HvJ EU 10 maart 2005, C-342/03, ECLI:EU:C:2005:151

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑342/03

Koninkrijk Spanje

tegen

Raad van de Europese Unie

„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Tonijnconserven van oorsprong uit Thailand en Filippijnen – Bemiddeling in kader van WTO – Verordening (EG) nr. 975/2003 – Tariefcontingent”

Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 2 december 2004

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 maart 2005

Samenvatting van het arrest

1. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Handelsverkeer met derde landen – Beginsel van communautaire preferentie – Draagwijdte

2. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Handelsverkeer met derde landen – Vaststelling van tariefmaatregelen – Voorwaarde dat communautaire producenten geen nadelige gevolgen ondervinden – Ontoelaatbaarheid

3. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Schending van gewettigd vertrouwen van marktdeelnemers aangevoerd door lidstaat – Ontvankelijkheid

4. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Regeling door gemeenschapsinstellingen – Beoordelingsvrijheid – Gewettigd vertrouwen van marktdeelnemers in handhaving van bestaande situatie – Geen

(Verordening nr. 975/2003 van de Raad)

5. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Verordeningen

(Art. 253 EG)

6. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Misbruik van bevoegdheid – Begrip

1. De „communautaire preferentie” is weliswaar een van de beleidsoverwegingen waarvan de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van handelsregelingen met derde landen zijn uitgegaan, maar vormt in geen geval een wettelijk vereiste waarvan de schending de ongeldigheid van een handeling van afgeleid recht kan meebrengen.

(cf. punten 18‑19)

2. Het gemeenschapsrecht verbiedt niet de vaststelling van tariefmaatregelen waarvan de eventuele gevolgen voor de mededinging beperkt blijven tot minder bestellingen voor de betrokken producenten en ongelijke concurrentievoorwaarden tussen de betrokken derde landen enerzijds, en de Gemeenschap anderzijds, als gevolg van de verschillen inzake sociale lasten, milieubescherming en kwaliteitscontrole van de producten.

Een dergelijk verbod zou de Gemeenschap beletten bij te dragen tot de geleidelijke opheffing van de beperkingen van het internationale handelsverkeer. Elke vermindering van douanerechten kan immers een bepaald effect hebben op de mededinging tussen uit derde landen ingevoerde producten en soortgelijke producten van de Gemeenschap ten nadele van de communautaire producenten. Een tegengestelde uitlegging zou betekenen dat de Gemeenschap de douanerechten op ingevoerde goederen nooit kan verlagen.

(cf. punten 24‑25)

3. Hoewel elke marktdeelnemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op de bescherming van het gewettigd vertrouwen kan beroepen, verzet niets zich ertegen dat een lidstaat zelf in het kader van een beroep tot nietigverklaring aanvoert dat een handeling van de instellingen het gewettigd vertrouwen van bepaalde marktdeelnemers schendt.

(cf. punt 47)

4. Wanneer deze marktdeelnemers kunnen voorzien dat een voor hun belangen nadelige communautaire maatregel zal worden vastgesteld, kunnen zij zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.

Aangezien de gemeenschapsinstellingen, wat de communautaire handelspolitiek betreft, bij de keuze van de middelen die nodig zijn voor de verwezenlijking daarvan over een beoordelingsmarge beschikken, mogen de marktdeelnemers niet op de handhaving van een bestaande situatie vertrouwen.

(cf. punten 48‑49)

5. De door artikel 253 EG vereiste motivering van de gemeenschapsverordeningen moet de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.

Betreft het een handeling die algemene toepassing moet vinden, dan kan in de motivering worden volstaan met de vermelding van het samenstel van omstandigheden dat tot de vaststelling van de handeling heeft geleid, en van haar algemene doelstellingen.

(cf. punten 54‑55)

6. Van misbruik van bevoegdheid is slechts sprake wanneer op grond van objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden.

(cf. punt 64)

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 10 maart 2005(1)

„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Tonijnconserven van oorsprong uit Thailand en Filipijnen – Bemiddeling in kader van WTO – Verordening (EG) nr. 975/2003 – Tariefcontingent”

In zaak C-342/03,

verzoeker,

verweerder,

interveniënte,

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 december 2004,

het navolgende

„Het tariefcontingent wordt jaarlijks geopend voor een aanvankelijke looptijd van vijf jaar. De omvang van het tariefcontingent voor de eerste twee jaar is als volgt:

„Het tariefcontingent wordt opgesplitst in vier delen:

1 – Procestaal: Spaans.

Aangehaald in