HvJ EU 13 juli 2004, C-27/04, ECLI:EU:C:2004:436
Tekst
Zaak C‑27/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Artikel 104 EG – Verordening (EG) nr. 1467/97 – Stabiliteits‑ en groeipact – Buitensporige overheidstekorten – Besluiten van Raad uit hoofde van artikel 104, leden 8 en 9, EG – Vereiste meerderheid niet bereikt – Niet genomen besluiten – Beroep tegen ‚besluiten om in aanbevelingen van Commissie vervatte formele instrumenten niet vast te stellen’ – Niet-ontvankelijkheid – Beroep tegen ‚conclusies van Raad’”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Niet-nemen van besluit door Raad na aanbeveling van Commissie – Vereiste meerderheid niet bereikt – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 104, leden 8 en 9, EG en 230 EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Handeling die bindende rechtsgevolgen sorteert – Conclusie van Raad houdende opschorting van buitensporigtekortprocedures en wijziging van aanbevelingen van Commissie – Ontvankelijkheid
(Art. 104, leden 7 en 9, EG en 230 EG)
3. Economisch en monetair beleid – Buitensporigtekortprocedure – Beoordelingsvrijheid van Raad – Grenzen
(Art. 104 EG; verordening nr. 1467/97 van de Raad)
4. Economisch en monetair beleid – Buitensporigtekortprocedure – Besluit van Raad houdende opschorting van procedure – Gevolgen – Beperking van door artikel 104, lid 9, EG aan Raad verleende bevoegdheden – Onwettigheid
(Art. 104, leden 7 en 9, EG; verordening nr. 1467/97 van Raad, art. 9)
5. Economisch en monetair beleid – Buitensporigtekortprocedure – Initiatiefrecht van Commissie – Wijziging van eerdere aanbevelingen door Raad – Voorwaarden – Nieuwe aanbeveling van Commissie – Inachtneming van in artikel 104, lid 7, EG neergelegde regels voor stemming
(Art. 104, leden 7, 9 en 13, EG)
1. Het verzuim van de Raad om de in artikel 104, leden 8 en 9, EG bedoelde, door de Commissie aanbevolen besluiten te nemen, kan niet worden geacht een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG te vormen. Wanneer de Commissie de Raad aanbeveelt besluiten te nemen uit hoofde van artikel 104, leden 8 en 9, EG en binnen de Raad niet de vereiste meerderheid wordt bereikt, komt immers geen besluit in de zin van deze bepaling tot stand.
(cf. punten 29, 31, 34)
2. De conclusies van de Raad volgens welke deze besluit de buitensporigtekortprocedures voorlopig op te schorten en zich bereid verklaart, een besluit uit hoofde van artikel 104, lid 9, EG te nemen indien mocht blijken dat de betrokken lidstaat zich niet houdt aan de door hem gedane toezeggingen, zoals vermeld in die conclusies, beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen, althans voorzover zij de lopende buitensporigtekortprocedures opschorten en de in een eerder stadium door de Raad uit hoofde van artikel 104, lid 7, EG gedane aanbevelingen inhoudelijk wijzigen. De Raad stelt daarmee een eventueel besluit om op te treden uit hoofde van artikel 104, lid 9, EG immers afhankelijk van een beoordeling die niet meer de inhoud van de aanbevelingen uit hoofde van lid 7 van deze bepaling als referentieparameter zal hebben, maar de door de betrokken lidstaat eenzijdig aangegane verbintenissen.
(cf. punten 46, 48, 50)
3. Blijkens de letter en de economie van het systeem van de bij het Verdrag ingevoerde buitensporigtekortprocedure mag de Raad zich niet onttrekken aan de in artikel 104 EG geformuleerde regels en aan de regels die hij zichzelf in verordening nr. 1467/97 heeft opgelegd ter bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten. Zo kan hij niet kiezen voor een andere procedure, bijvoorbeeld om een maatregel te treffen die niet het juist in een bepaalde etappe van deze procedure voorziene besluit zou zijn, of die tot stand zou komen onder andere dan de in de toepasselijke bepalingen gestelde voorwaarden.
