HvJ EU 9 februari 2017, C-283/16, ECLI:EU:C:2017:104
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
9 februari 2017 ( 1 )
„Prejudiciële verwijzing — Verordening (EG) nr. 4/2009 — Artikel 41, lid 1 — Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen — Tenuitvoerlegging van een beslissing in een lidstaat — Rechtstreekse indiening van het verzoek bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging — Nationale wetgeving die ertoe verplicht een beroep te doen op de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging”
In zaak C‑283/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Family Division [rechter in eerste aanleg van Engeland en Wales, afdeling familierecht, Verenigd Koninkrijk], bij beslissing van 11 april 2016, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2016, in de procedure
M. S.
tegen
P. S.,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, A. Arabadjiev en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
— M. S., vertegenwoordigd door T. Scott, QC, en E. Bennet, barrister, gemachtigd door M. Barnes, solicitor,
— de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,
— de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
— de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. S., woonachtig in Duitsland, en P. S., woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, over de inning van levensonderhoud.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 4/2009
3 De overwegingen 9, 27, 31 en 32 van verordening nr. 4/2009 luiden: „(9) Een onderhoudsgerechtigde dient in een lidstaat gemakkelijk een beslissing te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat. […] (27) Voorts dienen formaliteiten voor de tenuitvoerlegging die de kosten voor de onderhoudsgerechtigde kunnen opdrijven, zoveel mogelijk te worden beperkt. […] […] (31) Ter vergemakkelijking van de grensoverschrijdende inning van levensonderhoud dient een regeling te worden getroffen voor de samenwerking van de door de lidstaten aangewezen centrale autoriteiten. Deze autoriteiten dienen onderhoudsgerechtigden en onderhoudsplichtigen bij te staan bij het in een andere lidstaat doen gelden van hun rechten, door de indiening van verzoeken tot erkenning, uitvoerbaarverklaring en tenuitvoerlegging van gegeven beslissingen, tot wijziging van zodanige beslissingen of tot verkrijging van een beslissing. Zij dienen ook informatie uit te wisselen om onderhoudsplichtigen en onderhoudsgerechtigden te lokaliseren en, voor zover nodig, hun inkomen en vermogen vast te stellen. […] (32) […] De maatstaf voor de bepaling van het recht van een persoon om bijstand van een centrale autoriteit te vragen, dient minder streng te zijn dan de aanknopingsfactor ‚gewone verblijfplaats’ die elders in deze verordening wordt gebruikt. Het criterium ‚verblijfplaats’ sluit echter de enkele aanwezigheid uit.”
4 Hoofdstuk IV van deze verordening heeft als opschrift „Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”. Het bevat de artikelen 16 tot en met 43.
5 Artikel 17, lid 1, van deze verordening, met het opschrift „Afschaffing van het exequatur”, maakt deel uit van afdeling 1 van hoofdstuk IV, die ziet op „[b]eslissingen gegeven in lidstaten die door het Haagse Protocol van 2007 gebonden zijn”, en bepaalt het volgende: „Een beslissing, gegeven in een door het Haagse Protocol van 2007 gebonden lidstaat, wordt in een andere lidstaat erkend zonder dat daartoe een procedure vereist is en zonder mogelijkheid om tegen de erkenning op te komen.”
6 Afdeling 1 van voornoemd hoofdstuk IV bevat ook artikel 20 van deze verordening. Dit artikel, met het opschrift „Stukken voor de tenuitvoerlegging”, bepaalt in lid 1 ervan dat de verzoeker de stukken verstrekt „aan de bevoegde autoriteiten die met de tenuitvoerlegging belast zijn”.
7 Artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009, met het opschrift „Procedure van en voorwaarden voor tenuitvoerlegging”, luidt als volgt: „Onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in die lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing.”
8 Hoofdstuk V van verordening nr. 4/2009, met het opschrift „Toegang tot de rechter”, bevat de artikelen 44 tot en met 47. Artikel 45 van deze verordening, „Inhoud van de rechtsbijstand”, bepaalt het volgende: „Onder rechtsbijstand, uit hoofde van dit hoofdstuk te verlenen, wordt verstaan de bijstand die de partijen nodig hebben om hun rechten te kennen en te doen gelden en om te waarborgen dat hun verzoek, dat via de centrale autoriteiten of rechtstreeks bij de bevoegde autoriteiten wordt ingediend, volledig en doeltreffend zal worden behandeld. […] […]”
9 Hoofdstuk VII van de verordening, met het opschrift „Samenwerking tussen centrale autoriteiten”, bevat de artikelen 49 tot en met 63 ervan. Artikel 49 van verordening nr. 4/2009, „Aanwijzing van centrale autoriteiten”, bepaalt in lid 1: „Elke lidstaat wijst een centrale autoriteit aan die belast is met de haar door deze verordening opgelegde taken.”
