HvJ EU 13 februari 2003, C-131/01, ECLI:EU:C:2003:96

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1. Vrij verrichten van diensten - Verdragsbepalingen - Werkingssfeer - Tijdelijk karakter van verrichte werkzaamheden - Criteria - Octrooigemachtigden

(Art. 50, derde alinea, EG)

2. Vrij verrichten van diensten - Beperkingen - Octrooigemachtigden - Vereiste van inschrijving in beroepsregister - Vereiste van verblijfplaats of beroepswoonplaats - Ontoelaatbaarheid

(Art. 49 EG-55 EG)

Samenvatting

$$1. Het tijdelijk" karakter van de uitoefening van dienstverrichting in de lidstaat van ontvangst, in de zin van artikel 50, derde alinea, EG, moet niet alleen aan de hand van de duur van de dienst worden beoordeeld, doch tevens aan de hand van de frequentie, de periodiciteit of de continuïteit ervan en het begrip vestiging" in de zin van het Verdrag houdt in dat een gemeenschapsonderdaan duurzaam kan deelnemen aan het economisch leven van een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst.

Het doorslaggevende criterium voor de toepassing van het hoofdstuk Diensten" van het Verdrag op een economische activiteit, is derhalve de omstandigheid dat de betrokkene niet duurzaam deelneemt aan het economisch leven van de ontvangende lidstaat.

In dit opzicht kan de activiteit van octrooigemachtigden binnen de werkingssfeer van de verdragsbepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten vallen.

( cf. punten 22-23, 25 )

2. Door een regeling te handhaven volgens welke in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden moeten zijn ingeschreven op de nationale lijst van octrooigemachtigden en op zijn grondgebied een verblijfplaats of beroepswoonplaats moeten hebben om diensten te kunnen verrichten bij het nationale octrooibureau, voldoet een lidstaat niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 49 EG tot en met 55 EG.

( cf. punt 48 en dictum )

Partijen

In zaak C-131/01,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Mongin en R. Amorosi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door een regeling te handhaven volgens welke in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden moeten zijn ingeschreven op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden en in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats moeten hebben om diensten te kunnen verrichten bij het Italiaanse octrooibureau, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 49 EG tot en met 55 EG, betreffende het vrij verrichten van diensten,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, R. Schintgen, C. Gulmann, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: R. Grass,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 maart 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG een beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door een regeling te handhaven volgens welke in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden moeten zijn ingeschreven op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden en in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats moeten hebben om diensten te kunnen verrichten bij het Italiaanse octrooibureau, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 49 EG tot en met 55 EG, betreffende het vrij verrichten van diensten.

De nationale regeling

2 Artikel 94 van het regio decreto (koninklijk besluit) nr. 1127 van 29 juni 1939 houdende wettelijke bepalingen inzake uitvindingsoctrooien (GURI nr. 215 van 7 augustus 1979, blz. 6597), in de versie van het decreto del presidente della Repubblica (besluit van de president van de Republiek) nr. 338 van 22 juni 1979 houdende herziening van de nationale wetgeving inzake octrooien krachtens delegatiewet nr. 260 van 26 mei 1978 (hierna: besluit nr. 1127/39") bepaalt:

Niemand is verplicht zich in de procedures voor het Centraal octrooibureau te laten vertegenwoordigen door een erkende gemachtigde; natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen optreden door één van hun werknemers, zelfs al is deze niet erkend.

De machtiging kan alleen worden verleend aan personen waarvan de naam voorkomt op de daartoe door het Bureau bijgehouden lijst.

De machtiging kan bovendien worden verleend aan een advocaat of aan een procureur, die is ingeschreven bij zijn respectieve beroepsorde."

