HvJ EU 29 april 2004, C-387/99, ECLI:EU:C:2004:235
Tekst
Zaak C‑387/99
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Beroep wegens niet-nakoming – Artikelen 30 et 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG et 30 EG) – Richtlijn 65/65/EEG – Voedingspreparaten met vitaminegehalte van meer dan drievoudige van aanbevolen dagelijkse dosis – Preparaten die in lidstaat van uitvoer rechtmatig als voedingssupplement in handel zijn gebracht – Preparaten die in lidstaat van invoer als geneesmiddel worden aangemerkt – Begrip ‚geneesmiddel’– Belemmering – Rechtvaardiging – Volksgezondheid – Evenredigheid – Ontvankelijkheid van vordering”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Administratieve praktijk om bepaalde vitaminepreparaten die meer dan drievoudige van aanbevolen dagelijkse dosis bevatten, als geneesmiddel aan te merken – Rechtvaardiging – Bescherming van volksgezondheid – Geen – Noodzaak van grondige evaluatie van geval tot geval
[EG-Verdrag, art. 30 en 36 (thans, na wijziging, art. 28 EG en 30 EG; richtlijn 65/65 van de Raad, art. 1)]
Een lidstaat die in andere lidstaten rechtmatig als voedingssupplement vervaardigde en in de handel gebrachte vitaminepreparaten systematisch als geneesmiddel indeelt wanneer zij meer dan het drievoudige van de door de nationale vereniging voor voedingsmiddelen aanbevolen dagelijkse dosis aan vitamines, andere dan de vitamines A en D, bevatten, komt de krachtens artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op hem rustende verplichtingen niet na.
Wanneer een dergelijke indeling op basis van uitsluitend de aanbevolen dagelijkse dosis niet volledig voldoet aan de eis van indeling van elk vitaminepreparaat op basis van de farmacologische eigenschappen ervan en daaruit dus nog niet noodzakelijk volgt dat elk betrokken vitaminepreparaat binnen de definitie van geneesmiddel „naar werking” in de zin van richtlijn 65/65 inzake geneesmiddelen valt, belemmert deze praktijk het handelsverkeer, aangezien in andere lidstaten rechtmatig als voedingssupplement in de handel gebrachte of vervaardigde vitaminepreparaten in de betrokken lidstaat pas mogen worden verkocht nadat een vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel is verkregen.
Deze praktijk kan niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG), wanneer daarbij niet naar de verschillende toegevoegde vitamines, en met name naar de omvang van het eventuele risico van deze toevoeging voor de volksgezondheid, wordt onderscheiden, en door het stelselmatige karakter van deze praktijk geen identificatie en evaluatie van een reëel gevaar voor de volksgezondheid mogelijk is, waartoe een grondige evaluatie per geval van de mogelijke gevolgen van de toevoeging van deze vitamines zou zijn vereist.
(cf. punten 62, 65, 78‑79, 83 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 29 april 2004(1)
„Niet-nakomingsberoep – Artikelen 30 et 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG et 30 EG) – Richtlijn 65/65/EEG – Preparaten voor menselijke consumptie met een vitaminegehalte van meer dan het drievoudige van de aanbevolen dagelijkse dosis – In lidstaat van uitvoer rechtmatig als voedingssupplement in de handel gebrachte preparaten – In lidstaat van invoer als geneesmiddel gekwalificeerde preparaten – Begrip ‚geneesmiddel’ – Belemmering – Rechtvaardiging – Volksgezondheid – Evenredigheid – Ontvankelijkheid van beroep”
verzoekster,
tegen
verweerster,
en door
interveniënten,
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2002,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
Skouris Cunha Rodrigues Schintgen
Macken Colneric
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.