 2007, L 283, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 318/2006”), bepaalt: „1. Een overschotheffing wordt gelegd op: a) de in enig verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden overtollige suiker, overtollige isoglucose en overtollige inulinestroop met uitzondering van de overeenkomstig artikel 14 naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen overgeboekte en opgeslagen hoeveelheden en van de in artikel 12, onder c) en d), bedoelde hoeveelheden; b) de hoeveelheden industriële suiker, industriële isoglucose en industriële inulinestroop waarvoor uiterlijk op een te bepalen datum nog geen bewijs is geleverd dat die hoeveelheden zijn verwerkt bij de vervaardiging van een van de in artikel 13, lid 2, bedoelde producten; c) de overeenkomstig artikel 19 aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker, isoglucose en inulinestroop waarvoor de in artikel 19, lid 3, bedoelde verplichtingen niet worden nagekomen. 2. De overschotheffing wordt volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld op een niveau dat hoog genoeg is om de opeenstapeling van hoeveelheden zoals bedoeld in lid 1 te voorkomen. 3. De overeenkomstig lid 1 te betalen overschotheffing wordt door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening gebracht op basis van de geproduceerde hoeveelheden zoals bedoeld in lid 1 die voor de ondernemingen voor het betrokken verkoopseizoen zijn geconstateerd.”
4 Artikel 3 van verordening nr. 967/2006, „Bedrag”, luidt als volgt: „1. De bij artikel 15 van verordening (EG) nr. 318/2006 ingestelde heffing wordt vastgesteld op 500 EUR per ton. 2. Vóór 1 mei na het verkoopseizoen waarin het overschot is geproduceerd, deelt de lidstaat de fabrikanten het totale bedrag van de te betalen heffing mee. Deze heffing moet vóór 1 juni van datzelfde jaar door de betrokken fabrikanten worden betaald. 3. De hoeveelheid waarvoor de heffing is betaald, wordt geacht op de communautaire markt te zijn afgezet.”
5 Artikel 4 van die verordening, „Overschot waarvoor heffing moet worden betaald”, bepaalt: „1. De aan de fabrikant aangerekende heffing wordt gelegd op het overschot dat hij boven zijn productiequotum voor een bepaald verkoopseizoen heeft geproduceerd. De heffing wordt evenwel niet gelegd op in lid 1 bedoelde hoeveelheden die: a) vóór 30 november van het volgende verkoopseizoen aan een verwerker zijn geleverd om te worden gebruikt voor de vervaardiging van de in de bijlage bedoelde producten; b) overeenkomstig artikel 14 van verordening (EG) nr. 318/2006 zijn overgeboekt en, wat suiker betreft, door de fabrikant tot en met de laatste dag van het betrokken verkoopseizoen zijn opgeslagen; c) vóór 31 december van het volgende verkoopseizoen zijn geleverd in het kader van de specifieke voorzieningsregeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden die in titel II van verordening (EG) nr. 247/2006 is vastgesteld; d) vóór 31 december van het volgende verkoopseizoen met een uitvoercertificaat zijn uitgevoerd; e) zijn vernietigd of door onherstelbare schade onbruikbaar zijn geworden in door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat erkende omstandigheden. 2. Elke suikerfabrikant deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat die hem heeft erkend, vóór 1 februari van het betrokken verkoopseizoen de hoeveelheid suiker mee die hij boven zijn productiequotum heeft geproduceerd. Elke suikerfabrikant deelt, in voorkomend geval, vóór het einde van elk van de volgende maanden ook de aanpassingen in deze productie mee die tijdens de voorgaande maand van het betrokken verkoopseizoen hebben plaatsgevonden. 3. Uiterlijk op 30 juni stellen de lidstaten de in lid 1, tweede alinea, bedoelde hoeveelheden, het totaal van de overschotten en de geïnde heffingen voor het voorgaande verkoopseizoen vast en delen zij deze gegevens aan de Commissie mee. 4. Wanneer, als gevolg van overmacht, de in lid 1, onder a), c) en d), bedoelde verrichtingen niet binnen de daarvoor vastgestelde termijn kunnen worden uitgevoerd, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de overtollige suiker, isoglucose of inulinestroop is geproduceerd, de maatregelen die op grond van de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden noodzakelijk zijn.”
