HvJ EU 17 januari 2018, C-363/16, ECLI:EU:C:2018:12

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 januari 2018 ( *1 )

„Niet-nakoming - Staatssteun - Steun die onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard - Verplichting tot terugvordering - Artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 14, lid 3 - Failliet verklaarde begunstigde onderneming - Insolventieprocedures - Opnemen van de schuldvorderingen in de lijst van crediteuren - Stopzetten van de activiteiten - Schorsing van de faillissementsprocedure om de mogelijkheid van het opnieuw opstarten van de activiteiten te onderzoeken - Informatieplicht - Niet-naleving”

In zaak C‑363/16,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, ingesteld op 30 juni 2016,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar en B. Stromsky als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door K. Boskovits en V. Karra als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, C. G. Fernlund, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2017,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 oktober 2017,

het navolgende

Arrest

1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk waren voor de uitvoering van besluit 2012/541/EU van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.26534 (C 27/10, ex NN 6/09) die Griekenland heeft verleend aan United Textiles SA (PB 2012, L 279, blz. 30), en in elk geval de Commissie onvoldoende te hebben ingelicht over de door haar genomen maatregelen, zoals was voorgeschreven in artikel 4 van dat besluit, de krachtens de artikelen 2 tot en met 4 van dat besluit en het VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Toepasselijke bepalingen

2 Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1) is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9). Niettemin is zij, gelet op de datum van de feiten, in het onderhavige geding nog toepasselijk.

3 Overweging 13 van verordening nr. 659/1999 luidde als volgt: „Overwegende dat in gevallen van niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare onrechtmatige steun, de daadwerkelijke mededinging dient te worden hersteld; dat het hiertoe noodzakelijk is dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd; dat het passend is de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden; dat de toepassing van die procedures niet, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de beschikking van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging mag beletten; dat de lidstaten daartoe dan ook alle nodige maatregelen moeten treffen om de effectiviteit van die beschikking te verzekeren”.

4 Artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 bepaalde het volgende: „Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie [van de Europese Unie] overeenkomstig artikel [278 VWEU], dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd [het Unierecht].”

Voorgeschiedenis van het geding en precontentieuze procedure

5 United Textiles SA is een Griekse textielonderneming die actief is op het gebied van de productie van kleding, vezels en weefsel. De situatie van deze onderneming is op zijn minst sinds 2004 verslechterd, met een gestage afname van haar afzet. Haar fabrieken hebben sinds 2008 hun activiteit gestaakt omdat er geen bedrijfskapitaal meer was. Sindsdien is er met betrekking tot vrijwel al haar bankleningen sprake van wanbetaling. In maart 2009 is de productie vrijwel volledig tot stilstand gekomen.

6 In de loop van 2007 heeft de Helleense Republiek aan United Textiles een garantie toegekend in het kader van de herschikking van een bestaande banklening en de uitgifte van een nieuwe lening (hierna: „staatssteun van 2007”). In de loop van 2009 heeft de Helleense Republiek de socialezekerheidsschulden van de United Textiles met betrekking tot de periode 2004‑2009 herschikt (hierna: „staatsteun van 2009”).

7 Op 22 februari 2012 heeft de Commissie besluit 2012/541 vastgesteld, waarvan op 23 februari 2012 kennis is gegeven aan de Helleense Republiek en waarvan de artikelen 1 tot en met 4 als volgt zijn verwoord: „Artikel 1 1. De staatssteun die door Griekenland in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is toegekend aan [United Textiles SA], in 2007 in de vorm van een overheidsgarantie en in 2009 in de vorm van een herschikking van achterstallige socialezekerheidsverplichtingen, is onverenigbaar met de interne markt. […] Artikel 2 1. Griekenland vordert de in artikel 1, lid 1, bedoelde staatssteun van de begunstigde terug. […] Artikel 3 1. De terugvordering van de in artikel 1, lid 1, bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk. 2. Griekenland zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd. Artikel 4 1. Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Griekenland de Commissie de volgende informatie: a) het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en terugvorderingsrente); b) een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen; c) documenten waaruit blijkt dat de begunstigde werd gelast de steun terug te betalen. 2. Griekenland houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de in artikel 1, lid 1, bedoelde steun volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verstrekt tevens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.”

