HvJ EU 5 februari 2004, C-157/02, ECLI:EU:C:2004:76
Tekst
Zaak C-157/02
Rieser Internationale Transporte GmbH
tegen
Autobahnen- und Schnellstraßen-Finanzierungs-AG (Asfinag)
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Goederenvervoer over weg – Tolgeld – Brenner-Autobahn – Discriminatieverbod – Discriminatie op grond van nationaliteit van vervoersonderneming of herkomst of bestemming van vervoer”
Samenvatting van het arrest
1. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Rechtstreekse werking – Mogelijkheid om richtlijn in te roepen tegenover privaatrechtelijke rechtspersoon die door staat wordt gecontroleerd en die is belast met heffing van tolgeld op openbare wegennetwerken
(Art. 249, derde alinea, EG)
2. Vervoer – Wegvervoer – Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijnen 93/89 en 1999/62 – Tolgelden en gebruiksrechten geheven voor gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen – Rechtstreekse werking van verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van vervoerder of herkomst of bestemming van vervoer – Geen rechtstreekse werking van beginsel van verband tussen tolgeld en kosten van infrastructuur
(Richtlijnen van de Raad 93/89, art. 7, sub b en h, 8, lid 2, sub e, en 9, en 1999/62, art. 7, leden 4 en 9)
3. Vervoer – Wegvervoer – Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijnen 93/89 en 1999/62 – Tolgelden en gebruiksrechten geheven voor gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen – Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van vervoerder of herkomst of bestemming van vervoer – Toepasselijkheid op nationale vervoerders
(Richtlijnen van de Raad 93/89, art. 7, sub b, en 1999/62, art. 7, lid 4)
4. Vervoer – Wegvervoer – Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijn 93/89 – Belastingen op sommige voor goederenvervoer over weg gebruikte voertuigen en retributies voor gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen – Arrest van Hof waarbij die richtlijn nietig is verklaard – Gevolg
(Art. 231, tweede alinea, EG; richtlijnen van de Raad 93/89 en 1999/62)
5. Vervoer – Wegvervoer – Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijn 1999/62 – In rekening brengen van gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen – Gevolgen van richtlijn vóór verstrijken van termijn voor implementatie – Verplichting van lidstaten om geen maatregelen te nemen die verwezenlijking van door richtlijn voorgeschreven resultaat in gevaar kunnen brengen – Rechtstreekse werking – Geen
(Art. 10, tweede alinea, EG en art. 249, derde alinea, EG; richtlijn 1999/62 van de Raad)
1. Bij het sluiten van overeenkomsten met weggebruikers kunnen de bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking kunnen hebben, aan een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tegengeworpen wanneer de staat de heffing van tol voor het gebruik van openbare wegennetwerken aan deze rechtspersoon heeft opgedragen en rechtstreeks of indirect toezicht op deze rechtspersoon uitoefent.
(cf. punt 29, dictum 1)
2. Particulieren kunnen zich voor de nationale rechter tegenover een overheidsinstantie beroepen op artikel 7, sub b, van richtlijn 93/89 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten, en op artikel 7, lid 4, van richtlijn 1999/62 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, welke bepalingen rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van de vervoersonderneming of de herkomst of de bestemming van het vervoer bij de heffing van tol en gebruiksrechten uitsluiten, indien deze richtlijnen niet of niet volledig zijn uitgevoerd met betrekking tot de berekening van het tolgeld voor voertuigen voor het goederenvervoer over de weg met een toegestaan totaalgewicht van ten minste 12 ton.
Particulieren kunnen zich daarentegen tegenover een overheidsinstantie niet beroepen op artikel 7, sub h, van richtlijn 93/89 en artikel 7, lid 9, van richtlijn 1999/62, die respectievelijk bepalen dat de toltarieven en de gewogen gemiddelde toltarieven gerelateerd moeten zijn aan de kosten voor de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van het betrokken infrastructuurnet, omdat zij de lidstaten weliswaar een algemeen richtsnoer voor de berekening van de tol opleggen, maar geen concrete berekeningsmethode geven en de lidstaten in dit opzicht een zeer ruime beoordelingsmarge laten.