6 Artikel 10 van verordening (EG) nr. 952/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft het beheer van de interne suikermarkt en het quotastelsel (PB 2006, L 178, blz. 39), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 707/2008 van de Commissie van 24 juli 2008 (PB 2008, L 197, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 952/2006), bepaalt: „1. Elk verkoopseizoen verricht de bevoegde autoriteit van de lidstaat controles bij elke erkende fabrikant en raffinaderij. 2. De controles hebben tot doel om de juistheid en volledigheid van de gegevens in de in artikel 9 bedoelde registers en van de in artikel 21 bedoelde mededelingen te waarborgen, aan de hand van, met name, een analyse van de overeenstemming tussen de hoeveelheid geleverde grondstoffen en de hoeveelheid verkregen eindproducten, en aan de hand van een vergelijking met de handelsdocumenten of andere nuttige documenten. De controles omvatten een verificatie van de nauwkeurigheid van de weeginstrumenten en van de laboratoriumanalyses die worden gebruikt voor de bepaling van de hoeveelheid grondstoffen die worden geleverd en verwerkt, de hoeveelheid verkregen eindproducten en de voorraadmutaties. De controles omvatten bovendien een verificatie van de juistheid en volledigheid van de gegevens die worden gebruikt om de in artikel 13, lid 2, bedoelde maandelijkse gemiddelde verkoopprijzen van de onderneming vast te stellen. Met betrekking tot de suikerfabrikanten wordt tevens gecontroleerd of zij voldoen aan de verplichting om de minimumprijs aan de suikerbietenproducenten te betalen. Ten minste eens in de twee jaar worden de voorraden fysiek gecontroleerd. 3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat hebben bepaald dat sommige onderdelen van de controle op basis van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet die steekproef een controleniveau garanderen dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. 4. De lidstaat kan de erkende ondernemingen ertoe verplichten de in artikel 13 bedoelde gegevens te laten certificeren door een in de lidstaat erkende accountant. 5. Over elke controle wordt een door de controleur te ondertekenen controleverslag opgesteld, waarin de verschillende elementen van de controle nauwkeurig worden weergegeven. In het verslag worden met name de volgende gegevens vermeld: a) de datum van de controle en de bij de controle aanwezige personen; b) de gecontroleerde periode en de betrokken hoeveelheden; c) de gebruikte controletechnieken, inclusief in voorkomend geval een verwijzing naar de steekproefmethoden; d) de resultaten van de controle en de eventueel opgelegde corrigerende maatregelen; e) een evaluatie van de ernst, de omvang, het al dan niet permanente karakter en de duur van eventueel geconstateerde tekortkomingen en discrepanties, evenals alle andere elementen die met het oog op de toepassing van een sanctie in aanmerking moeten worden genomen. Elk controleverslag wordt ten minste gedurende drie jaar na het jaar waarin de controle heeft plaatsgevonden, in een archief bewaard en wel zo dat het gemakkelijk kan worden gebruikt door de controlediensten van de Commissie. 6. De lidstaten verlenen elkaar bijstand om de controles doeltreffend te maken en ervoor te zorgen dat de echtheid van de ingediende documenten en/of de juistheid van de verstrekte gegevens kunnen/kan worden geverifieerd.”
Duits recht
7 § 12, lid 1, eerste volzin, van het Gesetz zur Durchführung der gemeinsamen Marktorganisationen und der Direktzahlungen (wet ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordeningen en de rechtstreekse betalingen), in de versie van 24 juni 2005 (BGBl. 2017 I, blz. 3746; hierna: „MOG”), bepaalt: „Op heffingen voor doeleinden van marktordening die [...] worden geïnd met betrekking tot producten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, zijn de bepalingen van de Abgabenordnung [...] van overeenkomstige toepassing, tenzij bij deze wet of bij een krachtens deze wet vastgesteld besluit is voorzien in een regeling die van deze bepalingen afwijkt.”
8 § 8, lid 1, van de Rechtsverordnung über die im Rahmen der Produktionsregelung für Zucker zu erhebenden Abgaben (besluit over de heffingen in het kader van de productieregeling voor suiker) van 13 maart 1983, in de versie van 9 november 2006, bepaalt: „(1) Op de tijdstippen vastgesteld in de in § 1 bedoelde rechtshandelingen doet het bevoegde hoofdkantoor van de douane 1. iedere suikerfabrikant mededeling van een vaststellingsbesluit betreffende zijn voorlopige en definitieve suikerproductie in het verkoopseizoen [...] [...].”