3 Artikel 2 van het decreto ministeriale (ministerieel besluit) nr. 342 van 30 mei 1995 houdende regeling van de organisatie van het beroep van gemachtigde inzake industriële eigendom en het bijhouden van de desbetreffende lijst (GURI nr. 192 van 18 augustus 1995; blz. 15; hierna: besluit nr. 342/95") onderwerpt de inschrijving op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden aan de volgende voorwaarden:

Kan ingeschreven worden op de lijst van erkende gemachtigden inzake industriële eigendom, elke natuurlijke persoon die:

[...]

c) zijn verblijfplaats of een beroepswoonplaats in Italië heeft, tenzij hij de nationaliteit heeft van een staat die de inschrijving van Italiaanse onderdanen op zijn nationale lijst toestaat zonder een dergelijke voorwaarde te stellen;

d) is geslaagd voor het habiliteitsexamen bedoeld in artikel 6 of voor de bekwaamheidstest voor gemachtigden inzake industriële eigendom bedoeld in artikel 6, lid 2, van het decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 115 van 27 januari 1992."

4 Artikel 6, lid 2, van het decreto legislativo nr. 115 van de Italiaanse Republiek van 27 januari 1992 houdende uitvoering van richtlijn 89/48/EEG betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (GURI nr. 40 van 18 februari 1992, blz. 6; hierna: decreto legislativo nr. 115/92") bepaalt:

De erkenning [van in de Europese Gemeenschap behaalde beroepsopleidingstitels] is afhankelijk van het slagen voor een bekwaamheidstest voor het beroep van advocaat, accountant en gemachtigde inzake industriële eigendom."

5 Artikel 13, lid 1, van decreto legislativo nr. 115/92 bepaalt: Het besluit houdende erkenning van de beroepsopleidingstitel verleent de betrokkene toegang tot het beroep en geeft hem het recht het beroep uit te oefenen, met inachtneming van alle andere door de geldende wetgeving aan de Italiaanse onderdanen opgelegde voorwaarden, dan de vereisten inzake opleiding en beroepskwalificaties."

De precontentieuze procedure

6 Bij aanmaningsbrief van 29 juli 1998 deelde de Commissie de Italiaanse regering mee dat zij van oordeel was dat artikel 94 van besluit nr. 1127/39 en artikel 2 van besluit nr. 342/95 onverenigbaar waren met de artikelen 49 EG tot en met 55 EG en nodigde zij haar uit haar opmerkingen hierover te maken.

7 Volgens de Commissie is het overdreven om van octrooigemachtigden die gevestigd zijn in andere lidstaten, waar zij hun beroep wettig uitoefenen, te eisen dat zij zich, na het slagen voor een bekwaamheidstest, op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden laten inschrijven en dat zij in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats verwerven, zelfs wanneer hun optreden voor het Italiaanse octrooibureau eenmalig of incidenteel is. Deze vereisten zijn niet gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en zijn evenmin evenredig met het nagestreefde doel, zodat zij een ongeoorloofde belemmering van het vrij verrichten van diensten vormen.

8 Aangezien de Commissie het antwoord van de Italiaanse autoriteiten niet toereikend vond, stuurde zij hen op 4 augustus 1999 een aanvullende aanmaningsbrief waarin zij haar grieven herhaalde en daaraan toevoegde dat artikel 6, lid 2, en artikel 13, lid 1, van decreto legislativo nr. 115/92 strijdig zijn met richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB L 19, blz. 16) voorzover zij de uitoefening van het beroep van octrooigemachtigde, zelfs als dit slechts sporadisch en onregelmatig gebeurt, laten afhangen van het slagen voor een bekwaamheidstest.

9 In hun antwoord van 12 oktober 1999 stelden de Italiaanse autoriteiten dat er geen sprake was van niet-nakoming.

10 Op 17 februari 2000 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit waarin zij de Italiaanse Republiek verzocht binnen twee maanden na kennisgeving van het advies de nodige maatregelen te treffen om zich daarnaar te voegen.

11 Bij brief van 14 november 2000 deelden de Italiaanse autoriteiten de Commissie mee dat zij bij hun standpunt bleven. Zij stelden met name dat de in decreto legislativo nr. 115/92 voorziene bekwaamheidstest in overeenstemming was met artikel 4, lid 1, laatste zin, van richtlijn 89/48 en met name gerechtvaardigd was om elke vorm van discriminatie van Italiaanse octrooigemachtigden te vermijden.

