HvJ EU 1 februari 2005, C-203/03, ECLI:EU:C:2005:76
Tekst
Zaak C‑203/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Artikelen 249 EG en 307 EG – Artikelen 2 en 3 van richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Verbod om vrouwen tewerk te stellen in ondergrondse mijnbouw alsmede bij werkzaamheden met perslucht en bij duikwerkzaamheden”
Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 8 juli 2004
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 februari 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Voorwerp van geschil – Vaststelling tijdens precontentieuze procedure – Aanpassing van bezwaren na met redenen omkleed advies, wegens wijziging van nationale wettelijke regeling – Toelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
2. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Uitzonderingen – Bescherming van vrouw – Omvang – Verbod om vrouwen tewerk te stellen in ondergrondse mijnindustrie, bij werkzaamheden met perslucht en bij duikwerkzaamheden – Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 76/207 van de Raad, art. 2, lid 3)
1. Het voorwerp van een beroep krachtens artikel 226 EG wordt weliswaar afgebakend door de precontentieuze procedure waarin deze bepaling voorziet, en het met redenen omklede advies van de Commissie en het beroep moeten bijgevolg op dezelfde grieven berusten, doch dit vereiste betekent niet dat het dispositief van het met redenen omklede advies en het petitum van het verzoekschrift steeds volkomen gelijkluidend moeten zijn wanneer het voorwerp van het geschil niet is verruimd of gewijzigd, maar integendeel alleen is beperkt.
Aldus kan het beroep, wanneer gedurende de precontentieuze procedure een wetswijziging heeft plaatsgevonden, nationale voorschriften betreffen die niet gelijk zijn aan die welke zijn bedoeld in het met redenen omkleed advies. Aangezien het voldoende is dat het stelsel dat met de in de administratieve procedure gewraakte wetgeving was ingevoerd, in zijn geheel bezien in stand is gelaten door de nieuwe wettelijke maatregelen die de betrokken lidstaat na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies heeft getroffen en waartegen het beroep is gericht, is het niet uitgesloten dat het eveneens volstaat dat de nieuwe maatregelen voorzien in uitzonderingen op het stelsel waartegen het met redenen omkleed advies is gericht, zodat het bezwaar aldus gedeeltelijk wordt verholpen.
(cf. punten 28‑30)
2. Hoewel artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, ongelijke behandeling toestaat ter bescherming van de vrouw, met name wat zwangerschap en moederschap betreft, staat dit artikel niet toe dat vrouwen de toegang tot een bepaalde betrekking wordt ontzegd op de enkele grond dat zij meer dan mannen zouden moeten worden beschermd tegen gevaren die mannen en vrouwen gelijkelijk betreffen, en die verschillen van de specifieke behoeften aan bescherming van de vrouw, zoals de uitdrukkelijk genoemde.
Bijgevolg vormen het algemene verbod om vrouwen tewerk te stellen in de ondergrondse mijnindustrie en bij werkzaamheden met perslucht, hoewel daarop uitzonderingen bestaan, en het absolute verbod om vrouwen tewerk te stellen bij duikwerkzaamheden, geen krachtens deze bepaling toegestane ongelijke behandeling.
(cf. punten 43, 45, 50, 69, 74)
ARREST VAN HET HOF (grote kamer) 1 februari 2005(1)
„Niet-nakoming – Artikelen 249 EG en 307 EG – Artikelen 2 en 3 van richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Verbod om vrouwen tewerk te stellen in ondergrondse mijnbouw en bij werkzaamheden met perslucht en bij duikwerkzaamheden”
verzoekster,
verweerster,
HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 2004,
het navolgende
1 – Procestaal: Duits.