9 § 164, lid 1 en lid 2, eerste volzin, en lid 4, eerste volzin, van de Abgabenordnung (Duits belastingwetboek) (BGBl. 2002 I, blz. 3866) luidt als volgt: „(1) Zolang het belastingdossier niet volledig is onderzocht, kunnen belastingen in het algemeen of in individuele gevallen worden vastgesteld onder voorbehoud van controle achteraf, zonder dat daarvoor een motivering is vereist. [...] (2) Zolang het voorbehoud geldt, kan de vaststelling van de belasting worden ingetrokken of gewijzigd [...]. [...] (4) Het voorbehoud van controle achteraf vervalt wanneer de termijn voor de vaststelling van de belasting afloopt.”
10 § 169, leden 1 en 2, van dit wetboek bepaalt: „(1) De vaststelling van een belasting alsook de intrekking of wijziging van deze vaststelling zijn niet meer mogelijk wanneer de termijn voor de vaststelling is verlopen. [...] (2) De termijn voor de vaststelling bedraagt: 1. één jaar voor accijnzen en accijnsteruggaven, 2. vier jaar voor belastingen en belastingteruggaven die geen belastingen of belastingteruggaven in de zin van punt 1 dan wel invoer- of uitvoerrechten in de zin van artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie zijn. [...]”
11 § 170 van dit wetboek, met als opschrift „Aanvang van de termijn voor de vaststelling”, bepaalt in lid 1: (1) De termijn voor de vaststelling begint te lopen zodra het kalenderjaar is afgelopen waarin de belastingschuld is ontstaan [...].”
12 §171 van dit wetboek, „Verlenging van verjaring”, bepaalt in lid 10: „In zoverre voor de vaststelling van een belasting een aanslag [...] bindend is (basisaanslag), eindigt de termijn voor de vaststelling niet vóór het verstrijken van twee jaar na kennisgeving van de basisaanslag. [...]”
13 § 179 van het belastingwetboek luidt: „(1) In afwijking van § 157, lid 2, wordt de maatstaf van heffing afzonderlijk vastgesteld bij aanslag, voor zover dit in deze wet of elders in de belastingwetgeving is bepaald. (2) Een aanslag is gericht aan de belastingplichtige aan wie het voorwerp van de vaststelling bij de belastingheffing toe te rekenen is. [...] (3) In zoverre een noodzakelijke vaststelling in een aanslag achterwege is gebleven, dient zij alsnog in een aanvullende aanslag te worden verricht.
14 § 181 van dit wetboek, met als opschrift „Procedureregels voor afzonderlijke aanslag, aanslagtermijn en aangifteplicht”, luidt: „(1) Bij afzonderlijke aanslag zijn de regels inzake belastingheffing van overeenkomstige toepassing. [...] (2) Een aangifteplicht ten behoeve van een afzonderlijke aanslag rust op eenieder aan wie het voorwerp van de vaststelling volledig of gedeeltelijk toe te rekenen is. [...] [...] (5) Een afzonderlijke aanslag kan ook na het verstrijken van de geldende aanslagtermijn worden verricht, voor zover de afzonderlijke aanslag van belang is voor de vaststelling van een belastingschuld waarvoor de termijn voor de vaststelling op het tijdstip van de afzonderlijke aanslag nog niet is verstreken [...].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Südzucker negen suikerfabrieken exploiteert. Tijdens het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 (van oktober 2007 tot en met september 2008) beschikte deze onderneming over een suikerquotum van 11788978 ton witte suiker.
16 Bij aanslag van 14 november 2008 heeft het douanekantoor het toe te rekenen suikeroverschot voor het verkoopseizoen 2007/2008 op basis van de aangifte van Südzucker van 30 oktober 2008 vastgesteld op 311060,6 ton.
17 Op basis hiervan is bij aanslag van 7 april 2009 een heffing vastgesteld van 925 EUR voor een hoeveelheid van 1,85 ton witte suiker. Deze aanslag was gebaseerd op artikel 15, lid 1, onder a), van verordening nr. 318/2006 en bevatte de vermelding dat hij was vastgesteld onder voorbehoud van controle achteraf.
18 Bij aanslag van 19 oktober 2009 heeft het douanekantoor de overschotheffing op grond van de bevindingen van een belastingcontrole bij een klant van Südzucker gewijzigd en heeft het die voor het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 vastgesteld op 1083,03 EUR voor 2,16606 ton witte suiker. Ook deze aanslag was vastgesteld onder voorbehoud van controle achteraf.