8 Op 21 juni 2012 hebben de bevoegde Helleense autoriteiten een schuldvordering van 19181729,10 EUR voor echt gewaarmerkt, die het bedrag van de staatssteun van 2007 omvatte. Op 29 augustus 2012 hebben deze autoriteiten nog een schuldvordering van 15827427,78 EUR voor echt gewaarmerkt, die het bedrag van de staatssteun van 2009 omvatte.

9 In die context en na verzoeken om inlichtingen hebben de Helleense autoriteiten de Commissie bij brief van 3 augustus 2012 ervan in kennis gesteld dat United Textiles op 19 juli 2012 officieel failliet was verklaard.

10 In het kader van de faillissementsprocedure is de termijn voor de indiening van schuldvorderingen ingegaan op 30 juli 2012.

11 De Helleense Republiek heeft de schuldvorderingen die de in artikel 1, lid 1, van besluit 2012/541 bedoelde terug te vorderen bedragen aan staatsteun omvatten, ingediend.

12 De schuldvorderingen zijn bij de griffie van het faillissementsgerecht ingediend, op 3 augustus 2012 voor zover het de staatsteun van 2007 betreft en op 14 september 2012 voor zover het de staatsteun van 2009 betreft. De laatste indiening heeft op 7 februari 2013 plaatsgevonden.

13 In de loop van 2013 is een procedure met het oog op de openbare verkoop van de activa van United Textiles ingeleid.

14 Bij e-mails van 7 en 17 december 2015 heeft de curator van United Textiles de Commissie ervan in kennis gesteld dat de Helleense regering pogingen was aan het ondernemen om de bedrijfsactiviteiten van de onderneming opnieuw op te starten.

15 Die instelling heeft de Helleense autoriteiten bij brief van 18 december 2015 verzocht om te specificeren of er inderdaad voornemens waren om de bedrijfsactiviteiten van United Textiles opnieuw op te starten.

16 Die autoriteiten hebben bij een schrijven van 19 januari 2016 aan de Commissie te kennen gegeven dat zij bij een wetsbesluit met normatief karakter van 30 december 2015 (hierna: „WNK”) hadden beslist om de procedure met het oog op de openbare verkoop van de activa van United Textiles voor zes maanden te schorsen, met ingang van de datum van bekendmaking van dat besluit in het staatsblad van de Helleense Republiek, om nader te onderzoeken of de activiteit van de onderneming kon worden overgedragen binnen het ruimere kader van het beleid om de Helleense industrie een nieuwe impuls te geven en arbeidsplaatsen zeker te stellen. Genoemde autoriteiten hebben tevens te kennen gegeven dat zij hoe dan ook rekening wilden houden met de bekendmaking van de Commissie getiteld „Naar een doelmatige tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie waarbij lidstaten wordt gelast onrechtmatige en onverenigbare steun terug te vorderen” (PB 2007, C 272, blz. 4).

17 Tijdens een op 11 februari 2016 te Athene (Griekenland) gehouden vergadering en in een brief van 22 februari 2016 hebben de diensten van de Commissie de Helleense autoriteiten verzocht om onmiddellijk tot de volledige terugvordering van de steun over te gaan of om de faillissementsprocedure betreffende United Textiles voort te zetten.

18 Vervolgens hebben de Helleense autoriteiten bij brief van 11 april 2016 aan de Commissie te kennen gegeven dat het door de Helleense Republiek onderzochte plan om de bedrijfsactiviteiten opnieuw op te starten de volledige en onmiddellijke terugvordering van de toegekende staatssteun vermeerderd met rente omvatte en dit vóór de eventuele overname van de activiteit van United Textiles. Bij die brief hebben zij verzocht om een termijn van 30 werkdagen om de evaluatie van dat plan af te ronden.