12 Omdat zij niet tevreden was over het antwoord van de Italiaanse regering, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

Het beroep

De verplichte inschrijving op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden

Argumenten van partijen

13 De Commissie stelt dat de Italiaanse regeling van verplichte inschrijving op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden de octrooigemachtigden die hun beroep rechtmatig uitoefenen in een andere lidstaat, waar zij zijn gevestigd, belet voor rekening van hun cliënten incidenteel en tijdelijk als gemachtigde voor het Italiaans octrooibureau op te treden wanneer zij niet op de betrokken lijst zijn ingeschreven.

14 De Commissie is immers van oordeel dat de Italiaanse Republiek weliswaar de regels kan vaststellen die van toepassing zijn op de octrooigemachtigden die zich op haar grondgebied vestigen, maar dat de toepassing van dezelfde regels op in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden die in Italië een incidentele en tijdelijke dienst willen verrichten en waarvan het beroep al is gereglementeerd in de lidstaat van herkomst, een belemmering van het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 49 EG vormt.

15 De Commissie herinnert eraan dat volgens de rechtspraak van het Hof het beginsel van het vrij verrichten van diensten slechts kan worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in het algemeen belang voorzover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd. Bovendien moeten dergelijke beperkingen objectief noodzakelijk zijn om de naleving van de beroepsregels te waarborgen en de bescherming te verzekeren van de belangen met het oog waarop deze zijn vastgesteld. Het staat aan de betrokken lidstaat de noodzaak en de evenredigheid van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten aan te tonen. In dit geval is dat echter niet gebeurd.

16 De Italiaanse regering betoogt primair dat de vertegenwoordiging van uitvinders bij een nationaal octrooibureau van nature geen incidentele noch tijdelijke activiteit in de zin van artikel 50 EG is, zodat die activiteit van de octrooigemachtigden niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrij verrichten van diensten valt.

17 Het depot en de inschrijving van een uitvinding zijn immers geen eenmalig optreden, maar een activiteit die zich uitstrekt over een lange periode. Deze activiteit impliceert permanent contact met het betrokken bureau gedurende de hele beoordelingsperiode (ophelderingsverzoeken van het bureau, indiening van repliek, wijziging van de aanvraag, enz.) die wordt afgesloten met het besluit tot toekenning of weigering van het octrooi. Zo strekt de vertegenwoordiging zich uit over meerdere jaren.

18 Volgens de Italiaanse regering is het onredelijk te denken dat een uitvinder zich enkel en alleen voor de indiening van een octrooiaanvraag tot een octrooigemachtigde zal wenden en daarna zelf de daaraanvolgende onderzoeksprocedure, die een maximum aan beroepskennis vereist, zal volgen of door een andere octrooigemachtigde zal laten volgen. Het gaat in werkelijkheid om een complexe verrichting, die veelvuldige, regelmatige en continue handelingen met zich meebrengt.

19 De Italiaanse regering betoogt dat, zelfs al zou de betrokken activiteit tijdelijk kunnen worden uitgeoefend in de zin van artikel 50 EG, de verplichte inschrijving op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden, die afhankelijk is van het slagen voor een examen, het algemeen belang van bescherming van de belangen van de ontvangers van de betrokken diensten dient.

20 Enerzijds zouden de bevoegde Italiaanse autoriteiten immers, zonder een systematische inschrijving op de betrokken lijst, het incidentele karakter van de door de in een andere lidstaat gevestigde octrooigemachtigde uitgeoefende activiteit niet kunnen controleren, gezien het aantal aan het Italiaans octrooibureau gerichte aanvragen. Bovendien zou, indien in een specifiek geval een controle zou worden uitgeoefend, de houder van de uitvinding het risico lopen dat zijn aanvraag wordt geannuleerd, wat zijn belangen ernstig zou schaden. Anderzijds maakt de betrokken Italiaanse regeling het mogelijk, controle uit te oefenen op de vakbekwaamheid van de octrooigemachtigden, teneinde de ontvangers van de door hen verleende diensten te beschermen tegen schade die zou kunnen voortvloeien uit de juridische adviezen van personen die niet over de vereiste professionele of morele kwalificaties beschikken.

