HvJ EU 4 maart 1999, C-258/97, ECLI:EU:C:1999:118
Tekst
Trefwoorden
1 Harmonisatie van wetgevingen - Beroepsprocedures inzake plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor uitvoering van werken - Richtlijn 89/665 - Instanties verantwoordelijk voor beroepsprocedures - Toepasselijkheid van garantiebepalingen van artikel 2, lid 8, tweede alinea, van richtlijn - Voorwaarden - Rechterlijke instanties - Niet-toepasselijkheid
(Richtlijn 89/665 van de Raad, art. 2, lid 8, tweede alinea)
2 Harmonisatie van wetgevingen - Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening - Richtlijn 92/50 - Bepaling die lidstaten verplicht tot instelling van beroepsinstanties - Geen omzetting - Gevolgen - Mogelijkheid voor beroepsinstanties die bevoegd zijn ter zake van overheidsopdrachten voor uitvoering van werken en voor leveringen, tevens kennis te nemen van beroepen in sector dienstverlening - Niet-dwingend gevolg - Verplichting van nationale rechterlijke instanties na te gaan of beroep kan worden ingesteld op basis van geldend nationaal recht
(Richtlijnen van de Raad 89/665, art. 2, lid 8, en 92/50, art. 41)
3 Harmonisatie van wetgevingen - Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening - Richtlijn 92/50 - Werkingssfeer - Technische diensten, die werkzaamheden inzake planning, advisering en studie voor functioneren van ziekenhuis omvatten - Daaronder begrepen - Indeling in categorie 12 van bijlage IA
(Richtlijn 92/50 van de Raad, bijlage IA)
4 Harmonisatie van wetgevingen - Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening - Richtlijn 92/50 - Rechtstreekse werking
(Richtlijn 92/50 van de Raad)
Samenvatting
1 De voorwaarden gesteld in artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, gelden niet voor instanties waarvan de samenstelling en werking worden geregeld door voorschriften als die welke kenmerkend zijn voor de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten (onafhankelijk bestuursorgaan dat tot taak heeft de wettigheid van de bestuurshandelingen van de deelstaat Karinthië te toetsen), die, aangezien zij alle vereiste kenmerken bezit om als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag te kunnen worden beschouwd, een voor de beroepsprocedures verantwoordelijke rechterlijke instantie is.
2 Noch artikel 2, lid 8, noch de andere bepalingen van richtlijn 89/665 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, kunnen aldus worden uitgelegd, dat bij gebreke van omzetting, bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, van richtlijn 92/50 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, de krachtens artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 opgerichte beroepsinstanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, tevens bevoegd zijn kennis te nemen van beroepen betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening.
De vereisten inzake een met richtlijn 92/50 strokende uitlegging van het nationale recht en een effectieve bescherming van de rechten van de justitiabelen gebieden de nationale rechter evenwel, na te gaan of aan de desbetreffende bepalingen van nationaal recht voor de justitiabelen een recht van beroep ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening kan worden ontleend. Daartoe dient de nationale rechter in het bijzonder na te gaan, of dit recht van beroep voor dezelfde instanties kan worden uitgeoefend als die welke zijn voorzien ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken.
3 Diensten die een aantal technische diensten, waaronder werkzaamheden inzake planning, advisering en studie voor verschillende medische installaties, omvatten en die betrekking hebben op werkzaamheden inzake de uitwerking en uitvoering van projecten voor de bouw van een kinderkliniek in een ziekenhuis en de bijbehorende medische installaties, vallen onder categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening.
4 Op de bepalingen van de titels I en II van richtlijn 92/50 kan door particulieren rechtstreeks beroep worden gedaan voor de nationale rechter. De bepalingen van de titels III tot en met VI kunnen door een particulier eveneens voor de nationale rechter worden ingeroepen, voor zover bij individueel onderzoek van de bewoordingen ervan blijkt dat zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.
