HvJ EU 19 december 2019, C-360/18, ECLI:EU:C:2019:1124

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

19 december 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 1360/2013 – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van de markten – Suikersector – Productieheffing – Nuttige werking – Recht op terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen – Toepasselijkheid van de nationale regels inzake verjaringstermijnen – Doeltreffendheidsbeginsel”

In zaak C‑360/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 16 mei 2018, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2018, in de procedure

Cargill Deutschland GmbH

tegen

Hauptzollamt Krefeld,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de derde kamer, L. S. Rossi (rapporteur), J. Malenovský en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 mei 2019,

gelet op de opmerkingen van:

– Cargill Deutschland GmbH, vertegenwoordigd door D. Ehle, Rechtsanwalt,

– het Hauptzollamt Krefeld, vertegenwoordigd door B. Grothe en R. M. Gleim-Arnold als gemachtigden,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.‑C. Halleux en M. Jacobs als gemachtigden, bijgestaan door B. De Moor en M. Callebaut, advocaten,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en B. Hofstötter als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juli 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EU) nr. 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006 (PB 2013, L 343, blz. 2).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Cargill Deutschland GmbH en het Hauptzollamt Krefeld (hoofddouanekantoor Krefeld, Duitsland) over de terugbetaling van productieheffingen in de suikersector voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2004/2005.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 10, 11, 13 en 23 van verordening nr. 1360/2013 luiden als volgt: „(10) Op 27 september 2012 heeft het Hof, in de gevoegde zaken C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, verordening (EG) nr. 1193/2009 [van de Commissie van 3 november 2009 houdende rectificatie van de verordeningen (EG) nr. 1762/2003, (EG) nr. 1775/2004, (EG) nr. 1686/2005 en (EG) nr. 164/2007 en houdende vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006 (PB 2009, L 321, blz. 1)] ongeldig verklaard met het argument dat met het oog op de berekening van het geraamde gemiddelde verlies per ton product, artikel 15, lid 1, onder d), van verordening (EG) nr. 1260/2001 [van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 2001, L 178, blz. 1)] zo moet worden opgevat dat het totale terug te betalen bedrag, het totale bedrag aan effectief betaalde exportrestituties omvat. (11) De heffingen in de sector suiker dienen dus op het gepaste niveau te worden vastgesteld. [...] [...] (13) [...] [D]e gerectificeerde heffingen [moeten] van toepassing zijn met ingang van dezelfde data als de ongeldig verklaarde heffingen. [...] (23) Met het oog op de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de betrokken marktdeelnemers in de verschillende lidstaten moet een gemeenschappelijk tijdstip worden vastgesteld waarop de overeenkomstig de onderhavige verordening bepaalde heffingen worden vastgesteld [...]. Deze termijn is evenwel niet van toepassing indien lidstaten krachtens hun nationale recht verplicht zijn de marktdeelnemers na dat tijdstip te vergoeden”.

4 Artikel 1, lid 1, van deze verordening luidt als volgt: „De productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006 zijn vastgesteld in punt 1 van de bijlage.”

5 In artikel 2 van die verordening is bepaald: „Het in artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 [van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB 2000, L 130, blz. 1)] bedoelde tijdstip voor de vaststelling van de op grond van de onderhavige verordening bepaalde heffingen is uiterlijk 30 september 2014, tenzij deze termijn niet kan worden nageleefd omdat in de betreffende lidstaat het nationale recht van toepassing is inzake de terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen aan marktdeelnemers.”

6 In artikel 3, tweede tot en met vierde alinea, van die verordening worden de data vastgesteld met ingang waarvan de in punt 1 van de bijlage bij de verordening vastgestelde productieheffingen van toepassing zijn voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006.

7 De overwegingen 13 en 14 van verordening (EU) 2018/264 van de Raad van 19 februari 2018 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000, en tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001 (PB 2018, L 51, blz. 1), luiden als volgt: „(13) Met het oog op de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de betrokken marktdeelnemers in de verschillende lidstaten moet een tijdstip worden vastgesteld waarop de overeenkomstig de onderhavige verordening bepaalde heffingen moeten worden vastgesteld [...]. Deze termijn is evenwel niet van toepassing indien lidstaten krachtens hun nationale recht verplicht zijn de betrokken marktdeelnemers na dat tijdstip te vergoeden. (14) Het verschil tussen de bedragen die ten onrechte zijn betaald voor de productieheffingen in de sector suiker vastgesteld bij de verordeningen (EG) nr. 2267/2000 [van de Commissie van 12 oktober 2000 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000 (PB 2000, L 259, blz. 29)] en (EG) nr. 1993/2001 [van de Commissie van 11 oktober 2001 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001 (PB 2001, L 271, blz. 15)] en de bij de onderhavige verordening vastgestelde heffingen, dient te worden terugbetaald.”