Beoordeling door het Hof

21 Allereerst dient te worden nagegaan of de stelling van de Italiaanse regering dat de activiteit van octrooigemachtigden niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van het Verdrag inzake het vrij verrichten van diensten valt omdat zij niet tijdelijk" kan worden uitgeoefend in de lidstaat waar de dienst wordt verleend, gegrond is.

22 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het tijdelijk" karakter van de uitoefening van een werkzaamheid in de lidstaat van ontvangst, in de zin van artikel 50, derde alinea, EG, niet alleen aan de hand van de duur van de dienst moet worden beoordeeld, doch tevens aan de hand van de frequentie, de periodiciteit of de continuïteit ervan en dat het begrip vestiging" in de zin van het Verdrag inhoudt dat een gemeenschapsonderdaan duurzaam kan deelnemen aan het economisch leven van een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst (arrest van 30 november 1995, Gebhard, C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punten 25 en 27).

23 Het doorslaggevende criterium voor de toepassing van het hoofdstuk Diensten" van het Verdrag op een economische activiteit, is de omstandigheid dat de betrokkene niet duurzaam deelneemt aan het economisch leven van de ontvangende lidstaat.

24 Hoewel de vertegenwoordiging voor een nationaal octrooibureau, die met name bestaat in de indiening en de opvolging van de octrooiaanvragen, en de bescherming van de octrooien, een aantal verrichtingen omvat die zich uitstrekken in de tijd, moet deze activiteit van de octrooigemachtigde daarom nog niet noodzakelijk als een duurzame deelname aan het economisch leven van de ontvangende lidstaat worden beschouwd. Bovendien belet niets dat een beroep wordt gedaan op een octrooigemachtigde voor één enkele of meer specifieke handelingen die verband houden met de uitoefening van de betrokken activiteit. De nadelen die zoiets volgens de Italiaanse regering met zich mee zou brengen, zijn niet relevant om de betrokken activiteit in de ontvangende lidstaat voor de toepassing van het gemeenschapsrecht als het verlenen van diensten te kwalificeren.

25 De activiteit van octrooigemachtigden kan bijgevolg binnen de werkingssfeer van de verdragsbepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten vallen.

26 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist artikel 49 EG bovendien niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens de opheffing van iedere beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (zie met name arrest van 3 oktober 2000, Corsten, C-58/98, Jurispr. blz. I-7919, punt 33).

27 De verplichting voor in een andere lidstaat dan de Italiaanse Republiek gevestigde octrooigemachtigden die in laatstgenoemde staat een dienst willen verrichten, zich te laten inschrijven op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden, vormt een beperking in de zin van artikel 49 EG (zie in deze zin met name arrest Corsten, reeds aangehaald, punt 34).

28 Zelfs bij gebreke van harmonisatie ter zake kan een dergelijke beperking van het grondbeginsel van het vrij verrichten van diensten slechts worden gerechtvaardigd door regelingen die hun grondslag vinden in dwingende redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de betrokken lidstaat werkzaam is, voorzover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd (zie met name arrest Corsten, reeds aangehaald, punt 35).

29 De betrokken Italiaanse regeling beoogt de kwaliteit van de door de octrooigemachtigden verrichte diensten te garanderen en de ontvangers van die diensten te beschermen. Ook al zijn dergelijke doelstellingen dwingende redenen van algemeen belang die het beperken van het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen, dan nog moet overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de toepassing van de nationale regelingen van een lidstaat op in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en mag zij niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel (zie met name arrest van 25 juli 1991, Säger, C-76/90, Jurispr. blz. I-4221, punten 15-17, en arrest Corsten, reeds aangehaald, punten 38 en 39).