10 In artikel 51, lid 1, van verordening nr. 4/2009, „Specifieke taken van de centrale autoriteiten”, is bepaald: „Centrale autoriteiten verlenen bijstand met betrekking tot verzoeken als voorzien in artikel 56, met name door: a) die verzoeken te verzenden en in ontvangst te nemen; b) procedures in verband met deze verzoeken aanhangig te maken of het aanhangig maken ervan te vergemakkelijken.”
11 Artikel 55 van deze verordening, met het opschrift „Verzoek via de centrale autoriteiten”, luidt als volgt: „Een verzoek in de zin van dit hoofdstuk wordt door tussenkomst van de centrale autoriteit van de lidstaat waar de verzoeker verblijft bij de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat ingediend.”
12 In artikel 56 van deze verordening, met als opschrift „Toegestane verzoeken”, is bepaald: „1. De onderhoudsgerechtigde die op grond van deze verordening levensonderhoud beoogt te innen, kan de volgende verzoeken indienen: […] b) tenuitvoerlegging van een in de aangezochte lidstaat gegeven of erkende beslissing; […] 4. Behoudens voor zover in deze verordening anders is bepaald, worden verzoeken als bedoeld in de leden 1 en 2 behandeld overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat en met inachtneming van de in die lidstaat toepasselijke bevoegdheidsregels.”
13 Artikel 76 van de verordening, met als opschrift „Inwerkingtreding”, bepaalt: „Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. […] Deze verordening, met uitzondering van de in de tweede alinea vermelde bepalingen, is van toepassing met ingang van 18 juni 2011, onder voorbehoud dat op dat tijdstip het Haagse Protocol van 2007 in de Gemeenschap van toepassing is. Bij gebreke hiervan is zij van toepassing met ingang van de datum waarop het genoemde protocol in de Gemeenschap van toepassing is. […]”
Recht van het Verenigd Koninkrijk
14 Artikel 4 van de Schedule 1 van de Civil Jurisdiction and Judgments (Maintenance) Regulations 2011 [regeling van 2011 inzake de rechterlijke bevoegdheid en rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken (alimentatie)] luidt als volgt: „1. Met inachtneming van het bepaalde in lid 2, dient ingeval een alimentatiebeslissing ingevolge afdeling 1 van hoofdstuk IV van verordening [nr. 4/2009] in het Verenigd Koninkrijk ten uitvoer moet worden gelegd, een verzoek tot tenuitvoerlegging te worden ingediend bij de volgende rechterlijke instantie: a) in Engeland en Wales: de Family Court, […] 2. Een verzoek tot tenuitvoerlegging dient aan de Family Court („het tenuitvoerleggende gerecht”) te worden doorgestuurd a) in Engeland en Wales: door de Lord Chancellor, […] 4. Met het oog op de tenuitvoerlegging van een alimentatiebeslissing a) heeft de beslissing dezelfde rechtskracht en dezelfde rechtsgevolgen, b) heeft het tenuitvoerleggende gerecht dezelfde bevoegdheden, en c) kan voor of ten aanzien van de tenuitvoerlegging van die beslissing dezelfde procedure worden gevolgd, als wanneer die beslissing oorspronkelijk door het tenuitvoerleggende gerecht zou zijn genomen.”
15 De verwijzende rechter preciseert dat de aangewezen centrale autoriteit voor Engeland en Wales overeenkomstig artikel 49 van verordening nr. 4/2009 de Lord Chancellor (grootkanselier, Verenigd Koninkrijk) is, die op zijn beurt de Reciprocal Enforcement of Maintenance Orders Unit („eenheid wederzijdse tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen; hierna: „REMO”) heeft belast met de tenuitvoerleggingstaken.
