HvJ EU 18 januari 2005, C-257/01, ECLI:EU:C:2005:25

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑257/01

Commissie van de Europese Gemeenschappen

tegen

Raad van de Europese Unie

„Verordeningen (EG) nrs. 789/2001 en 790/2001 – Visumbeleid – Controle en bewaking aan grenzen – Artikel 202 EG – Uitvoeringsbevoegdheden voorbehouden aan Raad – Bijwerking voorbehouden aan lidstaten – Specificiteit van gevallen – Motiveringsplicht”

Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 27 april 2004

Arrest van het Hof (Voltallige zitting) van 18 januari 2005

Samenvatting van het arrest

1. Handelingen van de instellingen – Verordeningen – Basisverordeningen en uitvoeringsverordeningen – Uitvoeringsbevoegdheden voorbehouden aan Raad – Voorwaarden – Specifieke en met redenen omklede gevallen – Maatregelen ter uitvoering van nadere voorschriften inzake overschrijding van buitengrenzen en inzake visa

(Art. 202 EG en 253 EG; verordeningen nrs. 789/2001 en 790/2001 van de Raad; besluit 1999/468 van de Raad, art. 1, eerste alinea)

2. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord – Overschrijding van buitengrenzen en visa – Instelling door Raad van procedure voor mededeling door lidstaten van wijzigingen van nadere voorschriften – Toelaatbaarheid

(Verordeningen van de Raad nr. 789/2001, art. 2, en nr. 790/2001, art. 2)

1. Artikel 202 EG en artikel 1, eerste alinea, van besluit 1999/468 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (tweede comitologiebesluit) bepalen dat, wanneer op gemeenschapsniveau maatregelen ter uitvoering van een basisbesluit moeten worden vastgesteld, die bevoegdheid normaal door de Commissie dient te worden uitgeoefend. De Raad moet aan de hand van de aard en de inhoud van het basisbesluit dat moet worden uitgevoerd of gewijzigd, naar behoren motiveren waarom een uitzondering wordt gemaakt op deze regel.

In de considerans van de verordeningen nrs. 789/2001 en 790/2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures betreffende respectievelijk de behandeling van visumaanvragen en de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen, heeft de Raad uitdrukkelijk verwezen naar de grotere rol die de lidstaten spelen inzake visa en grensbewaking, en naar de gevoeligheid van die beleidsterreinen, met name wanneer het gaat om politieke relaties met derde landen. Zo mocht de Raad redelijkerwijs aannemen dat hij te maken had met een bijzonder geval en dat hij zijn besluit om zich bij wijze van overgangsmaatregel de bevoegdheid voor te behouden tot uitvoering van een limitatief opgesomd aantal bepalingen van de Gemeenschappelijke instructies en het Gemeenschappelijk handboek, die nadere voorschriften bevatten voor de toepassing van de regels inzake de overschrijding van de buitengrenzen en inzake visa die zijn vervat in de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord, overeenkomstig artikel 253 EG naar behoren heeft gemotiveerd.

Bezien in hun juiste context, doen dergelijke overwegingen, ook al zijn zij algemeen en beknopt, namelijk duidelijk uitkomen waarom het gerechtvaardigd is de uitvoering aan de Raad voor te behouden, en stellen zij het Hof in staat zijn controle uit te oefenen.

(cf. punten 49‑53, 59)

2. Uit artikel 2 van de verordeningen nrs. 789/2001 en 790/2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures betreffende respectievelijk de behandeling van visumaanvragen en de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen blijkt dat elke lidstaat zelf, soms in overleg met de andere lidstaten, de inhoud van een aantal van die voorschriften en procedures kan wijzigen. De opneming van deze teksten, die zijn vastgesteld toen de betrokken materie onder de intergouvernementele samenwerking viel, in het kader van de Europese Unie vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam had als zodanig niet tot gevolg dat de lidstaten meteen de bevoegdheden werden ontnomen die zij krachtens die handelingen voor de goede toepassing ervan mochten uitoefenen.

In deze zeer bijzondere overgangssituatie, in afwachting van de ontwikkeling van het Schengen-acquis in het juridische en institutionele kader van de Europese Unie, kan de Raad niet worden verweten dat hij een procedure heeft ingesteld voor de mededeling door de lidstaten van de wijzigingen die zij eenzijdig of in overleg met de andere lidstaten mogen aanbrengen in sommige van die bepalingen, waarvan de inhoud uitsluitend afhankelijk is van informatie waarover alleen zij beschikken, aangezien niet is aangetoond dat een uniforme procedure voor de bijwerking moest worden gehanteerd teneinde een doeltreffende of juiste toepassing daarvan te garanderen.

(cf. punten 65, 69‑71)

ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting ) 18 januari 2005(1)

„Verordeningen (EG) nrs. 789/2001en 790/2001 – Visumbeleid – Controle en bewaking aan grenzen – Artikel 202 EG – Uitvoeringsbevoegdheden voorbehouden aan Raad – Actualisering voorbehouden aan lidstaten – Specificiteit van gevallen – Motiveringsplicht”

verzoekster,

interveniënt,

tegen

verweerder,

interveniënt,

HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting ),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 april 2004,

het navolgende

[…]

[…]”

1 – Procestaal: Engels.

Aangehaald in