De gedetailleerde bepalingen van de titels III tot met VI van de richtlijn, betreffende de keuze van de procedure voor het plaatsen van de opdracht en de regels inzake prijsvragen voor ontwerpen, de gemeenschappelijke regels op technisch gebied en voor de bekendmaking, alsmede die inzake de deelneming, de criteria voor de kwalitatieve selectie en de gunningscriteria, zijn namelijk, behoudens uit de bewoordingen ervan voortvloeiende uitzonderingen en nuances, onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig om door de inschrijvers voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen.
Partijen
In zaak C-258/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Hospital Ingenieure Krankenhaustechnik Planungs-Gesellschaft mbH (HI)
en
Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33), en van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn (rapporteur), kamerpresident, G. Hirsch, J. L. Murray, H. Ragnemalm en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: A. Saggio
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Hospital Ingenieure Krankenhaustechnik Planungs-Gesellschaft mbH (HI), vertegenwoordigd door R. Kurbos, advocaat te Graz,
- Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft, vertegenwoordigd door K. Messiner en U. Messiner, advocaten te Klagenfurt,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Sektionschef bij het Bundeskanzleramt, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, en C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft, vertegenwoordigd door K. Messiner en G. Maderthaner, directeur van de juridische dienst; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door M. Fruhmann, van het Bundeskanzleramt, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Lier en C. Schmidt, ter terechtzitting van 17 juni 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 8 juli 1997, ingekomen bij het Hof op 17 juli daaraanvolgend, heeft de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33), en van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Hospital Ingenieure Krankenhaustechnik Planungs-Gesellschaft mbH (HI) (hierna: "verzoekster") en de Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft (beheersmaatschappij van de ziekenhuizen van de deelstaat; hierna: "verweerster") over de gunning van een opdracht voor dienstverlening betreffende het project voor de bouw van een kinderziekenhuis te Klagenfurt.
Gemeenschapsrecht
3 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij artikel 41 van richtlijn 92/50, luidt:
"De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wat betreft de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijnen 71/305/EEG, 77/62/EEG en 92/50/EEG, tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, met name artikel 2, lid 7, op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn."
4 Artikel 1, leden 2 en 3, van richtlijn 89/665 bepaalt:
"2. De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die een eis wegens in het kader van een gunningsprocedure geleden schade willen indienen, niet worden gediscrimineerd op grond van het in deze richtlijn gemaakte onderscheid tussen nationale voorschriften waarin het gemeenschapsrecht is omgezet, en andere nationale voorschriften.
3. De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de lidstaten kunnen bepalen, althans toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht voor leveringen of voor de uitvoering van werken en die door een beweerde schending is of dreigt te worden gelaedeerd. Met name kunnen de lidstaten verlangen dat degene die van deze procedure gebruik wenst te maken, de aanbestedende dienst vooraf in kennis heeft gesteld van de beweerde schending en van zijn voornemen om beroep in te stellen."
5 Artikel 2 van die richtlijn bepaalt:
"1. De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende het in artikel 1 bedoelde beroep de nodige bevoegdheden behelzen om:
a) zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde schending ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, op te schorten c.q. te doen opschorten;
b) onwettige besluiten nietig te verklaren c.q. nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in oproepen tot inschrijving, bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de aanbestedingsprocedure;
c) schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een schending zijn gelaedeerd.
(...)
7. De lidstaten zorgen ervoor dat de besluiten van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de beroepsprocedures, op doeltreffende wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd.
8. Wanneer de voor de beroepsprocedures verantwoordelijke instanties geen gerechten zijn, moeten hun beslissingen steeds schriftelijk met redenen worden omkleed. Bovendien moeten in dat geval procedures worden gewaarborgd waarmee tegen de door de bevoegde basisinstantie genomen vermoede onwettige maatregelen of vermoede tekortkomingen bij de uitoefening van de haar opgedragen bevoegdheden, beroep kan worden ingesteld bij een rechter of bij een andere instantie die een gerecht is in de zin van artikel 177 van het Verdrag en onafhankelijk is van de aanbestedende diensten en de basisinstantie.
