HvJ EU 7 september 2004, C-456/02, ECLI:EU:C:2004:488

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑456/02

Michel Trojani

tegen

Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Brussel (OCMW)

(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel om een prejudiciële beslissing)

„Vrij verkeer van personen – Burgerschap van Europese Unie – Verblijfsrecht – Richtlijn 90/364/EEG – Beperkingen en voorwaarden – Persoon die in opvangtehuis werkt tegen voordelen in natura – Recht op uitkeringen op grond van socialebijstandsregeling”

Samenvatting van het arrest

1. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Verdragbepalingen – Werkingssfeer – Onderdaan van lidstaat die gedurende ongeveer 30 uur per week werkzaamheden voor opvangtehuis verricht tegen voordelen in natura en geld – Daarvan uitgesloten

(Art. 43 EG en 49 EG)

2. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Bestaan van arbeidsverhouding – Uitoefening van reële en daadwerkelijke werkzaamheden – Onderdaan van lidstaat die gedurende ongeveer 30 uur per week werkzaamheden voor opvangtehuis verricht tegen voordelen in natura en geld – Beoordeling door nationale rechter

(Art. 39 EG)

3. Burgerschap van Europese Unie – Recht van vrij verkeer en vrij verblijf op grondgebied van lidstaten – Verblijfsrecht – Rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 18, lid 1, EG – Beperkingen en voorwaarden – Toepassing met inachtneming van algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in bijzonder evenredigheidsbeginsel – Burger van Unie die niet economisch actief is en over door gaststaat afgegeven verblijfsvergunning beschikt – Gelijke behandeling met betrekking tot uitkering op grond van socialebijstandsregeling ter waarborging van bestaansminimum

(Art. 12 EG en 18, lid 1, EG)

1. Een onderdaan van een lidstaat die in het kader van een individueel integratieproject in een andere lidstaat voor en onder het gezag van een opvangtehuis gedurende ongeveer 30 uur per week diverse werkzaamheden verricht tegen voordelen in natura en geld, valt niet onder de artikelen 43 EG en 49 EG.

Enerzijds omvat het in de artikelen 43 EG tot en met 48 EG bedoelde recht van vestiging immers alleen de toegang tot en de uitoefening van alle soorten werkzaamheden anders dan in loondienst, alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen en de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen. Arbeid in loondienst is er bijgevolg van uitgesloten.

Anderzijds valt een werkzaamheid die duurzaam wordt uitgeoefend of waarvan althans het einde niet valt te voorzien, niet onder de gemeenschapsbepalingen inzake dienstverrichting.

(cf. punten 20, 22, 27‑29, dictum 1)

2. Een onderdaan van een lidstaat die in het kader van een individueel integratieproject in een andere lidstaat voor en onder het gezag van een opvangtehuis gedurende ongeveer 30 uur per week diverse werkzaamheden verricht tegen voordelen in natura en geld, kan slechts aanspraak maken op een verblijfsrecht op grond van zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39 EG indien zijn arbeid in loondienst een reëel en daadwerkelijk karakter heeft. Het staat aan de verwijzende rechter om de nodige feitelijke vaststellingen te doen om uit te maken of dat in de bij hem aanhangige zaak het geval is. Daarbij moet hij objectieve criteria hanteren en alle omstandigheden van de zaak die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding, in hun geheel beoordelen. Hij moet met name controleren of de prestaties die de betrokken persoon daadwerkelijk heeft verricht, kunnen worden aangemerkt als prestaties die normaliter op de arbeidsmarkt worden verricht. Daartoe kan rekening worden gehouden met het statuut en de gebruiken van de opvanginstelling, de inhoud van het project voor de maatschappelijke herinschakeling en de aard van de prestaties en de wijze waarop zij worden verricht.

(cf. punten 17, 20, 22, 24, 29, dictum 1)

3. Een burger van de Unie die in de lidstaat van ontvangst geen verblijfsrecht heeft op grond van de artikelen 39 EG, 43 EG of 49 EG, kan er met rechtstreekse toepassing van artikel 18, lid 1, EG alleen op grond van zijn Europees burgerschap een verblijfsrecht hebben. De uitoefening van dit recht is onderworpen aan de beperkingen en voorwaarden van die bepaling, waaronder het vereiste van toereikende bestaansmiddelen, maar de bevoegde autoriteiten dienen erop toe te zien dat deze beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Zodra blijkt dat de economisch niet-actieve burger van de Unie een verblijfsvergunning heeft, kan deze met een beroep op artikel 12 EG aanspraak maken op een uitkering op grond van de socialebijstandsregeling, zoals het bestaansminimum.

(cf. punten 33, 43, 46, dictum 2)

ARREST VAN HET HOF (grote kamer) 7 september 2004(1)

„Vrij verkeer van personen – Burgerschap van Europese Unie – Verblijfsrecht – Richtlijn 90/364/EEG – Beperkingen en voorwaarden – Persoon die voor opvangtehuis werkt tegen vergoeding in natura – Recht op uitkeringen van bijstandsregeling”

tegen

HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 februari 2004,

het navolgende

1 – Procestaal: Frans.

Aangehaald in