(cf. punt 81)
4. Met zijn conclusies, volgens welke hij „overeen[komt] om de buitensporigtekortprocedure ten aanzien van [de betrokken lidstaat] [...] op te schorten” en hij „op basis van de aanbeveling van de Commissie een beschikking uit hoofde van artikel 104, lid 9, [zal] vaststellen, indien [mocht blijken dat die lidstaat] heeft nagelaten te handelen overeenkomstig de toezeggingen in deze conclusies”, constateert de Raad niet enkel dat de buitensporigtekortprocedure feitelijk is opgeschort omdat het onmogelijk is om een door de Commissie aanbevolen besluit te nemen, welke onmogelijkheid op ieder moment zou kunnen worden verholpen. Een dergelijk besluit tot opschorting is in strijd met artikel 104 EG en artikel 9 van verordening nr. 1467/97, strekkende tot bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de buitensporigtekortprocedure.
Voorzover de conclusies van de Raad aan opschorting de voorwaarde verbinden dat de betrokken lidstaat de door hem gedane toezeggingen nakomt, beperken zij de bevoegdheid van de Raad om de lidstaat uit hoofde van artikel 104, lid 9, EG aan te manen op basis van de eerdere aanbeveling van de Commissie, zolang de toezeggingen worden geacht te zijn nagekomen. Daarmee bepalen zij bovendien dat de door de Raad met het oog op een besluit tot aanmaning, dat wil zeggen de voortzetting van de buitensporigtekortprocedure, te verrichten beoordeling niet meer de aanbevelingen die de betrokken lidstaat reeds uit hoofde van artikel 104, lid 7, EG zijn gedaan als referentieparameter zal hebben, maar door deze lidstaat eenzijdig aangegane verbintenissen.
(cf. punten 87‑89)
5. Wanneer de Raad aanbevelingen uit hoofde van artikel 104, lid 7, EG heeft aangenomen, kan hij daarin nadien geen wijziging brengen zonder een nieuwe aanbeveling van de Commissie, die in het kader van de buitensporigtekortprocedure een initiatiefrecht heeft, aangezien volgens artikel 104, lid 13, EG aanbevelingen uit hoofde van artikel 104, lid 7, EG slechts tot stand komen op aanbeveling van de Commissie.
Het besluit van de Raad om aanbevelingen aan te nemen die verschilden van die welke eerder waren gedaan uit hoofde van artikel 104, lid 7, EG, welk besluit tot stand is gekomen zonder dat die aanbevelingen zijn voorafgegaan door aanbevelingen van de Commissie ertoe strekkende dat zij op basis van voormelde bepaling zouden worden aangenomen en volgens de stemregels voor aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 104, lid 9, EG, dat wil zeggen volgens de procedure waarbij alleen de lidstaten van de eurozone aan de stemming deelnemen, is onrechtmatig.
(cf. punten 91‑92, 94‑96)
ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting ) 13 juli 2004(1)
„Beroep tot nietigverklaring – Artikel 104 EG – Verordening (EG) nr. 1467/97 – Stabiliteits- en groeipact – Buitensporige overheidstekorten – Besluiten van de Raad uit hoofde van artikel 104, leden 8 en 9, EG – Vereiste meerderheid niet bereikt – Niet genomen besluiten – Beroep tegen ‚besluiten om niet de in de aanbevelingen van de Commissie vervatte formele instrumenten vast te stellen’ – Niet-ontvankelijkheid – Beroep tegen ‚conclusies van de Raad’”
verzoekster,
tegen
verweerder,
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting ),,
de advocaat-generaal gehoord,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting),
Skouris Jann Timmermans
Rosas Gulmann Puissochet
Cunha Rodrigues Schintgen Macken
Colneric von Bahr
Silva de Lapuerta Lenaerts
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.