HvJ EU 1 april 2004, C-286/02, ECLI:EU:C:2004:212
Tekst
Zaak C‑286/02
Bellio F.lli Srl
tegen
Prefettura di Treviso
(verzoek van het Tribunale di Treviso om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Veterinairrechtelijke voorschriften – Beschermingsmaatregelen tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Vervoederen van dierlijke eiwitten”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Uitlegging – Methodes – Uitlegging van afgeleid recht met inachtneming van door Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten
2. Internationale overeenkomsten – Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte – Uitlegging in overeenstemming met eerdere rechtspraak van Hof – Voorwaarden – Uitlegging van artikel 13
(Art. 30 EG; EER-Overeenkomst, art. 6 en 13)
3. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen inzake veterinairrechtelijke voorschriften – Beschermingsmaatregelen tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Vismeel gebruikt in voeder van andere dieren dan herkauwers – Aanwezigheid van andere niet-toegelaten stoffen – Ontoelaatbaarbaarheid – Tolerantiemarge – Geen
(Art. 152 EG; beschikking 2000/766 van de Raad, art. 2, lid 2; beschikking 2001/9 van de Commissie, art. 1, lid 1)
4. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen inzake veterinairrechtelijke voorschriften – Beschermingsmaatregelen tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Vismeel gebruikt in voeder van andere dieren dan herkauwers – Vernietiging van met andere niet-toegelaten stoffen verontreinigd voeder – Gemeenschapsrechtelijke maatregel die niet als sanctie kan worden beschouwd
(Beschikking 2000/766 van de Raad, art. 3, lid 2)
5. Internationale overeenkomsten – Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte – Vrij verkeer van goederen – Afwijkingen – Bescherming van gezondheid van personen en dieren – Voorwaarden – Beschermingsmaatregelen tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Toelaatbaarheid
(EER-Overeenkomst, art. 13; beschikking 2000/766 van de Raad; beschikking 2001/9/EG van de Commissie)
1. Door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten zijn van hogere rang dan de bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, zodat deze bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd.
(cf. punt 33)
2. Volgens artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) worden de bepalingen van deze overeenkomst, voorzover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag en de ter uitvoering van dit Verdrag aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en de toepassing ervan betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van vóór de ondertekening van die overeenkomst. Bovendien is het noodzakelijk om er over te waken dat de regels van de EER-Overeenkomst die in essentie gelijk zijn aan deze van het Verdrag, uniform worden uitgelegd.
Dit geldt voor artikel 13 van die overeenkomst, dat in essentie gelijk is aan artikel 30 EG.
(cf. punten 34-35)
3. In het kader van het verbod op het vervoederen van verwerkte dierlijke eiwitten aan bepaalde landbouwhuisdieren, dat bij beschikking 2000/766 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten is ingesteld, moeten artikel 2, lid 2, eerste streepje, van deze beschikking, waarin het gebruik van vismeel in het voer van andere dieren dan herkauwers onder bepaalde voorwaarden van dit verbod wordt uitgesloten, en artikel 1, lid 1, van beschikking 2001/9 betreffende controlemaatregelen voor de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/766, dat de voorwaarden voor deze uitsluiting vaststelt, in samenhang met de gemeenschapsrechtelijke bepalingen waarop zij zijn gebaseerd, aldus worden uitgelegd dat zij niet toestaan dat voor dit doel gebruikt vismeel – zelfs toevallig – andere niet-toegelaten stoffen bevat, en dat de marktdeelnemer geen recht heeft op enige tolerantiemarge.
Nu deze beschikkingen zijn vastgesteld in het kader van de bestrijding van de overdraagbare spongiforme encefalopathieën, die, zoals door de wetenschappers algemeen wordt aangenomen, hoofdzakelijk door inname van voedsel dat prions bevat, worden overgedragen, en nu niet precies kan worden vastgesteld welke minimumdosis besmet materiaal de ziekte bij de mens kan veroorzaken, en gelet op artikel 152 EG en op het doel van deze beschikkingen op het vlak van de volksgezondheid, moeten zij ruim worden uitgelegd, en moet de daarin voor vismeel gemaakte uitzondering restrictief worden uitgelegd.
