HvJ EU 16 september 2004, C-386/02, ECLI:EU:C:2004:535

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑386/02

Josef Baldinger

tegen

Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter

(verzoek van het Arbeits‑ und Sozialgericht Wien om een prejudiciële beslissing)

„Vrij verkeer van personen – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Voorwaarde van bezit van nationaliteit van betrokken lidstaat bij indiening van aanvraag tot schadeloosstelling”

Samenvatting van het arrest

Vrij verkeer van personen – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Materiële werkingssfeer – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Daarvan uitgesloten

(Art. 39, lid 2, EG; verordeningen van de Raad nr. 1612/68, art. 7, lid 2, en nr. 1408/71, art. 4, lid 4)

Artikel 39, lid 2, EG, artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de toekenning van een uitkering ten behoeve van voormalige krijgsgevangenen wordt geweigerd op grond dat de belanghebbende bij indiening van de aanvraag niet de nationaliteit bezit van de betrokken lidstaat, maar van een andere lidstaat.

Gezien de doelstelling en de toekenningsvoorwaarden ervan valt een dergelijke uitkering onder artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, dat preciseert dat deze niet van toepassing is op „regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”, zodat zij is uitgesloten van de materiële werkingssfeer van deze verordening.

Een dergelijke uitkering behoort evenmin tot de voordelen die de nationale werknemer in hoofdzaak worden toegekend op grond van zijn hoedanigheid van werknemer of ingezetene, en beantwoordt bijgevolg niet aan de wezenlijke kenmerken van „sociale voordelen” als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68.

Dezelfde conclusie geldt met betrekking tot artikel 39, lid 2, EG, dat ziet op de voorwaarden op het gebied van de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Hieronder kunnen geen schadeloosstellingen vallen die worden toegekend wegens door de burgers in oorlogstijd voor hun land verrichte diensten, en waarvan het wezenlijke doel is, hen te begunstigen omdat zij voor dat land beproevingen hebben ondergaan.

(cf. punten 16, 18‑21 en dictum)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 16 september 2004(1)

„Vrij verkeer van personen – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Voorwaarde bezit van nationaliteit van betrokken lidstaat bij indiening van aanvraag schadeloosstelling”

tegen

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2003,

het navolgende

1 – Procestaal: Duits.

Aangehaald in