8 Artikel 2, lid 2, van die verordening luidt: „Het verschil tussen de heffingen die zijn vastgesteld bij de verordeningen [...] nr. 2267/2000 en [...] nr. 1993/2001, en de heffingen als bedoeld in artikel 1 van de onderhavige verordening, wordt terugbetaald aan de marktdeelnemers die heffingen hebben betaald voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001, na een met redenen omkleed verzoek van de laatsten.”

Duits recht

9 § 12, lid 1, eerste volzin, van het Gesetz zur Durchführung der Gemeinsamen Marktorganisationen und der Direktzahlungen (wet ter uitvoering van de gemeenschappelijke ordening van de markten en rechtstreekse betalingen, BGBl. 2017 I, blz. 3746) bepaalt: „Op heffingen voor doeleinden van marktordening [...] zijn de bepalingen van de Abgabenordnung (belastingwetboek; hierna: ‚AO’) [...] van overeenkomstige toepassing, tenzij bij deze wet of bij een krachtens deze wet vastgesteld besluit is voorzien in een regeling die van deze bepalingen afwijkt.”

10 Volgens § 37, lid 2, eerste en tweede volzin, AO: „Wanneer een belasting [...] zonder rechtsgrondslag is betaald of terugbetaald, heeft degene van wie de rekening voor de betaling is gedebiteerd, jegens de ontvanger van de betaling recht op teruggave van het betaalde of terugbetaalde bedrag. Dit geldt ook wanneer de rechtsgrondslag voor de betaling of terugbetaling naderhand vervalt.”

11 § 164, leden 1, 2 en 4, AO luidt als volgt: „(1) Belastingen [kunnen] in het algemeen of in individuele gevallen worden vastgesteld onder voorbehoud van controle achteraf, zonder dat voor dit voorbehoud een motivering is vereist. [...] (2) Zolang het voorbehoud geldt, kan de vaststelling van de belasting ingetrokken of gewijzigd worden. [...] [...] (4) Het voorbehoud van controle achteraf vervalt wanneer de termijn voor de vaststelling van de belasting afloopt.”

12 In § 169, leden 1 en 2, AO is bepaald: „(1) De vaststelling van de belasting alsook de intrekking of wijziging van deze vaststelling zijn niet meer mogelijk wanneer de termijn voor de vaststelling afgelopen is. [...] (2) De termijn voor de vaststelling bedraagt: 1. één jaar voor verbruiksbelastingen en verbruiksbelastingteruggaven; 2. vier jaar voor belastingen en belastingteruggaven die geen belastingen of belastingteruggaven in de zin van punt 1 dan wel invoer‑ of uitvoerrechten in de zin van artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie zijn. [...]”

13 § 170, lid 1, AO luidt: „De termijn voor de vaststelling begint te lopen zodra het kalenderjaar is afgelopen waarin de belastingschuld is ontstaan [...].”

14 § 175, lid 1, eerste alinea, AO luidt als volgt: „Een belastingaanslag moet worden vastgesteld, vernietigd of gewijzigd [...] 2. Wanneer er zich een gebeurtenis voordoet die fiscale implicaties heeft voor het verleden (gebeurtenis met terugwerkende kracht).”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15 Cargill Deutschland was als isoglucoseproducent voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 onderworpen aan het stelsel van productieheffingen in de sector suiker als bedoeld in verordening nr. 1260/2001.

16 Het bedrag van de productieheffingen voor die verkoopseizoenen is vastgesteld op grond van ieder jaar door de Europese Commissie vastgestelde verordeningen, te weten verordeningen (EG) nr. 1837/2002 van de Commissie van 15 oktober 2002 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen en de coëfficiënt voor de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2001/2002 (PB 2002, L 278, blz. 13), (EG) nr. 1762/2003 van de Commissie van 7 oktober 2003 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2002/2003 (PB 2003, L 254, blz. 4), (EG) nr. 1775/2004 van de Commissie van 14 oktober 2004 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2003/2004 (PB 2004, L 316, blz. 64), (EG) nr. 1686/2005 van de Commissie van 14 oktober 2005 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen en de coëfficiënt voor de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2004/2005 (PB 2005, L 271, blz. 12), en (EG) nr. 164/2007 van de Commissie van 19 februari 2007 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006 (PB 2007, L 51, blz. 17).