19 Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

Beroep

20 Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie twee grieven aan, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 3 van besluit 2012/541 respectievelijk schending van artikel 4 van dat besluit.

21 De Commissie stelt in de eerste plaats dat de Helleense Republiek niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk waren om de onverenigbare steun terug te vorderen en in de tweede plaats dat die Staat haar onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de maatregelen die ter uitvoering van dat besluit waren genomen.

Eerste grief: verzuim om de onverenigbare steun terug te vorderen

Argumenten van partijen

22 De Commissie meent dat de Helleense Republiek er op de datum waarop de in artikel 3, lid 2, van besluit 2012/541 gestelde termijn is verstreken, namelijk op 25 juni 2012, niet voor had gezorgd dat dit besluit was uitgevoerd. Zij doet opmerken dat zij de termijn voor uitvoering van dat besluit niet heeft verlengd.

23 Volgens de Commissie kan een lidstaat, om aan zijn verplichting tot terugvordering van onverenigbare steun te voldoen, hetzij het volledige bedrag van die steun vermeerderd met rente terugvorderen van de begunstigde onderneming, hetzij het faillissement van die onderneming teweegbrengen, ongeacht de eventuele financiële problemen van die onderneming, en de schuldvordering betreffende die steun in het kader van de faillissementsprocedure laten opnemen in de lijst van schuldvorderingen. In dat laatste geval zal de liquidatie van de onderneming in kwestie gepaard moeten gaan met het definitief stopzetten van haar activiteit.

24 Volgens de Commissie is het duidelijk dat de Helleense Republiek niet aan die verplichtingen had voldaan op de datum waarop de uitvoeringstermijn verstreek.

25 Wat het definitief stopzetten van de activiteit van de begunstigde onderneming betreft, voert de Commissie aan dat deze onderneming op het moment waarop zij absoluut in de onmogelijkheid verkeert om de ontvangen steun terug te betalen, moet verdwijnen om te waarborgen dat het concurrentievoordeel wordt opgeheven. In dat geval gaat die onderneming een niet meer te stoppen proces in dat er onomkeerbaar toe leidt dat zij verdwijnt. Dat proces kan ook niet tijdelijk worden stopgezet omdat de lidstaat wil onderzoeken of volledige terugvordering of een overname van de activiteit van de begunstigde onderneming mogelijk is.

26 In deze zaak hebben de Helleense autoriteiten de faillissementsprocedure krachtens artikel 17 van het WNK geschorst in het stadium van de openbare verkoop van de activa van United Textiles om de mogelijkheid van een overname van de activiteit van die onderneming te verkennen, zodat zij niet hebben voldaan aan de voorwaarde inzake het definitief stopzetten van de activiteit van genoemde onderneming. Deze autoriteiten hebben de faillissementsprocedure namelijk daadwerkelijk geschorst om een hypothetisch onderzoek naar de mogelijkheid van een overname van de activiteit van United Textiles te verrichten. Zij hebben het proces dat tot het verdwijnen van die vennootschap had moeten leiden, dus omgekeerd.

27 De Helleense Republiek meent dat de omstandigheid dat ondernemingen die staatssteun hebben genoten zich in de problemen bevinden of failliet zijn, geen invloed heeft op de verplichting om die steun terug te vorderen.

28 Zij merkt daarnaast op dat het herstel in de vroegere toestand en de opheffing van de verstoring van de mededinging die uit de onrechtmatig verleende steun voortvloeit, in beginsel kunnen plaatsvinden door de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen te doen opnemen.

29 Volgens deze lidstaat is het juist ter uitvoering van besluit 2012/541 dat United Textiles op 19 juli 2012 failliet is verklaard en daardoor niet meer actief was op de markt, zodat de concurrentie op die markt ook niet meer werd verstoord. Bovendien stonden de Helleense autoriteiten in permanent contact met de diensten van de Commissie, zodat zij alle nuttige inlichtingen hebben verstrekt over de faillissementsprocedure en met name over het opnemen van de schuldvordering inzake de terugbetaling van de onrechtmatige steun in de lijst van schuldvorderingen, over de rangorde van de schuldvorderingen op die lijst en over het stopzetten van de activiteit van United Textiles. De Helleense Republiek stelt dus dat zij alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk waren om de onrechtmatig aan United Textiles toegekende steun in de loop van de op haar betrekking hebbende faillissementsprocedure terug te vorderen.

