HvJ EU 25 juni 1997, C-114/96, ECLI:EU:C:1997:316

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1 Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Verbod - Draagwijdte

(EG-Verdrag, art. 30)

2 Harmonisatie van wetgevingen - Maatregelen ter verwezenlijking van interne markt - Statistieken van goederenverkeer tussen Lid-Staten - Verordening nr. 3330/91 - Verplichting van ondernemingen, gedetailleerde aangifte van hun intracommunautaire in- en uitvoer te doen - Gerechtvaardigde belemmering van vrij verkeer van goederen - Wettigheid - Schending van evenredigheidsbeginsel - Geen

(Verordening nr. 3330/91 van de Raad)

Samenvatting

3 Het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking geldt niet enkel voor nationale maatregelen, maar evenzeer voor maatregelen die van de gemeenschapsinstellingen uitgaan.

4 Verordening nr. 3330/91 betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten, die ondernemingen zowel in de Lid-Staat van verzending als in die van bestemming van het goed verplicht een gedetailleerde aangifte van hun intracommunautaire in- en uitvoer te doen, heeft een gerechtvaardigd doel en de beperkingen die zij voor het vrij verkeer van goederen meebrengt, komen overeen met dit doel. Dit doel is, de verwezenlijking van de interne markt te bevorderen door een voldoende mate van informatie over het goederenverkeer tussen Lid-Staten te verkrijgen met middelen die geen controles aan de binnengrenzen met zich brengen. Belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen nu kunnen worden aanvaard, wanneer zij onontbeerlijk blijken om redelijk volledige en juiste gegevens over de intracommunautaire goederenbewegingen te verkrijgen.

De beperkingen die deze aangifteplicht meebrengt, die specifiek het grensoverschrijdend verkeer treft en met de vervulling waarvan kosten en tijd zijn gemoeid, in het bijzonder voor de kleine en middelgrote ondernemingen, gaan niet verder dan ter bereiking van het nagestreefde doel noodzakelijk is, mede gelet op de beoordelingsmarge die de gemeenschapswetgever in het kader van zijn harmonisatiebevoegdheden heeft, aangezien enerzijds verschillende drempels zijn vastgesteld om rekening te houden met de belangen van de ondernemingen en om hen niet onevenredig te belasten in verhouding tot de resultaten die de gebruikers van de statistieken mogen verwachten, en anderzijds de gemeenschapsinstellingen de ondernemingen kosteloos moderne middelen voor de verwerking van de gegevens ter beschikking hebben gesteld.

Partijen

In zaak C-114/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de police de Luxembourg, in de aldaar dienende strafzaak tegen

R. Kieffer en R. Thill,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EG) nr. 3330/91 van de Raad van 7 november 1991 betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten (PB 1991, L 316, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini (rapporteur), kamerpresident, J. L. Murray en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: M. B. Elmer

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Kieffer en Thill, vertegenwoordigd door M. Thewes, advocaat te Luxemburg, en A. Schumacher, bijzonder gemachtigde,

- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door N. Schmit, directeur economische betrekkingen en samenwerking bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door C. Giorgi, juridisch adviseur, en F. Anton, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur, J. Grunwald, bijgestaan door J.-F. Pasquier, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Kieffer en Thill, vertegenwoordigd door M. Thewes, de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door A. Lorang, advocaat te Luxemburg, de Raad, vertegenwoordigd door F. Anton, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. Grunwald, bijgestaan door J.-F. Pasquier, ter terechtzitting van 16 januari 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij beschikking van 2 april 1996, ingekomen bij het Hof op 9 april daaraanvolgend, heeft het Tribunal de police de Luxembourg krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EG) nr. 3330/91 van de Raad van 7 november 1991 betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten (PB 1991, L 316, blz. 1; hierna: "verordening").

2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen R. Kieffer en R. Thill, die ervan worden verdacht, in de jaren 1993 en 1994 te hebben verzuimd aangifte te doen van de statistische informatie die de verordening verlangt.