17 Uit hoofde van die verordeningen heeft het hoofddouanekantoor Krefeld onder meer de door Cargill Deutschland te betalen productieheffingen voor die verkoopseizoenen onder voorbehoud van controle achteraf vastgesteld bij heffingsaanslagen van 23 oktober 2002, 20 oktober 2003, 30 maart 2004 en 18 oktober 2005.

18 Bij arrest van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260), en bij beschikkingen van 6 oktober 2008, Raffinerie Tirlemontoise (C‑200/06, niet gepubliceerd, EU:C:2008:541), en SAFBA (C‑175/07–C‑184/07, niet gepubliceerd, EU:C:2008:543), zijn de verordeningen nr. 1762/2003, nr. 1775/2004 en nr. 1686/2005 door het Hof ongeldig verklaard. Deze verordeningen zijn derhalve gewijzigd bij verordening nr. 1193/2009.

19 Bij arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591), is verordening nr.1193/2009 op haar beurt door het Hof ongeldig verklaard. Na de uitspraak van dit arrest heeft de Raad van de Europese Unie de productieheffingen in de suikersector voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 opnieuw vastgesteld door de vaststelling van verordening nr. 1360/2013. Daarbij zijn de productieheffingen voor deze verkoopseizoenen verlaagd.

20 Op 1 mei 2014 heeft Cargill Deutschland bij het hoofddouanekantoor Krefeld verzocht om het bedrag van de nieuwe productieheffingen vast te stellen en om terugbetaling te verkrijgen van de onverschuldigd betaalde heffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2004/2005.

21 Bij besluit van 18 april 2016, dat op 19 september 2016 werd bevestigd na een onsuccesvolle bezwaarprocedure, heeft het hoofddouanekantoor Krefeld dat verzoek afgewezen op grond dat ingevolge § 164 en § 169, lid 2, tweede volzin, punt 2, AO de voor vernietiging, wijziging of rectificatie van de belastingaanslagen gestelde vaststellingstermijn van vier jaar voor die verkoopseizoenen was verstreken, en dat de betrokken belastingaanslagen dus definitief waren geworden.

22 Volgens § 170, lid 1, AO begint de vaststellingstermijn immers te lopen zodra het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, is verstreken. Zoals de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gepreciseerd, was in casu de vaststellingstermijn voor het verkoopseizoen 2004/2005 dus ingegaan op 31 december 2006. In die omstandigheden is het verzoek van Cargill Deutschland, dat pas in 2014 werd ingediend, na het verstrijken van die vaststellingstermijn ingekomen bij het hoofddouanekantoor Krefeld. Wat de productieheffingen voor de voorgaande verkoopseizoenen betreft was deze vaststellingstermijn a fortiori verstreken.

23 Cargill Deutschland heeft bij de verwijzende rechter, het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland), beroep ingesteld tegen het besluit van het hoofddouanekantoor Krefeld, waarbij zij aanvoerde dat haar recht op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffingen rechtstreeks voortvloeit uit verordening nr. 1360/2013. Voor dit recht geldt er geen vaststellingstermijn en het definitieve karakter van de heffingsaanslagen die door het hoofddouanekantoor Krefeld zijn uitgebracht laat dit recht onverlet.

24 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat hij in eerdere zaken ervan is uitgegaan dat de vraag of een vennootschap recht heeft op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffingen, wanneer de hoogte van de productieheffingen krachtens verordening nr. 1360/2013 met terugwerkende kracht werd verlaagd, uitsluitend moest worden beantwoord op basis van het toepasselijke nationale recht, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

25 In casu zou deze benadering evenwel ertoe leiden dat Cargill Deutschland dit recht wordt ontzegd, met name omdat de in verordening nr. 1360/2013 voorziene verlaging met terugwerkende kracht van de hoogte van de productieheffingen, alleen de onwettigheid van de beslissingen tot vaststelling van de belasting met zich mee zou brengen, en niet de nietigheid van de desbetreffende belastingaanslagen, die, aangezien zij op basis van definitieve beslissingen zijn uitgevaardigd, niet meer kunnen worden gewijzigd ingevolge de bepalingen van het toepasselijke nationale recht.