(cf. punten 35-36, 38, 40-41, 44, dictum 2)
3. De nationale vervoersondernemingen kunnen zich, evengoed als de vervoersondernemingen uit de andere lidstaten, tegenover hun overheid beroepen op het verbod op rechtstreekse of indirecte discriminatie van artikel 7, sub b, van richtlijn 93/89 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten, en van artikel 7, lid 4, van richtlijn 1999/62 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen. Teneinde elke vorm van concurrentieverstoring tussen de vervoersondernemingen van de lidstaten te voorkomen, verbieden deze bepalingen immers bij de heffing van gebruiksrechten en tolgelden niet alleen rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van de vervoersondernemingen, maar ook die in verband met de herkomst of de bestemming van het vervoer.
(cf. punten 51-52, 54, dictum 3)
4. Het arrest van 5 juli 1995, Parlement/Raad, C‑21/94, waarbij richtlijn 93/89 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten, nietig is verklaard, bepaalt volgens de letterlijke betekenis ervan weliswaar dat de gevolgen van deze richtlijn gehandhaafd blijven tot de vaststelling van een nieuwe regeling op dit gebied, doch moet aldus worden uitgelegd dat de gevolgen van richtlijn 93/89 gehandhaafd blijven tot de datum van inwerkingtreding van richtlijn 1999/62 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, die deze heeft vervangen, te weten 20 juli 1999. In het kader van een beroep tot nietigverklaring is het doel van de handhaving van de gevolgen van een door het Hof nietig verklaarde rechtshandeling immers, geen rechtsvacuüm te laten ontstaan totdat de nietig verklaarde handeling door een nieuwe wordt vervangen. Dit doel is slechts verzekerd indien de nietig verklaarde rechtshandeling gevolgen blijft teweegbrengen totdat de nieuwe handeling gevolgen sorteert.
(cf. punten 59-61, dictum 4)
5. Uit de toepassing van artikel 10, tweede alinea, EG in samenhang met artikel 249, derde alinea, EG volgt dat de lidstaat tot dewelke een richtlijn is gericht, zich gedurende de bij deze richtlijn vastgestelde termijn voor de omzetting ervan in nationaal recht, dient te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen. Dit neemt echter niet weg dat de nationale rechter in door particulieren ingestelde procedures waarin een beroep wordt gedaan op de rechtstreekse werking van een richtlijn, pas na het verstrijken van de termijn voor omzetting ervan gehouden is om eerdere nationale voorschriften die in strijd zijn met deze richtlijn, buiten toepassing te laten. Aangezien deze termijn immers meer in het bijzonder is bedoeld om de lidstaten de nodige tijd te geven voor de vaststelling van de omzettingsmaatregelen, kan deze staten niet het verwijt worden gemaakt dat zij de richtlijn niet in nationaal recht hebben omgezet vóór het verstrijken van deze termijn.
Aangaande meer in het bijzonder richtlijn 1999/62 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, moesten de lidstaten zich gedurende de periode tussen de datum van inwerkingtreding daarvan en het einde van de omzettingstermijn, dat wil zeggen tussen 20 juli 1999 en 1 juli 2000, onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door die richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar konden brengen, maar particulieren konden niet jegens de lidstaten voor de nationale rechter met een beroep op deze richtlijn verlangen dat een eerder, met deze richtlijn strijdig, nationaal voorschrift buiten toepassing zou worden gelaten.
(cf. punten 66-69, dictum 5)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 5 februari 2004(1)
„Goederenvervoer over de weg – Tolgeld – Brenner-Autobahn – Discriminatieverbod – Discriminatie op grond van nationaliteit van vervoersonderneming of herkomst of bestemming van voertuig”
en
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gehoord de mondelinge opmerkingen van Rieser Internationale Transporte GmbH, vertegenwoordigd door R. Krist, Rechtsanwalt; Autobahnen- und Schnellstraßen-Finanzierungs-AG (Asfinag), vertegenwoordigd door P. Csoklich en R. Bollenberger, Rechtsanwalt; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt, ter terechtzitting van 5 juni 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2003,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
Skouris Cunha Rodrigues Puissochet
Schintgen Macken
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.