HvJ EU 27 januari 2005, C-422/02, ECLI:EU:C:2005:56

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑422/02 P

Europe Chemi-Con (Deutschland) GmbH

tegen

Raad van de Europese Unie

„Hogere voorziening – Antidumpingmaatregelen – Verordening tot beëindiging van antidumpingprocedures – Terugwerkende kracht – Gelijke behandeling – Niet-discriminatie – Invoer van bepaalde grote elektrolytische aluminiumcondensatoren uit Japan”

Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 29 april 2004

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 januari 2005

Samenvatting van het arrest

Gemeenschappelijke handelspolitiek – Verdediging tegen dumpingpraktijken – Beginsel van gelijke behandeling van invoer uit verschillende landen – Draagwijdte met betrekking tot uit verschillende landen met dumping ingevoerde producten waarvan deel aan procedure van nieuw onderzoek is onderworpen en resterende deel aan oorspronkelijk onderzoek

(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 5, 9, lid 5, en 11, lid 2)

Er bestaat een objectief verschil tussen de procedure van oorspronkelijk onderzoek, die beoogt te bepalen of van dumping sprake is, en de procedure van nieuw onderzoek van een antidumpingmaatregel die ten einde loopt. Terwijl bij invoer ten aanzien waarvan een nieuw onderzoek plaatsvindt, reeds definitieve antidumpingmaatregelen zijn ingesteld, en in beginsel voldoende bewijs is geleverd dat het vervallen van die maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden, gaat het er bij een oorspronkelijk onderzoek van de invoer namelijk juist om het bestaan, de mate en het effect van de gestelde dumping te bepalen, ook al kan een dergelijk onderzoek slechts worden geopend indien er voldoende bewijs is dat de inleiding van een dergelijke procedure gerechtvaardigd is.

Hieruit volgt dat de inning van een definitief antidumpingrecht tot aan de beëindiging van het nieuwe onderzoek dat ernaar is gedaan, terwijl gedurende dezelfde periode met betrekking tot soortgelijke producten uit andere landen waarnaar een initieel onderzoek plaatsvindt, geen recht van dat type is geïnd, geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert.

Bovendien is de Raad op grond van het non-discriminatiebeginsel van artikel 9, lid 5, van de basisverordening niet verplicht om artikel 11, lid 2, van de antidumpingbasisverordening nr. 384/96, dat bepaalt dat een definitief antidumpingrecht van kracht blijft totdat de resultaten van het nieuwe onderzoek bekend zijn, buiten toepassing te laten. Het in deze bepaling geformuleerde beginsel vereist namelijk niet dat de Raad, wanneer hij besluit een procedure van heronderzoek te beëindigen op grond dat geen definitief antidumpingrecht is ingesteld op invoer die zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de aan een nieuw onderzoek onderworpen, uit andere bronnen afkomstige invoer met betrekking tot dewelke een aanvankelijk onderzoek is verricht, in deze verschillende situaties een absoluut gelijke behandeling moet herstellen op het punt van de inning van de rechten bij de invoer.

(cf. punten 50‑52)

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 27 januari 2005(1)

„Hogere voorziening – Antidumpingmaatregelen – Verordening tot beëindiging van antidumpingprocedures – Terugwerkende kracht – Gelijke behandeling – Niet-discriminatie – Invoer van bepaalde grote elektrolytische aluminiumcondensatoren uit Japan”

rekwirante,

verweerder in eerste aanleg,

interveniënte in eerste aanleg,

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2004,

het navolgende

Internationaal recht

Artikel 3

Zij is vanaf 28 februari 1999 van toepassing.”

„(132) Als hierboven in overweging 6 vermeld werd in november 1997, op grond van artikel 5 van de basisverordening, een andere procedure ingeleid betreffende GEAC’s, namelijk ten aanzien van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand. Bij het onderzoek van de Commissie werd definitief vastgesteld dat er sprake was van aanzienlijke dumping en dat hierdoor aanmerkelijke schade was ontstaan voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er waren geen dwingende redenen die tot de conclusie leidden dat het niet in het belang van de Gemeenschap was definitieve maatregelen tegen deze invoer te nemen. De Commissie heeft de Raad derhalve voorgesteld definitieve antidumpingmaatregelen te nemen ten aanzien van de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand. De Raad heeft dit voorstel evenwel niet goedgekeurd binnen de bij de basisverordening vastgestelde termijn. Als gevolg hiervan werden geen definitieve maatregelen genomen ten aanzien van de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand en de voorlopige maatregelen, die in augustus 1998 in werking waren getreden, vervielen op 28 februari 1999.

(133)De nieuwe procedure ten aanzien van de Verenigde Staten en de twee onderhavige herzieningsprocedures verliepen grotendeels gelijktijdig. Zoals hierboven reeds vermeld, werden in het kader van de nieuwe procedure betreffende hetzelfde product uit de Verenigde Staten en Thailand in wezen dezelfde conclusies bereikt. Op grond van deze conclusies moeten de definitieve maatregelen die ten aanzien van Japan, de Republiek Korea en Taiwan zijn genomen in principe worden gewijzigd.

(134)In de afwezigheid van maatregelen ten aanzien van de Verenigde Staten en Thailand wordt derhalve geconcludeerd dat wanneer als gevolg van onderhavig onderzoek maatregelen tegen GEAC’s uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan zouden worden genomen, dit een discriminatie van die landen zou betekenen.

(135)Gezien het bovenstaande moet de procedure betreffende de invoer van GEAC’s uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan op grond van het in artikel 9, lid 5, van de basisverordening opgenomen beginsel van niet-discriminatie en in het belang van een coherente werkwijze zonder het nemen van antidumpingmaatregelen worden beëindigd.

(136)Een Japanse exporterende producent stelde dat de procedure betreffende Japan met terugwerkende kracht tot de datum van inleiding van onderhavig herzieningsonderzoek, dat wil zeggen 3 december 1997, moest worden beëindigd, omdat GEAC’s uit Japan, in afwachting van de resultaten van de herzieningsprocedure, aan maatregelen waren onderworpen en dus gediscrimineerd werden in vergelijking met GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand, waarop geen rechten werden geheven.

(137)Zoals in overweging 132 reeds vermeld, was de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand van december 1997 tot en met 28 februari 1999, evenals de invoer van GEAC’s uit Japan het onderwerp van een onderzoek. Het feit dat in die periode geen maatregelen van toepassing waren ten aanzien van de Verenigde Staten en Thailand, maar wel ten aanzien van Japan vloeit uitsluitend voort uit het feit dat de procedure betreffende de Verenigde Staten en Thailand zich in een ander stadium bevond, namelijk dat van het oorspronkelijke onderzoek, terwijl ten aanzien van Japan bij verordening (EEG) nr. 3482/92 reeds maatregelen waren genomen. Daarom was er geen sprake van discriminatie omdat de situatie in elke procedure anders was.

(138)Niettemin werd aanvaard dat de invoer uit Japan, om de in de overwegingen 132 tot en met 135 gegeven redenen, vanaf 28 februari 1999 op dezelfde wijze moest worden behandeld als de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand. Hetzelfde gold voor de Republiek Korea en Taiwan. De procedure betreffende de Verenigde Staten en Thailand moest op 28 februari 1999 worden beëindigd, al dan niet met het nemen van maatregelen. Omdat de conclusies van onderhavige procedures gelijk zijn aan de conclusies van de procedure betreffende de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand, moet onderhavige procedure tot dezelfde maatregelen leiden.”

1 – Procestaal: Engels.

Aangehaald in