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 P. S. en M. S. zijn in 2005 getrouwd en in 2012 gescheiden. Zij hebben twee kinderen die ten tijde van het verzoek om een prejudiciële beslissing 9 en 5 jaar oud waren. De echtscheiding is door het Amtsgericht Walsrode (rechter in eerste aanleg Walsrode, Duitsland) uitgesproken. Bij beslissing van 7 augustus 2014 (hierna: „beslissing van de Duitse rechter”) heeft deze rechter maatregelen vastgesteld inzake de alimentatie ten behoeve van deze twee kinderen.
17 Na de scheiding zijn M. S. en de kinderen in Duitsland blijven wonen. P. S. woont en werkt in het Verenigd Koninkrijk. Hij weigert om overeenkomstig de voorwaarden van de beslissing van de Duitse rechter alimentatie te betalen, omdat hij stelt dat M. S. zijn contact met de kinderen tegenwerkt.
18 M. S. heeft bij de verwijzende rechter, de High Court of Justice of England and Wales, Family Division [rechter in eerste aanleg van Engeland en Wales, afdeling familierecht, Verenigd Koninkrijk], op grond van verordening nr. 4/2009 een verzoek ingediend tot tenuitvoerlegging van de beslissing van de Duitse rechter.
19 De verwijzende rechter merkt op dat hij allereerst moet vaststellen of een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot betaling van alimentatie, zoals aan de orde in het hoofdgeding, rechtstreeks bij de rechterlijke instantie kan worden ingediend die bevoegd is op het gebied van alimentatie, in dit geval de Family Court (familierechter, Verenigd Koninkrijk), dan wel of een dergelijk verzoek altijd eerst bij de centrale autoriteit als bedoeld in artikel 49 van verordening nr. 4/2009, in dit geval de Lord Chancellor, moet worden ingediend, die het dan door tussenkomst van de REMO aan de Family Court doorstuurt.
20 De verwijzende rechter verwijst naar verschillende benaderingen die door de nationale rechterlijke instanties zijn gevolgd en noemt in dit verband twee zaken. In de eerste zaak heeft de bevoegde rechterlijke instantie geoordeeld dat een verzoeker het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing rechtstreeks bij de Family Court kon indienen en dat er sprake moest zijn van een onjuistheid in de nationale regelgeving die ertoe verplicht dat verzoeken via de centrale autoriteit moeten worden ingediend. In de tweede zaak, die niet zag op de tenuitvoerlegging van een beslissing maar op de wijziging daarvan, heeft de bevoegde rechterlijke instantie bedenkingen geuit ten aanzien van de beslissing in de eerste zaak en geoordeeld dat de verzoeker verplicht was om zijn verzoek via de centrale autoriteit in te dienen. De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat de REMO, waaraan de kwestie in het kader van het hoofdgeding is voorgelegd, zich op het standpunt heeft gesteld dat de verplichting om de centrale autoriteit in te schakelen geen onjuistheid in de nationale wetgeving betreft en dat de aan de orde zijnde nationale bepalingen bewust op deze wijze waren geformuleerd.
21 Volgens de verwijzende rechter moet het, gelet op zowel de bewoordingen van de bepalingen van hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009, waaronder die uit afdeling 1 van dat hoofdstuk, die voor de Bondsrepubliek Duitsland gelden, als het doel van deze verordening, mogelijk zijn dat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing inzake alimentatie rechtstreeks bij de Family Court wordt ingediend, zoals het geval is in een zuiver interne situatie.
22 De verwijzende rechter geeft aan dat er hieromtrent echter twijfel bestaat en dat deze kwestie momenteel in het kader van een groot aantal zaken in het Verenigd Koninkrijk speelt.
23 Daarop heeft de High Court of Justice of England and Wales, Family Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) In het geval waarin een alimentatiegerechtigde in de ene lidstaat tenuitvoerlegging van een beslissing wil verkrijgen die in een andere lidstaat is gegeven, verleent hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009 haar dan het recht om rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat een verzoek tot tenuitvoerlegging in te dienen? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dient hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009 dan aldus te worden uitgelegd dat elke lidstaat verplicht is om in een procedure of mechanisme te voorzien waardoor dit recht wordt erkend?”