30 Ten aanzien van het argument van de Commissie dat die faillissementsprocedure onomkeerbaar moet zijn en moet leiden tot het definitief stopzetten van de activiteit van de onderneming die onrechtmatige steun heeft genoten, merkt de Helleense Republiek op dat noch in de rechtspraak noch in de praktijk van de Commissie wordt geëist dat het faillissement van een onderneming leidt tot een proces waarbij die onderneming onomkeerbaar verdwijnt. Het doel en de logica van het staatssteunrecht is gelegen in het opheffen van de concurrentievoordelen die een onderneming als gevolg van de steun heeft verkregen en niet in het definitief verdwijnen van die onderneming.

31 Volgens de Helleense Republiek leidt dat ertoe dat wanneer in de faillissementsprocedure komt vast te staan dat de onderneming die steun heeft genoten, haar activiteiten daadwerkelijk heeft gestaakt, het aan die steun verbonden concurrentievoordeel ook is opgeheven. In dergelijke omstandigheden staat niets eraan in de weg dat aan de vergadering van schuldeisers een plan wordt voorgesteld om de activiteiten van die onderneming duurzaam te laten overnemen, in het kader waarvan erin wordt voorzien dat de betrokken steun volledig moet worden terugbetaald voordat het tot een overname van de activiteiten kan komen.

32 Voorts leidt de Helleense Republiek af uit de in punt 16 van dit arrest aangehaalde bekendmaking van de Commissie, waarin in punt 67 uitdrukkelijk de mogelijkheid is vermeld om een plan voor voortzetting van de activiteiten voor te leggen, dat de inleiding en de voortzetting van de faillissementsprocedure zich er niet tegen verzet dat de activiteit van de onderneming in bepaalde gevallen wordt overgenomen, vooropgesteld dat de toegekende steun ook daadwerkelijk wordt teruggevorderd.

33 Bijgevolg kan de schorsing van de procedure met het oog op de openbare verkoop van de activa van die onderneming voor zes maanden op grond van artikel 17 van het WNK, worden beschouwd als een redelijke en in de tijd beperkte maatregel.

Beoordeling door het Hof

34 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de lidstaat die adressaat is van een besluit waarbij hij wordt gelast onrechtmatige, met de interne markt onverenigbare steun terug te vorderen, op grond van artikel 288 VWEU verplicht is om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om dat besluit uit te voeren. Hij dient de verschuldigde bedragen daadwerkelijk terug te vorderen om de verstoring van de mededinging op te heffen die voortkomt uit het concurrentievoordeel dat door die steun wordt verschaft (arrest van 24 januari 2013, Commissie/Spanje, C‑529/09, EU:C:2013:31, punt 91).

35 Ingevolge artikel 14, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 659/1999, gelezen in het licht van overweging 13 van die verordening, dient de terugvordering van onrechtmatige, met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie toelaten. Daartoe dienen de betrokken lidstaten alle nodige maatregelen te nemen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd het Unierecht (arrest van 11 september 2014, Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:2193, punt 38).

36 Er dient aan te worden herinnerd dat in de gevallen waarin de onrechtmatig uitgekeerde staatssteun moet worden teruggevorderd van begunstigde ondernemingen die in moeilijkheden of in staat van faillissement verkeren, dergelijke problemen niet afdoen aan de verplichting tot terugvordering van de steun (zie in die zin arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 71). De lidstaat moet naargelang het geval dus proberen de vennootschap te laten vereffenen, zijn schuldvordering aan de passiefzijde te laten opnemen of elke andere maatregel treffen waarmee de steun kan worden terugbetaald (zie in die zin arrest van 6 december 2007, Commissie/Italië, C‑280/05, niet gepubliceerd, EU:C:2007:753, punt 28).

