HvJ EU 10 juni 2004, C-87/02, ECLI:EU:C:2004:363
Tekst
Zaak C‑87/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 85/337/EEG – Milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare of particuliere projecten – Project ‚Lotto Zero’”
Samenvatting van het arrest
1. Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van toerekenbaarheid van niet-nakoming aan decentrale overheden – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Nationale maatregelen die onverenigbaar zijn met gemeenschapsrecht – Bestaan van nationale beroepsmogelijkheden – Geen invloed op mogelijkheid om beroep wegens niet-nakoming in te stellen
(Art. 226 EG)
3. Milieu – Milieu-effectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Onderwerping aan beoordeling van projecten die tot in bijlage II genoemde categorieën behoren – Beoordelingsvrijheid van lidstaten – Omvang en grenzen
(Richtlijn 85/337 van de Raad, art. 4, lid 2)
1. De omstandigheid dat een lidstaat de uitvoering van richtlijnen opdraagt aan zijn regio’s, laat de toepassing van artikel 226 EG onverlet. Een lidstaat kan zich immers niet op interne situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in communautaire richtlijnen besloten liggen. Elke lidstaat is weliswaar vrij de interne regelgevende bevoegdheden naar eigen goeddunken te verdelen, doch dit neemt niet weg dat krachtens artikel 226 EG alleen de lidstaat jegens de Gemeenschap verantwoordelijk blijft voor de nakoming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen.
(cf. punt 38)
2. Wanneer bij een nationale rechter beroep is ingesteld tegen het besluit van een nationale instantie dat in een beroep wegens niet-nakoming in geding is, en deze rechter heeft besloten de tenuitvoerlegging van dit besluit niet op te schorten, heeft dit geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming. Het feit dat wegen openstaan langs welke men zich tot de nationale rechter kan wenden, kan immers niet afdoen aan de mogelijkheid het in artikel 226 EG bedoelde beroep in te stellen, aangezien beide acties een ander doel en verschillende gevolgen hebben.
(cf. punt 39)
3. Artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/337 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten noemt voorbeelden van methoden waarvan de lidstaten gebruik kunnen maken om te bepalen, welke van de in bijlage II bij de richtlijn bedoelde projecten aan een beoordeling in de zin van de richtlijn moeten worden onderworpen.
Richtlijn 85/337 laat de lidstaten in dat opzicht derhalve een beoordelingsmarge en belet hen niet, andere methoden te gebruiken om de projecten te specificeren die overeenkomstig de richtlijn aan een milieu-effectbeoordeling moeten worden onderworpen. De richtlijn sluit dus niet uit, een methode die erin bestaat dat op basis van een individueel onderzoek van het betrokken project of krachtens een nationale wetgevende handeling een in bijlage II bij de richtlijn bedoeld specifiek project wordt aangewezen als zijnde niet onderworpen aan de milieu-effectbeoordelingsprocedure.
Het feit dat de lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt, volstaat op zich echter niet om een bepaald project van de beoordelingsprocedure in de zin van de richtlijn uit te sluiten. Ware dit wel het geval, dan zouden de lidstaten de hun bij artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 toegekende beoordelingsmarge kunnen gebruiken om een specifiek project aan de beoordelingsplicht te onttrekken, ofschoon het wegens zijn aard, afmetingen of ligging aanzienlijke milieu-effecten kan hebben.
Hieruit volgt dat, welke methode een lidstaat ook heeft gekozen om te bepalen of een specifiek project al dan niet moet worden beoordeeld, te weten aanwijzing van een specifiek project door middel van een wetgevende handeling dan wel op basis van een individueel onderzoek van het project, die methode geen afbreuk mag doen aan de doelstelling van de richtlijn, te weten dat geen enkel project dat aanzienlijke milieu-effecten in de zin van de richtlijn kan hebben, van de beoordeling wordt uitgesloten, tenzij het specifieke project op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijk milieu-effect te hebben.
Dienaangaande moet een besluit waarbij de bevoegde nationale instantie te kennen geeft dat een project, gezien de kenmerken ervan, niet hoeft te worden onderworpen aan een milieu-effectbeoordeling, voorzien zijn of vergezeld gaan van alle gegevens aan de hand waarvan kan worden getoetst of het besluit is gebaseerd op een passende voorafgaande verificatie die overeenkomstig de vereisten van richtlijn 85/337 is verricht.
(cf. punten 41-44, 49)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 10 juni 2004(1)
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 85/337/EEG – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Project ‚Lotto Zero’”
verzoekster,
tegen
verweerster,
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 januari 2004,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
Jann Rosas La Pergola
Silva de Lapuerta Lenaerts
De griffier De president van de Eerste kamer
R. Grass P. Jann
1 – Procestaal: Italiaans.