De verordening

3 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de verordening bepaalt: "Voor alle goederen die van de ene Lid-Staat naar een andere gaan, worden statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten opgemaakt." Daartoe wordt een permanent stelsel voor het verzamelen van statistische gegevens ingevoerd, het zogenoemde "Intrastat-stelsel" (artikel 6 van de verordening).

4 Artikel 5, eerste alinea, van de verordening stelt particulieren vrij van de verplichtingen die de opstelling van de in artikel 4 bedoelde statistieken met zich brengen. Artikel 5, tweede alinea, eerste zin bepaalt: "Deze vrijstelling is ook van toepassing op de informatieplichtige die als BTW-plichtige in de Lid-Staat waar hij belastingplichtig is, voor een van de in de artikelen 24 en 25 van richtlijn 77/388/EEG bedoelde bijzondere regelingen in aanmerking komt."

5 Volgens artikel 8, eerste alinea, van de verordening is iedere natuurlijke of rechtspersoon die bij een goederenverkeerverrichting tussen Lid-Staten is betrokken, verplicht die uit hoofde van dit stelsel verlangde informatie te verstrekken.

6 Voor de uit hoofde van de Intrastat-stelsel verlangde statistische informatie moeten volgens artikel 13, lid 1, van de verordening periodieke aangiften worden gedaan, die door de informatieplichtige met inachtneming van de door de Commissie volgens de beheerscomitéprocedure vastgestelde termijnen en voorwaarden aan de bevoegde nationale autoriteiten moeten worden toegezonden. Artikel 14 bepaalt, dat informatieplichtigen die niet aan de hun bij deze verordening opgelegde verplichtingen voldoen, onderhevig zijn aan de sancties die de Lid-Staten overeenkomstig de nationale bepalingen ter zake vaststellen.

7 De in artikel 8 bedoelde informatieplichtige is volgens artikel 20, sub 5, van de verordening de natuurlijke of rechtspersoon die:

"a) in de Lid-Staat van verzending woonachtig, respectievelijk gevestigd is, en die:

- afgezien van het vervoercontract, de overeenkomst heeft gesloten die de verzending van de goederen tot gevolg heeft, of anders

- de goederen verzendt of doet verzenden, of anders

- in het bezit is van de goederen die het voorwerp van de verzending zijn;

b) in de Lid-Staat van aankomst woonachtig, respectievelijk gevestigd is, en die:

- afgezien van het vervoercontract, de overeenkomst heeft gesloten die de levering van de goederen tot gevolg heeft, of anders

- de goederen in ontvangst neemt of in ontvangst doet nemen, of anders

- in het bezit is van de goederen die het voorwerp van de levering zijn".

8 Artikel 21 van de verordening bepaalt, dat de bij de bevoegde diensten in te dienen dragers van de statistische informatie, onverminderd artikel 34, de goederen zodanig moeten aanduiden, dat zij in de geldende versie van de gecombineerde nomenclatuur moeiteloos en nauwkeurig bij de fijnste onderverdeling waartoe zij behoren, kunnen worden ingedeeld, en dat voor iedere goederensoort ook het met de bedoelde onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur overeenkomende achtcijferige codenummer moet worden vermeld.

9 Artikel 23, leden 1 en 2, luidt als volgt:

"1. Op de bij de bevoegde diensten in te dienen drager van de statistische informatie moeten voor iedere goederensoort de volgende gegevens worden vermeld:

a) in de Lid-Staat van aankomst: de Lid-Staat van herkomst van de goederen in de zin van artikel 24, lid 1;

b) in de Lid-Staat van verzending: de Lid-Staat van bestemming van de goederen in de zin van artikel 24, lid 2;

c) de hoeveelheid goederen, in nettomassa en in bijzondere maatstaven;

d) de waarde van de goederen;

e) de aard van de transactie;

f) de leveringsvoorwaarden;

g) de vermoedelijke wijze van vervoer.

