HvJ EU 9 september 2004, C-332/01, ECLI:EU:C:2004:496
Tekst
Zaak C‑332/01
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Begrotingsjaren 1996 tot en met 1999 – Beschikking 2001/557/EEG – Katoen, olijfolie, krenten en rozijnen, schapen‑ en geitenvlees”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Beginselen – Uitgaven in overeenstemming met gemeenschapsregels – Controleverplichting van lidstaten
2. Handelingen van de instellingen – Verordeningen – Verordening die specifieke controlemaatregelen voorschrijft – Ontbreken van beoordelingsvrijheid van lidstaten – Niet-uitvoering – Rechtvaardiging – Grotere doeltreffendheid van ander controlesysteem – Ontoelaatbaarheid
3. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Procedure van goedkeuring van rekeningen – Doel – Financiële correctie die geen sanctie vormt
4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking betreffende goedkeuring van rekeningen in verband met door EOGFL gefinancierde uitgaven
5. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Representativiteit van gecontroleerde steekproeven – Invloed van keuze van geografische basis
(Verordening nr. 3887/92 van de Commissie, art. 6, leden 1, 3 en 4)
6. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Toekenning van premie ten behoeve van schapen‑ en geitenvleesproducenten – Identificatie van overgebrachte dieren vóór uitbesteding voor verzorging – Begrip „uitbesteding voor verzorging” – Strekking
(Verordening nr. 2700/93 van de Commissie, art. 1, lid 3, tweede alinea)
1. Op het gebied van communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het EOGFL hebben verricht, moeten de autoriteiten van de lidstaten een betrouwbaar en operationeel controlesysteem invoeren, dat in dier voege is opgezet dat leemten worden voorkomen. In dit verband kan het argument dat het ontbreken van controle aan een tijdelijk personeelsgebrek is toe te schrijven, niet in aanmerking worden genomen.
(cf. punt 50)
2. De lidstaten dienen de bij een verordening vastgestelde specifieke controlemaatregelen toe te passen zonder dat behoeft te worden onderzocht of zij terecht stellen dat een ander controlesysteem doeltreffender is, zelfs wanneer reeds alternatieve controles zijn georganiseerd
(cf. punt 62)
3. De niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG en de procedure van goedkeuring van de EOGFL-rekeningen streven verschillende doelstellingen na en worden door verschillende regels beheerst. In laatstgenoemde procedure moet de Commissie een financiële correctie toepassen wanneer uitgaven waarvoor om financiering wordt verzocht, niet overeenkomstig de gemeenschapsregels zijn verricht. Met een dergelijke financiële correctie wordt vermeden dat bedragen die niet voor financiering van een door de betrokken gemeenschapsregeling nagestreefd doel zijn gebruikt, ten laste van het EOGFL komen. Die correctie vormt dus geen sanctie.
(cf. punt 63)
4. In de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen tot stand komen, moet de motivering van een beschikking als toereikend worden beschouwd wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te kunnen brengen.
(cf. punt 67)
5. Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, bepaalt met betrekking tot de geografische basis van de bemonstering dat de controles ter plaatse ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen betreffen, en dat deze steekproef moet bestaan uit een bepaald percentage van de steunaanvragen „dieren”. Die bepaling preciseert echter niet of het minimumpercentage met betrekking tot een district of tot het gehele land moet worden berekend.
In dit verband wordt de representativiteit van de steekproeven beter gewaarborgd, indien zij op het niveau van de districten in plaats van op het niveau van het gehele land worden genomen. Het zou immers in strijd zijn met de doelstelling van een doeltreffende verificatie dat bepaalde districten waarin een aanzienlijke hoeveelheid van de betrokken producten wordt geproduceerd, geheel of gedeeltelijk aan de controles zouden kunnen ontsnappen, wanneer het nationale gemiddelde van de steekproeven meer dan het vastgestelde percentage bedraagt.
(cf. punten 109, 111)
6. Het begrip „uitbesteding voor verzorging” in het kader van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2700/93 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de premie ten behoeve van schapen‑ en geitenvleesproducenten, dat tot doel heeft de identificatie van de overgebrachte dieren te waarborgen voordat zij met andere dieren worden vermengd, moet aldus worden uitgelegd, dat het ook geldt voor de gevallen waarin de dieren wegens de gemeenschappelijke exploitatie van kudden van verschillende eigenaren met andere worden vermengd.
Het wezenlijke kenmerk van een uitbesteding van dieren voor verzorging is immers dat dieren van verschillende oorsprong bij elkaar worden gezet en dat het nagenoeg onmogelijk wordt ze van elkaar te onderscheiden indien zij niet vooraf zijn gemerkt.
(cf. punt 142)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 9 september 2004(1)
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Begrotingsjaren 1996 tot en met 1999 – Beschikking 2001/557/EEG – Katoen, olijfolie, krenten en rozijnen, schapen- en geitenvlees”
verzoekster,
tegen
verweerster,
HET HOF (Tweede kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 2004,
het navolgende
[…]
[…]
[…]”
1 – Procestaal: Grieks.