Voor de benoeming en de beëindiging van het mandaat van de leden van deze onafhankelijke instantie gelden dezelfde voorwaarden als voor rechters, voor wat betreft de voor de benoeming bevoegde autoriteit, de duur van hun mandaat en hun afzetbaarheid. Ten minste de voorzitter van deze onafhankelijke instantie moet dezelfde juridische en beroepskwalificaties hebben als een rechter. De onafhankelijke instantie neemt haar besluiten na een procedure op tegenspraak en deze besluiten zijn, met middelen die door elke lidstaat worden vastgesteld, juridisch bindend."
6 De artikelen 8, 9 en 10 van richtlijn 92/50 luiden:
Artikel 8
"De opdrachten voor het verlenen van in bijlage IA vermelde diensten worden overeenkomstig de bepalingen van de titels III tot en met VI geplaatst."
Artikel 9
"De opdrachten voor het verlenen van in bijlage IB vermelde diensten worden overeenkomstig de artikelen 14 en 16 geplaatst."
Artikel 10
"De opdrachten die tegelijk betrekking hebben op in bijlage IA en in bijlage IB vermelde diensten, worden overeenkomstig de bepalingen van de titels III tot en met VI geplaatst indien de waarde van de in bijlage IA vermelde diensten hoger is dan die van de diensten welke in bijlage IB zijn vermeld en, zo niet, overeenkomstig de artikelen 14 en 16."
7 Ingevolge artikel 168 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21), moest richtlijn 92/50 vóór 1 januari 1995 in Oostenrijks recht worden omgezet.
Oostenrijks recht
8 Wat de deelstaat Karinthië betreft, is richtlijn 89/665 omgezet bij het op 1 januari 1994 in werking getreden Kärntner Auftragsvergabegesetz (wet van de deelstaat Karinthië inzake het plaatsen van overheidsopdrachten; LGBl. nr. 55/1994). § 59, lid 1, van hoofdstuk VIII ("rechtsmiddelen") bepaalt, dat de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de zin van die wet wordt gecontroleerd door de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten (onafhankelijk bestuursorgaan dat tot taak heeft de wettigheid van de bestuurshandelingen van de deelstaat te toetsen; hierna: "UVK").
9 De bepalingen betreffende dit orgaan zijn gegroepeerd in een bijzondere wet, het Kärntner Verwaltungssenatsgesetz (LGBl. nr. 104/1990). Die wet regelt inzonderheid de bevoegdheden, de samenstelling en de onafhankelijkheid van dit orgaan.
10 Vaststaat, dat richtlijn 92/50 in de deelstaat Karinthië eerst per 1 juli 1997 is omgezet.
De prejudiciële vragen
11 Verzoekster diende in het kader van een door verweerster georganiseerde aanbestedingsprocedure een offerte in betreffende de bouw van een kinderziekenhuis te Klagenfurt. De aanbesteding had betrekking op een aantal technische diensten: werkzaamheden inzake planning, advisering en studie voor de verschillende medische installaties.
12 Na gunning van de opdracht aan de Weense vennootschap CMT Medizintechnik Gesellschaft mbH stelde verzoekster, die zelf aan de aanbestedingsprocedure had deelgenomen, beroep in bij de UVK, betogende dat de aanbestedingsprocedure onwettig was wegens schending van de gemeenschapsregeling inzake overheidsopdrachten voor dienstverlening.
13 Van mening dat hij geen uitspraak kon doen over het bij hem aanhangig gemaakte geding zonder opheldering over de uitlegging van de richtlijnen 89/665 en 92/50 te hebben verkregen, heeft de UVK besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vijf prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Moet artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, aldus worden uitgelegd, dat de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten voldoet aan de voorwaarden om als voor de beroepsprocedures inzake dienstverlening verantwoordelijke instantie te kunnen worden beschouwd?