2. De Lid-staten mogen niet voorschrijven dat op de drager van de statistische informatie naast de in lid 1 bedoelde gegevens nog andere gegevens moeten worden vermeld, behalve:

a) in de Lid-Staat van aankomst: land van oorsprong; dit gegeven mag slechts worden verlangd voor zover het gemeenschapsrecht dit toelaat;

b) in de Lid-Staat van verzending: het gebied van oorsprong; in de Lid-Staat van aankomst: het gebied van bestemming;

c) in de Lid-Staat van verzending: de haven of luchthaven van laden; in de Lid-Staat van aankomst: de haven of luchthaven van lossen;

d) in de Lid-Staat van verzending en in de Lid-Staat van aankomst: de vermoedelijke haven of luchthaven van overlading in een andere Lid-Staat indien deze doorvoerstatistieken opstelt;

e) in voorkomend geval, het statistische stelsel."

10 In artikel 28, lid 1, van de verordening worden statistische drempels gedefinieerd als in waarden uitgedrukte limieten waarbeneden de verplichtingen van de betrokken informatieplichtigen wegvallen of verminderen. Uitsluitingsdrempels zijn drempels die gelden voor de in artikel 5, tweede alinea, bedoelde informatieplichtigen.

11 Assimilatiedrempels verlenen volgens artikel 28, lid 4, eerste en tweede alinea, de informatieplichtigen vrijstelling van de in artikel 13, lid 1, genoemde aangiften; deze informatieplichtigen voldoen aan hun verplichtingen ter zake met de periodieke belastingaangifte die zij als BTW-plichtigen moeten indienen. Deze drempels worden door de Lid-Staten vastgesteld op een niveau dat hoger ligt dan dat van de uitsluitingsdrempels. Vereenvoudigingsdrempels stellen volgens artikel 28, lid 5, de informatieplichtigen in staat af te wijken van artikel 23, door in de in artikel 13, lid 1, genoemde aangiften voor iedere goederensoort behalve het met de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur overeenkomende achtcijferige codenummer uitsluitend de Lid-Staat van herkomst of bestemming en de waarde van de goederen te vermelden. De assimilatie- en vereenvoudigingsdrempels worden uitgedrukt in jaarwaarden van intracommunautaire transacties (artikel 28, lid 6, eerste alinea).

12 Artikel 28, lid 6, derde alinea, bepaalt, dat de assimilatie- en vereenvoudigingsdrempels afzonderlijk worden toegepast op de deelnemers aan het intracommunautaire goederenverkeer bij verzending en op die bij aankomst.

13 Artikel 28, lid 8, bepaalt, dat de vereenvoudigingsdrempels worden vastgesteld op 100 000 ECU bij verzending en 100 000 ECU bij aankomst. De Commissie kan het niveau van de vereenvoudigingsdrempels verhogen overeenkomstig de beheerscomitéprocedure.

14 De Lid-Staten kunnen hun drempels hoger stellen (artikel 28, lid 9). Wanneer de toepassing van de assimilatie- en vereenvoudigingsdrempels door de Lid-Staten voor de kwaliteit van de statistiek van de handel tussen de Lid-Staten rekening houdend met de door de Lid-Staten verstrekte informatie, of voor de verlichting van de lasten voor de informatieplichtigen, zodanige gevolgen heeft dat de doelstellingen van deze verordening in het gedrang komen, stelt de Commissie bepalingen vast om de voorwaarden voor deze kwaliteit of deze lastenverlichting te herstellen (artikel 28, lid 10).

15 Artikel 34 ten slotte bepaalt:

"1. De Commissie kan, ter vereenvoudiging van de taak van de informatieplichtigen, overeenkomstig artikel 30, zowel voor goederen waarop het Intrastat-stelsel van toepassing is als voor andere goederen, vereenvoudigde procedures voor het verzamelen van de informatie vaststellen, en met name de voorwaarden scheppen voor een toepassing op ruimere schaal van automatische verwerking en elektronische overbrenging van de informatie.