26 De verwijzende rechter benadrukt echter dat Cargill Deutschland in een soortgelijke procedure betreffende de rectificatie van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001, bij besluit van het hoofddouanekantoor Krefeld van 7 mei 2018, dat was gebaseerd op verordening 2018/264, gedeeltelijke terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffingen heeft verkregen, terwijl de krachtens het nationale recht geldende verjaringstermijnen waren verstreken. Die terugbetaling was immers mogelijk na de uitspraak van het arrest van 9 februari 2017, Raffinerie Tirlemontoise (C‑585/15, EU:C:2017:105), waarmee het Hof de verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001, waarin deze bedragen waren vastgesteld, ongeldig heeft verklaard, en na de daaropvolgende vaststelling van verordening 2018/264, waarbij deze bedragen opnieuw waren vastgesteld, zonder uitdrukkelijk te verlangen dat rekening werd gehouden met die verjaringstermijnen.

27 In die context vraagt de verwijzende rechter zich af of de Uniewetgever met de vaststelling van verordening 2018/264 in werkelijkheid niet een algemeen beginsel heeft willen invoeren op grond waarvan de in de suikersector ten onrechte betaalde productieheffingen kunnen worden terugbetaald, ongeacht de naar nationaal recht geldende verjaringsregels. Hij merkt op dat een dergelijke uitlegging Cargill Deutschland in staat zou stellen om terugbetaling te verkrijgen van de onverschuldigd betaalde productieheffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2004/2005, zoals herberekend overeenkomstig verordening nr. 1360/2013.

28 Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet de terugbetaling van productieheffingen in de sector suiker, waarvoor op grond van [verordening nr. 1360/2013] andere berekeningen dan voordien moeten worden uitgevoerd, geschieden in overeenstemming met het nationale recht, met name door de daarin voorziene verjaringsregels toe te passen, en met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel?”

Prejudiciële vraag

29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1360/2013, waarbij met name de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 zijn vastgesteld, aldus moet worden uitgelegd dat de terugbetaling van bedragen die door marktdeelnemers onverschuldigd zijn betaald uit hoofde van die heffingen, dient te geschieden in overeenstemming met het nationale recht, en in het bijzonder binnen de daarin gestelde verjaringstermijnen, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

30 Om te beginnen zij opgemerkt dat de twijfels van de verwijzende rechter met name voortvloeien uit de omstandigheid dat Cargill Deutschland krachtens artikel 2, lid 2, van verordening 2018/264, van de bevoegde Duitse autoriteiten terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffingen voor verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 heeft verkregen, terwijl de in het toepasselijke nationale recht gestelde verjaringstermijnen waren verstreken.

31 Verordening 2018/264, waarbij het bedrag van de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 is gerectificeerd, bepaalt immers in artikel 2, lid 2, dat de bedragen die door de marktdeelnemers die voor deze verkoopseizoenen heffingen hebben betaald, onverschuldigd zijn betaald, na een met redenen omkleed verzoek van deze laatsten, moeten worden terugbetaald, zonder dat die bepaling refereert aan of verwijst naar het toepasselijke nationale recht.

32 In die omstandigheden sluit de verwijzende rechter niet uit dat artikel 2, lid 2, van verordening 2018/264 aldus kan worden uitgelegd, dat daarin een algemeen beginsel wordt neergelegd op grond waarvan de bedragen die door marktdeelnemers onverschuldigd zijn betaald uit hoofde van productieheffingen in de sector suiker, kunnen worden terugbetaald. Dit beginsel zou van toepassing kunnen zijn ongeacht het verstrijken van de naar nationaal recht geldende verjaringstermijnen, zelfs indien op grond van verordening nr. 1360/2013 om die terugbetaling is verzocht.

33 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat, zoals de advocaat-generaal in punt 31 van haar conclusie heeft opgemerkt, verordening 2018/264, aangezien zij enkel de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 betreft, ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding, dat betrekking heeft op een verzoek om terugbetaling van voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2004/2005 betaalde productieheffingen.

34 Hieruit volgt dat verordening 2018/264 niet de rechtsgrondslag kan vormen voor een verzoek om terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen voor die laatste verkoopseizoenen.

