HvJ EU 1 maart 2005, C-377/02, ECLI:EU:C:2005:121
Tekst
Zaak C‑377/02
Léon Van Parys NV
tegen
Belgisch Interventie‑ en Restitutiebureau (BIRB)
[verzoek om een prejudiciële beslissing van de Raad van State (België)]
„Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – GATT 1994 – Artikelen I en XIII – Raamovereenkomst van 23 april 1993 tussen EEG en groep van Cartagena – Rechtstreekse werking – Aanbevelingen en uitspraken van Orgaan voor geschillenbeslechting van WTO – Rechtsgevolgen”
Conclusies van advocaat-generaal A. Tizzano van 18 november 2004
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 maart 2005.
Samenvatting van het arrest
Prejudiciële vragen – Beoordeling van geldigheid – Onmogelijkheid om WTO‑overeenkomsten in te roepen om wettigheid van gemeenschapshandeling te betwisten – Uitzonderingen – Gemeenschapshandeling die uitvoering ervan beoogt te verzekeren of uitdrukkelijk en specifiek daarnaar verwijst – Uitspraak van Orgaan voor geschillenbeslechting van WTO – Verbintenissen van Gemeenschap – Recht om zich op WTO‑overeenkomsten te beroepen – Geen
(Art. 234 EG)
Gelet op de aard en de opzet ervan, behoren de WTO‑overeenkomsten in beginsel niet tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst. Slechts ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO‑overeenkomsten verwijst, staat het aan het Hof, de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WTO‑regels te toetsen.
Door na de uitspraak van het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (DSB) de verbintenis aan te gaan, zich te schikken naar de regels van deze organisatie, en, in het bijzonder, naar de artikelen I, lid 1, en XIII van de GATT 1994, heeft de Gemeenschap niet een bijzondere verplichting in het kader van de WTO willen aangaan die een uitzondering op de niet-inroepbaarheid van de WTO‑regels voor de gemeenschapsrechter kan rechtvaardigen en deze laatste in staat zou stellen, de wettigheid van de gemeenschapsbepalingen aan deze regels te toetsen.
Immers, zelfs in gevallen waarin het DSB de onverenigbaarheid van door een lid genomen maatregelen met de WTO‑regels heeft vastgesteld, ruimt het stelsel voor geschillenbeslechting binnen deze organisatie een belangrijke plaats in voor onderhandelingen tussen partijen. Zou men in die omstandigheden de rechterlijke instanties verplichten om nationaalrechtelijke bepalingen die onverenigbaar zijn met de WTO‑overeenkomsten, buiten toepassing te laten, dan zou dat tot gevolg hebben dat de wetgevende of uitvoerende organen van de verdragsluitende staten de met name door artikel 22 van het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen geboden mogelijkheid wordt ontnomen om via onderhandelingen tot een – zij het ook tijdelijke – oplossing te komen.
Daarbij komt dat, indien de taak om erop toe te zien dat het gemeenschapsrecht met de WTO‑regels in overeenstemming is, rechtstreeks aan de gemeenschapsrechter zou toekomen, de wetgevende of uitvoerende organen van de Gemeenschap de manoeuvreerruimte zouden missen waarover de overeenkomstige organen van de handelspartners van de Gemeenschap wel beschikken.
Derhalve kan een marktdeelnemer voor een rechterlijke instantie van een lidstaat niet aanvoeren dat een gemeenschapsregeling onverenigbaar is met bepaalde WTO‑regels, ook niet wanneer het DSB heeft verklaard dat die regeling onverenigbaar is met deze regels.
(cf. punten 39‑42, 48, 53‑54 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (grote kamer) 1 maart 2005(1)
„Gemeenschappelijke marktordening – Bananen – GATT 1994 – Artikelen I en XIII – Raamovereenkomst van 23 april 1993 tussen EEG en groep van Cartagena – Rechtstreekse werking – Aanbevelingen en uitspraken van Orgaan voor geschillenbeslechting van WTO – Rechtsgevolgen”
In zaak C‑377/02,
tegen
HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 november 2004,
het navolgende
1 – Procestaal: Nederlands.
Aangehaald in
- HvJ EU 4 februari 2016, C-659/13, ECLI:EU:C:2016:74
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792
- Gerecht EU 19 mei 2021, T-254/18, ECLI:EU:T:2021:278
- HvJ EU 16 juli 2015, C-21/14, ECLI:EU:C:2015:494
- HvJ EU 18 oktober 2018, C-207/17, ECLI:EU:C:2018:840
- Gerecht EU 19 september 2019, T-228/17, ECLI:EU:T:2019:619
- HvJ EU 18 december 2014, C-306/13, ECLI:EU:C:2014:2465