37 Het is namelijk vaste rechtspraak dat het herstel in de vroegere toestand en de opheffing van de verstoring van de mededinging die uit de onrechtmatig verleende steun voortvloeit, in beginsel kunnen plaatsvinden door de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen te doen opnemen (arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Niettemin moet erop worden gewezen dat met een dergelijke opneming alleen aan de terugvorderingsverplichting kan worden voldaan indien, ingeval de nationale autoriteiten niet het volledige steunbedrag hebben kunnen terugvorderen, de faillissementsprocedure resulteert in de vereffening van de onderneming, dat wil zeggen in een definitieve stopzetting van haar activiteit, hetgeen de nationale autoriteiten als aandeelhouder of schuldeiser teweeg kunnen brengen (arrest van 13 oktober 2011, Commissie/Italië, C‑454/09, niet gepubliceerd, EU:C:2011:650, punt 36).

39 Daaruit volgt dat het definitief stopzetten van de activiteiten van de onderneming die steun heeft genoten, alleen onvermijdelijk is wanneer in de loop van de faillissementsprocedure nog steeds niet het volledige steunbedrag kan worden teruggevorderd.

40 Wat de temporele aspecten van de terugvordering van onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun betreft, moet eraan worden herinnerd dat te late invordering, nadat de gestelde termijnen zijn verstreken, niet voldoet aan de vereisten van het Verdrag (arrest van 12 december 2013, Commissie/Italië, C‑411/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:832, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 59 van haar conclusie, moet er daarnaast op worden gewezen dat het weinig waarschijnlijk is dat de verschillende stappen in een faillissementsprocedure, vanaf het eerste verzoekschrift voor faillissement tot de faillietverklaring en het opnemen van de schuldvorderingen in de desbetreffende lijst, tot aan de liquidatie van de begunstigde en de volledige terugvordering van de betrokken steun of in voorkomend geval het definitief stopzetten van de activiteiten van die begunstigde, normaliter binnen de door de Commissie voor de terugvordering van onrechtmatige steun doorgaans gestelde termijn van vier maanden zullen zijn afgehandeld.

42 In die omstandigheden moet het opnemen van de schuldvordering inzake de terugbetaling van de betrokken steun in de lijst van schuldvorderingen in beginsel worden beschouwd als een passende maatregel waarmee de concurrentieverstoring kan worden opgeheven, zoals in herinnering is gebracht in punt 37 van dit arrest, vooropgesteld dat een dergelijke maatregel wordt gevolgd door hetzij de terugvordering van het volledige bedrag van die steun hetzij de liquidatie van de onderneming en het definitief stopzetten van haar activiteiten, wanneer een dergelijke terugvordering nog steeds niet mogelijk is in de loop van de faillissementsprocedure.

43 Wil een dergelijke maatregel doeltreffend zijn, met name gelet op het vereiste dat het besluit waarbij de terugvordering van onrechtmatige, met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun wordt gelast onverwijld moet worden uitgevoerd, dan moet hij binnen de door de Commissie gestelde termijn worden getroffen, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 60 van haar conclusie (zie in die zin arresten van 14 april 2011, Commissie/Polen, C‑331/09, EU:C:2011:250, punten 60‑65; van 13 oktober 2011, Commissie/Italië, C‑454/09, niet gepubliceerd, EU:C:2011:650, punten 38‑42, en van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punten 73‑75).

44 Om te beoordelen of in de onderhavige zaak sprake is van een inbreuk op artikel 108, lid 2, VWEU, moet dus worden nagegaan op welke datum de Helleense Republiek de schuldvorderingen in verband met de terugvordering van de betrokken steun moest laten opnemen.

