HvJ EU 16 september 2004, C-329/02, ECLI:EU:C:2004:532

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑329/02 P

SAT.1 SatellitenFernsehen GmbH

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Absolute gronden voor weigering van inschrijving – Artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 – Woordcombinatie ‚SAT.2’”

Samenvatting van het arrest

1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Afzonderlijk onderzoek van verschillende weigeringsgronden – Uitlegging van weigeringsgronden tegen achtergrond van daaraan ten grondslag liggend algemeen belang

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1)

2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Ontbreken van onderscheidend vermogen van teken – Algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 – Draagwijdte

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)

3. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Ontbreken van onderscheidend vermogen van teken – Woordmerk bestaande uit verschillende elementen – Inaanmerkingneming van totaalindruk van combinatie bij relevant publiek

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, b)

4. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Ontbreken van onderscheidend vermogen van teken – Ontoereikendheid van vaststelling van ontbreken van bepaald niveau van taalkundige of kunstzinnige creativiteit of verbeelding om teken onderscheidend vermogen te ontzeggen – Merk dat niet beschrijvend is voor geclaimde waren of diensten – Verplichting voor Bureau om uiteen te zetten waarom onderscheidend vermogen ontbreekt

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b en c)

5. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken zonder onderscheidend vermogen – Woordcombinatie „SAT.2”

(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)

1. De in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk vermelde weigeringsgronden zijn onafhankelijk van elkaar en vereisen een afzonderlijk onderzoek. Voorts moeten deze weigeringsgronden worden uitgelegd tegen de achtergrond van het algemeen belang dat aan elk van hen ten grondslag ligt. Het algemeen belang dat bij het onderzoek van elk van deze weigeringsgronden in aanmerking wordt genomen, kan – en moet zelfs – andere overwegingen weerspiegelen naar gelang van de betrokken weigeringsgrond.

(cf. punt 25)

2. Het algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, betreffende de weigeringsgrond dat een merk onderscheidend vermogen mist, bestaat hierin dat de beschikbaarheid van dit merk niet ongerechtvaardigd mag worden beperkt voor de andere marktdeelnemers die waren of diensten aanbieden van het type waarvoor de inschrijving is aangevraagd. Gelet op de omvang van de bescherming die de verordening aan een merk verleent, ligt het voor het overige voor de hand dat het aan die bepaling ten grondslag liggende algemeen belang samenvalt met de wezenlijke functie van het merk, te weten aan de consument of de eindverbruiker met betrekking tot de gemerkte waren of diensten de identiteit van de oorsprong te waarborgen, in dier voege dat hij deze zonder gevaar van verwarring kan onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst.

Het criterium op grond waarvan alleen merken kunnen worden ingeschreven die gewoonlijk in de handel kunnen worden gebruikt voor de voorstelling van de betrokken waren of diensten, is relevant in het kader van artikel 7, lid 1, sub c, maar is niet het criterium aan de hand waarvan artikel 7, lid 1, sub b, moet worden uitgelegd. De overweging dat artikel 7, lid 1, sub b, een doel van algemeen belang nastreeft dat inhoudt dat de bedoelde tekens door eenieder ongestoord kunnen worden gebruikt, berust overigens niet op het hierboven genoemde criterium van algemeen belang.

(cf. punten 23, 26-27, 36)

3. Bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van een merk in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, met betrekking tot een merk dat bestaat uit woorden of een woord en een cijfer, kan een eventueel onderscheidend vermogen ten dele worden onderzocht voor elk van de termen of bestanddelen afzonderlijk, maar moet het hoe dan ook afhangen van een onderzoek van het daardoor gevormde geheel. De omstandigheid alleen dat elk bestanddeel afzonderlijk onderscheidend vermogen mist, betekent immers nog niet dat de combinatie ervan geen onderscheidend vermogen kan hebben.