19 Tegen deze wijzigingsaanslag heeft Südzucker bezwaar gemaakt. In de loop van de bezwaarprocedure heeft het douanekantoor een controle in verband met de ordening van de markten uitgevoerd bij de fabriek van Südzucker in Ochsenfurt (Duitsland) en het vaststellingsbesluit inzake de definitieve suikerproductie bij aanslag van 20 mei 2010 gewijzigd. Bij deze aanslag werd het toe te rekenen suikeroverschot vastgesteld op 3128878,93 deciton. Bij aanslag van dezelfde datum heeft het douanekantoor eveneens de overschotheffing voor het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 vastgesteld op 914726,50 EUR voor 1829,453 ton witte suiker. Tegen deze aanslag, die eveneens onder voorbehoud van controle achteraf was vastgesteld, heeft Südzucker bezwaar aangetekend.
20 Bij aanslag van 27 oktober 2011 is het toe te rekenen suikeroverschot op grond van de bevindingen van de controle in verband met de ordening van de markten in de fabriek van Südzucker in Zeits (Duitsland) andermaal gewijzigd en vastgesteld op 3149202,3 deciton. De overschotheffing werd vastgesteld op 1930895 EUR.
21 In de loop van de bezwaar- en beroepsprocedure heeft Südzucker onder meer aangevoerd dat de verjaringstermijn voor de gewijzigde vaststelling was verstreken en er meer in het bijzonder op gewezen dat zij de mededeling van de overschotheffing niet tijdig heeft ontvangen. Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het douanekantoor het bezwaar tegen de aanslag van 27 oktober 2011 ongegrond verklaard ten aanzien van de door Südzucker aangevoerde verjaring van de gewijzigde vaststelling alsook ten aanzien van de vaststelling van de definitieve suikerproductie in het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008.
22 Op 24 april 2015 heeft Südzucker tegen het besluit van 17 maart 2015 beroep ingesteld bij het Finanzgericht Baden-Württemberg (belastingrechter in eerste aanleg Baden-Württemberg, Duitsland) vanwege de gewijzigde vaststelling van de overschotheffing, waarbij zij uitsluitend aanvoerde dat zij de mededeling van die heffing niet tijdig heeft ontvangen.
23 Het Finanzgericht Baden-Württemberg is in wezen van oordeel dat de te geven uitspraak ten gronde afhangt van de vraag of de overschotheffing voor het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 op 20 mei 2010 en 27 november 2011 nog aan Südzucker mocht worden meegedeeld, te weten na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 bedoelde termijn op, in casu, 1 mei 2009.
24 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat in die bepaling staat dat de lidstaat de fabrikanten vóór 1 mei na het verkoopseizoen waarin het overschot is geproduceerd, het totale bedrag van de te betalen heffing meedeelt. Voor het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 is die termijn dus op 1 mei 2009 verlopen. Weliswaar is binnen deze termijn, op 7 april 2009, aan Südzucker een overschotheffing van 925 EUR voor de door haar meegedeelde overtollige hoeveelheid suiker meegedeeld, maar dit bedrag is daarna tweemaal gewijzigd, namelijk op 20 mei 2010 en 27 november 2011.
25 Dienaangaande merkt het Finanzgericht Baden-Württemberg op dat het Hof in het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7, punt 57), heeft geoordeeld dat de termijn in artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker (PB 1981, L 262, blz. 14) – welke bepaling later is vervangen door artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006, dat van toepassing is op het hoofdgeding – dwingend is. Vervolgens heeft het Hof erop gewezen dat de bevoegde nationale instantie deze termijn, behoudens in geval van onachtzaamheid, evenwel mag overschrijden wanneer zij de suikerproductie van de onderneming niet in detail kende en deze onwetendheid redelijkerwijs aan deze onderneming kan worden toegeschreven, omdat deze niet te goeder trouw heeft gehandeld en niet alle toepasselijke bepalingen heeft nageleefd (arrest van 10 januari 2002, British Sugar, C‑101/99, EU:C:2002:7, punt 63).
26 In het arrest van 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a., (C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179, punten 52 en 53), dat betrekking had op een mededeling van extra heffingen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk, heeft het Hof echter geoordeeld dat de betrokken termijnen weliswaar dwingend zijn, maar er niet aan in de weg staan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat a posteriori controles uitvoeren en correcties aanbrengen teneinde ervoor te zorgen dat de productie van deze lidstaat de hem toegekende gewaarborgde totale hoeveelheid niet overschrijdt. Integendeel, zowel deze termijnen als de controles en correcties a posteriori hebben tot doel te waarborgen dat het stelsel van de extra heffing op melk efficiënt werkt en dat de relevante regeling correct wordt toegepast.
