HvJ EU 25 september 2003, C-58/01, ECLI:EU:C:2003:495

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

«Richtlijn 90/435/EEG – Vennootschapsbelasting – Moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten – Begrip bronbelasting»

Conclusie van advocaat-generaal A. Tizzano van 23 januari 2003 I - 0000

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 25 september 2003 I - 0000

Samenvatting van het arrest

1.. Harmonisatie van wetgevingen – Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten – Richtlijn 90/435 – Vrijstelling, in lidstaat van dochteronderneming, van bronbelasting op winstuitkeringen aan moedermaatschappij – Begrip bronbelasting – Belasting bedoeld in overeenkomst inzake dubbele belasting (Richtlijn 90/435 van de Raad, art. 5, lid 1)

2.. Harmonisatie van wetgevingen – Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten – Richtlijn 90/435 – Vrijstelling, in lidstaat van dochteronderneming, van bronbelasting op winstuitkeringen aan moedermaatschappij – Uitzondering voor nationale of verdragsbepalingen gericht op afschaffing of vermindering van dubbele economische belasting van dividenden – Belasting bedoeld in overeenkomst inzake dubbele belasting (Richtlijn 90/435 van de Raad, art. 5, lid 1, en 7, lid 2)

3.. Harmonisatie van wetgevingen – Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten – Richtlijn 90/435 – Nationale of verdragsbepalingen gericht op afschaffing of vermindering van dubbele economische belasting van dividenden – Nakoming van motiveringsplicht en van verplichting tot raadpleging van Parlement en Economisch en Sociaal Comité (Art. 94 EG en 253 EG; richtlijn 90/435 van de Raad, art. 7, lid 2)

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 25 september 2003 (1)

„Richtlijn 90/435/EEG – Vennootschapsbelasting – Moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten – Begrip bronbelasting”

en

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Océ van der Grinten NV, vertegenwoordigd door G. Aaronson en M. Barnes; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Ormond als gemachtigde, bijgestaan door L. Henderson en M. Hoskins, barrister; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. De Bellis, en de Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal, ter terechtzitting van 3 oktober 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 2003,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

Wathelet Edward La Pergola

Jann Rosas

De griffier De president van de Vijfde kamer

R. Grass M. Wathelet

1 – Procestaal: Engels.

Aangehaald in