HvJ EU 19 juni 2003, C-110/01, ECLI:EU:C:2003:357

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

«Richtlijn 93/16/EEG – Vrij verkeer van artsen en onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels – Artikel 23, lid 2 – Opleidingsvoorwaarden – Opleidingsduur – Inaanmerkingneming van perioden van in derde land gevolgde opleiding – Artikel 9, lid 5 – Verklaring waaruit blijkt dat diploma opleiding afsluit die aan voorwaarden voldoet – Heronderzoek van opleidingsvoorwaarden door ontvangende lidstaat voor erkenning van diploma»

Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 6 juni 2002

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 19 juni 2003

Samenvatting van het arrest

Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Artsen – Erkenning van diploma's en titels – Richtlijn 93/16 – Minimumvereisten voor medische opleiding – Opleiding gevolgd in derde land – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Verklaring behorend bij diploma dat niet overeenkomt met in richtlijn voorkomende benamingen – Beoordelingsvrijheid van autoriteiten van lidstaat van ontvangst – Daarvan uitgesloten – Mogelijkheid om autoriteiten van lidstaat van afgifte van diploma verzoek tot verificatie voor te leggen – Voorwaarden (Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 9, lid 5, en 23, lid 2)

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 19 juni 2003 (1)

„Richtlijn 93/16/EEG – Vrij verkeer van artsen en onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels – Artikel 23, lid 2 – Opleidingsvoorwaarden – Opleidingsduur – Inaanmerkingneming van perioden van in derde land gevolgde opleiding – Artikel 9, lid 5 – Verklaring waaruit blijkt dat diploma opleiding afsluit die aan voorwaarden voldoet – Heronderzoek van opleidingsvoorwaarden door ontvangende lidstaat voor erkenning van diploma”

In zaak C-110/01,

en

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van M. Tennah-Durez, vertegenwoordigd door S. Mandelkern; de Conseil national de l'ordre des médecins, vertegenwoordigd door J. Barthélemy; de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Bergeot-Nunes; de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Lewis, barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia, ter terechtzitting van 5 maart 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2002,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

Timmermans Edward Jann

von Bahr Rosas

De griffier De president van de Vijfde kamer

R. Grass M. Wathelet

1 – Procestaal: Frans.

Aangehaald in