27 Het Hof heeft hieruit afgeleid dat de bepalingen waarin die termijnen zijn vastgelegd aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat een lidstaat, na controles, de aan elke producent toegekende individuele referentiehoeveelheid corrigeert en bijgevolg, na herverdeling van de ongebruikte referentiehoeveelheden, de verschuldigde extra heffing herberekent na de uiterste datum voor betaling van deze heffing voor het betrokken melkseizoen (arrest van 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a., C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179, punt 68).
28 In dit verband benadrukt het Finanzgericht Baden-Württemberg dat het Hof, anders dan hetgeen het in zijn arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7), heeft geoordeeld, geen verdere voorwaarden heeft gesteld aan de wijziging van de mededeling van de heffing na afloop van de termijn voor een eerste, tijdig gedane mededeling.
29 In deze omstandigheden is de verwijzende rechter van oordeel dat de overwegingen van het Hof in het arrest van 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a. (C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179), wat de gemeenschappelijke marktordening voor suiker betreft, kunnen worden toegepast op de omstandigheden van de onderhavige zaak. Hieruit vloeit voort dat de op de bevindingen van de controles gebaseerde overschotheffing zonder verdere voorwaarden buiten de termijn mag worden meegedeeld. Indien een dergelijke mededeling niet zou worden verricht vanwege het kennelijke verstrijken van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgelegde termijn, zouden de door het Hof in onder meer het arrest van 15 november 2012, Pfeifer & Langen (C‑131/11, EU:C:2012:715), uiteengezette doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker immers in het gedrang komen. De vaststelling van het overschot zou dan als zodanig geen gevolgen hebben, zodat er geen enkele stimulans voor de suikerfabrikant zou zijn om dit suikeroverschot uit te voeren of aan te geven en naar het volgende verkoopseizoen over te boeken (zie punt 57 van het arrest van 15 november 2012, Pfeifer & Langen, C‑131/11, EU:C:2012:715). Ook zouden de controles hun betekenis verliezen en achterwege gelaten kunnen worden.
30 Ingeval het Hof desalniettemin oordeelt dat het arrest van 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a. (C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179), niet op het hoofdgeding kan worden toegepast en dat de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgelegde mededelingstermijn ook op wijzigingen van mededelingen moet worden toegepast, vraagt de verwijzende rechter zich af of die termijn met name mag worden overschreden wanneer aan de uit het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7), voortvloeiende nadere voorwaarden is voldaan, te weten indien de kwade trouw van de suikerfabrikant kan worden aangetoond.
31 Tegen deze achtergrond heeft het Finanzgericht Baden-Württemberg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Dient artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 aldus te worden uitgelegd dat de aldaar genoemde termijn ook geldt voor de wijziging van een tijdig gedane mededeling van de overschotheffing die voortvloeit uit de na het verstrijken van deze termijn gewijzigde vaststelling van de toe te rekenen hoeveelheid overtollige suiker op grond van een controle volgens artikel 10 van verordening nr. 952/2006? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Gelden in dit geval, wanneer het gaat om de wijziging van een tijdig gedane mededeling die op grond van vaststellingen in het kader van controles is verricht, de in het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7), vermelde voorwaarden voor een overschrijding van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81, zoals gewijzigd bij verordening [(EEG) nr. 3559/91 van de Commissie van 6 december 1991 (PB 1991, L 336, blz. 26),] vastgestelde termijn ook voor een overschrijding van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn? 3) Moet, wanneer artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 niet van toepassing is op mededelingen van wijzigingen op grond van controles (zie eerste vraag) of wanneer de voorwaarden voor een overschrijding van de termijn zijn vervuld (zie tweede vraag), voor de vaststelling van de termijn waarbinnen de wijziging van de overschotheffing moet worden meegedeeld, worden uitgegaan van 1 mei eerstkomend of moet het nationale recht worden toegepast? 4) Indien op de derde vraag wordt geantwoord dat niet van 1 mei eerstkomend moet worden uitgegaan en dat het nationale recht niet moet worden toegepast: Is het verenigbaar met de algemene beginselen van het [Unie]recht, waaronder ook het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, wanneer in een geval zoals het onderhavige de overschotheffing voor het verkoopseizoen 2007/2008 wegens de duur van de controle en de duur van het opstellen en beoordelen van het controleverslag op 20 oktober 2010 en op 27 oktober 2011 wordt meegedeeld? Is het in dit verband van belang of de suikerfabrikant bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van het suikeroverschot?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
32 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer een heffing op het suikeroverschot door de bevoegde instantie van een lidstaat binnen de in die bepaling vastgestelde termijn aan de betrokken suikerfabrikant wordt meegedeeld, die termijn eveneens geldt voor de wijziging van een dergelijke mededeling die voortvloeit uit een controle overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 952/2006, of dat daarentegen de in het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7), vermelde voorwaarden voor een overschrijding van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81 vastgestelde mededelingstermijn ook gelden voor een overschrijding van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn.