2) Moeten deze of andere bepalingen van richtlijn 89/665/EEG van de Raad houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, waaruit een individueel recht wordt afgeleid op inleiding van een beroepsprocedure bij autoriteiten of gerechten die aan de bepalingen van artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665/EEG voldoen, aldus worden uitgelegd, dat zij zo bepaald en concreet zijn, dat een particulier in geval van niet-omzetting van de betrokken richtlijn door de lidstaat zich in een procedure met succes tegenover die lidstaat op dat recht kan beroepen?
3) Moeten de bepalingen van artikel 41 van richtlijn 92/50/EEG, juncto richtlijn 89/665/EEG, op grond waarvan een particulier het recht heeft op inleiding van een beroepsprocedure, aldus worden uitgelegd, dat een nationale rechterlijke instantie met de bevoegdheden van de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten in een beroepsprocedure op grond van het nationale recht, zoals de §§ 59 en volgende van het Kärntner Auftragsvergabegesetz en de ter zake vastgestelde verordeningen, die bepalingen van nationaal recht buiten toepassing kan laten, wanneer deze bepalingen de inleiding van een beroepsprocedure op grond van het Kärntner Auftragsvergabegesetz voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening verhinderen, en zij derhalve wel een beroepsprocedure overeenkomstig hoofdstuk VIII van het Kärntner Auftragsvergabegesetz kan doen plaatsvinden?
4) Moeten de in de uiteenzetting van de feiten genoemde diensten, gelet op artikel 10 van richtlijn 92/50/EEG, worden beschouwd als in bijlage IA bij richtlijn 92/50/EEG, categorie 12, vermelde diensten (bouwkundige diensten; technische en geïntegreerde technische diensten; diensten van stedenbouw en landschapsarchitectuur; diensten voor aanverwante technische en wetenschappelijke advisering; diensten voor het uitvoeren van technische proeven en analyses)?
5) Moeten de bepalingen van richtlijn 92/50/EEG aldus worden uitgelegd, dat zij voldoen aan de voorwaarden die in punt 12 van het arrest van 14 december 1974, Van Duyn, worden gesteld voor de rechtstreekse toepassing van een communautaire richtlijn, zodat de in bijlage IA bij de richtlijn vermelde diensten in het kader van de daarin genoemde procedure moeten worden aanbesteed, of zijn de bepalingen van de richtlijn betreffende de in bijlage IA genoemde diensten van dien aard, dat zij aan de in dat arrest gestelde voorwaarden kunnen voldoen?"
De eerste vraag
14 Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen, of bepalingen als die welke haar samenstelling en werking regelen, voldoen aan de in artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 gestelde voorwaarden.
15 Er zij aan herinnerd, dat laatstgenoemde bepaling betrekking heeft op de organen die verantwoordelijk zijn voor de beroepsprocedures tegen besluiten van de basisinstanties die bevoegd zijn ter zake van de aanbesteding van overheidsopdrachten die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.
16 Ingevolge artikel 2, lid 8, eerste alinea, van richtlijn 89/665 hebben de lidstaten de keuze uit twee oplossingen voor de organisatie van een stelsel van toezicht op overheidsopdrachten.
17 De eerste oplossing houdt in, dat de bevoegdheid om kennis te nemen van beroepen wordt toegekend aan rechtsprekende instanties. Bij de tweede oplossing wordt deze bevoegdheid toegekend aan organen die geen rechtsprekende instantie zijn. In dat geval moet tegen de beslissingen van deze organen beroep kunnen worden ingesteld bij een rechter, dan wel bij een andere instantie, die dan, om een doeltreffend beroep te verzekeren, moet voldoen aan de bijzondere eisen van artikel 2, lid 8, tweede alinea, van richtlijn 89/665 (arrest van 4 februari 1999, Köllensperger, C-103/97, Jurispr. blz. I-551, punt 29).
