HvJ EU 22 februari 2005, C-141/02, ECLI:EU:C:2005:98
Tekst
Zaak C‑141/02 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
T‑Mobile Austria GmbH, voorheen max-mobil Telekommunikation Service GmbH
„Hogere voorziening – Artikel 90, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 86, lid 3, EG) – Bedrag van door Republiek Oostenrijk aan GSM-exploitanten opgelegde vergoedingen – Gedeeltelijke afwijzing van klacht – Ontvankelijkheid”
Conclusie van advocaat-generaal M. Poiares Maduro van 21 oktober 2004
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 22 februari 2005
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Ontvankelijkheid – Beslissingen waartegen hogere voorziening kan worden ingesteld – Gedeelte van arrest waarin Gerecht exceptie van niet-ontvankelijkheid uitdrukkelijk verwerpt, alvorens beroep ongegrond te verklaren
(Statuut‑EG van het Hof van Justitie, art. 49, eerste alinea)
2. Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Weigering van Commissie om klacht in behandeling te nemen waarbij zij is verzocht, op te treden op grond van artikel 90, lid 3, van Verdrag (thans artikel 86, lid 3, EG) – Daarvan uitgesloten
[Artikel 90, leden 1 en 3, EG-Verdrag (thans artikel 86, leden 1 en 3, EG) en art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG]
1. Beslissingen die een einde maken aan een procesincident ter zake van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 49, eerste alinea, Statuut‑EG van het Hof van Justitie, zijn, doordat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt aanvaard of verworpen, voor één der partijen bezwarend. Bijgevolg is de hogere voorziening van de Commissie tegen het gedeelte van een arrest waarin het Gerecht de door haar opgeworpen exceptie van niet‑ontvankelijkheid van het beroep tegen de afwijzing van een aan haar gerichte klacht heeft verworpen, ontvankelijk, ook wanneer het Gerecht dit beroep uiteindelijk ongegrond heeft verklaard.
(cf. punt 50)
2. Artikel 90, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 86, lid 3, EG) belast de Commissie met het toezicht op de nakoming door de lidstaten van de op hen rustende verplichtingen met betrekking tot de in artikel 90, lid 1, van dit Verdrag bedoelde ondernemingen, en verleent haar uitdrukkelijk de bevoegdheid om daartoe richtlijnen en beschikkingen vast te stellen. De Commissie is bevoegd om vast te stellen dat een bepaalde overheidsmaatregel onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, en om aan te geven welke maatregelen de lidstaat tot dewelke de beschikking is gericht, dient te nemen om zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen na te komen.
Een particulier heeft, in voorkomend geval, het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beschikking die de Commissie op grond van artikel 90, lid 3, van het Verdrag aan een lidstaat heeft gericht, indien de in artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) genoemde voorwaarden zijn vervuld. Uit de bewoordingen van artikel 90, lid 3, van het Verdrag en uit de opzet van de bepalingen van dit artikel vloeit evenwel voort dat de Commissie niet verplicht is, een maatregel in de zin van deze bepalingen te nemen, aangezien particulieren niet kunnen eisen dat deze instelling een bepaald standpunt inneemt. De omstandigheid dat de verzoeker een rechtstreeks en individueel belang heeft bij de nietigverklaring van het besluit waarbij de Commissie weigert om zijn klacht in behandeling te nemen, is niet van dien aard dat hij daardoor het recht verkrijgt om tegen deze beschikking op te komen. De verzoeker kan zich evenmin beroepen op een recht om beroep in te stellen op grond van verordening nr. 17, die niet van toepassing is op artikel 90 van het Verdrag. Deze vaststelling druist niet in tegen het beginsel van behoorlijk bestuur noch tegen een ander algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Geen enkel algemeen beginsel van gemeenschapsrecht eist immers dat een onderneming voor de gemeenschapsrechter moet kunnen opkomen tegen de weigering van de Commissie om op grond van artikel 90, lid 3, van het Verdrag tegen een lidstaat op te treden.
(cf. punten 66, 68−72)
ARREST VAN HET HOF (grote kamer) 22 februari 2005(1)
„Hogere voorziening – Artikel 90, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 86, lid 3, EG) – Bedrag van door Republiek Oostenrijk aan GSM-exploitanten opgelegde vergoedingen – Gedeeltelijke afwijzing van klacht – Ontvankelijkheid”
rekwirante,
interveniënte in hogere voorziening,
verzoekster in eerste aanleg,
interveniënt in eerste aanleg,
HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 oktober 2004,
het navolgende
1 – Procestaal: Duits.