33 In casu hebben de feiten van het hoofdgeding betrekking op het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008, waarvan de termijn op 1 mei 2009 is verstreken. Tijdens die termijn is op 7 april 2009 aan Südzucker een overschotheffing ten bedrage van 925 EUR voor het door haar meegdeelde suikeroverschot opgelegd. Na controles overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 952/2006 is dit bedrag echter tweemaal gewijzigd, te weten op 20 mei 2010 en 27 november 2011, hetgeen heeft geleid tot een overschotheffing van totaal 1930895 EUR, wat een aanzienlijk hoger bedrag is dan het op de eerste aanslag van de bevoegde nationale instantie vermelde bedrag.
34 Met zijn eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of de overschotheffing voor het verkoopseizoen voor suiker 2007/2008 nog aan Südzucker mocht worden meegedeeld op 20 mei 2010 en 27 november 2011, te weten na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn op, in casu, 1 mei 2009.
35 Voor de beantwoording van deze vragen zij er allereerst aan herinnerd dat elke suikerfabrikant krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 967/2006 verplicht is om aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat die hem heeft erkend, vóór 1 februari van het betrokken verkoopseizoen de hoeveelheid suiker mee te delen die hij boven zijn productiequotum heeft geproduceerd alsook vóór het einde van elk van de volgende maanden de aanpassingen in deze productie mee te delen die tijdens de voorgaande maand van het betrokken verkoopseizoen hebben plaatsgevonden.
36 Voorts moet de lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 2, van die verordening vóór 1 mei na het verkoopseizoen waarin het overschot is geproduceerd, de fabrikanten het totale bedrag van de te betalen heffing meedelen.
37 In dit verband heeft het Hof in het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7, punten 57, 58 en 63), geoordeeld dat de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81 vastgestelde termijn dwingend is. Het Hof heeft er evenwel ook op gewezen dat de bevoegde nationale instantie deze termijn, behoudens in geval van onachtzaamheid, mag overschrijden wanneer, in de eerste plaats, zij de suikerproductie van de onderneming niet in detail kende en, in de tweede plaats, deze onwetendheid redelijkerwijs aan deze onderneming kan worden toegeschreven, omdat deze niet te goeder trouw heeft gehandeld en niet alle toepasselijke bepalingen heeft nageleefd.
38 Uit deze rechtspraak vloeit voort dat deze mededelingstermijn slechts bij wijze van uitzondering mag worden overschreden, namelijk wanneer de twee door het Hof in dat arrest genoemde cumulatieve voorwaarden zijn vervuld.
39 In datzelfde arrest heeft het Hof bovendien geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat de nodige vaststellingen ter zake te verrichten en hieraan eventueel consequenties te verbinden, rekening houdend met onder meer de mate waarin de bevoegde nationale instantie op de hoogte was van de betrokken situatie en de ijver die zij aan de dag heeft gelegd (zie arrest van 10 januari 2002, British Sugar, C‑101/99, EU:C:2002:7, punt 59).
40 Dat arrest heeft weliswaar betrekking op de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81, maar die bepaling is later met in wezen identieke bewoordingen vervangen door artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006, dat van toepassing is op het hoofdgeding. Derhalve zijn de overwegingen van het Hof in het arrest van 10 januari 2002, British Sugar (C‑101/99, EU:C:2002:7), met betrekking tot artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81 volledig van toepassing op de omstandigheden van het hoofdgeding.
41 Tegen deze achtergrond moet voor de vaststelling, zoals de verwijzende rechter verzoekt, of de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgelegde mededelingstermijn in dergelijke omstandigheden mag worden overschreden, worden nagegaan of aan de voorwaarden van de in punt 37 van dit arrest aangehaalde rechtspraak is voldaan.
42 Wat de eerste voorwaarde betreft kan op basis van het aan het Hof overgelegde dossier niet eenduidig worden vastgesteld dat de bevoegde nationale instantie de suikerproductie van Südzucker niet in detail kende.
