HvJ EU 1 maart 2005, C-281/02, ECLI:EU:C:2005:120
Tekst
Zaak C‑281/02
Andrew Owusu
tegen
N. B. Jackson, handelend onder de handelsnaam „Villa Holidays Bal-Inn Villas”, e.a.
[verzoek van de Court of Appeal (England & Wales) Civil Division om een prejudiciële beslissing]
„Executieverdrag – Territoriaal toepassingsgebied van Executieverdrag – Artikel 2 – Bevoegdheid – Ongeval in derde staat – Lichamelijk letsel – Vordering, in verdragsluitende staat ingesteld tegen persoon met woonplaats in die staat en tegen andere verweerders met woonplaats in derde staat – Forum non conveniens-exceptie – Onverenigbaarheid met Executieverdrag”
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 14 december 2004
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 maart 2005
Samenvatting van het arrest
1. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen – Bevoegdheid – Geschil tussen partijen met woonplaats in zelfde verdragsluitende staat, dat aanknopingspunten heeft met derde land – Toepasselijkheid van artikel 2 van verdrag
(Executieverdrag, art. 2)
2. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen – Bevoegdheid – Bevoegdheid van gerechten van verdragsluitende staat op basis van artikel 2 van verdrag – Afwijzing van bevoegdheid op grond van exceptie ontleend aan forum non conveniens-leer – Ontoelaatbaarheid
(Executieverdrag, art. 2)
1. Artikel 2 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is van toepassing in het kader van een bij de gerechten van een verdragsluitende staat aanhangig geding tussen partijen met woonplaats op het grondgebied van deze staat, dat bepaalde aanknopingspunten heeft met een derde land, maar niet met een andere verdragsluitende staat, welke situatie dus ziet op de verhoudingen tussen de gerechten van één verdragsluitende staat en die van een niet-verdragsluitende staat en niet op de verhoudingen tussen de gerechten van meerdere verdragsluitende staten.
Immers, voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van het verdrag is weliswaar een extraneïteitselement vereist, maar het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding hoeft voor de toepassing van die bepaling evenwel niet voort te vloeien uit de omstandigheid dat, wegens de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van partijen bij het geding, meerdere verdragsluitende staten bij de zaak betrokken zijn. De betrokkenheid van een verdragsluitende staat en een derde staat, bijvoorbeeld omdat de verzoeker en een verweerder in de eerste staat wonen en de litigieuze feiten in het tweede land hebben plaatsgevonden, kan de betrokken rechtsverhouding eveneens een internationaal karakter verlenen.
Wanneer het gerecht van een verdragsluitende staat als bevoegd gerecht wordt aangewezen op grond dat de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van deze staat, zelfs naar aanleiding van een geschil dat wegens het voorwerp ervan of de woonplaats van de verzoeker minstens ten dele aanknoping heeft met een derde staat, legt zulks laatstgenoemde staat bovendien geen verplichting op, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de relatieve werking van verdragen.
(cf. punten 25‑26, 30‑31, 35)
2. Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, verzet zich ertegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van dit verdrag ontleent, niet uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat.
De opstellers van het verdrag hebben namelijk geen aan de forum non conveniens-leer ontleende exceptie opgenomen en toepassing van deze leer zou de voorzienbaarheid van de door het verdrag gestelde bevoegdheidsregels en bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel, als grondslag ervan, aantasten. Bovendien zou de toelaatbaarheid van de forum non conveniens-exceptie de uniforme toepassing van de in het verdrag opgenomen bevoegdheidsregels en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen kunnen aantasten.
(cf. punten 37, 41‑43 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (grote kamer) 1 maart 2005(1)
„Executieverdrag – Territoriaal toepassingsgebied van Executieverdrag – Artikel 2 – Bevoegdheid – Ongeval in derde staat – Lichamelijk letsel – Vordering, in verdragsluitende staat ingesteld tegen persoon met woonplaats in die staat en tegen andere verweerders met woonplaats in derde staat – Forum non conveniens-exceptie – Onverenigbaarheid met Executieverdrag”
In zaak C-281/02,
tegen
HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2004,
het navolgende
1 – Procestaal: Engels.
Aangehaald in
- HvJ EU 14 juli 2022, C-274/21, ECLI:EU:C:2022:565
- HvJ EU 8 februari 2024, C-566/22, ECLI:EU:C:2024:123
- HvJ EU 7 mei 2020, C-641/18, ECLI:EU:C:2020:349
- HvJ EU 25 februari 2025, C-339/22, ECLI:EU:C:2025:108
- HvJ EU 8 september 2022, C-399/21, ECLI:EU:C:2022:648
- HvJ EU 17 oktober 2018, C-393/18, ECLI:EU:C:2018:835
- HvJ EU 7 mei 2020, C-267/19, ECLI:EU:C:2020:351
- HvJ EU 17 maart 2016, C-175/15, ECLI:EU:C:2016:176
- HvJ EU 9 oktober 2025, C-540/24, ECLI:EU:C:2025:766
- Rb. Zeeland-West-Brabant 25 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4130
- Rb. Rotterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11231
- Rb. Den Haag 15 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3409
- Hof Den Haag 29 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1388
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8119