Procedure bij het Hof
24 De verwijzende rechter heeft in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verzocht om toepassing van de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Dit verzoek is bij beschikking van de president van het Hof van 27 juni 2016, S. (C‑283/16, niet gepubliceerd, EU:C:2016:482), afgewezen. Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft de president van het Hof beslist de onderhavige zaak bij voorrang te berechten.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat een alimentatiegerechtigde, die in een lidstaat een gunstige beslissing heeft verkregen en de tenuitvoerlegging daarvan wenst te verkrijgen in een andere lidstaat, het verzoek rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van deze laatste lidstaat kan indienen, zoals een gespecialiseerd gerecht, dan wel of het verzoek via de centrale autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging bij dat gerecht moet worden ingediend.
26 Voor de beantwoording van deze vraag dient artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 te worden uitgelegd, dat ziet op de procedure en de voorwaarden voor tenuitvoerlegging in een lidstaat van een beslissing inzake alimentatie die in een andere lidstaat is gegeven.
27 Deze bepaling bepaalt in de eerste volzin dat, onverminderd de andere bepalingen van verordening nr. 4/2009, de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt beheerst door „het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging” en, in de tweede volzin, dat een dergelijke beslissing ten uitvoer wordt gelegd „onder dezelfde voorwaarden” als een in die lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing.
28 Door te verwijzen naar de toepassing van het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, zou de eerste volzin van deze bepaling op het eerste gezicht aldus kunnen worden uitgelegd dat een lidstaat van tenuitvoerlegging in zijn procedureregels voor tenuitvoerlegging kan opnemen dat de centrale autoriteit van de aangezochte staat moet worden ingeschakeld.
29 Gelet echter op de bewoordingen van de tweede volzin van deze bepaling, ingevolge waarvan de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd „onder dezelfde voorwaarden” als een in de lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing, zou kunnen worden overwogen dat artikel 41, lid 1, zich verzet tegen een verplichte inschakeling van de centrale autoriteit indien dit niet is vereist in zuiver interne situaties, zoals het geval is in de lidstaat waartoe de verwijzende rechter behoort.
30 Derhalve moet worden nagegaan wat de reikwijdte is van het begrip „dezelfde voorwaarden”, teneinde te onderzoeken of een nationale regeling zoals voorzien in artikel 4, lid 4, onder a), b) en c), van Schedule 1 bij de regeling van 2011 inzake de rechterlijke bevoegdheid en rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken (alimentatie), in overeenstemming is met artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009, hoewel een alimentatiegerechtigde zoals M. S., anders dan een gerechtigde in het kader van een zuiver intern verzoek, het verzoek niet rechtstreeks bij de bevoegde rechter kan indienen.
31 In dit verband moet rekening worden gehouden met het doel van verordening nr. 4/2009 en het stelsel waarvan artikel 41, lid 1, ervan deel uitmaakt.
32 Wat het doel van deze verordening betreft, volgt uit de voorbereidende stukken, en met name uit het groenboek van de Commissie van 15 april 2004 inzake onderhoudsverplichtingen [COM(2004) 254 definitief], dat het de bedoeling was van de wetgever van de Europese Unie om de bepalingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen uit verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) te vervangen door bepalingen die, gelet op het spoedeisend karakter van de verordening inzake alimentatievorderingen, de procedure voor de uitvoeringsrechter lichter en sneller maken.
33 Het Hof heeft in dezelfde zin in herinnering gebracht dat verordening nr. 4/2009 beoogt om de inning van internationale vorderingen tot levensonderhoud zo veel mogelijk te vergemakkelijken (arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 41).
34 Deze doelstellingen van vereenvoudiging en snelheid volgen eveneens uit de overwegingen 9 en 27 van verordening nr. 4/2009. Overweging 9 wijst erop dat de onderhoudsgerechtigde in een lidstaat gemakkelijk een beslissing dient te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat. Volgens overweging 27 bestaat een van de doelstellingen van verordening nr. 4/2009 erin formaliteiten voor de tenuitvoerlegging die de kosten voor de onderhoudsgerechtigde kunnen opdrijven, zo veel mogelijk te beperken.
35 Daarnaast moeten de overwegingen 31 en 32 van verordening nr. 4/2009 worden genoemd. Overweging 31 van deze verordening benadrukt de wens van de Uniewetgever om een regeling te treffen voor de samenwerking van de centrale autoriteiten, om de grensoverschrijdende inning van levensonderhoud te vergemakkelijken en de onderhoudsgerechtigden bij te staan bij het in een andere lidstaat doen gelden van hun rechten. Overweging 32 van deze verordening kwalificeert het beroep op deze bijstand als een „recht”.