45 In dat verband moet erop worden gewezen dat uit vaste rechtspraak volgt dat de referentiedatum voor de toepassing van artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU de datum is die is bepaald in het besluit tegen de niet-uitvoering waarvan wordt opgekomen, of in voorkomend geval die welke de Commissie naderhand heeft gesteld (arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Wanneer er in een specifiek geval omstandigheden of redenen die verband houden met de nationaalrechtelijke procedures zijn die het de lidstaat beletten om de vordering inzake de betrokken steun binnen de gestelde termijn te laten opnemen in de lijst van schuldvorderingen, dient deze staat deze problemen volgens de rechtspraak van het Hof aan de Commissie voor te leggen en daarbij passende wijzigingen van het betrokken besluit voor te stellen. Op grond van het met name in artikel 4, lid 3, VEU tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, moeten die lidstaat en de Commissie in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen (zie in die zin arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 67).

47 Wanneer de lidstaat echter niet heeft verzocht om verlenging van de termijn die is gesteld in het besluit waarbij de terugvordering van de onrechtmatig uitgekeerde steun is gelast, is de referentiedatum voor de toepassing van artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU en meer bepaald voor het opnemen van de schuldvordering inzake de terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen nog steeds de in dat besluit voorziene datum.

48 Indien de betrokken lidstaat derhalve op de datum voorzien in het besluit waarbij die terugvordering is gelast of in voorkomend geval op de naderhand door de Commissie vastgestelde datum niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om aan de verplichting tot terugvordering van de betrokken steun te kunnen voldoen, en meer bepaald om herstel in de vroegere toestand te kunnen bewerkstelligen en de concurrentieverstoring als gevolg van de betrokken steun te kunnen opheffen, moet die lidstaat voor de doelstellingen van de niet-nakomingsprocedure in artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU worden geacht niet aan zijn uit het Commissiebesluit voortvloeiende verplichtingen te hebben voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat alle maatregelen die na de gestelde termijn zijn getroffen, niet relevant zijn voor de beoordeling of die lidstaat op de datum van de door de Commissie gestelde uitvoeringstermijn alle maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dat besluit (zie in die zin arrest van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, EU:C:2001:370, punt 28).

49 In deze zaak was de Helleense Republiek ingevolge artikel 3, lid 1, van besluit 2012/541 verplicht om ervoor te zorgen dat de betrokken steun onverwijld en daadwerkelijk zou worden teruggevorderd. Die lidstaat beschikte daarvoor volgens lid 2 van dat artikel 3 over een termijn van vier maanden vanaf de datum van kennisgeving van dat besluit.

50 Aangezien de Commissie niet in een verlenging van die termijn heeft bewilligd, is de referentiedatum voor de toepassing van artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU die in besluit 2012/541.

51 Aangezien van dat besluit aan de Helleense Republiek kennis is gegeven op 23 februari 2012, moet worden vastgesteld dat de termijn die deze lidstaat was gesteld om de onrechtmatig ontvangen steun terug te vorderen, verstreek op 25 juni 2012, aangezien 23 juni 2012 een zaterdag was.

52 Het staat echter vast dat United Textiles pas op 19 juli 2012 officieel failliet is verklaard.

53 Bovendien blijkt uit de stukken dat de termijn die was toegekend voor de indiening van de schuldvorderingen inging op 30 juli 2012 en dat de Helleense autoriteiten de schuldvorderingen op 3 augustus 2012, voor de staatssteun van 2007, en op 14 september 2012, voor de staatssteun van 2009, bij de griffie hebben ingediend.

54 Tot slot volgt uit de door de Helleense Republiek gegeven toelichtingen tijdens de terechtzitting voor het Hof dat de laatste indiening op 7 februari 2013 heeft plaatsgevonden.

55 Aangezien de Helleense Republiek derhalve niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk waren om besluit 2012/541 uit te voeren, moet de eerste grief van de Commissie, inzake schending van de artikelen 2 en 3 van dat besluit, worden aanvaard.