30 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, wordt bij de beroepsbekwaamheidstest waarvoor octrooigemachtigden moeten slagen om zich op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden te kunnen laten inschrijven, echter geen onderscheid gemaakt tussen dienstverrichters waarvan de bekwaamheid en de professionele kwaliteiten in de lidstaat van herkomst werden gecontroleerd, en dienstverrichters waarvoor dit niet het geval was.

31 Bovendien hadden, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, andere, minder ingrijpende maatregelen kunnen worden genomen om de door de Italiaanse Republiek rechtmatig nagestreefde doelen te verwezenlijken.

32 Bijgevolg gaat de betrokken Italiaanse regeling verder dan nodig is om dergelijke doelen te bereiken, ook al is zij van toepassing ongeacht de nationaliteit van de dienstverstrekkers en lijkt zij geschikt om de ontvangers van de diensten te beschermen.

33 Onder die omstandigheden is de eerste grief gegrond.

De verplichte verblijfplaats of beroepswoonplaats in Italië

Argumenten van partijen

34 De Commissie betoogt dat artikel 2 van besluit nr. 342/95 een ongeoorloofde belemmering van het beginsel van het vrij verrichten van diensten vormt, voorzover het voor de inschrijving op de lijst van octrooigemachtigden die hun beroep in Italië mogen uitoefenen, de verplichting oplegt in dat land een verblijfplaats of beroepswoonplaats te hebben, behalve voor de onderdanen van staten die de inschrijving van Italiaanse onderdanen op hun eigen lijsten toestaan zonder deze voorwaarde te stellen.

35 Enerzijds wordt de in een andere lidstaat gevestigde octrooigemachtigde ervan weerhouden in Italië incidentele diensten te verrichten, aangezien hij daarvoor moeilijk een permanente beroepsinfrastructuur kan opzetten in de lidstaat van ontvangst. Geen enkel van de door de Italiaanse regering aangevoerde argumenten kan een dergelijke beperking van het vrij verrichten van diensten rechtvaardigen.

36 Anderzijds is de voorwaarde van wederkerigheid, waaronder de Italiaanse Republiek bereid is het gemeenschapsrecht na te leven in haar betrekkingen met de lidstaten die geen gelijkaardige verplichting van verblijfplaats hebben, naar gemeenschapsrecht onaanvaardbaar (zie met name arresten van 25 september 1979, Commissie/Frankrijk, C-232/78, Jurispr. blz. 2729, en 6 juni 1996, Commissie/Italië, C-101/94, Jurispr. blz. I-2691).

37 De Italiaanse regering betoogt dat de verplichting in Italië domicilie te kiezen, is opgelegd om, overeenkomstig de nationale regeling, de territoriaal bevoegde rechtbank aan te wijzen in geval van geschillen tussen een partij die de nietig- of de ongeldigverklaring van het octrooi vordert, en de titularis van het octrooi en/of de licentiehouders en/of de rechtsopvolgers. Deze verplichting is niet alleen geoorloofd, zij is zelfs conform het algemeen belang inzake de rechterlijke organisatie.

38 De Italiaanse regering preciseert dat aan de verplichting een beroepswoonplaats in Italië aan te geven, is voldaan door de vermelding van een dienstadres op het grondgebied van dat land, zonder dat het overbrengen van de woonplaats of het opzetten van infrastructuur in Italië is vereist. Het vereiste een dienstadres te hebben, is gezien de minimale en economisch onbeduidende kosten, volkomen gerechtvaardigd en evenredig met de dwingende redenen van algemeen belang inzake de bescherming van de ontvangers van de diensten en de goede werking van de rechterlijke organisatie.