(cf. punten 41, 43‑44, 46, 56, dictum 1)
4. In het kader van beschikking 2000/766 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten, en van beschikking 2001/9 betreffende controlemaatregelen voor de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/766, kan de vernietiging van de partijen vismeel die voor het vervoederen aan andere dieren dan herkauwers wordt gebruikt, indien deze partijen door de aanwezigheid van andere niet‑toegelaten stoffen zijn verontreinigd, niet als een sanctie worden beschouwd, maar moet zij worden beschouwd als een preventieve maatregel zoals voorzien in artikel 3, lid 2, van beschikking 2000/766, dat de lidstaten in dit opzicht geen beoordelingsmarge laat. Een verontreinigde partij moet immers als ongeschikt voor consumptie worden beschouwd en moet eventueel worden vernietigd, waarbij alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om milieuverontreiniging te voorkomen.
(cf. punten 54‑56, dictum 1)
5. Krachtens artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) staat het aan de overeenkomstsluitende partijen om, bij het ontbreken van harmonisatie en gelet op de onzekerheid die bij de actuele stand van het wetenschappelijk onderzoek nog bestaat, te beslissen in welke mate zij de gezondheid van personen willen beschermen, rekening houdend met de fundamentele eisen van het recht van de EER, en met name van het vrije verkeer van goederen binnen deze ruimte. Een beslissing inzake het beheersen van het risico behoort tot de bevoegdheid van iedere overeenkomstsluitende partij, die zelf bepaalt welk risiconiveau zij gepast acht. Onder die voorwaarden kan een overeenkomstsluitende partij zich beroepen op het voorzorgsbeginsel, volgens hetwelk het volstaat te bewijzen dat er relevante wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het betrokken risico. Deze beoordelingsvrijheid kan echter door de rechter worden getoetst. De door een overeenkomstsluitende partij getroffen maatregelen moeten op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd; zij moeten evenredig zijn, niet‑discriminerend, transparant en coherent ten opzichte van reeds getroffen gelijksoortige maatregelen.
In dit verband passen de maatregelen die zijn getroffen bij beschikking 2000/766 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten, en bij beschikking 2001/9 betreffende controlemaatregelen voor de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/766, die voorzien in uitzonderingen op het vrije verkeer van goederen voorzover zij verschillende verboden met betrekking tot dierlijke eiwitten bevatten, in het kader van een coherente regelgeving die de bestrijding van deze encefalopathieën tot doel heeft. Zij zijn vastgesteld op aanbeveling van deskundigen die over relevante wetenschappelijke gegevens beschikken, en zij zijn zonder onderscheid van toepassing op al het vismeel dat in de Europese Gemeenschap kan worden gebruikt. Daaruit volgt dat deze maatregelen geen inbreuk maken op het evenredigheidsbeginsel in het recht van de EER en dat zij gerechtvaardigd zijn uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van personen en dieren in de zin van artikel 13 van de EER‑Overeenkomst.
(cf. punten 57‑59, 61‑62, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 1 april 2004(1)
„Landbouw – Veterinairrechtelijke voorschriften – Beschermingsmaatregelen tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Vervoederen van dierlijke eiwitten”
en
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bellio F.lli Srl, vertegenwoordigd door F. Capelli; de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door P. Palmieri; Ierland, vertegenwoordigd door D. C. Smyth, BL; het Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door A. Enersen, en de Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, ter terechtzitting van 4 december 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 januari 2004,
het navolgende
GS-post Omschrijving
[...] 2301 [...] [...] Meel, poeder en pellets van vlees, van slachtafvallen, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren, ongeschikt voor menselijke consumptie; kanen [...]
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
Rosas Schintgen Colneric
De griffier De president van de Derde kamer
R. Grass A. Rosas
1 – Procestaal: Italiaans.