18 Zoals de advocaat-generaal in de punten 12 tot en met 14 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bezit een orgaan als de UVK alle vereiste kenmerken om als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag te kunnen worden beschouwd.
19 Hieruit volgt, dat indien, zoals in een geval als dat van het hoofdgeding, de voor de beroepsprocedure verantwoordelijke instantie een rechterlijke instantie is, de bijzondere eisen van artikel 2, lid 8, tweede alinea, van richtlijn 89/665 niet gelden.
20 Gelet op een en ander, dient aan de verwijzende rechter te worden geantwoord, dat de in artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 gestelde voorwaarden niet gelden voor instanties waarvan de samenstelling en werking worden geregeld door voorschriften als die welke kenmerkend zijn voor deze rechterlijke instantie.
De tweede en de derde vraag
21 Met zijn tweede en zijn derde vraag, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, lid 8, of andere bepalingen van richtlijn 89/665 aldus moeten worden uitgelegd, dat, bij gebreke van omzetting van richtlijn 92/50 bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, de krachtens genoemd artikel 2, lid 8, opgerichte beroepsinstanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, tevens bevoegd zijn kennis te nemen van beroepen betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening.
22 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat het Hof in de arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult (C-54/96, Jurispr. blz. I-4961, punt 40), en 24 september 1998, Tögel (C-76/97, Jurispr. blz. I-5357, punt 22), heeft overwogen, dat de rechtsorde van elke lidstaat de rechterlijke instantie moet aanwijzen die bevoegd is om kennis te nemen van geschillen betreffende individuele rechten die aan de communautaire rechtsorde zijn ontleend, echter met dien verstande dat de lidstaten gehouden zijn in alle gevallen een effectieve bescherming van die rechten te verzekeren. Onverminderd dit laatste, dient het Hof zich niet in te laten met de beslechting van bevoegdheidsvragen die op het niveau van de nationale rechterlijke organisatie kunnen rijzen bij de kwalificatie van bepaalde op het gemeenschapsrecht gebaseerde rechtssituaties.
23 In punt 41, respectievelijk punt 23 van voormelde arresten heeft het Hof vervolgens vastgesteld, dat artikel 41 van richtlijn 92/50 de lidstaten weliswaar verplicht, de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat ter zake van overheidsopdrachten voor dienstverlening doeltreffend beroep kan worden ingesteld, doch niet voorschrijft, aan welke nationale instanties deze bevoegdheid moet worden verleend, noch dat dit dezelfde instanties moeten zijn als die welke de lidstaten hebben aangewezen ter zake van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken.
24 Vaststaat evenwel, dat op de datum waarop verzoekster bij de UVK beroep heeft ingesteld, richtlijn 92/50 in de deelstaat Karinthië niet was omgezet. De wet waarbij die omzetting heeft plaatsgevonden, is namelijk eerst op 1 juli 1997 in werking getreden.
25 In punt 43 van het arrest Dorsch Consult, respectievelijk punt 25 van het arrest Tögel, beide reeds aangehaald, heeft het Hof in herinnering gebracht, dat de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting van de lidstaten krachtens artikel 5 EG-Verdrag om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten gelden, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. Het heeft hieruit afgeleid, dat de nationale rechter bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, van het Verdrag te voldoen (zie arresten van 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8; 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, Jurispr. blz. I-6911, punt 20, en 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 26).