36 Het stelsel waarvan artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 deel uitmaakt, weerspiegelt in hoofdstuk IV van deze verordening de voornoemde doelstellingen van vereenvoudiging en snelheid en voorziet in hoofdstuk VII ervan in de mogelijkheid om de centrale autoriteiten om bijstand te verzoeken.
37 Geen enkele bepaling van hoofdstuk IV, „Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”, waarvan voornoemd artikel 41, lid 1, deel uitmaakt, voorziet dus in een bijzondere procedure boven op de procedures die van toepassing zijn in het kader van zuiver interne verzoeken, of, meer in het bijzonder, in een verplichting om de centrale autoriteiten van de lidstaten in te schakelen.
38 Dat er geen verplichting bestaat om deze centrale autoriteiten in te schakelen, wordt nog benadrukt met betrekking tot beslissingen die zijn gegeven in een lidstaat die gebonden is door het op 23 november 2007 in Den Haag gesloten protocol over het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, zoals de Bondsrepubliek Duitsland. Artikel 17 van verordening nr. 4/2009, met het opschrift „Afschaffing van het exequatur”, dat staat in hoofdstuk IV ervan, preciseert in lid 1 dat deze beslissingen in een andere lidstaat worden erkend zonder dat daartoe een procedure is vereist. Artikel 20, lid 1, van deze verordening, eveneens in hoofdstuk IV, bepaalt welke stukken de verzoeker „aan de bevoegde autoriteiten die met de tenuitvoerlegging belast zijn” verstrekt, uit welke bewoordingen valt af te leiden dat de stukken rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten worden overgelegd.
39 De bepalingen van hoofdstuk VII van verordening nr. 4/2009, inzake de samenwerking tussen centrale autoriteiten, regelen de aanhangigmaking van een zaak bij de centrale autoriteiten. Ingevolge artikel 51, lid 1, van deze verordening verlenen deze autoriteiten bijstand met betrekking tot verzoeken als voorzien in artikel 56, met name door deze verzoeken te verzenden. Ingevolge laatstgenoemd artikel „kan” de onderhoudsgerechtigde die levensonderhoud beoogt te innen, een verzoek indienen, onder meer, met op oog op de tenuitvoerlegging van een in de aangezochte lidstaat gegeven of erkende beslissing. In dat geval richt hij zich overeenkomstig artikel 55 van deze verordening tot de centrale autoriteit van de lidstaat waar hij verblijft, welke autoriteit gehouden is dit verzoek bij de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat in te dienen.
40 Uit de artikelen 51 en 56 van verordening nr. 4/2009, gelezen in het licht van de overwegingen 31 en 32 ervan, blijkt dat het verzoek aan de centrale autoriteiten om bijstand krachtens de bepalingen van hoofdstuk VII van deze verordening, een recht, en geen verplichting, vormt. Het verzoek om bijstand is bijgevolg facultatief en slechts van toepassing indien de onderhoudsgerechtigde er gebruik van wenst te maken, bijvoorbeeld om bepaalde specifieke moeilijkheden te verhelpen, zoals het lokaliseren van de onderhoudsplichtige.
41 Hieruit blijkt dus dat verordening nr. 4/2009 in twee alternatieve manieren voorziet om zaken bij de bevoegde rechterlijke instanties aanhangig te maken, de ene direct, op grond van de bepalingen van hoofdstuk IV van deze verordening, en de andere door tussenkomst van de centrale autoriteiten indien de onderhoudsgerechtigde de centrale autoriteit van de lidstaat waar hij verblijft, krachtens de bepalingen van hoofdstuk VII van deze verordening om bijstand verzoekt.
42 Deze analyse wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 45 van verordening nr. 4/2009, dat onderdeel vormt van hoofdstuk V ervan. Dit artikel, dat ziet op rechtsbijstand, maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen twee alternatieve wegen waarmee de onderhoudsgerechtigde een verzoek tot tenuitvoerlegging kan indienen, namelijk via de centrale autoriteiten „of” rechtstreeks bij de bevoegde autoriteiten.
43 In deze omstandigheden moet worden overwogen dat de verplichting die door een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding aan de onderhoudsgerechtigde wordt opgelegd om beroep in te stellen bij de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat, terwijl hij zich op grond van hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009 rechtstreeks tot de bevoegde autoriteiten wenst te wenden, en die volgens de verwijzende rechter tot verdere vertragingen leidt, in strijd is met artikel 41, lid 1, van deze verordening, gelezen in het licht van het doel van deze verordening en van het stelsel waarvan deze bepaling deel uitmaakt.