Tweede grief: verzuim om de Commissie inlichtingen te verstrekken

Argumenten van partijen

56 Met haar tweede grief geeft de Commissie te kennen dat de Helleense Republiek haar in elk geval onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de maatregelen die ter uitvoering van besluit 2012/541 waren genomen. De Commissie stelt om te beginnen vast dat de Helleense autoriteiten haar bij brief van 19 januari 2016 in kennis hebben gesteld van de schorsing van de procedure met het oog op de openbare verkoop van de activa van United Textiles. De Commissie merkt vervolgens op dat die lidstaat geen concrete inlichtingen heeft verstrekt over het feit dat United Textiles niet op de markt actief was en het feit dat die vennootschap na december 2015 geen activiteiten meer had. Tot slot hebben de Helleense autoriteiten volgens de Commissie na hun brief van 11 april 2016 geen inlichtingen over United Textiles meer verstrekt.

57 De Helleense Republiek betoogt dat zij de Commissie voldoende op de hoogte heeft gehouden van de maatregelen die zij ter uitvoering van besluit 2012/541 heeft genomen.

Beoordeling door het Hof

58 Bij artikel 4, lid 1, van besluit 2012/541 is aan de Helleense Republiek de verplichting opgelegd om binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van dat besluit bepaalde inlichtingen over de terugvordering te verstrekken. Aangezien van bedoeld besluit op 23 februari 2012 kennis is gegeven aan de Helleense Republiek, moet worden vastgesteld dat de termijn die haar voor de verstrekking van die inlichtingen was verstrekt, is verstreken op 23 april 2012.

59 Bij artikel 4, lid 2, van dat besluit is voor die lidstaat voorzien in de verplichting om de Commissie op de hoogte te houden van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die hij heeft genomen om de steun terug te vorderen, en dit tot de steun volledig was terugbetaald, en om nadere inlichtingen te verstrekken over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.

60 Wat de verplichting in artikel 4, lid 1, betreft, moet worden vastgesteld dat deze lidstaat daaraan niet heeft voldaan, aangezien uit de stukken volgt dat de Helleense Republiek zich niet vóór mei 2012 tot de Commissie heeft gewend. Daarnaast volgt uit de door de Helleense Republiek verstrekte toelichtingen tijdens de terechtzitting dat de inlichtingen over de terugvordering van de steun die aan de Commissie hadden moeten worden verstrekt, niet binnen de bij dat artikel 4, lid 1, gestelde termijn zijn verstrekt.

61 Wat de verplichting in artikel 4, lid 2, van besluit 2012/541 betreft, volgt uit de stukken dat er vanaf mei 2012 frequent tussen de Commissie en de Helleense Republiek is gecorrespondeerd over de voortgang van de insolventieprocedure betreffende United Textiles. Dat neemt echter niet weg dat deze lidstaat de Commissie niet naar behoren voorafgaand heeft geïnformeerd over de vaststelling van het WNK waarbij de openbare verkoop van de activa van United Textiles is geschorst. Pas na de brief van de Commissie van 18 december 2015, waarbij zij de Helleense Republiek heeft verzocht om een overzicht van de situatie, heeft zij de Commissie bij brief van 19 januari 2016 ervan in kennis gesteld dat zij had beslist om de openbare verkoop voor zes maanden te schorsen om na te gaan of de bedrijfsactiviteiten van United Textiles opnieuw konden worden opgestart. Bovendien hebben de Helleense autoriteiten na hun brief van 11 april 2016 geen inlichtingen over United Textiles meer verstrekt.

62 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de niet-nakoming van de verplichting om de Commissie in kennis te stellen van de ter uitvoering van besluit 2012/541 genomen maatregelen is komen vast te staan.

63 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk waren voor de uitvoering van besluit 2012/541 en de Commissie onvoldoende te hebben ingelicht over de voor de uitvoering van dat besluit genomen maatregelen, de krachtens de artikelen 2 tot en met 4 van dat besluit en het VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

64 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) Door niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk waren voor de uitvoering van besluit 2012/541/EU van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.26534 (C 27/10, ex NN 6/09) die Griekenland heeft verleend aan United Textiles SA, en de Commissie onvoldoende te hebben ingelicht over de voor de uitvoering van dat besluit genomen maatregelen, is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 2 tot en met 4 van dat besluit en het VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Grieks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken