HvJ EU 10 maart 2005, C-196/02, ECLI:EU:C:2005:141

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑196/02

Vasiliki Nikoloudi

tegen

Organismos Tilepikoinonion Ellados AE

(verzoek van het Eirinodikeio Athinon om een prejudiciële beslissing)

„Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG‑143 EG) – Richtlijn 75/117/EEG – Gelijke beloning – Richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling – Tijdelijke posten voor deeltijdarbeid – Uitsluiting van overgang naar vast personeel – Berekening van anciënniteit – Bewijslast”

Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 29 april 2004

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 maart 2005.

Samenvatting van het arrest

1. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Gelijke behandeling – Nationale bepaling die bepaalde betrekking voorbehoudt aan vrouwen – Indienstneming in deeltijd op basis van overeenkomst voor onbepaalde tijd – Geen rechtstreekse discriminatie – Latere uitsluiting van deeltijdwerknemers van mogelijkheid tot aanstelling in vaste dienst – Uitsluiting die alleen vrouwen treft – Rechtstreekse discriminatie – Ontoelaatbaarheid, gelet op richtlijn 76/207 – Omstandigheid die dergelijke uitsluiting toelaatbaar maakt

[EG-Verdrag, art. 119 (art. 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door art. 136 EG‑143 EG); richtlijn 76/207 van de Raad]

2. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Uitsluiting, bij wege van overeenkomsten, van tijdelijk deeltijdpersoneel van mogelijkheid tot aanstelling in vaste dienst – Uitsluiting die vooral vrouwen treft – Indirecte discriminatie – Ontoelaatbaarheid bij gebreke van objectieve rechtvaardigingsgronden – Beoordeling door nationale rechter

(Richtlijn 76/207 van de Raad, art. 3)

3. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Uitsluiting van deeltijdarbeid bij berekening van anciënniteit – Uitsluiting die vooral vrouwen treft – Indirecte discriminatie – Ontoelaatbaarheid bij gebreke van objectieve rechtvaardigingsgronden – Beoordeling door nationale rechter – Omstandigheden die veroorloven dat deeltijdarbeid bij deze berekening pro rata in aanmerking wordt genomen

(Richtlijn 76/207 van de Raad)

4. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Bewijslast ten aanzien van ontbreken van rechtstreekse of indirecte discriminatie

(Richtlijn 97/80 van de Raad)

1. Artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moeten aldus worden uitgelegd dat het bestaan en de toepassing van een nationale bepaling, volgens welke alleen schoonmaaksters en bijgevolg uitsluitend vrouwen in dienst worden genomen op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd voor deeltijdarbeid, als zodanig geen rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht ten nadele van vrouwen inhouden. Wanneer vervolgens evenwel de mogelijkheid van een vast dienstverband wordt uitgesloten door een schijnbaar geslachtsneutrale verwijzing naar een categorie werknemers die op grond van een nationale regeling die kracht van wet heeft, uitsluitend uit vrouwen bestaat, vormt zulks een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht in de zin van richtlijn 76/207. Opdat geen sprake is van rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht, moet het kenmerkende element van de categorie waartoe de uitgesloten werknemer behoort, deze werknemer in een situatie plaatsen die voor de overgang naar een vast dienstverband objectief verschilt van die van de werknemers die daarvoor in aanmerking komen.

(cf. punt 40, dictum 1)

2. Wanneer zij een veel hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers treft, levert de uitsluiting door middel van collectieve overeenkomsten van tijdelijk deeltijdpersoneel van de mogelijkheid van een vast dienstverband, een indirecte discriminatie op. Een dergelijke situatie is in strijd met artikel 3 van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, tenzij het verschil in behandeling tussen deze werknemers en voltijdwerknemers wordt gerechtvaardigd door factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of dat het geval is.

(cf. punt 57, dictum 2)

3. Wanneer bij de berekening van de anciënniteit deeltijdarbeid in het geheel niet in aanmerking wordt genomen, vormt zulks indirecte discriminatie op grond van geslacht die in strijd is met richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, wanneer een veel groter percentage vrouwelijke werknemers dan mannelijke werknemers erdoor wordt getroffen, tenzij deze niet‑inaanmerkingneming haar verklaring vindt in objectief gerechtvaardigde factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of dit het geval is.

Wanneer deeltijdarbeid bij deze berekening pro rata in aanmerking wordt genomen, is zulks eveneens in strijd met deze richtlijn, tenzij de werkgever ter rechtvaardiging factoren aanvoert waarvan de objectiviteit onder meer afhangt van het doel dat met de inaanmerkingneming van de anciënniteit wordt beoogd, en, in geval van erkenning van de opgedane ervaring, van het verband tussen de aard van de uitgeoefende functie en de ervaring die de uitoefening van deze functie met zich brengt na een bepaald aantal gewerkte uren.

(cf. punt 66, dictum 3)

4. Wanneer een werknemer aanvoert dat het beginsel van gelijke behandeling in zijn nadeel is geschonden, en feiten aanvoert die rechtstreekse of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, moet richtlijn 97/80 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht, aldus worden uitgelegd dat de verweerder dient te bewijzen dat genoemd beginsel niet werd geschonden.

(cf. punt 75, dictum 4)

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 10 maart 2005(1)

„Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG‑143 EG) – Richtlijn 75/117/EEG – Gelijke beloning – Richtlijn 76/207/EEG – Gelijke behandeling – Tijdelijke plaatsen voor deeltijdarbeid – Uitsluiting van overgang naar vast personeel – Berekening anciënniteit – Bewijslast”

In zaak C‑196/02,

tegen

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2004,

het navolgende

Kan de litigieuze bepaling, in het licht van de rechtspraak van het Hof en gelet op het feit dat arbeid in deeltijd gepaard gaat met verminderd loon, aldus worden uitgelegd, dat zij hoe dan ook een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht oplevert, aangezien zij arbeid in deeltijd rechtstreeks koppelt aan het geslacht van de werknemers (vrouwen) en dus enkel vrouwen in een nadelige positie plaatst?

Vormt de uitsluiting van schoonmaaksters die deeltijds werken (ongeacht de duur van hun overeenkomst), zoals in de onderhavige zaak, een ongeoorloofde indirecte discriminatie op grond van geslacht, die onder de bepalingen van het gemeenschapsrecht (artikel 119 [van het Verdrag] alsook de richtlijnen 75/117 en 76/207) valt, gezien het feit dat de collectieve arbeidsovereenkomst enkel vrouwelijke schoonmaaksters uitzonderde omdat in geen tak van het personeel van OTE mannen deeltijds werkten op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd?

Kunnen, ervan uitgaande dat deeltijdarbeid uitsluitend of hoofdzakelijk vrouwen betrof, de bepalingen op grond waarvan deeltijdarbeid helemaal niet (tot 1 januari 1996) of slechts ‚pro rata’ (vanaf 1 januari 1996) in aanmerking werd genomen, mede gelet op de rechtspraak van het Hof aldus worden uitgelegd, dat zij een (volgens de regels van gemeenschapsrecht) verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht invoeren, en dat bijgevolg voor de berekening van de anciënniteit de gehele periode van deeltijdarbeid moet worden meegerekend?

1 – Procestaal: Grieks.

Aangehaald in