26 In punt 44 van het arrest Dorsch Consult, respectievelijk punt 26 van het arrest Tögel, beide reeds aangehaald, heeft het Hof bovendien opgemerkt, dat de aanwijzing van een instantie die bevoegd is om kennis te nemen van beroepen ter zake van overheidsopdrachten voor dienstverlening, ook relevant is bij gebreke van omzetting van richtlijn 92/50. Immers, in gevallen waarin een lidstaat heeft nagelaten de vereiste uitvoeringsmaatregelen vast te stellen of maatregelen heeft vastgesteld die niet in overeenstemming met een richtlijn zijn, heeft het Hof onder bepaalde voorwaarden het recht van de justitiabelen erkend om zich in rechte op een richtlijn te beroepen tegenover een lidstaat die zijn verplichtingen niet nakomt. Hoewel deze minimumwaarborg geen rechtvaardiging kan vormen voor het verzuim van een lidstaat om tijdig de aan het doel van elke richtlijn beantwoordende uitvoeringsmaatregelen te nemen (zie met name arrest van 2 mei 1996, Commissie/Duitsland, C-253/95, Jurispr. blz. I-2423, punt 13), kan hij niettemin tot gevolg hebben, dat de justitiabelen zich tegenover een lidstaat op de materiële bepalingen van richtlijn 92/50 kunnen beroepen.
27 Ten slotte heeft het Hof in punt 45, respectievelijk punt 27 van voormelde arresten in herinnering gebracht, dat indien de nationale bepalingen niet in overeenstemming met richtlijn 92/50 kunnen worden uitgelegd, de belanghebbenden volgens de desbetreffende procedures van nationaal recht vergoeding kunnen vorderen van de schade die zij hebben geleden doordat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet (zie met name arrest van 8 oktober 1996, Dillenkofer e.a., C-178/94, C-179/94, C-188/94-C-190/94, Jurispr. blz. I-4845).
28 Bijgevolg moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat noch artikel 2, lid 8, noch de andere bepalingen van richtlijn 89/665 aldus kunnen worden uitgelegd, dat, bij gebreke van omzetting van richtlijn 92/50 bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, de krachtens artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 opgerichte beroepsinstanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, tevens bevoegd zijn kennis te nemen van beroepen betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening. De vereisten inzake een met richtlijn 92/50 strokende uitlegging van het nationale recht en een effectieve bescherming van de rechten van de justitiabelen gebieden de nationale rechter evenwel, na te gaan of aan de desbetreffende bepalingen van nationaal recht voor de justitiabelen een recht van beroep ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening kan worden ontleend. In omstandigheden als die van het hoofdgeding dient de nationale rechter in het bijzonder na te gaan, of dit recht van beroep voor dezelfde instanties kan worden uitgeoefend als die welke zijn voorzien ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken.
De vierde vraag
29 Met zijn vierde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of diensten als die waarvoor de aanbesteding van verweerster is georganiseerd, onder categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50 vallen.
30 Categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50 omvat bouwkundige diensten, technische en geïntegreerde technische diensten, diensten van stedenbouw en landschapsarchitectuur, diensten voor aanverwante technische en wetenschappelijke advisering en diensten voor het uitvoeren van technische proeven en analyses.
31 Om de door de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie vermelde redenen is het duidelijk, dat diensten als die waarvoor verweerster een aanbesteding heeft georganiseerd, onder categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50 vallen.
32 Derhalve moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat diensten als die waarvoor de aanbesteding van verweerster is georganiseerd en die betrekking hebben op werkzaamheden inzake de uitwerking en uitvoering van projecten voor de bouw van een kinderkliniek in een ziekenhuis en de bijbehorende medische installaties, onder categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50 vallen.
De vijfde vraag
33 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de bepalingen van richtlijn 92/50 door particulieren voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen.
34 Zoals het Hof in punt 42 van het arrest Tögel, reeds aangehaald, in herinnering heeft gebracht, zijn particulieren volgens vaste rechtspraak (arrest van 20 september 1988, Beentjes, 31/87, Jurispr. blz. 4635, punt 40) gerechtigd om, in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, op deze bepalingen een beroep te doen tegenover de staat, wanneer deze hetzij verzuimt de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze doet.
35 Derhalve moet worden onderzocht, of de in geding zijnde bepalingen van richtlijn 92/50 inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om door particulieren tegenover de staat te worden ingeroepen.