43 Wat betreft de tweede voorwaarde, namelijk dat de betrokken onderneming niet te goeder trouw heeft gehandeld, moet worden vastgesteld dat Südzucker inderdaad heeft erkend dat zij meer suiker heeft geproduceerd dan het haar toegekende productiequotum. Zoals ter terechtzitting in de onderhavige zaak is bevestigd, blijkt echter dat dit productieoverschot uitsluitend het gevolg is van de wijziging van de aanvankelijk toepasselijke dichtheid en dat die wijziging na de vaststelling van het aan Südzucker toegekende productiequotum heeft plaatsgevonden, hetgeen bovendien niet door het douanekantoor wordt tegengesproken.
44 Zoals Südzucker ter terechtzitting heeft onderstreept, blijkt met andere woorden dat, indien de aanvankelijk toepasselijke dichtheid niet was gewijzigd, de betrokken onderneming geen overtollige hoeveelheid suiker zou hebben geproduceerd.
45 In deze omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijk oorzakelijk verband is aangetoond, en daarmee rekening te houden bij het onderzoek of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde suikerfabrikant te goeder trouw heeft gehandeld.
46 Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door de door de verwijzende rechter genoemde mogelijkheid om in de omstandigheden van het hoofdgeding een beroep te doen op de door het Hof in het arrest van 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a. (C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179), geformuleerde beginselen. Dat arrest had, zoals blijkt uit de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest, betrekking op een mededeling van extra heffingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor melk.
47 Zoals Südzucker benadrukt, had dat arrest van het Hof namelijk betrekking op een andere juridische situatie en een andere sector dan in het hoofdgeding aan de orde is. De verschillen hebben onder meer betrekking op de controlemaatregelen die nodig zijn om de inning van de heffing op de hoeveelheden melk te waarborgen alsook op de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing. Bijgevolg kunnen de overwegingen van het Hof in dat arrest, in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor melk, niet naar analogie worden toegepast in het kader van het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de marktordening voor suiker. Dergelijke overwegingen kunnen dan ook niet doorslaggevend zijn voor de uitlegging en de toepassing van de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 967/2006.
48 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een heffing op het suikeroverschot door de bevoegde instantie van een lidstaat binnen de in die bepaling vastgestelde termijn aan de betrokken suikerfabrikant wordt meegedeeld, die termijn in beginsel eveneens geldt voor de wijziging van een dergelijke mededeling die voortvloeit uit een controle overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 952/2006. Desalniettemin mag de bevoegde nationale instantie deze termijn, behoudens in geval van onachtzaamheid, overschrijden wanneer zij de suikerproductie van de betrokken onderneming niet in detail kende en deze onwetendheid redelijkerwijs aan die onderneming kan worden toegeschreven omdat die niet te goeder trouw heeft gehandeld en niet alle toepasselijke bepalingen heeft nageleefd. Het staat aan de verwijzende rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding, na te gaan of dit in dat geding het geval is.
Derde en vierde vraag
49 Met zijn derde en vierde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te verduidelijken, voor het geval dat de lidstaten de suikerfabrikanten een wijziging van de heffing op het geproduceerde suikeroverschot na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn mogen meedelen, of de termijn waarbinnen die wijziging moet worden meegedeeld moet worden vastgesteld op 1 mei van het jaar na de vaststelling van het controleverslag dan wel of het nationale recht moet worden toegepast. Ook vraagt deze rechter zich af of de algemene beginselen van Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat die eraan in de weg staan dat, in omstandigheden zoals in het hoofdgeding, die mededeling voor het verkoopseizoen 2007/2008 op 20 oktober 2010 en 27 oktober 2011 plaatsvindt.
50 Om die vragen te beantwoorden, dient te worden opgemerkt dat verordening nr. 967/2006 weliswaar in artikel 3, lid 2, een termijn vaststelt waarbinnen de lidstaat de suikerfabrikanten het totale bedrag van de te betalen heffing voor het betrokken verkoopseizoen moet meedelen, maar daarentegen geen bepaling bevat ten aanzien van de termijn voor de mededeling aan die fabrikanten van wijzigingen die voortvloeien uit controles in de zin van artikel 10 van die verordening.
51 Wegens het ontbreken van Unierechtelijke voorschriften ter zake, staat het aan de nationale autoriteiten en met name aan de nationale rechterlijke instanties om, op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, die aspecten van de procedure te regelen en aldus de voorwaarden vast te stellen waaronder de lidstaten wijzigingen van het totale te betalen bedrag voor het geproduceerde suikeroverschot aan de betrokken suikerfabrikanten mogen meedelen. Bij die voorwaarden moeten evenwel het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke mededelingen op basis van het nationale recht gelden, en dat zij evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk maken (zie in die zin arresten van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2018, Diallo, C‑246/17, EU:C:2018:499, punt 59).