35 Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof verordening nr. 1193/2009 ongeldig heeft verklaard met zijn arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591. Zoals uit onder meer de punten 48 en 49 van dit arrest blijkt, was de in die verordening vastgestelde methode, die door de Commissie is gebruikt om de bedragen van de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 vast te stellen, onjuist, aangezien zij ertoe leidde dat het totale restitutiebedrag kunstmatig werd verhoogd. Daarom hadden de producenten, zoals uit punt 69 van dat arrest blijkt, niet alleen recht op terugbetaling van de bedragen die onverschuldigd waren betaald uit hoofde van de door de lidstaten in de betrokken periode geïnde productieheffingen, maar ook op betaling van rente over deze bedragen.

36 Om te voldoen aan het arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591), heeft de Raad verordening nr. 1360/2013 vastgesteld, die tot doel had het bedrag van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006, met terugwerkende kracht te corrigeren. Volgens de Uniewetgever zijn de nieuwe productieheffingen berekend overeenkomstig de door het Hof in dat arrest gevalideerde methode, en vastgesteld op een „[gepast] niveau” in de zin van overweging 11 van die verordening.

37 De nuttige werking van verordening nr. 1360/2013 vereist dus dat de betrokken suikerproducenten de terugbetaling moeten kunnen verkrijgen van de productieheffingen die meerdere jaren vóór de vaststelling van die verordening onverschuldigd zijn betaald.

38 Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat het recht van de suikerproducenten op terugbetaling van de heffingen die onverschuldigd zijn betaald voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen, voortvloeit uit het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591), en zoals door de Uniewetgever in het licht van het genoemde arrest ten uitvoer gelegd door de vaststelling van verordening nr. 1360/2013.

39 Het Hof heeft immers geoordeeld dat het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de Unierechtbepalingen zoals die door het Hof zijn uitgelegd (arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, EU:C:2006:774, punt 202; 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, EU:C:2012:478, punt 24, en 25 juli 2018, Messer France, C‑103/17, EU:C:2018:587, punt 56).

40 Voorts konden de bevoegde nationale autoriteiten pas na de vaststelling met terugwerkende kracht van de nieuwe productieheffingen bij verordening nr. 1360/2013 precies bepalen hoeveel elk van de betrokken producenten uit hoofde van die heffingen te veel had betaald.

41 In die omstandigheden moet er ter verzekering van de nuttige werking van die verordening van worden uitgegaan dat de betrokken suikerproducenten vanaf de datum van inwerkingtreding van die verordening, namelijk op 20 december 2013, in staat waren kennis te nemen van het precieze bedrag van de onverschuldigd betaalde heffingen, overeenkomstig de berekeningen van de Commissie, zoals gecorrigeerd om rekening te houden met de rechtspraak van het Hof, en dus om geldig verzoeken om terugbetaling van die heffingen in te dienen.

42 Daartoe bevat om te beginnen punt 1 van de bijlage bij verordening nr. 1360/2013, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, ervan, een tabel waarin de productieheffingen in de sector suiker, uitgedrukt in de vorm van een bedrag in EUR per ton product, zijn vastgesteld voor elk verkoopseizoen, gaande van het verkoopseizoen 2001/2002 tot en met het verkoopseizoen 2005/2006.

43 Vervolgens stelt artikel 2 van die verordening het tijdstip waarop de lidstaten verplicht zijn om het bedrag van de bij verordening nr. 1360/2013 vastgestelde heffingen over te maken op de eigenmiddelenrekening van de Unie in beginsel op uiterlijk 30 september 2014 vast.

44 Ten slotte beperkt artikel 3 van deze verordening zich tot de vaststelling van de data met ingang waarvan de in punt 1 van de bijlage bij die verordening vastgestelde productieheffingen, voor elk van de verkoopseizoenen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, van toepassing zijn.

45 Vastgesteld moet worden dat verordening nr. 1360/2013, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van haar conclusie heeft opgemerkt, geen enkele bepaling bevat met betrekking tot de procedures en nadere regels die de lidstaten moeten toepassen om uitvoering te geven aan het recht van de marktdeelnemers op terugbetaling van de in de suikersector onverschuldigd betaalde productieheffingen voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen.