36 Gelijk is overwogen in punt 44 van het arrest Tögel, reeds aangehaald, zijn de bepalingen van titel I, betreffende de materiële en personele werkingssfeer van de richtlijn, en van titel II, betreffende de procedures voor opdrachten die betrekking hebben op in de bijlagen IA en IB vermelde diensten, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om voor een nationale rechter te worden ingeroepen.
37 Ook is in punt 45 van het arrest Tögel, reeds aangehaald, overwogen, dat krachtens de artikelen 8 tot en met 10, die onder titel II vallen, op de aanbestedende diensten de onvoorwaardelijke en nauwkeurige verplichting rust, overheidsopdrachten voor dienstverlening te plaatsen volgens nationale procedures die overeenstemmen met de bepalingen van de titels III tot en met VI voor diensten die geheel of hoofdzakelijk onder bijlage IA vallen, en met de artikelen 14 tot en met 16 voor diensten die geheel of hoofdzakelijk onder bijlage IB vallen. Artikel 14 vormt titel IV, terwijl artikel 16 onder titel V valt.
38 Ten slotte heeft het Hof in punt 46 van dit arrest Tögel verklaard, dat de gedetailleerde bepalingen van de titels III tot met VI van richtlijn 92/50, betreffende de keuze van de procedure voor het plaatsen van de opdracht en de regels inzake prijsvragen voor ontwerpen, de gemeenschappelijke regels op technisch gebied en voor de bekendmaking, alsmede die inzake de deelneming, de criteria voor de kwalitatieve selectie en de gunningscriteria, behoudens uit de bewoordingen ervan voortvloeiende uitzonderingen en nuances, onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om door de inschrijvers voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen.
39 Mitsdien moet op de vijfde vraag worden geantwoord, dat op de bepalingen van de titels I en II van richtlijn 92/50 door particulieren rechtstreeks een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter. De bepalingen van de titels III tot en met VI kunnen door een particulier eveneens voor de nationale rechter worden ingeroepen, voor zover bij individueel onderzoek van de bewoordingen ervan blijkt dat zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 De kosten door de Oostenrijkse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Unabhängige Verwaltungssenat für Kärnten bij beschikking van 8 juli 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De voorwaarden gesteld in artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, gelden niet voor instanties waarvan de samenstelling en werking worden geregeld door voorschriften als die welke kenmerkend zijn voor deze rechterlijke instantie.
2) Noch artikel 2, lid 8, noch de andere bepalingen van richtlijn 89/665 kunnen aldus worden uitgelegd, dat bij gebreke van omzetting, bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, de krachtens artikel 2, lid 8, van richtlijn 89/665 opgerichte beroepsinstanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, tevens bevoegd zijn kennis te nemen van beroepen betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening. De vereisten inzake een met richtlijn 92/50 strokende uitlegging van het nationale recht en een effectieve bescherming van de rechten van de justitiabelen gebieden de nationale rechter evenwel, na te gaan of aan de desbetreffende bepalingen van nationaal recht voor de justitiabelen een recht van beroep ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening kan worden ontleend. In omstandigheden als die van het hoofdgeding dient de nationale rechter in het bijzonder na te gaan, of dit recht van beroep voor dezelfde instanties kan worden uitgeoefend als die welke zijn voorzien ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken.
3) Diensten als die waarvoor de aanbesteding van verweerster is georganiseerd en die betrekking hebben op werkzaamheden inzake de uitwerking en uitvoering van projecten voor de bouw van een kinderkliniek in een ziekenhuis en de bijbehorende medische installaties, vallen onder categorie 12 van bijlage IA bij richtlijn 92/50.
4) Op de bepalingen van de titels I en II van richtlijn 92/50 kan door particulieren rechtstreeks een beroep worden gedaan voor de nationale rechter. De bepalingen van de titels III tot en met VI kunnen door een particulier eveneens voor de nationale rechter worden ingeroepen, voor zover bij individueel onderzoek van de bewoordingen ervan blijkt dat zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.