HvJ EU 16 september 2004, C-400/02, ECLI:EU:C:2004:537
Tekst
Zaak C‑400/02
Gerard Merida
tegen
Bundesrepublik Deutschland
(verzoek van het Bundesarbeitsgericht om een prejudiciële beslissing)
„Artikel 39 EG – Collectieve arbeidsovereenkomst – Overbruggingsuitkering voor voormalig burgerpersoneel van geallieerde strijdkrachten in Duitsland – Grensarbeiders – Vaststelling van berekeningsgrondslag van uitkering – Fictieve inaanmerkingneming van Duitse loonbelasting”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Werknemers – Gelijke behandeling – Sociale voordelen – Overbruggingsuitkering voor ontslagen werknemers – Fictieve aftrek, voor in andere lidstaat woonachtige en belastbare werknemer, van loonbelasting die in theorie in lidstaat van tewerkstelling verschuldigd is – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardigingsgrond – Geen
(Art. 39 EG; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 4)
Artikel 39 EG en artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap verzetten zich tegen een in een collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen nationale regeling volgens welke het bedrag van een aan ontslagen werknemers betaalde sociale uitkering als een overbruggingsuitkering ter aanvulling van werkloosheidsuitkeringen, die door de lidstaat van tewerkstelling wordt uitbetaald aan een in een andere lidstaat woonachtige en belastbare werknemer, aldus wordt berekend dat bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van deze uitkering de in de lidstaat van tewerkstelling verschuldigde loonbelasting fictief wordt afgetrokken, terwijl ingevolge een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting salarissen, lonen en soortgelijke beloningen die aan niet in deze lidstaat woonachtige werknemers worden betaald, alleen in hun woonstaat belastbaar zijn.
De administratieve problemen die de toepassing van verschillende wijzen van berekening van deze uitkering naar gelang van de woonplaats van de betrokkene voor de lidstaat van tewerkstelling zou meebrengen, en de budgettaire gevolgen van de niet-inaanmerkingneming van de nationale loonbelasting kunnen de niet-nakoming van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen door deze lidstaat niet rechtvaardigen.
(cf. punten 29‑30 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 16 september 2004(1)
„Artikel 39 EG – Collectieve arbeidsovereenkomst – Overbruggingsuitkering voor voormalig burgerpersoneel van geallieerde strijdkrachten in Duitsland – Grensarbeiders – Vaststelling van berekeningsgrondslag van uitkering – Fictieve inaanmerkingneming van Duitse loonbelasting”
tegen
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 februari 2004,
het navolgende
[...]
3. a) (1) De berekeningsgrondslag van de overbruggingsuitkering in aanvulling op loon uit overige werkzaamheden (punt 1 a) is de basisvergoeding, vastgesteld volgens § 16, punt 1 a, van het [Tarifvertrag für die Arbeitnehmer bei den Stationierungsstreitkräften im Gebiet der Bundesrepublik Deutschland (collectieve arbeidsovereenkomst voor werknemers bij de op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland gelegerde strijdkrachten) van 16 december 1966 (hierna: „TV AL II”)], waarop de werknemer op het tijdstip van ontslag op grond van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen regelmatige arbeidstijd over een volledige kalendermaand recht had [...]
[…]
[...]
Betreffende § 4, punt 3:
[...]
[...]
Betreffende § 4, punt 4:
1 – Procestaal: Duits.