Deze bepaling wordt onjuist uitgelegd wanneer het bestaan van een onderscheidend vermogen van een uit verschillende elementen bestaande woordcombinatie in wezen wordt beoordeeld aan de hand van een onderzoek van elk afzonderlijk bestanddeel ervan en daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat bestanddelen die afzonderlijk gezien onderscheidend vermogen missen, ook bij de combinatie ervan dat vermogen niet kunnen hebben, en niet van de totaalindruk die de gemiddelde consument van deze woordcombinatie heeft, en wanneer de door de woordcombinatie gewekte totaalindruk slechts subsidiair wordt onderzocht en relevantie wordt ontzegd aan gegevens zoals het bestaan van een element van fantasie, die bij dat onderzoek in aanmerking moeten worden genomen.

(cf. punten 28‑29, 35)

4. De inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk is niet afhankelijk van de vaststelling van een bepaald niveau van taalkundige of kunstzinnige creativiteit of verbeelding van de houder van het merk. Het volstaat dat het merk het relevante publiek in staat stelt de oorsprong van de beschermde waren of diensten te herkennen en deze waren en diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen.

Indien een merk waarvoor niet de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 geldt, niettemin onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, mist, moet het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) dus uiteenzetten waarom het meent dat het merk geen onderscheidend vermogen heeft.

Dat merken bestaande uit een woordelement en een cijferelement in een bepaalde sector vaak worden gebruikt, wijst erop dat een dergelijke combinatie niet kan worden geacht in beginsel onderscheidend vermogen te missen.

(cf. punten 41‑42, 44)

5. Hoewel de wijze van samenstelling van de woordcombinatie „SAT.2”, waarvoor om inschrijving als gemeenschapsmerk wordt verzocht voor de volgende diensten van de klassen 38 en 41 van de overeenkomst van Nice

– klasse 38: „Verspreiding van radio‑ en televisie-uitzendingen/-programma’s via draadloze of draadgebonden netwerken; uitzending van film‑, televisie‑, radio‑ en videotekst‑, teletekstprogramma’s of ‑uitzendingen; bemiddeling bij en verstrekking van toegangsrechten voor gebruikers tot verschillende communicatienetwerken; telecommunicatie; verzamelen, leveren en verzenden van nieuwsberichten, persberichten (ook via de elektronische snelweg en/of via computers); overbrenging van geluid en beeld door middel van satellieten; exploitatie van een abonneetelevisiedienst (betaaltelevisie), waaronder video on demand, ook voor derden als digitaal platform; diensten op het gebied van telecommunicatie; verschaffen van informatie aan derden; verspreiding van informatie via draadloze of draadgebonden netwerken; on-linediensten en ‑uitzendingen, te weten overbrenging van informatie en boodschappen, waaronder e‑mail; beheer van netwerken voor de overdracht van boodschappen, beeld, tekst, spraak en gegevens; uitzenden van teleshoppinguitzendingen”;

– klasse 41: „Productie, reproductie, vertoning en verhuur van films, video‑ en andere televisieprogramma’s; het organiseren en houden van show‑, quiz‑ en muziekevenementen alsmede organisatie van wedstrijden op het gebied van ontspanning en sport, ook voor opname of als live-programma op radio of televisie; productie van televisie‑ en radioreclames, waaronder daarmee samenhangende loterijprogramma’s; productie van film‑, televisie‑, radio‑ en videotekst‑, teletekst-programma’s of ‑uitzendingen, ontspanning via de radio en de televisie; opname, overbrengen, registreren, verwerken en weergeven van geluid en beeld; organisatie van radio‑ en televisieprogramma’s; productie van teleshoppinguitzendingen”;

niet ongebruikelijk is, met name in de voorstelling die de gemiddelde consument van diensten in de communicatiesector kan hebben, en deze juxtapositie van een woordelement als „SAT” en een cijfer als „2”, gescheiden door een „.”, geen blijk geeft van een bijzondere inventiviteit, volstaan deze omstandigheden niet om vast te stellen dat een dergelijke woordcombinatie geen onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.

(cf. punt 40)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 16 september 2004(1)

„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden voor inschrijving – Artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 – Woordcombinatie ‚SAT.2’”

rekwirante,

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 maart 2004,

het navolgende

1 – Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in