46 Volgens vaste rechtspraak mogen de lidstaten, nu er geen geharmoniseerde regels inzake de terugbetaling van in strijd met het Unierecht opgelegde heffingen zijn, hun nationale procedurevoorschriften blijven toepassen, met name met betrekking tot verjarings‑ en vervaltermijnen, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (zie in die zin arresten van 8 september 2011, Q‑Beef en Bosschaert, C‑89/10 en C‑96/10, EU:C:2011:555, punt 34, en 20 december 2017, Caterpillar Financial Services, C‑500/16, EU:C:2017:996, punt 37).

47 De inachtneming van die beginselen vereist dat die procedurevoorschriften niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en evenmin van dien aard zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de toepassing van de nationale regels volgens de verwijzende rechter in overeenstemming is met voormelde beginselen, aangezien zij, met inachtneming van de algemene verjaringstermijn van het Duitse belastingrecht, een correctie mogelijk maakt in gevallen waarin handelingen van de Unie met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter ook in wezen dat volgens de verwijzende rechter het definitieve karakter van een belastingaanslag in het Duitse recht zich ertegen verzet dat op grond van verordening nr. 1360/2013 om terugbetaling wordt verzocht wanneer de toepasselijke verjaringstermijn is verstreken op het tijdstip waarop dit verzoek wordt ingediend.

49 Er zij aan herinnerd dat in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, het Hof tot taak heeft de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe kan het Hof uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de beginselen van het Unierecht putten die, gelet op het voorwerp van het hoofdgeding, uitlegging behoeven (arrest van 18 december 2019, Generálny riaditeľ Sociálnej poisťovne Bratislava, C‑447/18, EU:C:2019:1098, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In casu moet dus bovendien worden nagegaan of nationale regels voor de uitoefening van het recht op terugbetaling van het bedrag dat suikerproducenten te veel hebben betaald uit hoofde van de productieheffingen waarin is voorzien bij verordening nr. 1260/2001 en die bij verordening nr. 1360/2013 definitief zijn vastgesteld voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen, die, zoals uitgelegd en toegepast door de bevoegde rechterlijke instanties, zich ertegen verzetten dat een verzoek om terugbetaling wordt ingediend na de inwerkingtreding van verordening nr. 1360/2013 omdat de voor dergelijke verzoeken geldende verjaringstermijn is verstreken, in overeenstemming zijn met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

51 In de onderhavige context moet om te beginnen worden onderzocht of dergelijke regels met het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar zijn. Volgens vaste rechtspraak moet in ieder geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden gekeken naar de plaats van die bepaling in de gehele procedure en naar het verloop en de bijzonderheden van die procedure voor de verschillende nationale instanties. In dat opzicht moet in voorkomend geval met name rekening worden gehouden met het beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arresten van 20 oktober 2016, Danqua, C‑429/15, EU:C:2015:789, punt 42, en 22 februari 2018, INEOS Köln, C‑572/16, EU:C:2018:100, punt 44).

52 Wat in het bijzonder de verjarings‑ en vervaltermijnen betreft, heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de vaststelling van redelijke beroepstermijnen in beginsel voldoet aan het doeltreffendheidsvereiste, voor zover zij een toepassing vormt van het fundamentele rechtszekerheidsvereiste dat zowel de belanghebbende als het betrokken bestuursorgaan beschermt, ook al kan het verstrijken van dergelijke termijnen naar zijn aard verhinderen dat de betrokken personen hun rechten geheel of gedeeltelijk doen gelden (zie in die zin arrest van 22 februari 2018, INEOS Köln, C‑572/16, EU:C:2018:100, punten 46 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo heeft het Hof bijvoorbeeld een nationale vervaltermijn van drie jaar redelijk geacht (zie arrest van 8 september 2011, Q‑Beef en Bosschaert, C‑89/10 en C‑96/10, EU:C:2011:555, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt ondubbelzinnig dat Cargill Deutschland op grond van het nationale recht geen aanspraak meer kan maken op terugbetaling van de heffingen voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen, aangezien, zoals in de punten 21 en 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de verjaringstermijn voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde heffingen is verstreken. Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing is dat het geval, niettegenstaande dat verordening nr. 1360/2013 het Unierecht met terugwerkende kracht heeft gewijzigd door de vervanging van de bepalingen van de eerder door het Hof ongeldig verklaarde verordeningen, waarop de besluiten tot vaststelling van de belasting en de daarmee overeenstemmende belastingaanslagen gegrond waren. Deze retroactieve wijziging vloeit voort uit artikel 3, tweede tot en met vierde alinea, van deze verordening, waarin voor elk van de verkoopseizoenen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, wordt vastgesteld vanaf wanneer de in punt 1 van de bijlage bij de verordening vastgestelde productieheffingen in de sector suiker van toepassing zijn.

54 Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, was het voor Cargill Deutschland in de praktijk onmogelijk om binnen de daartoe gestelde verjaringstermijn van vier jaar een verzoek om terugbetaling in te dienen, aangezien deze termijn reeds vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1360/2013 – op 20 december 2013 – was verstreken, dus voordat de Uniewetgever de productieheffingen in de suikersector voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen had gecorrigeerd ingevolge artikel 1 van die verordening en de bijlage daarbij.

55 Aangezien de bevoegde nationale autoriteiten, zoals is opgemerkt in de punten 40 en 41 van het onderhavige arrest, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1360/2013 het bedrag van een eventuele terugbetaling van de heffingen die onverschuldigd waren betaald door marktdeelnemers die aan de verordening rechten ontlenen, niet konden berekenen, en die marktdeelnemers evenmin in staat waren om dit bedrag te kennen, volgt hieruit dat nationale regels, die door de verwijzende rechter aldus worden uitgelegd dat de toepasselijke verjaringstermijn verstrijkt vóór de inwerkingtreding van die verordening, de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie aan deze marktdeelnemers toegekende recht op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde productieheffingen voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoopseizoenen, in de praktijk onmogelijk maken.

56 De door het hoofddouanekantoor Krefeld ter terechtzitting aangevoerde stelling dat een voorzichtige marktdeelnemer de heffingsaanslagen had kunnen betwisten vóór het verstrijken van de toepasselijke verjaringstermijn, kan niet afdoen aan deze conclusie. Er dient immers te worden opgemerkt dat in het nationale recht vastgestelde procedurevoorschriften de uitoefening van een recht dat aan een marktdeelnemer wordt verleend door een Unieregeling, die de voorwaarden voor dat recht definitief vastlegt, in de praktijk onmogelijk maken, wanneer de uitoefening van dit recht door die voorschriften afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de betrokken marktdeelnemer, zelfs voordat deze regeling in werking is getreden, een verzoek indient of een beroep instelt ter betwisting van nationale beslissingen die gebaseerd zijn op een eerdere versie van dezelfde Unieregeling, die ondertussen door het Hof ongeldig is verklaard.

57 Gelet op de voorgaande analyse met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel en de daaruit in punt 55 van het onderhavige arrest getrokken conclusie, behoeft in dit arrest de eventuele toepasselijkheid van het gelijkwaardigheidsbeginsel niet te worden onderzocht.

58 Uit een en ander volgt dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat verordening nr. 1360/2013 aldus moet worden uitgelegd dat: – de terugbetaling van de bedragen die marktdeelnemers onverschuldigd hebben betaald uit hoofde van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006, dient te geschieden in overeenstemming met het nationale recht, en in het bijzonder binnen de daarin gestelde verjaringstermijnen, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid; – zij zich verzet tegen nationale regels op grond waarvan, volgens de uitlegging die daaraan door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt gegeven, de toepasselijke verjaringstermijn waarbinnen om terugbetaling van onverschuldigd betaalde suikerproductieheffingen dient te worden verzocht, verstrijkt vóór de inwerkingtreding van die verordening, hetgeen de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie aan die marktdeelnemers verleende recht om terugbetaling van deze heffingen te verkrijgen voor de in voormelde verordening bedoelde verkoopseizoenen, in de praktijk onmogelijk maakt.

Kosten

59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Verordening (EU) nr. 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006, dient aldus te worden uitgelegd dat:

– de terugbetaling van de bedragen die marktdeelnemers onverschuldigd hebben betaald uit hoofde van die heffingen dient te geschieden in overeenstemming met het nationale recht, en in het bijzonder binnen de daarin gestelde verjaringstermijnen, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid;

– zij zich verzet tegen nationale regels op grond waarvan, volgens de uitlegging die daaraan door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt gegeven, de toepasselijke verjaringstermijn waarbinnen om terugbetaling van onverschuldigd betaalde suikerproductieheffingen dient te worden verzocht, verstrijkt vóór de inwerkingtreding van die verordening, hetgeen de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie aan die marktdeelnemers verleende recht om terugbetaling van deze heffingen te verkrijgen voor de in voormelde verordening bedoelde verkoopseizoenen, in de praktijk onmogelijk maakt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in