2. Om rekening te houden met hun eigen administratieve organisatie mogen Lid-Staten andere dan de in lid 1 bedoelde vereenvoudigde procedures instellen, mits de informatieplichtigen tussen beide mogen kiezen."

De nationale regeling

16 Ingevolge artikel 7 van de Luxemburgse wet van 9 juli 1962 tot oprichting van een centrale dienst voor statistiek en economisch onderzoek, wordt niet-inachtneming van de door de verordening ingestelde aangifteplicht bestraft met een geldboete. Het bedrag van deze boete is herhaaldelijk verhoogd, laatstelijk bij artikel IX van de wet van 13 juni 1994 betreffende het penitentiair regime. Blijkens de verwijzingsbeschikking ligt het bedrag van de geldboete thans tussen 10 001 en 100 000 LFR.

17 Deze geldboete wordt opgelegd aan iedere natuurlijke persoon die verzuimt de aangifte te doen. Deze strafrechtelijke veroordeling wordt geregistreerd in de afdelingen nrs. 1 en 2 van het strafregister en komt aldus ter kennis van de justitiële autoriteiten, alsmede van de overheidsinstanties en publiekrechtelijke rechtspersonen die volgens artikel 1 van het ministerieel besluit van 22 november 1977 toegang hebben tot afdeling nr. 2 van het strafregister. Blijkens de verwijzingsbeschikking kan niet-betaling van de geldboete leiden tot executie van de door de strafrechter bepaalde vervangende hechtenis.

De voorgeschiedenis van het geschil

18 De verdachten in het hoofdgeding, directeuren van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Établissements Kieffer & Thill, exploiteren in Luxemburg een garagebedrijf met een werkplaats voor de reparatie van automobielen; voorts houden zij zich bezig met de koop en verkoop van verongelukte en tweedehands auto's, onderdelen en automobielaccessoires.

19 Zij worden vervolgd wegens overtreding van de uit de verordening voortvloeiende verplichting om de informatie over de in- en uitvoer van hun vennootschap aan te geven.

20 De verdachten hebben toegegeven, dat de waarde van de activiteiten van de vennootschap de vereenvoudigingsdrempel overschrijdt, die in Luxemburg 10 000 000 LFR bedraagt, zodat zij ingevolge de verordening maandelijks een gedetailleerde aangifte van alle naar een andere Lid-Staat geleverde goederen zouden moeten doen.

21 Zij stellen echter, dat de nakoming van deze verplichting de aanstelling van personeel vereist dan wel de inschakeling van derden waaraan deze taak wordt overgelaten, en dus hoe dan ook extra kosten meebrengt. De noodzaak van dergelijke kosten zou op zijn minst indirect remmend werken op de inspanningen om meer te exporteren dan tot de jaarlijkse drempel waarbij deze aangiften moeten worden gedaan. Bovendien zou deze belemmering de afzet van de goederen op de nationale markt bevorderen.

22 De verwijzende rechter is van oordeel, dat de door de verordening verlangde gedetailleerde aangifte een extra last betekent, die handelaren die uitsluitend op de nationale markt actief zijn, niet hebben. Van deze aangifteplicht en de daarmee samenhangende toeneming van de verplichtingen waaraan de betrokken ondernemingen moeten voldoen, zou naar zijn oordeel bovendien een afschrikkende werking kunnen uitgaan op de in Luxemburg gevestigde kleine en middelgrote ondernemingen die, gezien de geringe omvang van het Luxemburgse grondgebied, mede buiten het nationale grondgebied opereren.

23 Onder deze omstandigheden moet naar zijn oordeel worden getoetst, of een dergelijke belemmering gerechtvaardigd wordt door de met de verordening nagestreefde doelstellingen en of deze doelstellingen niet met minder ingrijpende middelen kunnen worden bereikt. Hij heeft derhalve besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

"1) Heeft verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad van 7 november 1991 een ingevolge de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking van het goederenverkeer tussen de Lid-Staten ingevoerd, voor zover zij de Lid-Staten verplicht, van elke onderneming die de vastgestelde uitsluitings-, assimilatie- en vereenvoudigingsdrempels overschrijdt, een gedetailleerde aangifte van al haar intracommunautaire in- en uitvoer te verkrijgen?

2) Vormt de verplichting om zowel in het land van herkomst van de uitgevoerde goederen als in het land van bestemming de uit hoofde van het Intrastat-stelsel verlangde gegevens te verstrekken, waarvan de niet-naleving naar Luxemburgs recht strafrechtelijk wordt vervolgd in geval van weigering, de verlangde gegevens aan de centrale dienst voor statistiek en economisch onderzoek door te geven, voor de marktdeelnemers een ongerechtvaardigde en onevenredige dwangmaatregel, gelet op het nagestreefde doel van algemeen belang, en is zij derhalve in strijd met artikel 3 B, derde alinea, EEG-Verdrag, ingelast bij artikel G, sub 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992?"

De prejudiciële vragen

24 De nationale rechter wenst met zijn vragen in wezen te vernemen, of de verordening ongeldig is voor zover zij de Lid-Staten verplicht, van elke onderneming die de vastgestelde uitsluitings-, assimilatie- en vereenvoudigingsdrempels overschrijdt, een gedetailleerde aangifte van al haar intracommunautaire in- en uitvoer te verkrijgen. In de eerste plaats zouden de aldus aan de ondernemingen opgelegde verplichtingen een ingevolge de artikelen 30 en 34 EG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking kunnen vormen. In de tweede plaats zou de verplichting om zowel in het land van herkomst van de uitgevoerde goederen als in het land van bestemming de uit hoofde van het Intrastat-stelsel verlangde gegevens te verstrekken, voor de marktdeelnemers een ongerechtvaardigde en onevenredige dwangmaatregel kunnen vormen, gelet op het nagestreefde doel van algemeen belang, en derhalve in strijd kunnen zijn met het evenredigheidsbeginsel.

25 Met betrekking tot het eerste aspect hebben de verdachten in het hoofdgeding gesteld, dat de verordening kosten en lasten meebrengt voor de ondernemingen, aangezien voor elke transactie, ongeacht de waarde ervan, een hele reeks ingewikkelde gegevens moet worden opgezocht, zoals onder meer het achtcijferige codenummer van de gecombineerde nomenclatuur. Voorts gaat de aangifteplicht huns inziens verder dan noodzakelijk is, gelet op de gedetailleerde aard ervan en op het feit dat zowel in de Lid-Staat van verzending als in die van bestemming van het goed aangifte moet worden gedaan.

26 De Luxemburgse regering, de Raad en de Commissie daarentegen benadrukken het belang van een voldoende nauwkeurige kennis van de intracommunautaire goederenstromen voor de interne markt. Verder menen zij, dat de beperkingen die de aangifteverplichtingen eventueel zouden kunnen teweegbrengen voor het vrij verkeer van goederen, te indirect en toevallig zijn om van een belemmering van de intracommunautaire handel te kunnen spreken. Het door de verordening ingevoerde nieuwe systeem voor het verzamelen van gegevens zou de ondernemingen juist minder belasten dan het oude systeem en duidelijke voordelen voor hen hebben opgeleverd.

27 Volgens vaste rechtspraak geldt het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking niet enkel voor nationale maatregelen, maar evenzeer voor maatregelen die van de gemeenschapsinstellingen uitgaan (zie in deze zin, onder meer, arresten van 17 mei 1984, zaak 15/83, Denkavit Nederland, Jurispr. 1984, blz. 2171, r.o. 15, en 9 augustus 1994, zaak C-51/93, Meyhui, Jurispr. 1994, blz. I-3879, r.o. 11).

28 Het staat vast, dat de gedetailleerde aard van de aangifteplicht evenals het feit dat zowel in de Lid-Staat van verzending als in die van bestemming van het goed aangifte moet worden gedaan, beperkingen teweegbrengt voor het vrij verkeer van goederen.

29 Blijkens de eerste overweging van de considerans heeft de verordening evenwel tot doel, de verwezenlijking van de interne markt te bevorderen door een voldoende mate van informatie over het goederenverkeer tussen Lid-Staten te verkrijgen met middelen die geen controles aan de binnengrenzen met zich brengen. Naar voorts uit de derde overweging van de considerans blijkt, bestaat op verschillende communautaire beleidsterreinen behoefte aan cijfermateriaal dat een zo actueel, exact en gedetailleerd mogelijk beeld van de interne markt verschaft.

30 Het Hof heeft er reeds op gewezen, dat belemmeringen voor het vrij verkeer van goederen kunnen worden aanvaard, wanneer zij onontbeerlijk blijken om redelijk volledige en juiste gegevens over de intracommunautaire goederenbewegingen te verkrijgen (zie, onder meer, arrest van 25 oktober 1979, zaak 159/78, Commissie/Italië, Jurispr. 1979, blz. 3247, r.o. 7).

31 Het doel van de verordening, de verwezenlijking van de interne markt te bevorderen door de opstelling van statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten, blijkt derhalve gerechtvaardigd. Bovendien komen de beperkingen die de verordening meebrengt, met dit doel overeen. Rest nog de vraag, of deze beperkingen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.

32 Te dien aanzien merkt de Raad in de eerste plaats op, dat het risico van extra kosten beperkt is, aangezien de ondernemingen over alle relevante gegevens beschikken op het moment van uitvoering van hun handelstransacties. In de tweede plaats zouden de verschillende drempels juist zijn ingevoerd om met de belangen van de informatieplichtigen rekening te kunnen houden. In de derde plaats staan de ondernemingen kosteloos moderne middelen voor de verwerking van de gegevens ter beschikking, zoals - op communautair vlak - het door de Commissie ontwikkelde IDEP/CN8-invoerprogramma.

33 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij het onderzoek van de vraag, of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, worden nagegaan, of de aangewende middelen geschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (arrest van 9 november 1995, zaak C-426/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-3723, r.o. 42).

34 Ofschoon de uit de verordening voortvloeiende aangifteplicht specifiek het grensoverschrijdend verkeer treft en met de voldoening aan deze verplichting tijd en kosten zijn gemoeid, in het bijzonder voor de kleine en middelgrote ondernemingen, volgt daaruit niet noodzakelijkerwijs, dat deze beperkingen onevenredig zijn aan het nagestreefde doel.

35 Immers, ook al moeten de ondernemingen elke transactie in de aangifte opnemen, er zijn toch verschillende drempels vastgesteld om met hun belangen rekening te houden en hen niet onevenredig te belasten in verhouding tot de resultaten die de gebruikers van de statistieken mogen verwachten.

36 Bovendien hebben de gemeenschapsinstellingen, zoals de Raad heeft beklemtoond, de ondernemingen kosteloos moderne middelen voor de verwerking van de gegevens ter beschikking gesteld, zoals het IDEP/CN8-invoerprogramma.

37 De door de verordening ingestelde aangifteplicht blijkt derhalve niet verder te gaan dan ter bereiking van het doel van de verordening noodzakelijk is. Dit geldt temeer, waar de gemeenschapswetgever in het kader van zijn harmonisatiebevoegdheden een beoordelingsmarge heeft, zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft aanvaard (zie, onder meer, arrest Meyhui, reeds aangehaald, r.o. 21).

38 Met betrekking tot het tweede aspect van de vragen van de nationale rechter volgt uit de rechtsoverwegingen 33 tot en met 37 van dit arrest, dat de uit de verordening voortvloeiende aangifteplicht evenredig is aan het nagestreefde doel van algemeen belang.

39 Bijgevolg moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de verordening niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

40 De kosten door de Luxemburgse regering, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal de police de Luxembourg bij beschikking van 2 april 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Bij onderzoek van verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad van 7 november 1991 betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen Lid-Staten, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.

Aangehaald in