44 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de bepalingen van hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009, en in het bijzonder artikel 41, lid 1, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat een alimentatiegerechtigde die in een lidstaat een gunstige beslissing heeft verkregen en in een andere lidstaat de tenuitvoerlegging daarvan wenst te verkrijgen, zijn verzoek rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van deze laatste lidstaat kan indienen, zoals een gespecialiseerd gerecht, en niet verplicht kan worden dat verzoek via de centrale autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging bij dat gerecht in te dienen.
Tweede vraag
45 De tweede vraag heeft betrekking op de gevolgen voor de lidstaat van tenuitvoerlegging wanneer de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, en heeft meer bepaald tot doel te vernemen of er een verplichting bestaat om in een procedure of mechanisme te voorzien waardoor rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
46 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet niet alleen worden aangegeven of de lidstaten gehouden zijn in dergelijke procedures of mechanismen te voorzien, maar moet ook worden gepreciseerd welke verplichting in een geval als in het hoofdgeding op de nationale rechter rust.
47 Wat de tenuitvoerlegging van een verordening betreft, moet in herinnering worden gebracht dat een dergelijke handeling van de Unie krachtens artikel 288, tweede alinea, VWEU verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.
48 De rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening veronderstelt dat zij in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast zonder dat daartoe enige maatregel tot opneming in het nationale recht is vereist, behalve wanneer de betrokken verordening het aan de lidstaten overlaat zelf de wettelijke, bestuursrechtelijke en financiële maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor een daadwerkelijke toepassing van de bepalingen van de verordening (arrest van 14 juni 2012, Association nationale d’assistance aux frontières pour les étrangers, C‑606/10, EU:C:2012:348, punt 72).
49 In het onderhavige geval voorziet verordening nr. 4/2009, die van toepassing is geworden met ingang van 18 juni 2011, in artikel 76 in de uitgestelde toepassing van de bepalingen ervan ten opzichte van de datum van inwerkingtreding, 20 januari 2009. Tussen deze twee data stond het aan de lidstaten om in voorkomend geval hun nationale recht te wijzigen door hun procedureregels aan te passen teneinde elke strijd met verordening nr. 4/2009 te vermijden en in het bijzonder alimentatiegerechtigden, zoals M. S., in staat te stellen hun recht geldend te maken om rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging beroep in te stellen, zoals in deze verordening is bepaald.
50 In elk geval volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de voorschriften van het recht van de Unie, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking van deze voorschriften, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing moet laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten (zie met name in die zin arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, EU:C:1978:49, punten 21 en 24; 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 43, en 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 32).
51 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de lidstaten gehouden zijn de volle werking van het in artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 bedoelde recht te verzekeren door in voorkomend geval hun procedureregels te wijzigen. In elk geval moet de nationale rechter de bepalingen van artikel 41, lid 1, toepassen, zo nodig door daarmee strijdige bepalingen van nationaal recht buiten toepassing te laten, en een alimentatiegerechtigde bijgevolg in staat stellen zijn verzoek rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging in te dienen, ook al is dat in het nationale recht niet voorzien.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) De bepalingen van hoofdstuk IV van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, en in het bijzonder artikel 41, lid 1, van deze verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat een alimentatiegerechtigde die in een lidstaat een gunstige beslissing heeft verkregen en in een andere lidstaat de tenuitvoerlegging daarvan wenst te verkrijgen, zijn verzoek rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van deze laatste lidstaat kan indienen, zoals een gespecialiseerd gerecht, en niet verplicht kan worden dat verzoek via de centrale autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging bij dat gerecht in te dienen.
2) De lidstaten zijn gehouden de volle werking van het in artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 bedoelde recht te verzekeren door in voorkomend geval hun procedureregels te wijzigen. In elk geval moet de nationale rechter de bepalingen van artikel 41, lid 1, toepassen, zo nodig door daarmee in strijd zijnde bepalingen van nationaal recht buiten toepassing te laten, en een alimentatiegerechtigde bijgevolg in staat stellen zijn verzoek rechtstreeks bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging in te dienen, ook al is dat in het nationale recht niet voorzien.
ondertekeningen
( 1 ) Procestaal: Engels.