39 Ten slotte betoogt de Italiaanse regering, wat de wederkerigheidsvoorwaarde betreft, dat deze moet worden opgevat als een uiting van de wil van de Italiaanse wetgever om te anticiperen op toekomstige situaties waarin overeenkomsten met derde landen of gemeenschapsregels en overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen zouden toestaan deze aangelegenheid op een verschillende manier te regelen. De Italiaanse regering is van oordeel dat het hier in feite om een marginaal punt gaat, maar is niettemin bereid de betrokken voorwaarde te wijzigen.

Beoordeling door het Hof

40 Vooraf zij erop gewezen dat volgens de tekst zelf van artikel 2 van besluit nr. 342/95 alleen een natuurlijke persoon die zijn verblijfplaats of een beroepswoonplaats in Italië" heeft, op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden kan worden ingeschreven, tenzij hij de nationaliteit heeft van een staat die de inschrijving van Italiaanse onderdanen op zijn nationale lijst toestaat zonder een dergelijke voorwaarde te stellen.

41 Het betoog van de Italiaanse regering, dat de inschrijving op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden alleen het bestaan van een dienstadres in Italië veronderstelt, kan dan ook niet worden aanvaard.

42 Wat de verplichting tot het hebben van een verblijfplaats of een beroepswoonplaats in de zin van artikel 2 van besluit nr. 342/95 betreft, moet worden vastgesteld dat het vereiste dat een reeds in een andere lidstaat gevestigde en erkende octrooigemachtigde een vaste verblijfplaats of beroepswoonplaats heeft in de lidstaat van ontvangst, een beperking van het vrij verrichten van diensten vormt (zie in die zin met name arrest van 4 december 1986, Commissie/Denemarken, 252/83, Jurispr. blz. 3713, punt 18).

43 Een dergelijk vereiste is derhalve alleen verenigbaar te achten met de artikelen 49 EG en 50 EG indien er op het gebied van de hier bedoelde werkzaamheid dwingende redenen van algemeen belang bestaan die beperkingen van het vrij verrichten van diensten rechtvaardigen, indien dat belang niet reeds wordt gewaarborgd door de regels van de staat van vestiging en indien hetzelfde resultaat niet door minder beperkende voorschriften kan worden bereikt (zie met name arrest Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, punt 19).

44 De noodzaak om in geval van geschillen over een in Italië ingeschreven octrooi de territoriaal bevoegde rechtbank aan te wijzen alsook de zorg voor het goede verloop van de procedure, kunnen worden ingeroepen als dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen.

45 Het vereiste in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats te hebben, gaat evenwel in elk geval verder dan nodig is om deze doelen te bereiken, aangezien de Italiaanse Republiek die doelen met minder ingrijpende maatregelen had kunnen bereiken.

46 Wat de eveneens in artikel 2 van besluit nr. 342/95 gestelde wederkerigheidsvoorwaarde betreft, waarvan niet is aangetoond dat zij niet geldt voor de in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters, volstaat de opmerking dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (zie arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 9; arrest van 14 februari 1984, Commissie/Duitsland, 325/82, Jurispr. blz. 777, punt 11, en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 27) een lidstaat zich niet op schending van het wederkerigheidsbeginsel kan beroepen en geen eventuele verdragsschending door een andere lidstaat kan aanvoeren ter rechtvaardiging van het feit dat hijzelf zijn verdragsverplichtingen niet is nagekomen.

47 Bijgevolg is ook de tweede grief gegrond.

48 Onder die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door een regeling te handhaven volgens welke in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden moeten zijn ingeschreven op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden en in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats moeten hebben om diensten te kunnen verrichten bij het Italiaanse octrooibureau, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 49 EG tot en met 55 EG.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

49 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, vaststaat:

1) Door een regeling te handhaven volgens welke in andere lidstaten gevestigde octrooigemachtigden moeten zijn ingeschreven op de Italiaanse lijst van octrooigemachtigden en in Italië een verblijfplaats of beroepswoonplaats moeten hebben om diensten te kunnen verrichten bij het Italiaanse octrooibureau, heeft de Italiaanse Republiek niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 49 EG tot en met 55 EG.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

Aangehaald in