HvJ EU 7 oktober 2004, C-239/03, ECLI:EU:C:2004:598
Tekst
Zaak C‑239/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
„Niet-nakoming – Verdrag inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging – Artikelen 4, lid 1, en 8 – Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land – Artikel 6, leden 1 en 3 – Verzuim om passende maatregelen vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zware en langdurige verontreiniging van Étang de Berre – Lozingsvergunning”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Beroep strekkende tot vaststelling van niet-naleving van gemengde overeenkomst die door Gemeenschap en lidstaten is gesloten – Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land – Bevoegdheid van Hof – Ontvankelijkheid
(Art. 226 EG; Verdrag van Barcelona, art. 4, lid 1, en 8; Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, art. 6, leden 1 en 3)
2. Internationale overeenkomsten – Overeenkomsten van Gemeenschap – Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land – Verplichting van lidstaten om die verontreiniging te beperken – Omvang
(Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, art. 6, leden 1 en 3)
1. De toepassing van de artikelen 4, lid 1, en 8 van het Verdrag van Barcelona inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging, en van artikel 6, leden 1 en 3, van het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, op lozingen van zoet water en slib in een zoutwatermoeras, ook al is voor deze lozingen geen bijzondere gemeenschapsregeling vastgesteld, past in het communautaire kader, aangezien deze artikelen zijn opgenomen in door de Gemeenschap en haar lidstaten gesloten gemengde overeenkomsten en een materie betreffen die in ruime mate onder het gemeenschapsrecht valt. Het Hof, dat is aangezocht op basis van artikel 226 EG, is dus bevoegd de naleving daarvan door een lidstaat te beoordelen.
De door de Gemeenschap, haar lidstaten en derde landen gesloten gemengde overeenkomsten hebben immers, wat de onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallende bepalingen betreft, in de communautaire rechtsorde dezelfde status als zuiver communautaire overeenkomsten. Waar de lidstaten ervoor zorgen dat de verplichtingen uit een door de gemeenschapsinstellingen gesloten overeenkomst worden nagekomen, vervullen zij dus in de communautaire rechtsorde een verplichting jegens de Gemeenschap, die de verantwoordelijkheid voor de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.
(cf. punten 25‑26, 31)
2. Op de verdragspartijen rust dus ingevolge artikel 6, lid 1, van het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, in samenhang met artikel 1 daarvan, een zeer nauwgezette verplichting, te weten de verontreiniging vanaf het land in het gebied door lozingen van onder meer stoffen die, ook al zijn ze van nature niet toxisch, schadelijk kunnen worden voor het mariene milieu, strikt te beperken met dienstige maatregelen. De nauwgezetheid van deze verplichting strookt met de aard van het instrument, dat inzonderheid tot doel heeft, verontreiniging als gevolg van het tekortschieten van de overheid te voorkomen. De draagwijdte van deze verplichting moet worden verstaan in samenhang met artikel 6, lid 3, van dit protocol, dat, met de instelling van een stelsel van voorafgaande vergunningen van de bevoegde nationale autoriteiten voor de lozing van de in bijlage II daarbij vermelde stoffen, vereist dat de lidstaten de verontreiniging vanaf het land in het toepassingsgebied van het protocol onder controle houden.
Komt derhalve de krachtens inzonderheid dit artikel 6, leden 1 en 3, van het protocol op hem rustende verplichtingen niet na, de lidstaat die niet alle passende maatregelen neemt ter voorkoming, vermindering en bestrijding van een zware en langdurige verontreiniging van het Middellandse-Zeegebied, en die nalaat rekening te houden met de bepalingen van bijlage III bij het protocol, inzake het vergunningenstelsel voor de lozing van de genoemde stoffen, door na het sluiten van dit protocol zijn nationale stelsel niet te wijzigen.
(cf. punten 50‑51 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 7 oktober 2004(1)
„Niet-nakoming – Verdrag inzake bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging – Artikelen 4, lid 1, en 8 – Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land – Artikel 6, leden 1 en 3 – Verzuim om passende maatregelen vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zware en langdurige verontreiniging van Étang de Berre – Lozingsvergunning”
verzoekster,
verweerster,
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
1 – Procestaal: Frans.