52 In casu dient te worden opgemerkt dat de heffing op het geproduceerde suikeroverschot, net als de controles en de wijzigingen a posteriori, tot doel heeft ervoor te zorgen dat het quotastelsel voor de suikermarkt efficiënt werkt en onder meer te voorkomen dat sommige fabrikanten worden bevoordeeld ten opzichte van andere. In het bijzonder zijn de controles die na de eerste mededeling van de heffing worden verricht, uitdrukkelijk bedoeld om de juistheid van de toegekende suikerproductie te controleren en de voorgaande, door de nationale bevoegde instanties onder voorbehoud van controle vastgestelde aanslagen te corrigeren, en eventueel sancties op te leggen aan de fabrikanten.
53 Wat voorts de mededelingen van de wijzigingen van de door de suikerfabrikanten te betalen bedragen betreft, mag de mededelingstermijn, zoals in punt 38 van dit arrest is opgemerkt, slechts bij wijze van uitzondering worden overschreden.
54 Indien een dergelijke, uit controles achteraf voortvloeiende wijziging in alle gevallen en ongeacht de toepasselijke termijnen zou kunnen leiden tot een nieuwe vaststelling van het totale te betalen bedrag, zou de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde mededelingstermijn zijn nut volledig kunnen verliezen. Om zich aan die termijn te houden, zou de bevoegde nationale instantie de betrokken onderneming immers voor afloop van die termijn enkel een formele mededeling hoeven te sturen en die mededeling vervolgens op elk gewenst moment door een gewijzigde mededeling kunnen herzien.
55 Bovendien zou een dergelijke benadering afbreuk kunnen doen aan de rechten van de betrokken suikerfabrikant en meer in het bijzonder inbreuk kunnen maken op het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en ertoe strekt te waarborgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn (arrest van 15 september 2005, Ierland/Commissie, C‑199/03, EU:C:2005:548, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 In deze omstandigheden staat het dan ook aan de verwijzende rechter om in ieder specifiek geval en in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding na te gaan of de termijn waarbinnen een wijziging van een overschotheffing na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn mag worden meegedeeld, strookt met de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid.
57 Gelet op een en ander dient op de derde en de vierde vraag te worden geantwoord dat het, bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen betreffende de termijn waarbinnen de lidstaten de suikerfabrikanten na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn een wijziging van de heffing op het geproduceerde suikeroverschot moeten meedelen, aan de nationale rechter staat om in ieder specifiek geval en in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding na te gaan of die termijn strookt met de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid.
Kosten
58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een heffing op het suikeroverschot door de bevoegde instantie van een lidstaat binnen de in die bepaling vastgestelde termijn aan de betrokken suikerfabrikant wordt meegedeeld, die termijn in beginsel eveneens geldt voor de wijziging van een dergelijke mededeling die voortvloeit uit een controle overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 952/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft het beheer van de interne suikermarkt en het quotastelsel, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 707/2008 van de Commissie van 24 juli 2008. Desalniettemin mag de bevoegde nationale instantie deze termijn, behoudens in geval van onachtzaamheid, overschrijden wanneer zij de suikerproductie van de betrokken onderneming niet in detail kende en deze onwetendheid redelijkerwijs aan die onderneming kan worden toegeschreven omdat die niet te goeder trouw heeft gehandeld en niet alle toepasselijke bepalingen heeft nageleefd. Het staat aan de verwijzende rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding, na te gaan of dit in dat geding het geval is.
2) Bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen betreffende de termijn waarbinnen de lidstaten de suikerfabrikanten na afloop van de in artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 967/2006 vastgestelde termijn een wijziging van de heffing op het geproduceerde suikeroverschot moeten meedelen, staat het aan de nationale rechter om in ieder specifiek geval en in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding na te gaan of die termijn strookt met de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 27 juni 2018, C-246/17, ECLI:EU:C:2018:499
- HvJ EU 15 november 2012, C-131/11, ECLI:EU:C:2012:715
- HvJ EU 27 september 2012, C-113/10, ECLI:EU:C:2012:591
- HvJ EU 15 september 2005, C-199/03, ECLI:EU:C:2005:548
- HvJ EU 25 maart 2004, C-480/00, ECLI:EU:C:2004:179
- HvJ EU 10 januari 2002, C-101/99, ECLI:EU:C:2002:7